24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

De gelijkenis van het verloren schaap

De gelijkenis van het verloren schaap

“Wat mens onder u, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde? En als hij het gevonden heeft, legt hij het op Zijn schouders, verblijd zijnde. En thuis komende, roept hij de vrienden en de geburen samen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.” Lukas 15:4-7

Terwijl onze Heere Jezus Christus hier op aarde was, heeft Hij zich voortdurend bezig gehouden met verloren zielen te zoeken. Hij zocht verloren mannen en vrouwen; en het was om die reden, dat Hij zich onder hen begaf, onder hen namelijk, die blijkbaar verloren waren, opdat Hij hen zou kunnen vinden. Hij nam de moeite om dáár heen te gaan, waar Hij in aanraking met hen kon komen; en Hij betoonde hun zó grote vriendelijkheid, dat zij in ganse menigten tot Hem heenstroomden om Hem te horen. Mij dunkt, het moet wel een vreemdsoortige vergadering geweest zijn, een berucht grauw, dat zich rondom de Heere Jezus verzameld had. Het verbaast mij niet, dat de Farizeeër, als hij die menigte aanzag, smalend opmerkte: “Hij verzamelt het uitschot van de maatschappij om zich heen, de ellendelingen, die tol en belastingen innen voor de vreemdeling en verdrukker van Gods vrije volk. De gevallen vrouwen uit de steden, en al zulk gespuis vormt zijn gehoor. En in plaats van hen terug te wijzen, ontvangt Hij hen, heet hen welkom, beschouwt hen als een klasse van mensen, op welke Hij een bijzondere betrekking heeft. Hij eet zelfs met hen. Ging hij niet in het huis van Zacheüs, en het huis van Levi om aan te zitten aan de maaltijd, die deze lage lieden voor Hem hadden aangericht?” Wij kunnen u al de gedachten van de Farizeeër niet meedelen, het zou niet tot stichting dienen om het te beproeven; maar vanwege het gezelschap, dat Hem omringde, hebben zij zo slecht mogelijk over onze Heere gedacht. En zo verwaardigt Hij zich in deze gelijkenis om zich te verdedigen; niet terwijl Hij zich bekommerde om hetgeen zij dachten, maar opdat zij geen verontschuldiging zouden hebben voor hun vijandig spreken van Hem. Hij zei hun, dat Hij het verlorene zocht; en waar anders moest Hij wezen dan onder hen, die hij zocht? Moet een arts de kranken mijden? Moet een herder het verloren schaap uit de weg gaan? Was Hij niet juist op de juiste plaats, als “al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem om Hem te horen.”

Onze Heere verdedigde zich door het geen men noemt een argumentum ad hominem, dat is, door een argument of bewijs op de man af; want Hij zei: “Wat mens onder U, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, totdat hij hetzelve vinde?” Geen argument werkt krachtiger op de mensen dan een argument, dat in innig verband staat met hun eigen dagelijks leven; en de Heiland heeft dit alzo gebruikt. Zo zij al niet overtuigd werden, waren zij ten minste tot zwijgen gebracht. Het was een bijzonder krachtig argument; omdat er bij hen slechts sprake was van één schaap, dat zij zouden gaan zoeken; terwijl hetgeen Hij zocht van oneindig groter waarde was, dan al de kudden van schapen, die ooit op Saron of Karmel geweid hebben, want het was de ziel van de mens, die Hii zocht te redden. Er was in dit argument niet slechts het punt van zeer bijzondere toepasselijkheid; maar er was een ontzaglijke kracht in om het te doen doordringen tot ieder oprecht hart. “Indien een iegelijk van u, mensen, een verloren schaap zou gaan zoeken, deszelfs spoor zou volgen, totdat gij het hebt gevonden, hoe veel te meer mag Ik dan niet heengaan om verloren zielen te zoeken, ze te volgen op haar dwaalwegen, totdat Ik ze kan redden?” Het zoeken van het schaap is een deel van de gelijkenis, dat onze Heere hen wilde doen opmerken. De herder volgt een weg, die hij nooit zou volgen, indien hij alleen met zijn eigen genoegen te rade ging. Hij kiest die weg niet voor zijn vermaak of genoegen, maar om de wil van het verloren schaap. Hij volgt zijn spoor op berg en in dal, ver weg in de woestijn, of in een donker woud, om de eenvoudige reden dat het schaap die weg was gegaan, en dat hij het moet volgen, totdat hij het heeft gevonden.

Uit smaak, of voor zijn genoegen, zou onze Heere Jezus Christus nooit in het gezelschap van tollenaren en zondaren zijn gevonden, noch in het gezelschap van iemand anders uit ons schuldig geslacht. Indien Hij met zijn eigen gemak of genot te rade was gegaan, Hij zou zich alleen met de heilige en reine engelen vergezelschapt hebben, en met de grote Vader hier boven. Maar Hij dacht niet aan zich zelf, zijn hart was met de verlorenen; en daarom ging Hij, waar de verloren schapen waren; “want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.” Hoe aandachtiger gij deze gelijkenis bij u zelf overweegt, hoe duidelijker gij zult zien, dat het antwoord van onze Heere volledig was. Wij behoeven het heden niet uitsluitend als een antwoord aan de Farizeeën te beschouwen, maar er ook voor ons zelf lering in vinden; want ook hiervoor is het even volledig. Moge de goede Geest ons onderwijzen, terwijl wij er over nadenken.

I.

Ik zal in de eerste plaats uw aandacht bepalen bij deze opmerking: HET ÉNE ONDERWERP VAN GEDACHTEN voor de man, die zijn schaap had verloren. Dit toont ons de enige gedachte van onze Heere Jezus Christus, de Goede Herder, als Hij een mens verloren ziet voor heiligheid en gelukzaligheid, doordat hij weg gedwaald is in de zonde.

De herder, zijn kleine kudde van honderd schapen overziende, kan er slechts negen en negentig tellen. Hij telt ze nog eens, en hij bemerkt dat één schaap weg is. Het is misschien een schaap met witte kop en een zwarte plek op de voet. Hij weet alles van dat schaap, want “de Heere kent degenen, die de zijnen zijn.” De herder heeft van het dwalende schaap een foto in het oog van zijn geest; en nu denkt hij maar weinig aan de negen en negentig, die in de weiden van de woestijn grazen, maar zijn hart is onrustig in hem over dat ene verloren schaap. Dit éne denkbeeld heeft zich meester gemaakt van geheel zijn ziel: één schaap is verloren!”

Dit verontrust en ontroert hem al meer en meer – “een schaap is verloren!” Het neemt al zijn geestvermogens in beslag. Hij kan geen brood eten; hij kan niet naar huis terugkeren; hij kan niet rusten, terwijl er een schaap verloren is.

Voor een teer gemoed is een verloren schaap iets pijnlijks om aan te denken. Het is een schaap, en dus volkomen weerloos, nu het zijn beschermer verlaten heeft. Indien de wolf het bespeurt, of indien de leeuw of de beer het ontmoet het zou terstond verscheurd worden. En zo vraagt de herder zich af: “Wat zal er van mijn schaap worden? Wellicht is op dit eigen ogenblik de leeuw gereed het te bespringen, en dan kan het zich niet verweren!” Een schaap kan niet vechten, en zelfs voor de vlucht bezit het de snelheid niet van zijn vijand. Het maakt zijn medelijdende eigenaar nog treuriger als hij denkt – “Een schaap is verloren, en loopt groot gevaar van een wrede dood te sterven.” Een schaap is van alle schepselen het onverstandigst. Als wij een hond verloren hebben, kan hij wellicht zelf wel de weg naar huis vinden; een paard zou ook wel naar de stal van zijn meester kunnen terugkeren; maar een schaap zal voort blijven dwalen, totdat het als in een doolhof geheel verloren is. Het is te onverstandig om aan terugkeren naar de plaats van veiligheid te denken.

In landen waar de weilanden niet omheind, en de vlakten grenzenloos zijn, is een verloren schaap in waarheid verloren. Dat feit is de man gedurig voor ogen – “Een schaap is verloren, en het zal niet terugkomen, want het is een dwaas schepsel. Waar kan het niet al heen gedwaald zijn? Vermoeid en afgemat, kan het bezwijken, omkomen van honger te midden van de kale rotsen of het dorre zand.” Een schaap is onbeholpen; het heeft er niet het minste begrip van om zelf in zijn behoefte te voorzien. De kameel kan op verre afstand reeds water ruiken; de gier kan op ontzettend grote afstand zijn voedsel bespeuren; maar het schaap kan niets voor zich zelf vinden.

Van alle ongelukkige schepselen is een verloren schaap er het ergst aan toe. Indien iemand op dat ogenblik tot de herder was gekomen, en tot hem had gezegd: “Vriend, wat deert u? Gij schijnt in grote zorg te zijn”‘; hij zou geantwoord hebben: “Daar heb ik wel waarlijk reden toe, want er is een schaap verloren.” “Het is er slechts één, en ik zie, dat gij er nog negen en negentig over hebt.” “Acht gij het weinig om er een te verliezen? Gij zijt geen herder, of gij zoudt zo niet spreken. Ach, het is mij, alsof ik de negen en negentig, die allen in veiligheid zijn, vergeet, en slechts aan dat ene kan denken; hetwelk verloren is.”

Hoe komt het, dat de grote Herder het verlies van één schaap van zijn kudde zo ter harte neemt? Waarom is Hij zo ontroerd bij de gedachte -“één van die” te verliezen?

Ik denk ten eerste, omdat het zijn eigendom is. De gelijkenis spreekt niet zo zeer van een gehuurde herder als wel van een herder, die de eigenaar is van de schapen. “Wat mens onder u, hebbende honderd schapen, en één van die verliezende.” Op een andere plaats spreekt Jezus van de huurling, wie de schapen niet eigen zijn, en dus vliedt, als de wolf komt. Het is de herder-eigenaar, die zijn leven stelt voor de schapen. Het is maar niet een schaap en een verloren schaap; het is een van zijn eigen schapen, waar die man in zorg over is. Deze gelijkenis is niet geschreven voor de verloren mensheid in het groot algemeen – het kan, indien gij wilt, ook daarvoor gebruikt worden; maar er worden toch in de eerste plaats Christus’ eigen schapen mee bedoeld; gelijk ook in de tweede gelijkenis van het eigen geld van de vrouw wordt gesproken; en in de derde niet iets verhaald wordt over de een of andere losbandige jongeling, maar over de eigen zoon van de vader. Jezus heeft zijn eigen schapen; en sommigen er van zijn verloren; ja eenmaal waren zij allen in die toestand; want “wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg.” De gelijkenis heeft betrekking op hen, die Jezus gekocht heeft met zijn dierbaar bloed, maar die nog onbekeerd zijn, en waarvoor Hij gekomen is om ze te zoeken en zalig te maken. Dat zijn die andere schapen, die Hij ook moet toebrengen. “Want zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik, ja Ik zal naar mijn schapen vragen en zal ze opzoeken. Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden van zijn verspreide schapen is, alzo zal Ik mijn schapen opzoeken; en ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarheen zij verstrooid zijn, ten dage der wolke en der donkerheid.” De schapen van Christus zijn zijn eigendom, lang vóórdat zij het weten – zij zijn de zijne zelfs als zij afdwalen. En als zij door de krachtige werking van zijn genade in de schaapskooi zijn gebracht, dan worden zij in het openbaar wat zij reeds vanouds in het verbond geweest zijn. De schapen zijn van Christus, ten eerste, omdat Hij hen van voor de grondlegging der wereld heeft uitverkoren – “Gij hebt mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren.” De zijne, vervolgens, omdat de Vader ze Hem gegeven heeft. Hoe verwijlt hij niet bij dat feit in zijn heerlijk gebed in Johannes 17: “Zij waren uwe, en Gij hebt ze mij gegeven”; Vader! ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt.”

Wij zijn de eigen kudde van de Heere, ook wijl Hij ons gekocht heeft. “Ik stel mijn leven voor de schapen”, zegt Hij. Het is bijna negentien eeuwen geleden, sedert Hij de losprijs betaald heeft, en ons gekocht heeft om de zijnen te zijn; en wij zullen de zijnen zijn, want dat losgeld is niet te vergeefs betaald. En zo ziet de Heiland op zijn handen, en ziet het merk van zijn koop; Hij ziet op zijn zijde, en ziet het teken van de afdoende, volkomen verlossing van zijn uitverkorenen, daar Hij voor de levende God zijn bloed heeft uitgestort en hen aldus ten eigendom heeft verkregen. Deze gedachte dringt zich dus aan Hem op: “Een van mijn schapen is verloren.”

Het is een vreemde veronderstelling, die in deze gelijkenis ligt opgesloten – “indien hij één van die verliest.” Hoe! één te verliezen, die Hij lief heeft gehad eer de wereld was? Het kan voor een ogenblik afdwalen, maar Hij kan het niet voor altijd verloren laten gaan. Dat zou Hij niet kunnen dragen. Eén verliezen, dat Hij met zijn eigen leven heeft gekocht? Hij kan het denkbeeld niet verdragen. Dat woord “één van die verliezende” doet Zijn ziel ontvlammen. Dat zal niet geschieden. Gij weet op hoe hoge prijs de Heere ieder van zijn uitverkorenen gesteld heeft, daar Hij voor hun verlossing zijn leven heeft gegeven. Gij weet hoe lief Hij ieder van de zijnen heeft. Het is voor Hem geen nieuwe liefde; en het is ook geen liefde, die bij Hem oud kan worden. Hij heeft de zijnen liefgehad en moet hen tot het einde toe liefhebben. Die liefde heeft reeds van eeuwigheid af bestaan, en zij moet door alle eeuwen heen blijven bestaan, want Hij verandert niet. Zal Hij een van degenen verliezen, die Hij zo teer liefheeft? Nooit, nooit!

Hij heeft een eeuwig bezit in hen door een zoutverbond, waarin de Vader ze Hem gegeven heeft. Dit is het in grote mate, waardoor zijn ziel beroerd wordt, zodat Hij aan niets anders kan denken dan aan dit feit: – Een van mijn schapen is verloren.

Ten tweede. Hij heeft nog een reden voor die alles beheersende gedachte, namelijk; zijn groot medelijden met zijn verloren schaap. Het dwalen van een ziel kost Jezus diepe smart; Hij kan de gedachte niet verdragen, dat zij zou omkomen. De liefde en tederheid van zijn hart zijn zo groot, dat Hij het niet dragen kan dat een van de zijnen in gevaar is. Hij kan niet rusten zolang een ziel, voor welke Hij zijn bloed gestort heeft, nog onder de heerschappij van Satan is en onder de macht van de zonde. Daarom zal de grote Herder nacht noch dag zijn schaap vergeten; Hij moet zijn kudde behouden, en Hij wordt geperst totdat dit volbracht is.

Hij heeft een innig medegevoel met ieder verdoold hart. Hij kent de smart, die door de zonde wordt teweeggebracht, de verontreiniging en de schrikkelijke verwonding, die het gevolg zijn van de overtreding, zelfs reeds in dit leven; het treurige hart en het verbroken gemoed, dat hier weldra uit geboren zal worden; en daarom treurt de medegevoelende Heiland over ieder verloren schaap, want Hij weet welk een ellende er ligt opgesloten in het feit van verloren te zijn. Indien gij ooit in een huis waart met een moeder en een vader, en dochters en zonen, als een klein kind verloren was, dan zult gij de ontroering van ieder lid van dat gezin nooit vergeten. Beschouw de vader, als hij naar het politiebureau gaat, en elk huis binnentreedt, want hij moet zijn kind vinden, of zijn hart zal breken. Aanschouw de diepe neerslachtigheid en de angst van de moeder; het is alsof zij van haar zinnen beroofd is, zo lang er geen tijding is van haar lieveling. Nu begint gij te begrijpen wat Jezus gevoelt voor iemand, die Hij liefheeft, die in zijn handpalmen is gegraveerd, op wie Hij in de spiegel van zijn voorkennis gezien heeft, toen Hij zijn leven heeft weggebloed aan het kruis. Hij heeft geen rust in zijn gemoed, totdat zijn beminde gevonden is. Hij heeft ontferming als God, en die overtreft alle mededogen van ouders of broeders, – de ontferming van een oneindig hart, overvloeiend van liefde. Deze ene gedachte wekt het medelijden van de Heere op – “een van die verliezende.”

De man in de gelijkenis had daarenboven nog een derde betrekking op het schaap, die hem met deze ene gedachte vervulde: – hij was er de herder van. – Het was zijn eigen schaap, juist daarom was hij er de herder van geworden. En nu zegt hij bij zich zelf: “Indien ik één van mijn schapen verlies, dan zal mijn herderswerk slecht gedaan wezen.” Welk een oneer zou het voor een herder zijn om één van zijn schapen te verliezen! Het moet òf uit gebrek aan bekwaamheid wezen om het te bewaren, òf uit gebrek aan goede wil, òf uit gebrek aan werkzaamheid; maar niets van dit alles kan aan de opperste Herder worden toegeschreven. Het zal nooit van de Heere Jezus Christus gezegd kunnen worden, dat Hij één van de zijnen heeft verloren, want Hij stelt er zijn eer in ze allen bewaard te hebben. “Toen ik met hen in de wereld was, bewaarde ik ze in uw naam. Die Gij mij gegeven hebt, heb ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.” De duivel zal nooit zeggen, dat Jezus één van hen, die de Vader Hem heeft gegeven, verloren heeft laten gaan. Zijn werk van de liefde kan in geen enkel opzicht mislukken. Zijn dood te vergeefs! Neen, in geen jota of tittel! Ik kan mij voorstellen, dat de Zoon van God – indien dit mogelijk was – te vergeefs zou leven: maar te vergeefs sterven? Dat zal nimmer geschieden. Het doel, dat Hij door zijn lijden en sterven heeft willen bereiken, zal Hij bereiken, want Hij is de Eeuwige, de Oneindige, de Almachtige; en wie zal zijn hand keren, of zijn raadslag te niet maken? Hij zal het niet toelaten. “Indien hij één van die verliest!” Stelt u voor wat daar de gevolgen van zouden zijn. Wat minachting zou er van Satan komen! Welk een smaad zou hij uitstorten over de Herder! Hoe zou de hel weerklinken van de tijding: “Hij heeft één van die verloren!” Gesteld eens, het was het zwakste; dan zouden zij roepen: “De sterken kon Hij wel bewaren.” Gesteld het was het sterkste; dan zouden zij roepen: “Zelfs een der machtigsten van hen kon Hij niet bewaren, maar moet hem laten omkomen.” Dit is een goed argument, want Mozes pleitte bij God: “Wat zullen de Egyptenaren zeggen?” Het is de wil niet van uw Vader, die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren ga, en het is ook niet tot eer van Christus, dat één van zijn eigen schapen voor eeuwig verloren zal gaan.

Gij ziet de reden, waarom het hart van de Heere vervuld is van die ene brandende gedachte; want ten eerste het schaap is zijn eigendom: ten tweede, Hij is vol van mededogen; en eindelijk, het is zijn werk, zijn ambt om de kudde te hoeden.

Maar gedurende al die tijd denkt het schaap niet aan de herder, ja bekommert zich niet het minst om hem. Sommigen van u denken in het geheel niet aan de Heere Jezus. Gij hebt noch de wil noch de wens Hem te zoeken! Welk een dwaasheid’. O, hoe treurig is het, dat het grote hart van Christus heden naar u smacht, en geen rust kan vinden, omdat gij in gevaar zijt: terwijl gij, die verre weg het meest er bij verliest, want gij zult uw eigen ziel verliezen, speelt met de zonde, en u vrolijk maakt met het verderf. Helaas! hoe schrikkelijk ver zijt gij afgedwaald! Hoe hopeloos zou uw toestand zijn, indien er geen almachtige Herder was om aan u te denken.

II.

Nu komen wij tot het tweede punt, en letten op HET ENIG VOORWERP VAN DAT ZOEKEN. Dit schaap ligt op het hart van de herder gebonden, en hij moet terstond heengaan om het te zoeken. Hij laat de negen en negentig in de woestijn, en gaat heen om dat ene te zoeken totdat hij het heeft gevonden.

Merkt hier op, dat het een zoeken is naar een bepaald voorwerp. De herder zoekt het schaap, en niets anders; en hij heeft dit bijzonder schaap op het oog. Ik heb over deze tekst horen spreken op een manier, die mij deed denken, dat Christus, de Herder, heenging naar de woestijn, om elk schaap te zoeken, aan wie dit overigens ook mocht toebehoren. Er waren daar velen, en Hij kende ze niet uit elkaar, maar vergenoegde zich met het eerste het beste, dat Hem in handen zou komen, of liever gezegd, het eerste, dat Hem zou nalopen om zich door Hem te laten grijpen. Maar zo wordt in de gelijkenis de zaak niet voorgesteld. Het is zijn eigen schaap, dat hij zoekt; en daarvoor alleen begeeft Hij zich op weg. Het is zijn schaap, dat verloren was – een welbekend schaap; welbekend niet slechts aan hem zelf, maar zelfs aan zijn vrienden en geburen, – want hij spreekt er van alsof ieder volkomen begreep, welk schaap Hij ging redden. Jezus weet alles van zijn verlosten; en Hij gaat bepaaldelijk uit om zó of zó een schaap te redden. Als ik in de naam van de Heere predik, dan is het mij een genot te denken, dat ik met de boodschap der genade tot afzonderlijke personen ben gezonden. Ik zal mijn pijl volstrekt niet maar bij geval afschieten; maar als Gods handen de mijne besturen om de boog te spannen, dan weet de Heere het doel volkomen te treffen; dan zal het woord doordringen tot in het binnenste van het hart, want er is geen “bij geval” in Jezus’ handelingen met de mensen. Hij onderwerpt de wil, en overwint het hart, en maakt zijn volk zeer gewillig ten dage van zijn heirkracht.

Hij roept afzonderlijke personen, en zij komen. Hij zegt “Maria,” en het antwoord luidt: Rabbouni.” Ik zeg, dat de man in de gelijkenis een bepaald voorwerp zocht, en niet rustte voor dat hij het had gevonden; en zo gaat ook de Heere Jezus in de beweging van zijn liefde niet uit tot iets onbestemds, Hij tast niet in den blinde, om te grijpen, wie Hem voor de hand komt, neen, Hij zoekt en maakt zalig diegene van zijn schapen, waarop Hij het oog gevestigd heeft in deszelfs afdwalingen. Jezus weet wat Hij voornemens is te doen, en tot eer van zijn Vader zal Hij het ook doen.

Merk op, dat dit een zoeken is, dat het ganse hart inneemt. Hij denkt aan niets anders dan aan zijn verloren schaap. De negen en negentig worden wel in veiligheid verlaten, maar, verlaten worden zij. Als wij lezen, dat hij ze verlaat in de woestijn, dan denken wij allicht aan een dorre, onvruchtbare plaats; maar dat ligt er niet in opgesloten. Het betekent eenvoudig een open weide, de steppe, de prairie. Hij verlaat ze, terwijl zij goed verzorgd zijn, en Hij ze dus verlaten kan. Voor het ogenblik is hij vervuld van die éne gedachte, dat hij het verlorene moet zoeken en redden; en daarom verlaat hij de negen en negentig in de weide. “Herder, de weg is zeer rotsachtig!” Hij schijnt niet te weten, wat het voor een weg is, zijn hart is met zijn verloren schaap. “Herder, die berg is zeer moeilijk te beklimmen!” Hij let niet op zijn zwoegen; zijn ontroering en bezorgdheid lenen hem de voeten van de klipgeit, hij gaat met vaste tred, waar op andere tijden zijn voet uit zou glijden. Hij ziet rond naar zijn schaap; en schijnt klip noch afgrond te bemerken. “Herder, het is een verschrikkelijke weg, waarlangs gij naar gindse sombere vallei moet afdwalen!” Hij is niet verschrikkelijk voor hem; de enige vrees, die hem beklemt, is, dat zijn schaap zal omkomen. Hij stort zich in gevaar, en ontkomt er slechts aan door de sterke aandrift, die hem door alles heen doet gaan. Het is heerlijk om aan de Heere Jezus Christus te denken, terwijl Hij zijn hart gesteld heeft op de verlossing van een ziel, die op dat ogenblik voor Hem verloren is.

Het is ook een zeer werkzaam zoeken; want hij zoekt hetgeen verloren is, totdat hij het vindt; en doet dit persoonlijk. Hij zegt niet tot één van zijn dienstknechten: Ga heen, haast u het schaap te zoeken, dat verloren is, en breng het thuis.” Neen, hij zelf volgt het. En indien er ooit een ziel van de zonde tot de genade wordt gebracht, dan geschiedt dit niet door de arbeid van ons, geringe leraars alleen, maar door de Meester zelf, die zijn verloren schaap zoekt. Het is een heerlijke gedachte, dat Hij nog altijd persoonlijk uitgaat om zondaren te zoeken, die schoon zij in ontzettende dwaasheid van Hem wegvlieden, nog altijd achtervolgd worden door Hem, achtervolgd door de Zoon van God, de eeuwige Liefhebber van de mensen, achtervolgd, totdat Hij hen vindt.

Want let op het volhardende van dat zoeken: “totdat hij hetzelve vinde.” Hij houdt niet op, voordat hij de daad volbracht heeft. Gij en ik behoren te zoeken naar een ziel. Hoe lang? Wel, totdat wij haar gevonden hebben: want dat is het voorbeeld, dat de Meester ons gesteld heeft. De gelijkenis zegt niets van een niet vinden van het schaap; en er wordt zelfs in de verte van geen falen, geen vruchteloos zoeken gesproken. Het komt ons niet in de gedachte, dat een schaap, dat Christus toebehoort, niet door Hem gevonden zal worden. O, mijn broeders, er zijn zeer velen, die gij en ik nooit zouden vinden; maar als Jezus zijn verloren schapen zoekt, dan kunt gij er van verzekerd wezen, dat zijn macht en bekwaamheid zó groot zijn, dat Hij zó scherp en helder ziet, zó krachtig tussenbeide treedt dat Hij ze gewisselijk zal vinden en thuis brengen. Ik kan mij geen verslagen Christus voorstellen. Het is een persoonlijk, volhardend en voorspoedig zoeken, totdat hij hetzelve vindt. Laat ons hiervoor zijn naam loven en prijzen.

Er is een kleine trek in deze gelijkenis, die niet dikwijls opgemerkt wordt. Als de herder het schaap gevonden heeft, dan schijnt hij het niet weer in de schaapskooi te brengen. Ik bedoel, dat dit niet uitdrukkelijk beschreven staat als een feit, dat opgemerkt moet worden. Ik denk, dat hij het er ten laatste wel in gebracht zal hebben; maar voor het ogenblik houdt hij het liever bij zich dan het weer bij de andere schapen te laten gaan. In het volgend tafereel is de herder thuis, zeggend: “Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.” Het is alsof Jezus een ziel redt niet zo zeer voor de kerk als voor zich zelf; en ofschoon de verlosten zich onder de kudde bevinden, is het toch de grootste vreugde, dat het schaap bij de herder is. Dit toont, hoe volkomen Christus alle krachten aanwendt om zijn volk te redden. Er is in Christus niets, dat zich niet strekt tot de zaligheid van zijn verlosten. Er zijn in Hem geen roerselen van het hart, geen slechts half gewijde invloeden, die Hem doen aarzelen. In het najagen van zekere doeleinden gebruiken wij soms niet meer dan een deel van onze krachten en gaven; maar Jezus wendt al zijn vermogens aan om de zielen te zoeken en zalig te maken.

Iedere zondaar wordt door de gehele Christus gezocht; en als de Heere een ziel vindt, dan geeft Hij zich aan die ene ziel, alsof Hij slechts die ene ziel had te zegenen. Hoe bewondert mijn hart de gehele samentrekking van de godheid en mensheid van Christus in het zoeken van ieder schaap van zijn kudde.

III.

Ik zal nu kort verwijlen bij een derde punt. Wij hebben gehad één onderwerp van gedachte, en één voorwerp van het zoeken, thans hebben wij ÉÉN LAST VAN DE LIEFDE. Als het zoeken geëindigd is, dan volgt het redden – “Als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde.” Heerlijke daad! Hoe schoon wordt door de gelijkenis de gehele verlossing voorgesteld. Sommigen van de oude schrijvers hebben het aldus uitgedrukt: In zijn menswording is Hij uitgegaan naar het verloren schaap; in zijn leven is Hij voortgegaan met het te zoeken; in zijn dood heeft Hij het op Zijn schouders gelegd; in zijn opstanding heeft Hij het op weg gedragen, en in Zijn hemelvaart heeft Hij het juichende thuis gebracht. Geheel het leven van onze Heere was gewijd aan het winnen van zielen; een leven, dat Hij besteed heeft ten behoeve van zijn volk; en daarin kunt gij het gehele plan van de verlossing zien.

Maar nu verder, de herder vindt het schaap, en legt het op zijn schouders. Het is een daad van opheffing, de gevallene oprichtende van de aarde, waarop hij gedwaald had. Het is alsof hij het schaap opnam, zoals het daar was, zonder een enkel woord van bestraffing, onverwijld, zonder aarzeling, het opheffende uit het moeras, of van uit de doornen, om het in veiligheid te brengen. Herinnert gij het u niet, hoe de Heere u heeft “opgehaald uit een ruisende kuil”? Hoe Hij “zond van de hoogte” en u heeft verlost en uw sterkte is geworden? Ik zal die dag nooit vergeten. Welk een wondervolle opheffing was het voor mij toen de grote Herder mij ophief tot nieuwigheid des levens. De Heere zei van Israël: “.Ik heb u gedragen op vleugels van de arenden”; maar het beeld is nog lieflijker om op de schouders gedragen te worden van de in het vlees verschenen Heere.

Dit leggen op de schouders was een daad van toe-eigening. “Gij zijt mijn schaap”, scheen hij te zeggen, “en daarom leg ik u op mijn schouders.” Hij heeft dit nu niet in zo veel woorden uitgesproken, maar door een snelle daad heeft hij het duidelijk te kennen gegeven, want men draagt geen schaap weg waarop men geen recht heeft. Het was geen schapendief, maar een schapeneigenaar. Hij grijpt het schaap zo vast aan, dat het zich niet kan bewegen, en dan legt hij het op zijn schouders, want het is nu geheel en al het Zijne. Ik ben ver van huis, schijnt hij te zeggen, en ik bevind mij in een afmattende woestijn; maar ik heb mijn schaap gevonden; en deze handen zullen het vast houden.” Zie hier de eigen woorden van de Heere: “Ik geef hun (d. i. mijn schapen) het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid; en niemand zal dezelve uit mijn hand rukken.” Handen, waarin zo veel kracht schuilt als in die van Jezus, zullen het gevonden schaap vast houden. Schouders, zo krachtig, als die van Jezus, zullen het gevonden schaap veilig naar huis dragen. Het is volkomen wel met dat schaap, want het is gewis het eigendom van de goede Herder, gelijk het dit naar de eeuwige bedoeling van de Vader ook altijd geweest is. Herinnert gij het u, dat Jezus tot u gezegd heeft: “Gij zijt de mijne”? Dan weet ik, dat gij u Hem ook toegeëigend hebt.

En nog meer neerbuigend is er een andere beschouwing van deze handeling; het was een daad van dienstbetoon aan het schaap. Het schaap rust met zijn ganse gewicht op de herder. De herder is de lastdrager. Het schaap rust, de herder arbeidt. “Ik ben in het midden van u, als een die dient,” heeft onze Heere voorlang gezegd. “In gedaante gevonden als een mens, heeft Hij zich zelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood van het kruis.” Op dat kruis heeft Hij de last gedragen van onze zonde; en wat meer is, de last van ons zelf. Geloofd zij zijn naam: “De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op zich geladen”, (Jesaja 53:6 naar de kanttekening op de Statenbijbel) en Hij heeft ook ons op zich geladen; en Hij draagt ons. Herinnert u dat kostelijke Schriftwoord: “Door zijn liefde en door zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen vanouds. Zielsvertederende gedachte! De Zoon van God werd dienstbaar aan de kinderen der mensen! De Schepper van hemel en aarde boog zijn schouders om het gewicht van de zondaren te dragen.

Het was een rustgevende daad, die zeer waarschijnlijk nodig was voor het schaap, dat vermoeid en afgemat was en niet verder voort kon. Het was een volkomen rust voor het arme dier, indien het dit slechts had kunnen begrijpen, om zich op de schouders van de herder te gevoelen; en met onweerstaanbaar, doch lieflijk geweld terug gebracht te worden naar de plaats van de veiligheid. Welk een rust is het voor u en voor mij om te weten, dat wij door de eeuwige macht en godheid van de Heere Jezus Christus gedragen worden! “De beminde des HEEREN, Hij zal zeker bij hem wonen; Hij zal hem de ganse dag overdekken, en tussen zijn schouders zal Hij wonen!” De ganse dag worden wij door Christus gedragen: wij hebben geen kracht van node; onze zwakheid is voor ons geen beletsel, want Hij draagt ons. Heeft de Heere niet gezegd: “lk zal u opnemen, en Ik zal u dragen en redden.” Wij zullen zelfs niet struikelen en nog veel minder vallen tot verderf; de voeten van de Herder zullen de gehele weg veilig aflopen. Geen enkel deel van de weg moet ons vrees inboezemen, want Hij is machtig ons naar zijn huis hier boven te dragen. Welk een lieflijk woord vinden wij in Deuteronomium: “De HEERE, uw God, heeft u gedragen, als een man zijn zoon draagt, op al de weg, die gij gewandeld hebt, totdat gij kwam aan deze plaats.” Zalige rust van het geloof, om u gans en al over te geven in die handen om u te bewaren; en aan die schouders om u te dragen tot aan het einde! Laat ons de Heere loven en prijzen! De Herder is toegewijd aan zijn last; Hij draagt op zijn schouders niets anders dan zijn schaap; en de Heere Jezus schijnt geen andere last te dragen dan die van zijn volk. Hij wendt zijn almacht aan om zijn uitverkorenen te redden; na hen gekocht te hebben door zijn bloed, verlost Hij hen nu verder door zijn macht. “En zij zullen, zegt de HEERE der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal, Mij een eigendom zijn.” O, heerlijke genade van onze nimmer moe wordende Zaligmaker, die zich geheel wijdt aan onze verlossing; en tot dat ene doel aanwendt alles wat Hij heeft en wat Hij is.

IV.

Wij zullen, ten besluite, nog bij één zaak stilstaan, en die is: – DE ENE BRON VAN VREUGDE. Deze man, die zijn schaap verloren had, is vervuld van vreugde, maar zijn schaap is er de enige oorzaak van. Zijn schaap heeft zó zeer al zijn gedachten ingenomen, en al zijn krachten en vermogens, dat hij, gelijk hij er eerst al zijn zorg aan had gewijd, er nu ook al zijn vreugde in vindt.

Merkt op die eerste vermelding van blijdschap: “Als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde.” “Herder, dit is een zware last voor u, om te torsen!” Vrolijk antwoordt hij: “lk ben blij die last op mijn schouders te hebben.” Als de moeder haar verloren kind heeft gevonden, dan zegt zij niet: “Dit is een zware last.” Neen, zij drukt het aan haar hart. Zij vraagt niet hoe zwaar het is, het is haar een dierbare, lieflijke last. Zij is blij, dat zij het wederom mag dragen. “Legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde.” Denkt aan die tekst: “Die voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht.” Een grote smart was over Christus, toen onze last op Hem gelegd werd; maar een nog grotere blijdschap vervulde zijn hart, toen Hij kon denken, dat wij aldus uit onze verloren toestand gered waren. “Ik heb hen op mijn schouders genomen”, dacht Hij bij zich zelf, “en niemand kan hun nu enig leed berokkenen, en zij kunnen nu ook niet meer wegdwalen en te gronde gaan. Ik draag hun zonde, en zij zullen niet in de verdoemenis komen. De straf van hun zonde is op Mij gelegd, opdat zij nooit op hen gelegd zou worden. Ik ben een volkomen Plaatsbekleder voor hen. Ik draag de rechtvaardige toorn van mijn Vader, opdat zij die nooit zullen behoeven te dragen.” Zijn liefde voor hen deed Hem blijdschap smaken in elke striem van de gerechtigheid, die Hij gevoelde; zijn liefde voor hen maakte het Hem tot een genot, dat de nagelen zijn handen en voeten zouden doorboren, en dat zijn hart gebroken zou worden door het zich verbergen voor Hem van zijn Vader, God. Zelfs het “Eloi, Eloi, lama sabachtani” nadat de diepten van de ellende gepeild waren, zullen bevonden worden parels van vreugde in deszelfs duistere spelonken te verbergen. Geen triomfkreet kan bij die kreet van de smart ook maar vergeleken worden, omdat de Heere zich verblijdde zelfs om het verlaten door de Vader te dragen voor de zonde van zijn uitverkorenen, die Hij lief had van voor de grondlegging van de wereld. O, gij kunt het niet anders dan in een zeer zwakke mate verstaan. Laat ons trachten er een aardse miniatuur gelijkenis voor te vinden. Een zoon, die ver van zijn ouderlijk huis is, wordt ziek. Hij heeft zware koortsen, en men telegrafeert naar huis. Zijn moeder zegt, dat zij hem moet gaan verplegen; zij is ongelukkig zolang zij niet op reis is om tot hem te gaan. Het is een sombere, akelige plaats, waar haar zoon ziek ligt, maar op dit ogenblik is het voor haar de dierbaarste plek op aarde. Met vreugde verlaat zij de gemakken en genoegens van haar woning om ten gerieve van haar zoon onder vreemden te gaan verwijlen. Het is haar een genot om zich op te offeren; zij weigert zijn legerstede te verlaten; dag en nacht waakt zij bij hem, en het is slechts door volslagen vermoeienis en uitputting, dat zij in slaap valt. Gij zoudt haar niet thuis hebben kunnen houden; zij zou al te ongelukkig zijn geweest. Het was haar een grote, innige, heilige vreugde om te gaan, waar zij haar geliefd kind kon dienen. Ziel, gedenk, dat gij aan Jezus veel vreugde hebt geschonken, toen Hij u verlost heeft. Hij was van eeuwigheid af bij de Vader, eeuwig gelukkig, oneindig heerlijk als God, boven allen te prijzen; maar vanwege zijn grenzeloze liefde moest Hij op aarde komen, onze natuur aannemen en in onze plaats lijden, om ons tot heiligheid terug te brengen tot God. “Legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde.” Op die dag heeft de herder slechts één blijdschap gekend. Hij had zijn schaap gevonden, en zelfs de druk er van op zijn schouders maakte zijn hart licht, want daaraan wist hij, dat het voorwerp van zijn zorg buiten alle twijfel veilig was.

Nu gaat hij er mee naar huis; en zijn blijdschap was toen zo groot, dat zijn ziel er tot overvloeiens vol van was. De gelijkenis maakt geen melding van zijn blijdschap om weer thuis te zijn; er is met geen enkel woord gewag gemaakt van de blijdschap om door vrienden en geburen begroet te worden. Neen, de blijdschap van zijn schaap gevonden te hebben stelde alle andere blijdschap van het hart in de schaduw, zelfs het licht van thuis te zijn en het licht van de vriendschap werd er door verdonkerd. Hij wendt zich tot zijn vrienden en geburen en smeekt hun hem het gewicht van zijn geluk te helpen dragen. “Weest blijde met mij,” roept hij, “want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.” Eén zondaar had zich bekeerd, en de ganse hemel moet hierom feest vieren. O, mijn broeders, er is in het hart van Christus genoeg blijdschap over zijn verlosten, om er de gehele hemel als het ware mee te overstromen. In de straten van het Paradijs staat men tot aan de knieën in de hemelse wateren van des Heilands blijdschap. Zij vloeien uit de ziel van Christus, en de engelen en de verheerlijkte geesten baden zich in die machtige stroom. Laat ons hetzelfde doen. Wij zijn vrienden, zo wij al geen geburen zijn. Hij roept ons heden te komen en onze harten te brengen als ledige vaten, opdat Hij ze zou kunnen vullen met zijn eigen blijdschap, en opdat onze blijdschap volkomen zij. Diegenen van ons, die verlost zijn, moeten ingaan in de vreugde van onze Heere. Toen ik getracht heb deze tekst te overdenken, heb ik mij verblijd met mijn Heere in de toebrenging van ieder van zijn schapen, want elk van hun maakt de hemel vol van vreugde. Maar wat moet het wezen om al de verlosten ingebracht te zien! Jezus zou geen blijdschap hebben, indien Hij een van hen verloor, dan zou alles bedorven schijnen. Indien het voornemen van de genade op enigerlei wijze verijdeld kon worden, dan zou dit voor de grote Zaligmaker een treurige nederlaag zijn. Maar zijn voornemens zullen alle tot stand komen. “Om de arbeid van zijn ziel zal hij het zien en verzadigd worden.” “Hij zal niet verdonkerd worden, en hij zal niet verbroken worden.” Hij zal de wil van de Vader volvoeren. Hij zal het volle loon hebben van zijn lijden. Laten wij ons heden met Hem verblijden.

Maar de tekst zegt ons, dat er meer blijdschap was over dat ene verloren schaap, dan over de negen en negentig, die niet verloren waren. Wie Zijn deze rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben? Wel, men moet een gelijkenis nooit zó uitleggen, dat men haar op vier voeten doet lopen, als zij bestemd was om slechts op twee voeten te gaan. Zulke rechtvaardigen kunnen er wel in het geheel niet zijn, terwijl toch de gelijkenis strikt nauwkeurig is. Indien wij allen zulke rechtvaardigen geweest waren, en de bekering nooit van node hadden gehad, dan zouden wij aan het hart van Christus niet zo veel blijdschap veroorzaakt hebben, als één zondaar, die zich bekeert. Maar gesteld nu eens, dat gij en ik er mee bedoeld waren, die ons reeds lang te voren bekeerd hebben – en dus in zekere zin, thans de bekering niet van node hebben, omdat wij nu reeds gerechtvaardigd zijn – dan geven wij op dit ogenblik aan het hart Gods niet zoveel blijdschap als een zondaar, die zich voor het eerst tot God wendt. Het is niet alsof het iets goeds was om te dwalen of iets slechts om voor dwalen bewaard te zijn gebleven. Gij begrijpt hoe dit is: er zijn zeven kinderen van een huisgezin, zes van hen zijn volmaakt wel; maar één geliefd kind is ernstig krank en aan de rand van het graf gebracht. Het kind wordt beter, zijn leven is gespaard: verwondert het u, dat het nu aan het gezin meer blijdschap geeft dan de anderen, die gezond zijn gebleven? Hieruit volgt nu volstrekt niet, dat het iets goeds is om ziek te zijn. Verre van daar! Wij spreken slechts van de blijdschap, die door herstel uit krankheid wordt gewekt. Neemt een ander geval. Gij hebt een zoon, die gedurende lange tijd in een vreemd land heeft vertoefd, en een andere zoon, die thuis is gebleven. Gij hebt beiden gelijkelijk lief; maar als de afwezige thuis komt, dan zal hij voor het ogenblik het meest in uw gedachten zijn. Is dit ook niet geheel natuurlijk? Die thuis zijn, geven dagelijks vreugde; maar als de stroom van de blijdschap afgedamd was door zijn afwezigheid, dan zal hij bij zijn terugkeer met des te meer kracht terugvloeien. Dan vieren wij feest; dan worden de vreugdevuren ontstoken.

Er zijn bij berouw en bekering bijzondere omstandigheden, die over de teruggekeerde dwalende blijdschap veroorzaken. Er was te voren smart; en hierdoor komt nu de vreugde des te meer uit. De herder was zó getroffen van medelijden met het verloren schaap, dat zijn droefheid nu wel in vreugde verkeerd moet zijn. Hij was in grote spanning van onzekerheid, en dat is iets dodelijks, het is als een zuur dat knaagt aan de ziel. Die spanning, welke iemand doet vragen: Waar is het schaap? Waar kan het wezen? Is hartverscheurend. Al die moeizame uren van zoeken, en rondzien, en volgen van het spoor over berg en dal zijn pijnlijk en afmattend voor het hart. Gij hebt een gevoel, alsof het u schier liever was te weten, dat gij het schaap niet zult vinden, dan nog langer in de onzekerheid te verkeren. Is die onzekerheid ten einde, dan komt er gans natuurlijk een lieflijke verruiming en blijdschap. Gij weet daarenboven, dat de blijdschap over boetvaardigen zó onzelfzuchtig is, dat gij, die door Gods genade gedurende vele jaren bewaard zijt gebleven, er niet door gegriefd zijt, dat er meer blijdschap is over een zondaar, die zich bekeert, dan over u. Neen, gij zegt bij u zelf, “daar is goede reden voor. Ik behoor zelf tot hen, die zich verblijden.” Gij herinnert u, dat godvruchtigen zich ook grotelijks over u hebben verblijd, toen gij voor de eerste maal tot Jezus zijt gekomen; en gij verenigt u van harte met hen om de nieuw aangekomenen welkom te heten. Gij wilt niet doen als de oudste broeder, en zeggen: ik wil niet delen in de vreugde van mijn Vader. O neen! gij zult van harte instemmen met het gezang en het gerei, en het als uw hemel beschouwen om zielen verlost te zien van de hel. Ik gevoel mij als van een plotselinge blijdschap overstroomd, als ik iemand ontmoet, die eens aan de sombere deur van de hel lag, maar nu tot de poorten van de hemel gebracht is. Is het ook niet zo bij u?

De enige gedachte, die ik in uw hart wens te laten, is, hoe onze genadige Heiland zich voor zijn verlosten schijnt te vergeten. Hoe volkomen gaat iedere gedachte van zijn hart, elke werking van zijn macht uit naar de nooddruftige, schuldige verlorene ziel. Hij legt alles wat Hij heeft ten koste om zijn ballingen weer te brengen. De arme zielen, die in Hem geloven, hebben al zijn kracht en macht tot hun beschikking. Geloofd zij zijn naam! Laat nu ook ons hart uitgaan in liefde tot Hem, die zijn gehele hart heeft gegeven om onze verlossing te werken. Laat ons Hem lief hebben. Wij kunnen Hem niet in gelijke mate liefhebben als Hij ons lief gehad heeft, maar laat ons Hem liefhebben, op dezelfde wijze. Laat ons Hem liefhebben met ons gehele hart en met geheel onze ziel. Laat het ons wezen alsof wij niets zagen, niets wisten, niets liefhadden dan Jezus, en dien gekruisigd. Gelijk wij geheel zijn hart vervuld hebben, laat ons hart geheel vervuld zijn van Hem.

O zondaar, die u heden hier bevindt, wilt gij u niet overgeven aan de goede Herder? Wilt gij niet stilstaan als Hij tot u nadert? Wilt gij u niet onderwerpen aan zijn almachtige genade? Weet dat uw verlossing van zonde en dood van Hem moet komen, en van Hem alleen. Laat er een gebed uit uw hart tot Hem opgaan: – “Kom Heere, op uw zaligheid wacht ik! Behoud mij, want ik betrouw op U.” Indien gij aldus bidt, dan is het merk van Christus’ schaap op u, want Hij zegt: “Mijne schapen horen mijn stem, en ik ken dezeve, en zij volgen mij.” Kom tot Hem, want Hij komt tot u. Zie op Hem, want Hij ziet naar u uit.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend