“En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt…”—Johannes 17:22
Kijk toch eens hoe onbeperkt gul de Heere Jezus is, want Hij heeft ons al het Zijne gegeven. Een tiende deel van Zijn bezittingen zou een heelal vol engelen al rijker hebben gemaakt dan ze zich ooit hadden kunnen voorstellen. Toch was Hij pas tevreden toen Hij ons alles had gegeven wat Hij had. Het zou al een verbazingwekkende genade zijn geweest als Hij ons de kruimels had laten eten van Zijn gaven onder de tafel van Zijn barmhartigheid. Maar Hij doet niets half. Hij laat ons bij Zich aan tafel zitten en het feestmaal delen. Als Hij ons een klein pensioen uit Zijn koninklijke schatkist had gegeven, hadden wij al reden gehad om Hem eeuwig lief te hebben. Maar nee, Hij wil dat Zijn bruid even rijk is als Hijzelf. Er is geen heerlijkheid en geen genade waarin zij niet mag delen. Hij is niet tevreden geweest met minder dan ons medeërfgenamen met Zichzelf te maken, zodat wij evenveel zouden bezitten. Hij heeft heel Zijn bezit in de schatkist van de gemeente gelegd, en Hij deelt alles met Zijn verlosten. Er is niet één kamer in Zijn huis waarvan Hij de sleutel aan Zijn volk onthoudt. Hij geeft hun alle vrijheid om alles wat Hij heeft als hun eigendom te nemen. Hij vindt het heerlijk als ze vrij uit Zijn schatten putten en zoveel meenemen als ze maar kunnen dragen. De grenzeloze volheid van Zijn algenoegzaamheid is voor de gelovige zo vrij toegankelijk als de lucht die hij inademt. Christus heeft de kruik van Zijn liefde en genade aan de lippen van de gelovige gebracht en gezegd: drink maar altijd door! Want als hij haar leeg kon drinken, mag hij dat doen. En omdat hij haar niet kan leegdrinken, mag hij overvloedig drinken, want alles is van hem. Welk sprekender bewijs van gemeenschap kunnen hemel of aarde geven?
“Als ik voor de troon sta,
gekleed in een schoonheid die niet van mij is;
als ik U zie zoals U bent
en U liefheb met een hart zonder zonde;
dan, Heere, zal ik pas ten volle weten,
niet eerder, hoeveel ik U verschuldigd ben.”

