23 March Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Waar het bezwaar ligt

Waar het bezwaar ligt

‘Jezus zei tot hem: zo u kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk degene die gelooft.’ Markus 9:23

Ik geloof dat onze gewone vertaling de zin van de woorden van de Evangelist getrouw weergeeft; waarschijnlijk echter geeft de herziene [Engelse] overzetting de woorden van het oorspronkelijke nauwkeuriger terug. Ze luidt zo: ‘Jezus zei tot hem: zo u kunt! Alle dingen zijn mogelijk degene die gelooft.’ Onze gewone vertaling drukt de zin beter uit voor de lezer in het algemeen, en het hoofdvereiste van een overzetting is de mening duidelijk weer te geven. De vader van de bezeten knaap had tot onze Heiland gezegd: ‘Zo U iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons!’ en de Heere antwoordde met de daad: ‘Dit ‘indien U kunt’ betreft niet MIJ, maar het betreft u. Het is niet de vraag of Ik kan, maar of u kunt. U ziet, het woord ‘geloven’ ligt er in besloten, al wordt het niet dadelijk uitgedrukt. Jezus wilde blijkbaar zo ver gaan, als het geloof van de man gaan kon; maar daar de regel in Gods Koninkrijk is: ‘U geschiede naar uw geloof’, zou het ongeloof van de vader de Heiland in Zijn werk belemmeren. Indien bij de smekende vader het ongeloof kon worden uitgedreven, zou Jezus de duivel uit Zijn kind uitdrijven. Het bezwaar van de uitdrijving des duivels lag voornamelijk in het gebrek aan geloof bij de vader. In de woorden van onze tekst wordt ons voorgehouden dat de hindernissen, welke zielen die verlost wensen te worden, op haar weg ontmoeten, niet aan de zijde van de Heere maar in haar zelf liggen. Ze hebben nooit te vragen: ‘Kan Jezus vergeven?’ of ‘Kan Hij nieuw leven geven?’ Nee, daar is een andere vraag, die op de voorgrond staat: ‘Kunt u geloven dat Hij vergeven kan en dat Hij nieuw leven kan schenken?’ Indien Gods genade u in staat stelt te zeggen: ‘Ik geloof, kan geloven en ik geloof dat Jezus in mij werken kan overeenkomstig de volle mate van mijn behoefte’, dan houdt elk bezwaar op. Uw geloof is de schaduw van de komende zegen, het teken van de gunst van de Heere jegens u. Wanneer uw geloof vertrouwt op de almacht van Christus, dan is Hij al- machtig voor u, want ‘alle dingen zijn mogelijk degene die gelooft.’

Ik wens mij thans te richten tot degenen onder ons, die niet tot Christus kunnen komen. Ik bid van God dat ik door Zijn Geest hun bezwaren mag wegnemen, teneinde hen eens voor altijd te bewegen om nog heden tot Hem te gaan juist zoals ze zijn, en rust te vinden in Jezus en het eeuwige leven.

I. De eerste zaak, die wij wensen te bespreken, is de levensvraag: Wat is geloven? Is nadat zoveel honderden van jaren het Evangelie gepredikt is, deze vraag nog nodig? Ik geloof dat ze zo nodig is, dat wanneer in elke prediking het geloof verklaard werd, het niet te veel besproken zou worden. Het is een goede regel dat elke prediking het Evangelie moet inhouden, en op de duidelijkste wijze ontvouwen, want ondanks alle prediking van het Evangelie in onze kringen, is niets zo weinig bekend of wordt niets zo weinig begrepen als het geloof in de Heere Jezus Christus. Ik houd het daarom er voor dat veel verklaringen van het geloof geen verklaringen zijn, maar er veeleer toe bijdragen om de zaak duisterder te maken dan ze te voren was, en met heel mijn hart hoop ik dat mijn eigen verklaring niet van diezelfde aard mag zijn. Zoveel is zeker dat ik trachten wil dit kwaad te vermijden, en zo duidelijk mogelijk hoop te spreken.

Laat ons de man uit ons tekstverhaal als een voorbeeld stellen en in hem zien wat het geloof is. Deze man geloofde blijkbaar dat Jezus een geneesmeester was, want hij zegt: ‘Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht.’ Hij zou zijn zoon niet tot Jezus gebracht hebben, indien hij geen zekere mate van vertrouwen in Hem gesteld had. Het is een goed begin van het geloof, te weten dat indien ik verlost zal worden het alleen door Jezus geschieden moet; het is goed te beseffen dat de redding van de ziel de vrucht moet zijn van Jezus’ werk, en van niemand anders, omdat er onder de mensen geen andere naam gegeven is waardoor wij zalig moeten worden. Deze man had dus eenvoudig geloof in Christus’ bereidwilligheid om hem te helpen. Het mag niet zeer sterk geweest zijn, maar nochtans was het er, want anders had hij de nadruk van zijn bede niet op de macht van de Heere gelegd. Hij zei niet: ‘Zo U wilt, U kunt’, maar: ‘Zo U iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons.’ Terwijl hij op dat gezegende gelaat staarde, als vol bijzondere teerheid, gevoelde de man dat hij zeggen mocht: ‘Wees met innerlijke ontferming over ons bewogen.’ Van veel mensen kunnen wij geen medelijden of deelneming vragen, omdat het blijkt dat ze het niet hebben: ze hebben een strenge blik, en koelheid ligt op hun gelaat. Maar zo was de Heiland niet. De man gevoelde dat Jezus uiterst medelijdend was; zijn bede was dat dit medelijden aan hem en aan zijn zoon mocht worden betoond. Het is een goed begin van het zaligmakend geloof, te geloven dat Jezus bereidwillig is u te verlossen. Ik vertrouw dat velen van u al daartoe gekomen zijn.

Wat is het: werkelijk en tot zaligheid in Jezus te geloven? De smekende vader had nog niet die trap van het geloof bereikt, waardoor het wonder verzekerd werd. Meer was er nodig. Wat was dat? Hij had behoefte aan ‘t geloof in Christus’ macht met betrekking tot zijn eigen toestand. Het punt waarin zijn geloof wankel stond was de macht van de Heere in betrekking tot de bijzondere zaak waarmee hij tot Hem kwam. Want Hij zei: ‘Zo U iets kunt.’ Alvorens u de bezorgde vader om zijn ongeloof veroordeelt, zij het mij vergund u te doen opmerken, dat zijn zoon in een hoogst benarde toestand verkeerde en de Heiland had hem zo pas de vreselijke verschijnselen daarvan laten verhalen. De vader had er nadrukkelijk over uitgeweid dat de boze geest, ‘waar hij hem ook aangreep, hem scheurde, zodat hij schuimde, en knerste met zijn tanden en verdorde’, en voorts had hij de Heere verhaald dat de knaap daaraan geleden had van kindsbeen af; ja hij was nog meer in bijzonderheden getreden, zeggende: ‘En menigmaal heeft de boze geest hem ook in het vuur en in het water geworpen om hem te verderven.’ Op dit smartelijk verhaal liet hij zijn meewarig: ‘Zo U iets kunt’ volgen. Verwondert u dit? Het is alsof Jezus tot hem zegt: ‘Indien u met het oog op dit alles kunt geloven, zult u de verlossing van God zien.’ Zeer gemakkelijk is het, te zeggen: ‘Ik geloof’, wanneer u geen gevoel van uw zonde hebt en geen besef van uw gevaar. Het is de lichtste zaak ter wereld, te zeggen: ‘Ja, Christus kan mij verlossen’, wanneer u niet werkelijk gelooft dat u verlossing behoeft. Geloof, waar geen ogenblikkelijk gevoel van behoefte aanwezig is, is slechts de schijn van geloof, en niet de genade die de ziel redt. Dit is de vraag: Kunt u, geliefde hoorder, op ditzelfde ogenblik geloven dat Jezus u zal zalig maken, ondanks u gevoelt dat u vol zonde bent? Kunt u zeggen: ‘Heere, ik ben door de geest van het kwaad bezeten, ik ben zijn gevangene, en ben dit geweest van kindsbeen af; ik ben tot de een zonde gedreven en daardoor in het vuur geworpen, en toen ben ik in de tegenovergestelde zonde geslingerd en zo in het water gedompeld; ik ben door hartstocht vervoerd en door kwade begeerlijkheden verscheurd; ik heb tegen licht en beter weten in gezondigd; ik heb tegen de liefde en de barmhartigheid gezondigd; ik heb in gedachten en woorden en daden gezondigd; ik heb zwaar en voortdurend gezondigd, en toch geloof ik dat U mij verlossen en tot een nieuw schepsel maken kunt. Hoewel ik goddeloos ben, geloof ik dat U in mij de zonde van de troon kunt stoten en maken dat ik U liefheb en dat al de dagen van mijn leven.’ Indien u op die wijze in Jezus kunt geloven, zal Hij u verlossen, ja heeft Hij u verlost. Indien u als een nietswaardig zondaar zo Gods genade eer kunt geven, van te geloven dat Hij door Christus Jezus uw zonde kan uitdelgen, zo zal u dit geschieden. Weet echter wél dat dit geloof niet in u moet zijn ter oorzaak van het voorbijzien van uw zonde, maar terwijl u zich er diep van bewust bent en u daarom verootmoedigt. Indien ik mij zelf wijs maak dat ik slechts een zondaar in naam ben dan zal ik in Jezus ook slechts een Zaligmaker in naam vinden. Indien ik niet in zulk een mate zondaar ben dat ik erken een zondaar te zijn, maar slechts een plichtpleging voor God maak door te zeggen: ‘o, zeker, ik ben een zondaar, wij zijn allen zondaren’, dan ben ik een schijnzondaar, en zal ik een schijngelovige worden en zal de waarachtige Zaligmaker niets met mij te doen hebben. Jezus is gekomen om zalig te maken wat wezenlijk en inderdaad verloren is. De oprechte zondaar, die zijn schuld niet kan en durft ontkennen, is het voorwerp van de zoekende genade van de Heere. Kunt u met het oog op uw diepgevoelde schuld geloven dat Jezus u rein wassen en vernieuwen kan? Dan hebt u een voornaam bestanddeel van het zaligmakend geloof.

Merkt nu op, indien de smekende vader bij enige mogelijkheid in Jezus’ macht om Zijn kind te redden kon geloofd hebben en toch geweigerd had het tot Jezus te brengen om het te genezen, zou hij één van de wezenlijke eigenschappen van het ware geloof gemist hebben. Want hoort. Indien u de innerlijke grond van het geloof kennen wilt, hij is deze: te vertrouwen op de Heere. Vertrouwen! vertrouwen! Dát is het. Te geloven dat Christus u behouden kan is van hoog gewicht, maar u in Zijn hand te stellen om door Hem behouden te worden, – die daad is uw behoud. Geloof dat Christus’ woorden waar zijn; neem dan dat woord, als tot u gesproken, voor uzelf aan en verlaat u op de waarheid daarvan – dat is het zaligmakend geloof. Christus te kennen als zulk een Verlosser als u behoeft, Die machtig en bereid is om u te verlossen, is heerlijk, maar u moet daarenboven deze Verlosser als de Uwe aannemen. Zeg welgemeend: ‘In die hand, die genageld is aan het kruis, stel ik mijn schuldige ziel, in de hoop en in het geloof dat Jezus al mijn overtredingen vergeven zal. U kunt, u wilt de boze geest uitdrijven. Ik vertrouw op Uw macht om hem te gebieden uit te gaan, ik vertrouw evenzeer op Uw schulduitdelgende genade.’

Wie op Jezus vertrouwt is verlost. Ik zeg niet: hij zal verlost worden, maar hij is verlost. ‘Wie in Hem gelooft heeft het eeuwige leven.’ ‘Een iegelijk, die in Hem gelooft, wordt gerechtvaardigd van alle zonden, waarvan hij door de wet van Mozes niet kon gerechtvaardigd worden.’

U mag wel aangaande het geloof van deze man opmerken dat het geen volkomen geloof was. Hoewel hij er de genezing van zijn zoon door verkreeg, was zijn geloof zwak, en om die zwakheid afkeurenswaardig, maar de gebrekkigheid van zijn geloof deed zijn geloof niet te niet. Een zwak geloof kan een machtige Verlosser krijgen, evenals een bedelaar met een verlamde hand een gouden gave kan ontvangen. Een erfgenaam van een bezitting heeft daarop evengoed aanspraak wanneer hij een kind is als wanneer hij volwassen is, en evenzo verkrijgt het kleine geloof de erfenis hoewel het nog een kindje is.

De beangste vader moest uitroepen: ‘Heere, kom mijn ongeloof te hulp’, maar dat ongeloof, beleden en betreurd, sloot hem niet van de zegen uit. Het ongeloof dat zich onder ons geloof mengt is iets dat door de bijstand van Christus moet worden verwijderd, maar daarom zal het de kracht van het geloof dat wij bezitten niet te niet doen. Daarom, geliefde vriend, indien uw geloof in Jezus zover komt dat u Hem machtig acht om u te verlossen en daarin op Hem vertrouwt, bent u een verloste, zelfs niettegenstaande u met duizend vrezen te worstelen hebt en bekommerd bent over een heirleger van zonden. Het geloof heeft u behouden, ga heen in vrede. Want dit uw geloof zal opwassen van een mosterdzaad tot een wijdvertakte boom. Ik wenste dat u Jezus in uw armen kon nemen, zoals een Simeon dit deed, want dan zou u met volle verzekerdheid zeggen: ‘Mijne ogen hebben uw zaligheid gezien.’ Maar al kunt u zo ver niet komen, steek dan althans uw vinger uit en raak de zoom van het kleed van de Heiland aan. Want indien u slechts Zijn kleed aanraakt zult u genezen worden. De geringste aanraking met de eeuwig gezegende Christus zal een weg openen waardoor Zijn verlossingskracht uit Hem in u zal overgaan. O, hoe zalig is de gedachte dat God deze gebaande weg van het geloof voor arme zondaars heeft opengesteld. De belofte is uit het geloof, opdat ze naar genade zij, teneinde ze vast zij voor al het verkoren zaad van Abraham.

Dit geloof in de Heere Jezus moest voor ieder van onze de lichtste zaak ter wereld zijn. Indien wij waren wat wij behoorden te zijn, zou het nooit in ons opkomen aan onze Heere Jezus te twijfelen, en ons schandelijk ongeloof tegenover Hem is het duidelijkste bewijs dat wij Hem nodig hebben, want wij moeten vreselijk verdraaid van hart geworden zijn, dat wij gedwongen zijn te erkennen dat wij het moeilijk vinden om in Jezus te geloven. Welk een belediging voor Hem! Welk een misdaad van onze kant! Stel u de geboden weg van de zaligheid voor de geest en bloost over uw boosaardig ongeloof! God, de eeuwig Volzalige, die wij hadden beledigd, zendt Zijn geliefde Zoon in de gelijkheid van het zondige vlees en die Heiland heeft onder ons verkeerd als onze broeder, vriend en helper. In de volheid des tijds heeft Hij onze zonde en ellende op zich genomen en zich aan het kruis laten verhogen met de volle last van onze schuld. Hoewel Hij de geliefde Zoon van de Vader was, heeft Hij zelfs de dood ondergaan in de plaats en ter vervanging van de Zijnen, en Gods getuigenis van Hem is dat Hij Hem gezonden heeft tot verzoening van de zonde. God heeft Zijn zoenoffer aangenomen; zullen zondaren het niet aannemen? Hij is de Zaligmaker; God heeft Hem daartoe verordend; zullen zondaren er niet in bewilligen dat Jezus hen zaligmaakt? Zo niet, waarom niet? Indien wij niet tot de uiterste diepte van verdorvenheid vervallen waren, zouden wij verheugd uitroepen: ‘Heere, wij geloven. Geloofd zij de gezegende naam van Jezus, onze Plaatsbekleder, kunnen wij op Hem vertrouwen en vertrouwen wij op Hem. Wij zijn ten volle verzekerd dat, wanneer de Heere God Jezus ter zaligheid heeft gegeven aan de einden van de aarde, Hij ook een volkomen zaligheid moet zijn; daarom nemen wij Hem met blijdschap en verheuging aan.’ Maar het is de aard van onze natuur, de innerlijke verdorvenheid van onze harten, dat wij onze God niet kunnen geloven en Hem dus tot een leugenaar maken. O, hoe verschrikkelijk, de waarheid te wantrouwen van Hem die de engelen met gedekt gelaat aanbidden. O, welk een misdadig wantrouwen, de belofte van de waarachtige God in twijfel te trekken! Het is vreselijk, verschrikkelijk, ontzettend in de hoogste mate, de almachtige Vader te mistrouwen, aan Zijn ten dode bloedende Zoon te twijfelen. Er moest geen plaats zijn voor een ‘zo’, wanneer wij weten dat in de Heere Jezus al de volheid woont. Ik spreek op dit ogenblik niet tot dezulken, die Gods Woord verwerpen, en die de Godheid van Christus loochenen: ik kan mij hun toestand voorstellen, en anderzijds medelijden met hen hebben. Maar ik spreek thans tot dezulken, die deze Bijbel als Gods Woord erkennen, en onvoorwaardelijk geloven dat Jezus God is: tot u zeg ik dat uw weigerachtigheid om al uw vertrouwen op Hem te stellen onverantwoordelijk is; ik kan althans generlei verontschuldiging voor u vinden. Bedenk deze nadrukkelijke woorden van de Heere Jezus: ‘Indien Ik u de waarheid zeg, waarom gelooft u Mij niet?’ Indien u gelooft dat Jezus de Zoon van God en de Zaligmaker van zondaren is, waarom vertrouwt u dan niet van ganser harte op Hem? Waarom u dan niet terstond aan Hem toevertrouwd, van Wie u toestemt dat Hij al uw vertrouwen waardig is?

II. Ik heb getracht de aard van het geloof in het licht te stellen. Ik wil nu in de tweede plaats stilstaan bij de verontrustende vraag: Hoe is het mogelijk dat het moeilijk kan zijn te geloven? Voor sommigen is het inderdaad moeilijk. Op zichzelf kan het dit niet zijn, toch vindt menige bekommerde van hart het zo, en voor degenen die hen tot Christus trachten te brengen, is dit een zeer moeilijk geval.

Waarom, ten eerste, is het moeilijk sommigen mensen een duidelijk denkbeeld van het geloof te geven, niet alleen moeilijk voor hen om te geloven maar zelfs om te vatten wat geloven is? Ik heb personen ontmoet die geregeld sinds twintig of dertig jaar de godsdienstoefening hadden bijgewoond en toch nog niet tot de ontdekking waren gekomen dat het geloof een kinderlijk vertrouwen op Jezus is. Als kind was mij dit zalige geheim onderwezen door de Geest van God. Maar het kwam mij in het eerst onbegrijpelijk voor dat ik jarenlang de Evangelieprediking had bijgewoond, en toch niet geweten had wat het betekent in Christus te geloven. Die eenvoudige waarheid drong in mijn ziel door als een nieuwe openbaring. Ik had de Bijbel gelezen; er was geen gedeelte waarmee ik geen kennis had gemaakt, en toch had ik zelfs uit dat gezegende boek niet geleerd wat het geloof in Christus betekent. Is dat niet zonderling? Het is opmerkelijk, en toch komt het algemeen voor. Wij trachten door verklaringen, door verhalen, door gelijkenissen de mensen een begrip van het geloof te geven. Maar wij kunnen het hun niet eens in het hoofd prenten, nog veel minder in het hart. Luther betreurde dat hij, naar zijn mening, de Bijbel moest nemen en er zijn hoorders mee om de oren slaan, omdat hij hen niet tot het begrip brengen kon van de duidelijke leer van de Bijbel aangaande de rechtvaardiging door het geloof. Het denkbeeld van geloven strijdt tegen het menselijk gemoed en het kan er alleen ingang vinden door zich een weg te banen tegen de neiging van de menselijke natuur in. Nogmaals zeg ik, dat dit een treurig bewijs van de verdorvenheid van de mens is, want op zichzelf is het denkbeeld niet moeilijk: het is het eenvoudigste denkbeeld dat uitgesproken of aangenomen kan worden. Vertrouw uw verlossing aan Christus toe en Christus zal u verlossen, is een voorschrift dat een kind begrijpen kan. Maar toch de onwedergeborenen denken er niet zo over: ze verwarren de zaak en houden vast aan hun mening dat het geloof iets is om gevoeld, of gezien, of gedaan, of geleden te worden. Hun God te vertrouwen, zich te verlaten op de verzoening van Zijn Zoon – dat staat hun niet aan, en zo wordt hun dwaas hart verduisterd en kunnen ze de weg niet zien die voor hen ligt.

Wanneer wij dit denkbeeld onze hoorders hebben ingeprent, volgt voor ons de nieuwe moeilijkheid om hen te doen geloven dat het geloof hen behouden kan. Het schijnt zo moeilijk dit te geloven omdat het middel zo gemakkelijk is. Ze zeggen: ‘Hoe, zal ik na een dertig, veertig, vijftigjarig leven van zonde, van al de straf over mijn overtredin- gen verlost worden, door eenvoudig te vertrouwen op de Heere Jezus Christus?’ Als u hun zei dat ze naar de woestijn moesten gaan en daar als kluizenaars, levende van bessen en water, hun verder aardse leven moesten doorbrengen, zouden ze uw woorden geloven. Als hun geboden werd zichzelf te geselen met zwepen van ijzerdraad, zouden ze van zulk een lijden een gunstig gevolg kunnen verwachten, maar niet van enkel en alleen geloven. Als hun de gedachte werd voorgesteld, God te verzoenen door hun persoonlijk lijden, zou het weldra onmogelijk zijn dit te geloven, maar toch hellen ze voor een tijd meer dáártoe over dan tot de leer van de verlossing door te vertrouwen op de grote Plaatsvervanger. Afgrijselijke voorstellingen, toestanden van wanhoop, verschrikkingen, – ook daarvan hebben veel goede verwach- ting; ze hopen door sterke gemoedsaandoeningen vergeving te verkrijgen en door de poorten van de hel zich een weg te banen ten hemel. Maar op Christus te vertrouwen en de belofte van God te geloven, is iets dat te eenvoudig voor hen is; ze vrezen dat die verzekerdheid niet zo spoedig gevonden kan worden. O, u arme ziel, wanneer de profeet u geboden had iets groots te doen, zou u het dan niet gedaan hebben? Hoeveel te eer dan wanneer hij tot u zegt: ‘Geloof en leef.’
Ik wenste dat u veranderde van mening over het wezen van het geloof, want het is volstrekt zulk een onbeduidende zaak niet als u onderstelt. Zo eenvoudig als het is, bezit het toch grote voortreffelijkheid en waarde. Het geloof in God is de meest Goddelijke uiting van het gemoed. In God en Zijn Christus te geloven is verzoend te zijn met God, en Zijn vijandschap te hebben afgelegd. Wij zijn in overeenstemming van hart met hen op wie wij vertrouwen. Uw God geloven is Hem aanbidden: het wezen van de aanbidding is het geloof. Op de Heere te vertrouwen geeft een arme zondaar meer eer dan de cherubijnen hem brengen kunnen met hun hoogste lofzangen. Te midden van al mijn zonde en zondigheid, met een volkomen besef van mijn schuld, geloof ik dat het bloed van Jezus mij verlost heeft – geeft Hem dat geen lof? Scharlakenrode zonden te belijden en toch te zeggen: ‘Was mij en ik zal witter zijn dan sneeuw’, – wordt daarmee de Heere niet een grote eer toegebracht voor Zijn genade en Zijn macht? En toch, voor de leer: ‘Geloof en leef’ deinzen de arme zondaren terug omdat ze te gemakkelijk is.

Als ze over het bezwaar, dat het zo uiterst gemakkelijk zou zijn, heenstappen, zeggen ze bij zich zelf: ‘Deze tijding is ongetwijfeld te goed om waar te zijn. Versta ik u goed, mijnheer, dat wanneer ik nu in de Heere Jezus geloof, ik dan dadelijk van de zonde verlost en een nieuw schepsel in Christus geworden ben?’ Ja, u hebt mijn onderricht begrepen, indien dit de zin is die u in mijn woorden vindt. Nu zegt u dat het te gunstig is om waar te kunnen zijn. Bemerkt u niet hoe gering u over uw God denkt?

Ik weet dat de schuld vergevende genade uw verwachtingen of gedachten te boven gaat. Of heeft God niet van Zichzelf verklaard; ‘Gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan ulieder gedachten’? De genade mag te groot zijn voor uw verwachting, ze is niet te groot voor God om ze te verlenen. Dat u beter over God mocht denken dan u gedaan hebt, en van Zijn wonderbare genade zeggen mocht: ‘Zij is juist zoals Hij Zelf.’

Welk een genade die op zulk een wijze verleend wordt, die om niet geschonken wordt aan een ieder die in Jezus gelooft! Nu, zo wil de Heere het, en wij moeten haar aanvaarden als het Goddelijk waarmerk dragende. Hij vergeeft op Goddelijke wijze, en dit brengt ons geloof niet aan het wankelen, maar bevestigt het.

Dan weer, verbaast men zich over het spoedige van de rechtvaardigmaking. Zal een vijftigjarig leven in de zonde in een ogenblik vergeven worden? Zal het geloof van een ogenblik een einde maken aan de schuld van vroeger en het begin van een heilige toekomst zijn? Juist zo; op een ogenblik zet een mens de voet op de weg van het geloof, die hem in een nieuwe wereld leidt. Wat vreemds steekt daarin? Is het niet Gods gewone wijze van doen dat Hij in korte tijd wonderen tot stand brengt? Hij besteedde slechts een week om de aarde voor de mens toe te bereiden, nee, slechts zes dagen volstonden daartoe en de zevenden dag rustte Hij. Om het licht te scheppen, waarin wij ons verheugen, behoefde de Heere slechts te spreken: ‘Er zij licht!’ In ons tekstverhaal zegt de Heiland slechts tot de boze geest: ‘Gij stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem’, en het geschiedde. Al hadden wij al de tijd tot onze beschikking, toch zouden wij zulke wonderen niet kunnen doen, maar bij God is geen grens tussen langheid of kortheid van tijd. Duizend jaar is bij Hem als één dag en een dag als duizend jaar. Hij spreekt en het is er. Welk een gedachte – verlossing in een ogenblik! Van het ogenblik dat een zondaar gelooft leeft hij in God, en zijn zijn ongerechtigheden vergeven. O, zondaar, waarom zou u daaraan twijfelen? Toch kunnen wij de bedrukte van hart niet bewegen het te geloven.

Als wij onze vrienden uit deze moeilijkheid helpen, komen ze in een andere. Ze kunnen zich niet vergenoegen met Gods Woord alleen als de grond voor hun geloof. Waarom geloof ik dat ik verlost ben? Ik weet dat ik verlost ben, omdat Gods Woord zegt: ‘Die in Hem gelooft heeft het eeuwige leven’; en ik geloof in Jezus en daardoor ben ik het eeuwige leven deelachtig. ‘Maar’, zegt iemand, ‘indien dat woord zich krachtig bij mij had doen gelden, dan kon en zou ik het geloven.’ Juist zo. Maar zolang u weigert de belofte van God te geloven, bejegent u Hem als een leugenaar! God moet u volstrekt enig onderpand of bewijs geven boven Zijn belofte omdat Zijn Woord u niet voldoende is, ondanks u toestemt dat zelfs voor een rechtschapen man Zijn Woord zijn zegel is. U kunt op uw God niet vertrouwen. ‘O, dat ik maar een droom mocht hebben.’ Juist zo. U zou meer vertrouwen stellen in een onnozele droom, misschien door een slechte spijsvertering teweeggebracht, dan u hebt in het plechtige woord en de beschreven belofte van God. ‘O, als maar een engel tot mij sprak, kon ik geloven.’ Juist zo. En wanneer het God niet goeddunkt u een engel te zenden, wat dan? Dan moet Hij niet geloofd worden, maar bejegend als een Leugenaar. Wat is dat anders dan te zeggen: ‘Heere, u moet u naar mij toekomen, anders wil ik geen woord geloven van wat u zegt’? Is het daartoe gekomen? Durft u tekenen van God vragen? Laat mij u vragen: is deze Bijbel Gods Woord? Zeg: ‘Nee’; dan kan ik mij uw gedrag verklaren. Maar als u gelooft, zoals ik weet dat u doet, dat hij het waarachtige Woord van God is, hoe durft u dan ongelovig zijn? Als al de engelen in de hemel in een rij tot mij kwamen en mij verzekerden dat God Zijn Woord zou houden, dan zou ik zeggen: ‘Ik heb het u niet gevraagd mij dat te zeggen, want het kan niet anders dan dat de Heere altijd even goed is als Zijn Woord.’ God is zo waarachtig, dat het getuigenis van engelen overbodig zou zijn. Als mijn vader een verklaring aflegde zou ik zijn knecht niet roepen om haar te bevestigen. Als de Bijbel door de Heilige Geest is ingegeven, dan moeten wij hem geloven zonder bevestiging of verklaring te eisen. Laat ons zeggen: ‘Dat Woord is waarachtig, want God heeft het gesproken. Jezus Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken: ik ben een zondaar en vertrouwen op gekomen dat Hij mij verlossen wil. Omdat het Woord zegt: zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij de macht gegeven kinderen Gods genaamd te worden, namelijk die in Zijn naam geloven -, geloof ik in Zijn Naam, en daardoor heb ik de macht en het voorrecht een kind van God te worden, en ben ik een kind van God. God heeft gesproken, en dat is mij genoeg.’ Wij kunnen de mensen niet tot het inzicht brengen dat het Woord van God vaster is dan alle tekenen en wonderen – ze begeren er iets bij. Als wij hen dringen tot de erkenning dat het Woord van God de enige en voldoende grondslag is van het geloof, beginnen ze terstond op hun eigen geloof te zien alsof het de Zaligmaker ware. Ze roepen: ‘Mijn geloof is zo zwak, mijn geloof is zo afwisselend; mijn geloof is zo wankelend’ enzovoort. Het is alsof degenen wie werd aangeraden om op de koperen slang te zien, in plaats daarvan gevraagd hadden hun eigen ogen te zien. Hier is een kind dat dorst heeft en daar is een springende fontein. U geeft het kind een beker om van dat water te kunnen drinken. Het kind gaat evenwel niet naar de fontein, maar is zo ingenomen met zijn lege beker, dat het uit deze zijn dorst poogt te lessen. Welk een onnozel kind! Of stel u voor dat het weigerde naar de fontein te gaan omdat zijn beker van steen of van tin was, zou dat niet een zonderlinge wijze van handelen zijn van een dorstig kind? Een kind heeft de beker nodig om er uit te drinken, maar het kan niet drinken uit een lege beker. Het geloof is die beker, maar Christus is de Fontein. In vergelijking met Christus is het geloof iets van onderge- schikte aard. Wij moeten geloof hebben als de vinger waarmee wij de zoom van het kleed van de Heere aanraken, maar de vinger bewerkt de genezing niet. Zal ik de aanraking weigeren omdat ik misschien mijn vinger niet schoon gewassen heb, of omdat er geen gouden ring aan is, of omdat hij de sporen van jicht vertoont? Zoveel aandacht aan de vinger te wijden dat men weigert er Christus’ kleed mee aan te raken, zou waanzinnig zijn. Denk niet aan uw vingers: raak het kleed van de Heere aan. Zondaar, ga tot Christus om het even hoe. Want indien u tot Hem gaat zult u leven. In elk geval is het niet de grootte of de volkomenheid van uw geloof, maar Christus’ grootheid en volmaaktheid waar alles van afhangt.

Een andere beproeving is, dat wij bekommerde zondaars er niet toe kunnen brengen het onderscheid in te zien tussen hun geloof en Zijn vruchten. ‘Ik zou in Christus geloven’, zegt iemand, ‘als ik zo heilig was als die en die, die een gelovige is, maar nu ziet u dat ik een zondaar ben.’ Weet wel, geliefde vriend, dat de persoon over wie u zo spreekt niet van zichzelf denkt dat hij een grein meer persoonlijke verdiensten bezit dan u. Als u die gelovige spreekt, zal hij u zeggen dat wat heiligs u ook aan hem mocht opmerken, dit het werk van de genade is en dat toen hij voor het eerst tot Christus kwam, hij juist moest komen zoals u, dat is als een zondaar. Het geloof brengt heiligheid voort. Maar wanneer wij tot Jezus komen, komen wij allereerst als onheiligen en als de zodanigen ontvangt Hij ons. Stel u voor dat ik een menigte bloembollen heb, waaruit, naar men mij verzekert, de merkwaardigste bloemen zullen voortkomen. Als ik die verzekering geloof, zal ik zorg dragen dat ze behoorlijk in de grond gelegd worden. De bloemkwekers beginnen met zulke bollen in bakken of putten te zetten, om in de winter en het begin van de lente tulpen en andere schone bloemen te hebben. Stel u voor dat ik besluit mijn bollen niet te planten, omdat ik op mijn eigen gezicht afga en tot de gevolgtrekking kom dat, aangezien ik geen tulp of zelfs maar het begin er van in één van de bollen kan ontdekken, er geen nut in kan steken ze te planten. Iedereen nu zou mij zeggen dat ik in dit geval mij door het geloof moest laten leiden en mijn bollen planten, opdat ik op de gezette tijd hun bloemen mocht zien. ‘Die bol zal eens schone bloemen voortbrengen’, zegt iemand tot mij. Ik antwoord dat het een bruinachtige uitgedroogde soort van ui is en dat ik de bol op de mestvaalt zal werpen omdat ik er geen zweem van een bloem in zien kan. Hoe onnozel zou ik zijn, indien ik zo sprak. Hoewel ik niet kan zien, toch sluimert er, dicht samengedrongen en geheel verborgen, in die bol iets schoons, dat op de wekstem van de lente zal ontwaken. Evenzo ligt er, indien u in Christus gelooft, een heilig leven verscholen in uw geloof, en het zal zich van lieverlede ontplooien. Zelfs in een zwak geloof zijn de beginselen besloten van een eindelijke volmaaktheid. Indien u zich werkelijk op Christus verlaat, heeft uw toebereiding voor de heerlijkheid een aanvang genomen. Christus is verborgen in het oprecht geloof. Verwacht echter niet dit alles al ogenblikkelijk te zien; geef thans acht op de wortel en de groei zal volgen. U moet niet tot Christus komen omdat u genezen bent, maar om gezond te worden; uw geloof moet een zondaarsgeloof zijn alvorens het het geloof van een heilige kan worden. Geloof in Christus terwijl u nu onrein, verloren en ellendig bent en Hij zal u reinigen, verlossen en vernieuwen.

Nog vinden wij de ontwaakte zondaren worstelende met het denkbeeld dat ze iets moeten zijn of iets voelen alvorens ze zich op Christus mogen verlaten. Wij kunnen hen niet tot het besef brengen dat hun zaligheid van begin tot eind in Jezus Christus vervat is en in Jezus Christus alleen. Wij .kunnen hen niet af brengen van zeker vertrouwen op hun eigen gewaarwordingen, op hun tranen, of hun gebeden, of hun Bijbellezen of enige andere vorm van werken. Nu, eveneens willen ze liever op hun eigen geloof dan alleen op Jezus zien. Weet u niet dat onze Heiland een volkomen verzoening voor de zonde, en een volmaakte gerechtigheid heeft aangebracht voor de Zijnen? Zijn voldoening moet als volledig en volkomen worden aangenomen en Zijn gerechtigheid als onze eigen worden aanvaard. Ons vertrouwen moet geheel en al op het volmaakte werk van onze Heere gevestigd zijn, het moet zelfs niet op ons geloof rusten. Ons te verlaten op ons eigen vertrouwen zou ongerijmd zijn. Een gekwetste heeft helende balsem ontvangen en een stuk linnen om die balsem te omwinden; indien hij nu het linnen om de wond heenwikkelde en het heelmiddel achterwege liet, zou hij geen genezing mogen verwachten. Het geloof is het linnen waarop de balsem van Christus is uitgebreid en wij moeten zijn aangewezen plaats en orde niet verwarren, of wij maken het tot een mededinger van Christus. O, dat ik enige van de hindernissen mocht wegnemen waarmee de mensen zichzelf omringen, zodat ze er toe wilden besluiten om van zichzelf af te zien en alleen te zien op Jezus!

III. Thans moeten wij het laatste punt bespreken. O, u allen, die rust zoekt, let op elk woord dat in liefde tot u gericht wordt. Wat is het dat het geloof licht kan maken? De Heilige Geest alleen kan dit doen, en Hij doet het door zekere waarheden in herinnering te brengen. Het geloof wordt de mens licht gemaakt door de Heilige Geest, wanneer Hij, allereerst, klagend de ontwijfelbare zekerheid van Gods getuigenis inziet; en dit is het getuigenis dat God geeft omtrent Zijn Zoon, dat wie in Hem gelooft het eeuwige leven heeft. Is deze Bijbel waar of niet? Ik geloof elke letter er van; ik neem hem aan als het Woord van God in de meest onbeperkte zin van ‘t woord en dat doet u ook, tot wie ik spreek. En wanneer dit zo is dan is het niet langer moeilijk te geloven wat ronduit in dit boek getuigd wordt. Als God gesproken heeft, hebben alle vragen een einde. Het mag een hard woord of het mag een duister woord zijn, het mag te gunstig schijnen om waar te kunnen zijn, maar wat doet er dat toe? Mogen wij de Heere verantwoording vragen? Hij is geen mens, dat Hij liegen zou, noch een mensenkind, dat Hem iets berouwen zou. Hij heeft gezegd dat wie in Jezus gelooft niet zal verderven, maar het eeuwige leven hebben; en wanneer wij geloofd hebben, is derhalve het eeuwige leven ons deel.

Het volgende dat de Heilige Geest ons doet zien is de toepassing van dat getuigenis op onszelf, dat wil zeggen: wij lezen: ‘Jezus Christus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken’, en wij besluiten daaruit dat wanneer wij juist dezulken zijn, wij tot Hem mogen vluchten om ons te behouden. Wij lezen: ‘Komt herwaarts tot MIJ, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.’ Wij werken en zijn zwaar belast, en daarom komen wij en Hij geeft ons rust. Wij lezen dat ‘te zijner tijd Christus voor de goddelozen gestorven is’, en wetende dat wij goddeloos zijn, grijpen wij moed en komen tot Hem, Die de schuldige rechtvaardigt door Zijn gerechtigheid. Wij lezen verder: ‘Die wil die komen en neme het water des levens om niet.’ Wij lezen voorts: ‘Gaat heen in de gehele wereld en predikt het Evangelie aan alle creaturen’, en daar wij creaturen zijn besluiten wij dat het Evangelie ons iets te zeggen heeft. Uit het één zowel als uit het andere van deze getuigenissen zien wij dat het Evangelie zich tot ons persoonlijk richt en daarom nemen wij het aan. Het is beter voor ons dat het Evangelie tot ons komt met aanduiding van onze hoedanigheid dan dat er onze persoonsnaam bij werd vermeld. Is uw naam Johannes Bruin? Nu, indien het Evangelie tot u kwam per brief, gericht aan Johannes Bruin, wat zou u al niet zeggen, indien u in verzoeking kwam om te twijfelen! U zou bij u zelf denken dat er buiten u nog veel andere Johannes Bruin’s kunnen bestaan en daarom de tijding juist niet voor u bestemd was. Indien ze al aan uw woonplaats gericht was, zou u kunnen vrezen dat er eens een andere Johannes Bruin in uw huis gewoond had, lang vóór uw geboorte en daarom zou u schuchter zijn het bericht als voor u bestemd te beschouwen, uit vrees dat het op een veel vroeger tijd betrekking had. Als u aan het ongeloof wilt toegeven kunt u in alles een voorwendsel vinden. Maar wanneer de belofte geschiedt ‘aan een iegelijk die in Jezus gelooft’ kan er geen twijfel bestaan dat ze ons aangaat als wij geloven. Wij lezen: ‘Indien wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig dat Hij ze ons vergeve’, is het dan niet uitgemaakt dat wanneer wij onze zonden beleden hebben, wij genade gevonden hebben? Het is een zegen voor ons wanneer de Geest van God ons leert inzien dat het Evangelie ‘tot allen en over allen is die geloven.’

Iets anders dat het geloof licht maakt is het wanneer de Geest van God ons de heerlijkheid van de persoon van Christus doet zien. Onze Zaligmaker is waarachtig God en deze waarheid steunt ons om in Hem te geloven. Het komt mij voor dat de arme beangste vader er zeer in kan geholpen zijn in onze Heiland te geloven, door de bijzondere glans die van. Hem afstraalde, doordat Hij juist van de berg van de verheerlijking terugkwam. Het was een zeer moeilijk geval dat het gemoed van de ongelukkige man bezig hield, en daarom verscheen hem de Heere in een ongewone luister – een luister waarvan wij lezen: ‘De gehele schare, Hem ziende, werd verbaasd.’ Een blik op het gelaat van onze Verlosser droeg er toe bij om de beangste vader te doen roepen met tranen: ‘Ik geloof, Heere!’ O, wanneer de Geest van God u leidt om de Schrift te lezen totdat u een duidelijk gezicht verkrijgt in de Godheid en de volmaakte mensheid van de Heere Jezus, zult u zich overtuigd gevoelen dat met een almachtige Zaligmaker alle dingen mogelijk zijn. ‘Zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn?’ De Heiland is opgenomen in heerlijkheid en machtig de diepst verlorene te verlossen, die door Hem tot God gaat. O, mocht maar de gedachte u levendig voor de geest staan, dat Hij die uw geloof eist de Zoon van de Allerhoogste is, Die alle macht heeft in hemel en op aarde, dan zou u Hem uw vertrouwen niet kunnen, niet willen onthouden. Wat mij zelf betreft, daar ik boven allen twijfel van de Godheid van mijn Zaligmaker verzekerd ben, komt het mij zeer gemakkelijk voor op Hem te vertrouwen. Ik heb u vroeger al eens medegedeeld wat John Hyatt op zijn sterfbed zei, toen zijn diaken hem vroeg: ‘Mijnheer Hyatt, kunt u nu uw ziel aan Christus toevertrouwen?’ – ‘Één ziel!’ antwoordde hij, ‘ik zou Hem een miljoen zielen kunnen toevertrouwen als ik ze had.’ Juist daarom kan ik de Heere Jezus niet alleen mijn ziel toevertrouwen, maar ook alle dingen in hemel en op aarde, voor tijd en eeuwigheid. Elk kind van God mag dat gerust zeggen.

Een andere grote steun voor het geloof is dat wij ons voor de geest stellen de Goddelijke volmaaktheid van het werk en de offerande van de Heere Jezus Christus. Hij nam onze zonde op Zich, en in Zijn eigen lichaam aan het hout van het kruis is Hij zonde gemaakt voor ons, opdat wij rechtvaardigheid Gods in Hem zouden gemaakt worden. Laat alleen onze ogen gevestigd zijn op de Zoon van God, zoals Hij de smarten van de dood lijdt voor zondige mensen en u moet wel geloven in Zijn verlossende macht. Mij dunkt, wanneer de mensen zondiger waren dan ze zijn, en wanneer ze een miljoen maal talrijker waren dan zij zijn, en wanneer elke ster die aan de middernachtelijke hemel fonkelt een wereld was en ze alle met zondaars bedekt waren, – dat dan nog de offerande van God Zelf, wegens de heerlijkheid van Zijn natuur, zulk een bevrediging van de wet moest zijn, als nodig was om de zonde van een oproerig heelal te delgen. Moet de oneindig Heilige lijden voor de schuldige? Moet de Eeuwige Zelf de menselijke natuur aannemen en Zijn hoofd buigen in de dood? Dan moet het offer van zulk een oneindige kracht zijn, dat niemand vrezen mag dat het ontoereikend zal zijn voor zijn behoefte. Geen perk kan gesteld worden aan de kracht die in het Goddelijke zoenoffer ligt. Mijn God, ik zie dat U Uw eigen Zoon in de dood hebt overgegeven, en voorwaar in Zijn dierbaar bloed ligt meer dan voldoende grond voor mijn geloof in U.

Indien dit u niet dringt om te geloven zal de Geest van God misschien op een andere wijze werken. Sommigen zijn er toe gebracht om in Jezus te geloven, door het zien van anderen die bekeerd, gerechtvaardigd en zalig gemaakt waren. Wanneer iemand zoals u verlost is, vat u moed. ‘Ik ben een dief geweest’, horen wij er één zeggen, die op zijn sterf bed zijn God en Heiland looft, dat hem nog bijtijds de fontein van het heil is getoond, in wier wateren u, die even zondig bent als hij was, ook uw zonden kunt wassen. ‘Ik ben een overspeler geweest’, zegt een tweede. Helaas, dat is ook David geweest, maar hij zei: ‘Was mij en ik zal witter zijn dan sneeuw.’ ‘Ik ben een moordenaar geweest’, snikt een derde. Dat is Manasse ook geweest, die veel onschuldig bloed vergoot. ‘Maar ik ben een vervolger en een lasteraar van de Heere geweest.’ Dat was Saul van Tarsen ook en nog heeft hij genade gevonden. ‘Maar ik schijn veel meer duivels in mij te hebben dan iemand anders.’ Dat was zo ook bij Maria Magdalena, van wie Jezus zeven duivels uitwierp. U denkt bij u zelf dat u geheel en al een zondaar bent, maar daar zijn er anderen geweest aan u gelijk, en de deur waardoor anderen tot genade geraakt zijn staat voor u open. Indien ik op de dag toen Noach de dieren in de ark bracht een konijntje geweest was, geloof ik niet dat ik bezorgd zou geweest zijn dat er voor mij geen plaats zou zijn om in de ark te komen. Maar indien ik daarvoor al bevreesd was geweest, zou ik al mijn bezorgdheid toch hebben laten varen zodra ik de olifant zag komen met zijn wijfje aan zijn zijde, en hen de deur zag binnengaan. Dan zou ik met zekerheid geweten hebben dat er plaats voor mij was. O, u die bij de zedelijkheid en eerbaarheid bewaard bent gebleven en daar- door naar het uitwendige geen grote zondaars bent geweest, voorzeker kunt u binnentreden, waar de voornaamste van de zondaren een ingang heeft gevonden. De verlossing van anderen is vaak een aangename bemoediging voor zondaren om hun vertrouwen op Christus te stellen.

Ten slotte wens ik u op iets te wijzen om u te bewegen op Hem uw hoop te bouwen, namelijk op de hopeloosheid van alle andere hoop. Het is iets zonderlings, dat hopeloosheid dikwijls de moeder is van geloof, maar de moeder sterft, zodra het kind geboren is. Veel van onze werden tot het geloof in Christus bewogen, doordat wij niets anders hadden om op te vertrouwen. Toen wij tot het uiterste gedreven waren, eerst toen kwamen wij tot Jezus en namen wij Hem aan tot ons Één en al. Een knaap ontwaakte in een woning die in brand was geraakt. Men kon hem van straat af zien, de arme jongen, en hij verkeerde werkelijk in groot gevaar. Hij ijlde naar het raam; zijn vader stond beneden en riep hem toe dat hij zich in zijn armen zou laten vallen. Maar het was een aanmerkelijke hoogte en de knaap was bang. Hij drong zich tegen het raam, maar durfde zich niet te laten vallen. Weet u wat hem er toe bracht zijn steun te laten varen en zich in de armen van zijn vader te laten vallen? Eensklaps barstten de vlammen naar de kant van het raam uit en schroeiden hem, en nu liet hij zich ogen- blikkelijk vallen. Ik wenste dat veel van ons eveneens zodanig door de hitte van de hopeloosheid werden aangedaan dat ze tot het besluit kwamen om zich in Jezus’ armen te werpen.

Voor enige jaren leed één van onze studenten zeer aan vermagering, die op tering geleek. Hij had van een geneesmiddel gehoord dat voor dergelijke gevallen zeer heilzaam werd geacht, maar stelde er geen vertrouwen in. Toen hij gaandeweg erger werd, zei ik tot hem: ‘Broeder, u bent aan de poort van de dood; neem de proef van het geneesmiddel van die man, er kan iets goeds in zijn; in elk geval, bij niets van wat u tot hiertoe gebruikt hebt, hebt u baat gevonden.’ Hij gebruikte het middel enkel en alleen omdat hij aan alle andere voorgeschreven middelen wanhoopte, en God zegende het dermate dat hij tot heden toe gezond is. Hij zou het geneesmiddel niet hebben aangewend, wanneer hij niet gevoeld had dat er geen hoop meer was overgebleven. Evenzo is het heilzaam wanneer u ten opzichte van de toestand van uw ziel zozeer in de engte gedrongen wordt dat u eindelijk uw toevlucht tot Jezus neemt in het geloof en met de discipelen van de oude dag tot Hem spreekt: ‘Heere, tot wie zullen wij heengaan? u hebt de woorden des eeuwigen levens.’

Amen.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend