23 March Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

De laatste aanslag van de duivel

De laatste aanslag van de duivel

‘En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde Hem de duivel, en verscheurde hem.’ Lukas 9: 42

Onze Heiland Jezus Christus onderwees het volk dikwijls door Zijn Woorden, maar leerde het meer nog door Zijn daden. Hij predikte aldoor, zijn gehele leven was een hemelse rede over de Goddelijke waarheid. De wonderen, die Hij deed, waren niet alleen zoveel bewijzen van Zijn Godheid, maar de verklaring van Zijn onderwijs. Zijn wonderen van barmhartigheid waren inderdaad een prediking in feiten, belichaamde waarheden, schilderachtige verklaringen, die tot het oog spraken en alzo de prediking van het Evangelie even duidelijk volbrachten, als ze in woorden had kunnen geschieden. Wanneer wij van de wonderen van onze Heere lezen, moeten wij die niet alleen als bewijzen van Zijn Godheid en als kentekenen van Zijn zending beschouwen, maar als onderrichtingen omtrent de aard van Zijn verlossingswerk. Wat Hij toen aan de lichamen van de mensen deed, moet beschouwd worden als een profetie van wat Hij heden ten dage bereid is aan de zielen van de mensen te doen. Ik houd mij verzekerd dat ik de betekenis van mijn tekst noch de bedoeling van het wonder geweld zal aandoen, wanneer ik, in plaats van over de door de duivel bezeten knaap te prediken en alleen bij het wondervolle machtsbetoon stil te staan, tracht te doen zien dat er op de huidige dag in het leven van de geest dergelijke gevallen voor- komen. Jezus is machtig in de onzichtbare geestenwereld wonderen te doen zoals vooraf geschaduwd werden door die, welke Hij in de zichtbare natuurlijke wereld heeft gewerkt.

Ik onderstel dat wij nooit een door de duivel bezetene hebben gezien, hoewel ik daarvan niet geheel zeker ben. Want sommige mensen vertonen verschijnselen, die er veel op gelijken. De tegenwoordige aanwezigheid van boze geesten in menselijke lichamen zal ik evenmin bevestigen als ontkennen. Doch gewis was het ten tijde van onze Heiland iets gewoons, dat duivels in mensen voeren en hen zwaar folterden. Het moest blijken dat de Satan los was, gelaten terwijl Christus hier op aarde was, opdat de slang in persoonlijke botsing zou komen met het beloofde Vrouwenzaad, opdat de beide worstelaars van stap tot stap in ernstige strijd zouden verkeren, en opdat de Heere Jezus een glansrijke zegepraal op hem behalen zou. Sinds zijn nederlaag door onze Heere en door Zijn apostelen, moest het blijken dat Satans macht over de lichamen van de mensen aanmerkelijk geknot was. Maar wij merken onder ons nog hetzelfde in een andere en ergere vorm op, namelijk de macht van de zonde over de harten van de mensen.

Dat deze samenhangt met de macht van de duivel over het lichaam, blijkt duidelijk uit de Schrift. ‘De god dezer wereld heeft de zinnen verblind dergenen, die niet geloven.’ ‘De geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid’, zegt de apostel Paulus. Satan werkt in alle goddelozen zoals een smid in zijn smidse; bevreemdt het u dan dat ze soms vloeken en zweren. Dit zijn slechts de vonken van de haard, die uit de schoorsteen vliegen. De boze werkt met de boze harten mee, door vuur voor hun haard te verschaffen en de vlam, die in hun binnenste opstijgt, aan te blazen, hen op alle wijzen te helpen en hen tot het kwade aan te zetten; zodat, al worden de mensen niet door de duivel bezeten zoals dit in de tijd van Christus geschiedde, de duivel toch nog macht over hen heeft en hen naar zijn begeerte leidt. Krijgen wij niet gedurig met zulke mensen te doen? Ik wel. Ik ken hartstochtelijke mensen, uit welke de gloed van de duivel uitschijnt in twist en woede, en ik kan anderen aanwijzen, wier liefde tot de leugen de tegenwoordigheid van de vader van de leugen verraadt. Sommigen spreken godslasteringen uit en gebruiken zulke boosaardige woorden, dat wij er van verzekerd zijn dat hun tong ontstoken is door de hel, als al niet de overste van de duivelen hen beheerst. Hier zegt iemand: ‘Drinken is mijn ondergang naar lichaam en ziel. Ik weet dat het mijn leven verwoest. Ik heb al dronkenmanswaanzin gehad, en ik weet dat ik die weer zal krijgen, wanneer ik zo voortga. Maar ik kan het drinken niet laten. Soms overvalt mij een onweerstaanbare begeerte, en is het mij alsof ik de bedwelmende drank moet inzwelgen, of ik wil of niet.’ Of dit de duivel is, of dat het geheel en al de man zelf is, zal ik niet gaan betogen. Maar de drankduivel, wiens naam legio is, bevindt zich thans ongetwijfeld in ons midden, en wij horen mensen tot ons zeggen, dat ze vurig verlangen aan zijn macht te ontkomen, en toch keren ze tot hem terug en storten zich in een staat van dronkenschap, zoals de zwijnen neerstortten in de zee, toen de duivelen in hen waren gevaren.

Behoef ik nog melding te maken van een andere vorm van dit kwaad in de gedaante van onkuisheid? Hoeveel mannen zijn er – helaas, ook van vrouwen is het waar – die worstelen tegen een wilde hartstocht, en toch overwint die hartstocht hen; de onreine begeerte overvalt hen zoals een orkaan, die alles voor zich uitdrijft, en ze zwichten er voor, evenals het dorre blad voor de rukwind. Ja, wat meer is, ze storten zich in een zonde, die zijzelf vloeken, waarvan ze al de bittere vrucht geproefd hebben; ze konden er niet begeriger naar zijn, indien het de reinste van alle genietingen was. Evenals de mug opnieuw in het licht vliegt, dat zijn vleugels zengde, zo werpen enigen zich in de armen van de ondeugd, die hen rampzalig gemaakt heeft. Ze worden bezeten en overheerst door de geest van de begeerlijkheid, en keren tot hun misdaden terug evenals ossen naar de stroom.

Ik behoef niet verder in bijzonderheden te treden, want deze vervalt in dit opzicht tot zonde, en gene op een geheel andere wijze. Alle duivelen zijn niet dezelfde, hoewel ze allen boos zijn. Drift verschilt van begeerlijkheid, en losbandigheid lacht met heb- zucht, maar toch zijn ze alle van één broedsel, soldaten van hetzelfde vreselijke legioen. De mensen geven zich aan verschillende zonden over, maar hun zonden openbaren alle één zelfde boze macht. Zo Christus ons niet vrijgemaakt heeft, zijn wij allen onder deze of gene vorm onder de heerschappij van de vorst van de duisternis, het hoofd van de machten van het kwaad.

De arme jongeling, over wie wij heden zullen spreken, was in een aller-vreselijkste toestand gebracht door de invloed van, een satanische geest. Hij was maanziek: de rede had haar heerschappij verloren. Hij leed aan vallende ziekte, zodat hij, alleen gelaten, in het vuur of in het water kon vallen. U hebt zelf mensen gezien, die een aanval van die ziekte hadden, en u weet in welk een vreselijk gevaar ze zouden zijn, als ze middenin een straat of bij de oever van een rivier een toeval kregen. Bij deze knaap was de vallende ziekte alleen het middel, waardoor de duivel zijn kracht uitoefende, en dit maakte zijn toestand zevenmaal erger dan wanneer het slechts een kwaal geweest was. Deze bezochte mens was daarenboven doof en stom geworden, en hij was zeer woest, zodat hij veel kwaad doen kon. In heel het Heilige land was er slechts Één, Die iets voor hem doen kon! Er was één naam, waardoor hij genezen kon worden, en slechts Één. Het was de naam van Jezus. De Heere Jezus had discipelen, die wonderen deden in Zijn Naam, maar ze waren machteloos in dit buitengewone geval. Ze beproefden wat ze konden, maar ze werden geheel verslagen en gaven de taak in wanhoop op; en nu bleef er nog maar Één over beneden het uitspansel van de hemel, Die zich het lot van het kind kon aantrekken en de duivel uitwerpen. Slechts Één was er, Die op de gebeden van de arme vader kon antwoorden; elke andere hoop was vervlogen. Dat is juist dezelfde toestand, waarin wij verkeren; er is maar één naam onder de hemel, waardoor wij verlost moeten worden. Er zijn veel schijnbare verlossingen, maar slechts één is waarachtig.

‘Daar is een naam, verheven boven
Al wat op aarde, in hel en hemel leeft,
die engelen en mensen loven,
Waar ’t duiv’lenheir voor vlucht en beeft.’

Die ene naam is de naam van Jezus, de Zoon van God, Wie alle macht gegeven is. Hij is God, en kan iedere mens van de heerschappij van het boze verlossen, welke vorm het ook aangenomen en hoe lang de heerschappij ook geduurd heeft. Een andere genezing is er niet. Niets anders kan de mens van de slavernij van zijn zonde bevrijden dan het woord van Jezus. Als het machtwoord door Zijn Goddelijke mond is uitgesproken, gehoorzamen alle dingen. Maar van de tienduizend stemmen van de aarde is er geen enkele, die ons van het boze kan verlossen. Wij zijn beperkt tot het enige geneesmiddel van de hemel. God geve dat wij, geen andere uitkomst ziende, dat mogen aangrijpen.

Deze arme knaap had, hoewel niemand behalve Jezus hem genezen kon, een vader, die hem liefhad, en niemand kon de droefheid van dit vaderhart over zijn arme zoon beschrijven. De vader had een zware strijd om zijn zoon naar de discipelen te brengen, want lijders aan vallende ziekte, die dus waanzinnig zijn, zijn moeilijk te besturen. Ik kan niet zeggen hoeveel omstanders hem hielpen vasthouden, vol medelijden met het arme wezen. Helaas, de Heere Jezus Christus was er niet. Het hart van de vader was bezwaard, toen hij zag dat de grote Heelmeester, naar Wie hij uitzag, voor een ogenblik afwezig was. Maar toen Jezus van de berg afkwam, had de arme bezetene dit grote voordeel, dat hij vrienden had, die hielpen om hem tot de Christus te brengen. Ik hoop dat allen hier, die niet verlost zijn, het voorrecht hebben een vriend te bezitten, die hun verlossing beoogt. Misschien is het een vrouw, die niet dulden kan dat haar echtgenoot buiten Christus zou blijven, of een echtgenoot, die niet ophoudt met treuren voordat zijn gade bekeerd is tot de Heere. In elk geval is het van grote invloed. Hoe dikwijls draagt een moeder een verborgen zielsangt in haar boezem om over haar onbekeerde zonen en dochters! Ik heb een zuster gekend, welke de enige van het gezin was, die de Heere kende, en ze heeft dag en nacht met de Heere geworsteld en Hem gesmeekt het gehele huis zalig te maken. Dikwijls is een dienstbode in het huis de beste helpster, of het is wellicht een buurman, die het goddeloze leven van zijn buren ziet en niet ophoudt voor hen te bidden. Als er enkelen samenkomen, om een buitengewoon moeilijk geval aan Jezus op te dragen, rust er zegen op dit werk. Want hopeloze gevallen worden hoopvol onder de invloed van het gebed. Komt, u verlosten, bidt thans met mij voor de onvernieuwde zondaren, dat ze op dit ogenblik de kracht van onze Heere Jezus gevoelen mogen.

I. Zo zal dan mijn eerste opmerking zijn, dat al onze hoop wordt gewekt. Hier is een arme knaap, maar zo slecht als hij is, als verschrikkelijk bezeten als hij is, komt hij tot Christus! Zijn vader heeft voor hem gebeden, en Jezus is nabij. Alles doet het beste hopen. Wij willen het geval van een zondaar nemen, die in een gelijke toestand is: er zijn gebeden voor hem gedaan, en die gebeden zijn in zekere mate verhoord. Er zijn, naar ik vertrouw in deze vergadering enigen, die tot Christus komen, en dat verblijdt mij zeer. Tot Christus te komen is niet de best mogelijke toestand, want die is: al tot Hem gekomen te zijn. Want dat een hongerig man naar een middagmaal gaat, is niet genoeg: hij moet werkelijk de tafel vinden en eten. Want dat een zieke naar een groot geneesheer gaat, geeft goede hoop, maar het is niet voldoende: hij moet die geneesheer bereiken, zijn medicijn innemen, en herstellen. Dat is de zaak. Tot Christus te gaan is niet genoeg: men moet werkelijk tot Hem komen, en Hem werkelijk aannemen. Want alleen aan dezulken geeft Hij macht, kinderen Gods te worden.

Dit arme kind was op weg, en zo is ‘t ook met sommigen van u; dat wil zeggen, ze zijn begonnen aandachtig naar het Evangelie te luisteren. Vroeger gingen ze op de Sabbat nergens heen; ze stonden zondagsmorgens ook niet vroeg op. Ik ken een man, die op zondagmorgen zelden opstond, en als hij het deed, las hij zijn courant. U kon hem altijd tot één uur in zijn hemdsmouw zien. Half Londen is elke zondagmorgen in die toestand, omdat men die dag eenvoudig als zijn eigen dag beschouwt, en niet als de dag des Heeren. Men heeft een zeer kort geheugen, en vergeet: ‘Gedenkt de Sabbat- dag, dat u die heiligt’; ze herinneren er zich niets meer van dat het de dag des Heeren is, en eerbiedigen hem niet. Dit is een schandelijk gedrag voor God. Als een man op de weg eens een arme bedelaar ontmoette en hem zes guldens gaf van de zeven, die hij bij zich had, zou de bedelaar een snode ellendeling moeten zijn, als hij hem daarna ter aarde wierp en de anderen gulden stal. Toch zijn er een menigte mensen, wie God zes dagen geeft van de zeven, en die toch niet tevreden zijn vóór ze de zevende geheel voor zichzelf hebben en God daarvan beroven. De man, die ik bedoel, heeft berouw over deze verkeerdheid, en dus komt hij op zondagmorgen het Evangelie horen. Hij hoort het zeer oplettend aan; hij leunt voorover om elk woord op te vangen, en hij be- waart wat hij hoort.

Wij zijn er zeker van dat hij tot Christus gaat, want als hij thuis komt, neemt hij zijn Bijbel. Hij is begonnen, het Woord van God op een ernstige wijze te lezen. Er was een tijd, dat hij dacht dat het bijna ‘t dorste boek ter wereld was. Hij durfde er zelfs mee spotten, en alleen doordat hij het nooit gelezen had. Want zij, die de Goddelijke ingeving van de Schrift loochenen, zijn bijna altijd mensen, die haar nooit voor zichzelf gelezen hebben. Het is een boek, dat uit zichzelf overtuigend is voor oprechte harten, als ze het zorgvuldig doorlezen. Deze man komt ongetwijfeld tot Christus, want hij onderzoekt de Schriften.

Ik houd mij verzekerd dat hij tot Christus komt, want hij is begonnen met zich in veel opzichten te verbeteren. Hij heeft zijn menigvuldige bezoeken aan zijn gewone tempel, het koffiehuis, nagelaten. Hij blijft meer thuis, en is dus matig. Een menigte mensen in deze stad hebben geen klok nodig, om hen in de tempels van hun goden te brengen. In sommige van onze kerken zien wij twintig minuten of een half uur nadat de dienst begonnen is, de mensen binnengaan. Maar ziet eens naar de tempels van Bachus om één uur, en om zes uur ‘s avonds, hoe stipt zijn vereerders zijn. De aanbidders van het vloeibare vuur wachten buiten totdat het heiligdom ontsloten is; ze vrezen te laat te komen; ze zijn zo dorstig dat ze haken naar de tijd van het dodelijk plengoffer. De drank schijnt het water des levens voor hen te zijn, arme schepselen! Maar thans ziet men onze veelbelovende vriend niet meer wachten aan die deurposten. Zijn oog is, God dank, op een andere bron van de vertroosting gericht.

Let er ook op, dat hij zijn godslastering en zijn onkuisheid evenzeer heeft laten varen. Hij is in zijn mond en naar zijn lichaam een reiner mens dan hij placht te zijn. Hij komt tot Christus. Maar, zoals ik zei: gaan is niet genoeg. Het is eigenlijk de zaak, de Heere Jezus te vinden en door Hem genezen te worden. Ik bid u, vergeet dat niet. Toch geeft dit goede hoop, zeer goede hoop. De man is een hoorder, hij is ook een lezer van de Schriften; hij is zich gaan verbeteren; en nu is hij ook nadenkend geworden, en begint een weinig zorg te dragen voor zijn ziel. Als hij aan zijn werk is, kan men zien dat er iets in zijn hoofd werkt, hoewel het eens met ijdelheid en boosheid vervuld was. Ook gevoelt hij een druk op zijn hart, een last op Zijn Geest wegen; hij is klaarblijkelijk ernstig; voor zover hij het onderricht van de Schrift kent, is hij er diep door getroffen. Hij heeft geleerd, dat hij niet zal ophouden te bestaan als hij sterft, maar dat hij voortleven zal als gindse zon zwart wordt zoals een uitgebrande kool. Hij weet dat er een oordeelsdag komen zal, als scharen bij scharen, ja al de doden voor de rechterstoel van Christus zullen staan, om rekenschap te geven van de dingen, die ze in het lichaam gedaan hebben; hij denkt daarover na, en vreest. Hij bepeinst de Goddelijke waarheid, en vindt de tijd tot eenzame overdenking. De man gaat tot Christus, want uit niets blijkt beter dat het oog op Christus en de hemel gericht is, dan uit een nadenkende geestestoestand.

En ik heb gehoord – natuurlijk kan ik het niet zeggen, want ik was er niet bij – ik heb vernomen, zeg ik, dat hij onlangs in de nacht begon te bidden. Als het zo is, weet ik dat hij tot Christus komt, want bidden is een onbedrieglijk teken. Hij heeft zich nog niet geheel aan Jezus’ voeten geworpen, maar hij roept uit: ‘Heere, verlos mij.’ Hij komt, en ik ben daarover zo blij als de vogels op een lentemorgen. De engelen houden de wacht; ze buigen zich over de tinne van de hemel, om te zien of alles goed eindigen zal, en u en ik zijn vol hoop, inzonderheid ze onder ons, die voor deze man gebeden hebben; want nu wij zien, dat er enige verandering in hem is, en hij begint te denken en bidden, zien wij uit naar zijn verlossing, evenals men uitziet naar bloemen, als er in april regen valt. Aldus wordt, zoals u ziet, onze hoop opgewekt.

II. En nu zal ik de tekst nog eens lezen: ‘En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem.’ Daardoor wordt onze vrees verwekt. Welk een schouwspel moet het zijn geweest! Hier is de arme vader, die zijn arme ziekzinnige zoon komt brengen, en vrienden helpen hem; ze voeren hem tot de Zaligmaker, en juist komt hij tot Hem, die hem genezen kan, als hij plotseling wordt overmeesterd door een vreselijke aanval, erger dan hij ooit gehad heeft. Hij wordt neergeworpen, in ‘t rond geslingerd, heen en weer geschud; hij wentelt op de grond: hij schijnt als door een onzichtbare hand naar boven en naar beneden te worden gerukt; wij vrezen dat hij aan stukken zal gescheurd worden. Ziet, hij valt neer als een dode, en daar ligt hij. Als de menigte zich om hem verzamelt, roept men: ‘Hij is dood.’ Schijnt het niet vreselijk, dat, toen de hoop haar hoogste glans bereikt had, alles verloren zou zijn?

Ik heb dit zeer dikwijls opgemerkt; ik zou, zonder overdrijving, naar ik meen, kunnen zeggen: honderden malen. Ik heb mensen gezien, die pas nadat ze waren begonnen te horen en na te denken, door de zonde plotseling met zulk een hevigheid aangegrepen en zó verschrikkelijk door haar meegesleept werden, dat ik aan hen zou hebben gewanhoopt, als ik hetzelfde vroeger niet gezien had. Maar, omdat ik dit dikwijls heb waargenomen, weet ik wat het betekent, en ben ik niet zo verslagen als een onervaren opmerker wellicht zijn zou. Maar toch moet ik bekennen, dat mijn hart bijna breekt, als het overkomt aan een veelbelovende bekeerling, die ik hoopte in de gemeente op te nemen en over wie ik mij dacht te verblijden. Wij treuren als wij vernemen dat de man, op wie het Evangelie enige indruk gemaakt had, erger is geworden dan vroeger, en wedergekeerd is tot dezelfde zonde, waarvan wij hem hadden afgebracht. Dit geval komt overeen met dat van onze tekst: ‘En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel en verscheurde hem.’

Hoe doet de duivel dit? Wij hebben het op deze wijze zien geschieden: toen de man bijna in Christus geloofd had, maar niet geheel, scheen Satan zijn verzoekingen om hem te vermenigvuldigen, en al zijn kracht aan te wenden om hem meester te blijven. Daar is een boze man in de werkplaats, en de duivel zegt tot hem: ‘Uw maat begint best ernstig te worden: bespot hem. Beproef alles wat u kunt. Onthaal hem op sterke drank. Trek hem mee maar de schouwburg, het café-chantant, of het bordeel.’ Het is verwonderlijk hoe de goddelozen allerlei hinderlagen leggen voor hem, die aan zijn zonden wil ontkomen. Ze hebben het er op gezet om Hem van Christus af te houden. Dit is een vrij land, niet waar? Een vreemd vrij land, als een Christen tot op deze dag ter wille van zijn leven op de werkplaats door de spitsroeden moet lopen. Iemand kan vloeken en drinken en alle afschuwelijke dingen doen, die hij wil, en nooit krijgt hij een verwijtend woord. Maar op het ogenblik dat hij ernstig en nadenkend wordt, vervolgen de goddelozen hem, als de honden een rat. De duivel vindt bereidwillige dienaren en deze kwellen de arme ontwaakte man; moet men zich verbazen, dat hij, als hij Christus nog niet gevonden heeft en nog niet verlost is, tijdelijk door deze aanvallen wordt teruggedreven, en ‘t hem toeschijnt dat hij niet verder gaan kan op de goede weg?

Het is mij bovendien gebleken dat satan de boze hartstochten van de beangste man heeft opgewekt. Hartstochten, die sliepen, zijn plotseling ontwaakt. Daarenboven is de man nadenkend geworden, en daardoor juist hebben twijfelingen, die hij vroeger nooit gekend had, hem overvallen. Hij begint zich te verbeteren; hij gaat aan ‘t verstellen, en nu vindt hij ‘t moeilijk, zijn naald door ‘t kleed heen te krijgen op de plaats, waar de scheur was ontstaan. Hij ondervindt dat scheuren een gemakkelijker werk is dan verstellen, en dat het een veel lichtere zaak is zich in de zonde te storten, dan op te staan uit de zwarte poel, waarin hij gevallen is. Het is deels doordat zij, die hem omringen, hem trachten te verleiden, en zijn boze hartstochten aan de verzoeking beantwoorden, deels doordat zijn twijfel alles benevelt voor zijn oog, dus geen wonder dat de arme man verergert vóór hij tot beterschap komt. De ziekte, die vroeger in meer bedekte levensorganen verborgen was, schijnt naar buiten te zijn uitgeslagen, en het gezicht is walgelijk. Dit is echter niet altijd een kwaad teken. De dokters geven daaraan nog de voorkeur boven een inwendige ontsteking.

Hetzelfde heb ik gezien bij mensen, die zich tot Christus hebben begeven; hun boot is door de storm heen en weer geslingerd, en ze zijn ver weggedreven op een woedende zee.
Ja, en ik zal u zeggen wat ik gezien heb. Ik heb een man bijna bekeerd gezien – iemand, die bijna in Christus geloofde, die plotseling hardnekkiger is geworden in zijn vijandschap tegen het Evangelie dan hij vroeger ooit geweest was. Een man, die vroeger rustig, onschadelijk, onzijdig was, heeft onder de invloed van de Satan, juist toen wij het beste van hem hoopten, zich met woede gekeerd tegen hen, die hem wél wilden doen, en heeft smadend gesproken over het Evangelie, dat hij voor korte tijd, naar het scheen, begerig was te verstaan. Somtijds handelen zulke mensen alsof ze zorgeloos en werelds geworden waren, evenals jongens, wanneer ze over een kerkhof gaan fluiten, om hun moed levendig te houden. Veel mensen voeren een hoog woord tegen het Evangelie, wanneer ze bijna overwonnen zijn, en willen voor niemand weten dat ze geslagen zijn. Ze komen tot Jezus, maar verlangen toch niet dat iemand dit bemerkt, en wenden daarom een tegenstand voor, die onwaar is. Hebt u niet ontdekt dat iemand nooit zo hevig een zaak tegenstaat als wanneer hij tegen zijn wil van haar waarheid overtuigd is? Hij wil zichzelf trachten wijs te maken dat hij het niet gelooft, door dat luid te verklaren; een verborgen iets in zijn ziel maakt dat hij gelooft, en hij is woedend dat hij zijn innerlijke overtuiging niet weerstaan kan.

Weest niet verbaasd – u, die mensen tot Christus tracht te brengen – als het dikwijls gebeuren mocht, dat deze zieken losbreken, dat deze lijders aan vallende ziekte even voordat Christus hen geneest een ergere aanval krijgen, dan u weet dat ze vroeger ooit gehad hadden.

Ik zal de wijze beschrijven, waarop de duivel gewoonlijk de mensen neerwerpt en verscheurt. U behoeft hiernaar niet te luisteren, als u er geen lust in hebt, want het heeft niet op u allen betrekking, maar het aantal van hen, van wie het waar is, is groot genoeg om het voor mij noodzakelijk te maken er over te spreken. Het is zeer opmerkelijk, dat als er in deze stad een arme ziel is, die bijna waanzinnig is van wanhoop van het hart, ze behoefte gevoelt met mij te spreken. Ik gevoel mij dikwijls pijnlijk bezwaard, als ik tracht mij in de toestand van de radelozen te verplaatsen. Ik weet niet waarom ze zich tot mij aangetrokken gevoelen, maar ze komen om mij hun ongelukkige geestestoestand mede te delen – mensen, die wij vroeger nooit hebben gezien. Dit opent mij een ruim veld tot praktische oefening en nauwlettende waarneming. Ik ontmoet dikwijls mensen, die overvallen worden door godslasterlijke gedachten. Ze hebben Christus nog niet aangegrepen, maar trachten daarnaar; en in dat tijdperk van hun leven doorkruisen de vreselijkste gedachten hun geest. Ze kunnen het niet beletten: ze haten die gedachten, en toch komen ze, totdat ze er bijna hun verstand door verliezen. Ik zal u verhalen wat mij overkomen is. Ik was op zekere dag, toen ik pas de Zaligmaker gevonden had, op een stille plaats in gebed verzonken, en terwijl ik bad kwam een aller-verschrikkelijkste stroom godslasteringen in mijn geest op, totdat ik mijn hand op mijn mond legde uit vrees dat ik er één zou uiten. Ik was zo groot gebracht, dat ik mij niet herinner als kind ooit iemand te hebben horen vloeken, en toch scheen ik op dat ogenblik al de vloeken en godslasteringen te kennen, die ooit in de hel zelf waren uitgestoten, en ik was verbaasd over mijzelf. Ik kon niet begrijpen waar die troebele stroom uit voortkwam. Ik schreef aan mijn hooggeachte grootvader, die zestig jaren lang bedienaar van het Evangelie was, en hij zei tot mij: ‘Bekommer u daar niet om. Die gedachten zijn niet van u, ze worden door de satan in uw ziel geworpen. De gedachten van de mensen volgen op elkaar evenals de schakels van een keten, de ene schakel trekt de andere voort. Maar als iemand bidt, dan is godslastering niet de gedachte, die zich daar natuurlijk bij aansluit; het is dus geen natuurlijke opvolging van onze eigen gedachten. Een boze geest werpt die gedachten in de ziel.’ Ik heb ook in een oud boek gelezen, wat men in vroeger jaren, in de ‘goede oude tijd’, toen niemand nog enig begrip van menselijkheid had, in onze dorpen gewoon was te doen. Als een arme man in een dorp kwam bedelen, joeg men hem met zweepslagen door de plaats heen, en zond hem naar zijn eigen dorp. Evenzo moeten wij met deze duivelse gedachten handelen. Verjaagt ze door welgemeend berouw, en zendt ze weg naar de plaats, vanwaar ze gekomen zijn, terug naar hun eigen dorp, dat zeer diep in de afgrond ligt. Gedachten van deze soort zijn niet de uwe, want u verfoeit ze. Laat satan zijn kroost niet aan uw deur neerleggen, maar jaag het weg. Als u dit weet zal misschien de keten breken. Want de duivel zal het de moeite niet waard vinden, u nog meer op deze wijze te kwellen, als hij u door dit middel niet tot wanhoop kan brengen: hij verkwist zelden zijn tijd met het spreiden van netten als de vogel ze kan zien. Zeg daarom de satan dat hij heengaat, want dat u hem zien kunt, en u zich niet zult laten bedriegen. Wellicht zal hij de wenk opvolgen en heengaan.

Als dit het geval niet is, heb ik satan de vader en de zondaar op een andere wijze zien neerwerpen en verscheuren. ‘Kom’, zeg hij, ‘hebt u de prediker niet over de uitverkiezing horen spreken? U bent niet één van de uitverkorenen.’ – ‘Misschien ben ik het niet’, zegt iemand. Misschien bent u het wel, zeg ik, en ik meen dat, of u één van de uitverkorenen bent of niet, u goed zou doen als u kwam, op grond van Jezus’ uitspraak: ‘Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’ Als u komt, zal Hij u niet uitwerpen, en dan zult u zien dat u uitverkoren bent. U behoeft u niet bezorgd te maken over de predestinatie; dat zult u zeer spoedig duidelijk genoeg zien. Als iemand een toegangskaart voor een vergadering had, en hij zei: ‘Ik weet niet of ik verordend ben om binnen te komen of niet’, zou ik het zeer waarschijnlijk achten, dat hij niet verordend was om binnen te komen, als hij thuis in het hoekje van de haard zat en geen poging deed om heen te gaan. Maar als hij, in het bezit van zijn toegangskaart, naar het lokaal liep en naar binnen ging, zou ik mij verzekerd houden dat hij verordend was om binnen te komen. U zult uw uitverkiezing weten als u uw roeping gehoorzaamd hebt. Gaat tot Christus, omdat het u bevolen is en u genodigd bent, en laat de beantwoording van de meer diepzinnige vraag aan de feiten over.

Satan zal de mensen nog op een andere wijze neerwerpen en verscheuren. ‘O’, zegt hij, ‘u bent een te groot zondaar.’ Dat doe ik met weinig woorden af. Niemand is een te groot zondaar. ‘Alle zonde en lastering zal de mens vergeven worden.’
‘O, maar het is te laat’, zegt satan. Alweder een leugen. Het is nooit te laat zolang wij in deze wereld zijn en tot Jezus komen om vergiffenis. Gewoonlijk zet hij voor jonge mensen de klok na, en zegt: ‘het is te vroeg’; en als ze dan oud worden, zet hij de klok vóór, en zegt: ‘het is te laat.’ Het is nooit te laat zolang Jezus leeft en de zondaar berouw heeft. Als een zondaar zo oud was als Methusalem, zou hij, indien hij tot Christus kwam en in Hem geloofde, gered worden.

‘O’, zegt de duivel, ‘maar al uw moeite is nutteloos. Het Evangelie is niet waar.’ Ja, maar het is waan, want dat hebben enigen van onze bewezen. Ik zou heden als het nodig was mannen en vrouwen voor u kunnen brengen, die leefden en zich baadden in de zonde, en toch heeft de Heere Christus hen verlost door Zijn dierbaar bloed. Ze zouden u met blijdschap verhalen, hoe ze van de heerschappij van de zonde zijn bevrijd door het geloof in Jezus, hoewel ze zichzelf nimmer hadden kunnen verlossen. Het Evangelie is waar. Onze bekeerden bewijzen het. De bekering is het duurzame wonder van de gemeente; en zolang wij zien, wat ze iedere dag van de week uitwerkt, geloven wij. Als mensen, die hartstochtelijk, oneerlijk, onkuis, gierig waren, heilig, vriendelijk, liefderijk, rein, mild worden, dan weten wij dat het Evangelie waar is, door de uitwerking, die het voortbrengt. Een leugen zou nimmer heiligheid en liefde voortbrengen. Uit de weg, duivel! Het is geheel tevergeefs dat u hier met uw leugens komt; wij kennen de waarheid aangaande u en aangaande het Evangelie, en u zult ons niet misleiden.

En dan zal de duivel hiermede aankomen: ‘Het is nutteloos. Geef het op; geef het op.’ Veel, veel mensen, die aan de zoom van het eeuwige leven hebben gestaan, zijn neergeworpen en verscheurd door dit: ‘Het is nutteloos, geef het op. U hebt gebeden, en geen antwoord ontvangen: bid nimmer weer. U hebt Gods huis bezocht, en bent ellendiger geworden dan ooit: ga er nimmer meer heen. Sinds u een nadenkend en matig mens bent geworden, hebt u meer kommer gehad dan ooit. Zie’, zegt de duivel, ‘wat er komt van uw godsdienst.’ zo tracht hij de pas ontwaakte er toe te brengen, het op te geven. Maar o, laat mij u in Gods naam smeken niet terug te keren, want u staat aan de rand van de grote ontdekking. Nog één graszode omgekeerd, en daar ligt de gouden schat. Na al uw lang strijden – uw lange strijd – moet u uw onderzoekingen niet opgeven voordat u uw Zaligmaker gevonden hebt. Want uw Zaligmaker is te vinden. Gelooft heden in Hém, en Hij is voor eeuwig de uwe.

III. Ik zal u niet heel lang meer ophouden. Maar als onze hoop gewekt en onze vrees verwekt is, laat ons dan op het schouwspel zien, totdat onze verwondering wordt opgewekt. Hebt u er op gelet, toen ik in het negende hoofdstuk van Markus las, hoe Jezus dit arme kind genas? Hij genas hem werkelijk, Hij genas hem van die gehele reeks van kwalen; Hij genas hem van de overheersing van de duivel, genas hem van de vallende ziekte, genas hem van doofheid en stomheid, genas hem van waanzinnigheid, genas hem van wegkwijning; en in één ogenblik was die jongeling volkomen genezen van al zijn ziekten. Hij kon spreken, hij kon horen, hij was genezen van zijn epilepsie, en was niet meer waanzinnig, maar een gelukkig, redelijk wezen. De gehele zaak was ineens gedaan. Verwondert u, en houdt nooit op u te verwonderen!

‘Kan iemand plotseling veranderd worden? Het moet lang duren’, zegt iemand. Ik geef toe dat er zekere eigenschappen zijn, die alleen door opvoeding en een geduldige waakzaamheid verkregen worden. Er zijn zekere delen van het Christelijk karakter, die komen door aankweking, en met tranen en gebed bevochtigd moeten worden. Maar laat mij u verzekeren, niet als vrucht van bespiegeling, maar als uitkomst van een dertigjarige ondervinding, dat iemands karakter geheel veranderd kan worden in minder tijd dan ik nodig heb om het u te zeggen. Er ligt zulk een kracht in de naam van Christus, dat, als die naam gepredikt wordt en de Geest van God het toepast de mensen terstond kunnen worden omgekeerd. Er kan een algehele ommekeer in heel hun gedrag komen, en wat meer is, in al hun neigingen, begeerten en wensen, in hun liefhebben en haten. Want God kan het stenen hart wegnemen, en een hart van vlees geven. Het kind van de duisternis kan in het koninkrijk van het licht worden overgebracht. Het dode hart kan opgewekt worden tot een geestelijk leven, en dat in één enkel ogenblik, door het geloof in Jezus Christus. Toen dat arme lijdende kind genezen was, werd er gezegd dat de mensen verbaasd waren. Maar hoeveel groter zal onze verwondering zijn, als wij de Heere Jezus zulk een wonder in u zien werken! U hebt gestreden om beter te worden, u hebt gebeden om beter te worden, en alles schijnt tevergeefs te zijn. Nu, gelooft daarom juist Christus, de gezegende Zoon van God, Die regeert in de hemel, Die stierf voor zondaren, en nu voor hen leeft. Vertrouwend slechts op Hem, en dan wordt de heerlijke zaak gewerkt, dat u nieuwe schepselen in Christus Jezus wordt, en een heilig leven aanvangt, dat nimmer zal ophouden. Dit wonder kan nu volbracht worden.

Deze genezing werd ineens voltooid, en was blijvend. Het schoonste er van was, dat de Heere zei: ‘Gij stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem.’ Kom niet meer in hem – dat is het heerlijke er van! Hoewel de aanval van de ziekte voorbij was, zou de jongeling toch niet genezen zijn geweest, als de duivel teruggekomen was, om nogmaals bezit van hem te nemen. De genezingen van de Zaligmaker doorstaan de proef van de jaren. ‘Kom niet meer in hem’, behoedde de jon- geling door een levenslang blijvend machtwoord.

Ik durf niemand ooit een tijdelijke verlossing prediken. ‘Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden’, niet enkel voor heden, maar voor altijd. Als God een mens verlost, is hij zalig; niet voor weken en dagen, maar eeuwig. Als Christus de duivel van hem uitwerpt, zal hij nimmer meer in die mens terugkomen. Dit is een verlossing, die waard is dat u ze bezit, en dat ik ze predik. Een tijdelijke, bijna zei ik een bedrieglijke verlossing, die iemand voor een paar maanden zalig maakt en hem dan sterven laat, is het verkondigen en het bezitten niet waard. Maar zulk één, die een mens zodanig vernieuwt, dat ze in hem ‘een fontein van water wordt, springende tot in het eeuwige leven’ – die is werelden waard.

Christmas Evans beschreef eens de terugkeer van de verloren zoon in het huis van zijn vader, en hij zei, dat toen de zoon aan de tafel van de vader zat, zijn vader de lekkerste stukken vlees, die hij vinden kon, op zijn bord legde, maar dat de zoon daar zat en niets nuttigde, en telkens zijn tranen begonnen te vloeien. Zijn vader ging naar hem toe, en zei: ‘Geliefde zoon, waarom bent u bedroefd? U bederft het feest. Weet u niet dat ik u liefheb? Heb ik u niet met vreugde ontvangen?’ – ‘Ja’, zei hij, ‘geliefde vader, u bent zeer vriendelijk, maar hebt u mij werkelijk vergeven? Hebt u mij geheel vergeven, zodat u nimmer verstoord op mij zijn zult, om alles wat ik gedaan heb?’ Zijn vader zag hem aan met onuitsprekelijke liefde, en zeide: ‘Ik heb uw zonden en uw overtredingen uitgewist, en zal ze nimmer meer gedenken. Eet, geliefde zoon.’ De vader keerde zich om, en verwelkomde de gasten, maar telkens waren zijn ogen op zijn zoon gericht, hij kon ze niet lang van hem afhouden. Daar weende de zoon weer, maar at niet. ‘Kom, geliefd kind’, zei de vader, ‘kom, waarom treurt u nog? Wat ontbreekt u toch?’

Voor de tweede maal in een vloed van tranen uitbarstende, zei de zoon: ‘Vader, zal ik hier altijd blijven? Zult u mij nimmer de deur uitzetten?’ De vader antwoordde: ‘Nee, mijn kind, u zult nooit meer weggaan, want een zoon blijft voor altijd.’ Nog verheugde zich de zoon in de feestdis niet, er was nog iets, dat knaagde aan zijn hart, en weer weende hij. Toen zei zijn vader: ‘Zeg mij, zeg mij, geliefde zoon, al wat er in uw hart is. Wat begeert u nog?’ De zoon antwoordde: ‘Vader, wilt u maken dat ik hier blijf? Vader, ik vrees, dat ik, als ik aan mijzelf werd overgelaten, weer zou afdwalen; o, dwing mij, voor immer hier te blijven!’ De vader zei: ‘Ik zal mijn vrees in uw hart prenten, en u zult mij niet verlaten.’ ‘o’, Zei de zoon, ‘dan ben ik voldaan’, en vrolijk vierde hij feest met de anderen.

Evenzo predik ik u, dat de Vader in de hemelen als Hij u tot Zich neemt, u nimmermeer van zich zal laten gaan. In welke toestand u ook bent, u zult – als u uw ziel aan Jezus toevertrouwt – gered worden, en verlost zijn voor eeuwig.
‘Wie eens in Christus is, die blijft Hij eeuwig leiden. Niets kan in ‘t wereldrond Hem van Zijn liefde scheiden.’

‘Maar als wij in een grote zonde vervallen, wat dan?’ zegt iemand. U zult niet in grote zonden blijven. U zult behouden en bewaard worden door diezelfde kracht, die het goede werk begonnen heeft, want ze zal het volbrengen tot het einde.
Nog twee of drie volzinnen, en ik eindig. Ik heb gezegd dat de duivel sommigen neerwerpt en verscheurt als ze tot Christus komen. Zijn er onder u, die niets daarvan weten? Welnu, ik verblijd mij daarover. Als u tot Christus komt zonder dat u neergeworpen en verscheurd bent, verheugt mij dat. Ik heb getracht hen te helpen, die vreselijk gekweld worden. Maar als u niet op die wijze beproefd wordt, begeer het dan niet. Er waren hedenmorgen twee of drie van de goede vissers van Newhaven hier, en toen ik hen zag in hun schilderachtige klederdracht, brachten ze mij een geschiedenis te binnen, die ik gehoord heb, over een oude vissersvrouw, welke bij Edinburg woonde. Een jonge man bezocht haar, en begon met haar over haar ziel te spreken. Ze ging uit, en nam haar grote vracht vis op, om op haar rug te dragen, veel zwaarder dan de meeste mannen gaarne zouden torsen. De jonge man zei tot haar: ‘Nu, u hebt daar een grote last, goede vrouw. Hebt u ooit uw geestelijke last gevoeld?’ ze legde haar vracht neer, en zei: ‘U bedoelt die last, waarover Bunyan spreekt in de Christenreis, niet waar?’ – ‘Ja’, zei hij. – ‘Zeker’, zei ze, ‘ik heb die last gevoeld vóór u geboren was, en ik ben er ook van bevrijd. Maar ik ben niet juist op dezelfde wijze te werk gegaan als Bunyans pelgrim.’ Onze jonge vriend dacht dat zij, al sprekende, niet goed op de hoogte kon zijn, want hij verbeeldde zich dat Bunyan geen fout kon maken. ‘Wel’, zei ze: ‘Bunyan zegt, dat Evangelist de man met het pak op zijn rug naar het poortje wees, en toen hij dit niet zien kon, zei Evangelist: Ziet u dat licht? En hij tuurde zolang tot hij meende iets te zien, dat er op geleek. U moet die weg lopen – de weg van dat licht en dat poortje. Welnu’, zei ze, ‘dat was geen goede aanwijzing voor een arme beladen ziel. Hij vond er dan ook niet veel baat bij! Want hij was nog niet ver gegaan, toen hij in de poel Mistrouwen viel, tot zijn hals toe in de modder, en daar bijna in verzonk. Evangelist had moeten zeggen: Ziet u dat kruis? Ga geen duim verder, maar blijf staan waar u bent, en zie daarnaar; als u ziet, zal uw pak verdwenen zijn. Ik heb dadelijk op het kruis gezien, en mijn last verloren.’ – ‘Wat’, zei de jonge man, ‘bent u nooit door de poel Mistrouwen gegaan?’ – ‘Ja’, zei ze, ‘ik ben er zelfs veel te dikwijls door geweest, 
maar laat mij u zeggen, jonge vriend, dat het heel wat gemakkelijker is, door de poel Mistrouwen te gaan zonder, dan met uw last.’ Er is veel heerlijke waarheid in deze geschiedenis. Mag niemand van u in zichzelf zeggen: ‘Hoe wenste ik dat ik in de poel Mistrouwen kon komen!’ Als u dat zegt, zult u er in komen, en dan zult u zeggen: ‘Hoe wenste ik dat ik uit de poel Mistrouwen kon komen!’ Ik heb mensen ontmoet, die vreesden, dat ze niet verlost waren, omdat ze niet veel verschrikkelijks ondervonden hadden. Ik ken anderen, die zeggen dat ze niet verlost kunnen worden, omdat ze te veel verschrikkingen ervaren. Het één noch het ander is hun aangenaam. Mochten ze in beide gevallen op Christus zien.

Eens, toen ik van deze plaats Jezus Christus gepredikt had, kwam er een man in de kerkenraadkamer, die tot mij zei: ‘Geloofd zij God, dat ik deze kerk ben binnengegaan. Ik kom van Canada, mijnheer. Mijn vader moest, vóór hij de ware godsdienst vond, in een ziekengesticht gesticht worden opgesloten, en ik heb altijd gedacht dat ik een zelfde verschrikking moest doorleven vóór ik verlost kon worden.’ Ik zei: ‘Nee, nee, lieve vriend, u moet geloven in de Heere Jezus Christus, en als u dat doet – ‘t zij u dan versaagt of niet – bent u gered.’ Dit Evangelie predik ik u. Gelooft in de Heere Jezus Christus. Vertrouw met gerustheid, nederigheid, eenvoud, zonder verwijl. Vertrouw op Hem om u heilig te maken – u te verlossen van de macht van de duivel en de macht van de zonde, en Hij zal het doen; ik blijf uw borg dat Hij Zijn Woord zal houden. Jezus is de waarheid zelf, en breekt nimmer Zijn Woord. Hij be- roemt er zich nooit op, dat Hij iets doen kan, wat Hij niet kan doen. Hij is ten hemel gevaren, ‘waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.’ Vertrouw Hem slechts. Vertrouw Hem tot overwinning van het boze, waarmee u strijden moet. U zult zegevieren, u man, als u slechts op Jezus wilt vertrouwen. Vrouw, er is hoop voor u, als u de gewonde, bloedende, stervende, verrezen, levende Zaligmaker vertrouwen wilt. Hij zal voor u strijden, en u zult de overwinning behalen.

God zegene een ieder van u, en mochten wij allen elkaar in de hemel ontmoeten, om de Zoon van God te loven van eeuwigheid tot eeuwigheid!

Amen.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend