Vaten der barmhartigheid: een preek tot zelfonderzoek
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Voorgelezen door een computerstem (ElevenLabs).
Een preek uitgesproken op zondagmorgen 5 augustus 1860 door C. H. Spurgeon in Exeter Hall aan de Strand te Londen.
En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid? Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Romeinen 9:23-24
Ik heb deze tekst niet uitgekozen om een twistpunt aan te snijden, maar met een veel hoger en tegelijk veel praktischer doel. Het gaat mij erom dat velen van ons zichzelf door deze waarheid van God zullen onderzoeken. Dan kunnen we ontdekken of wij de kenmerken dragen van de vaten der barmhartigheid, die God te voren bereid heeft tot heerlijkheid. Om onze tekst compleet te maken, moeten we het volgende vers erbij nemen: “Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.”
Het verband nodigt ons uit een kijkje te nemen in het huis van de pottenbakker. Daar, in de werkplaats, ziet u allerlei vaten die gevormd worden. De schijf draait rond, en u ziet dat er telkens vaten van afgenomen worden van een onedel soort, alleen geschikt voor het laagste werk. Uit dezelfde klei ziet u echter ook vaten ontstaan die het paleis van een koning zouden sieren. Het zijn vaten ter ere, geschikt voor eervolle doeleinden.
Nu leiden we u verder naar een grotere werkplaats: het huis van de grote Pottenbakker, het huis van de voorzienigheid. Onophoudelijk draait daar de schijf van de omstandigheden rond. Mensen worden erop gezet als klompen klei, maar ze worden niet allemaal op dezelfde manier gevormd. Sommige mensen zijn zelfs voor de toevallige toeschouwer duidelijk vaten die niet geschikt zijn voor de hoge en eervolle bezigheden van de hemel en de heerlijkheid. Er zijn mensen die bij iedere omwenteling van de schijf slechter van karakter en verdorvener van geest worden. Er zijn mensen die juist door dezelfde voorzienigheid die anderen tot zegen is, steeds volleerder worden in de ongerechtigheid en meesters in de misdaad. Aan de andere kant ziet u met vreugde dat er op dezelfde schijf ook vaten staan die, aangeraakt door de kundige hand van de grote Pottenbakker, dagelijks meer en meer voltooid en volmaakt worden. U ziet al snel dat ze niet van hetzelfde soort zijn als de vaten waar we zojuist langs kwamen. Zij zijn bestemd voor hoger gebruik en edeler doeleinden. Ja, zij worden erop voorbereid om ten slotte midden in het paradijs te staan als heerlijke zegetekenen van de kunde en de kracht van de grote Maker!
Omdat mijn preek praktisch bedoeld is en niet als twistrede, nodig ik iedere hoorder ernstig uit te beven bij de gedachte dat hij zou behoren tot de verworpen en verlaten vaten des toorns. Ik spreek met de diepste droefheid als ik deze vraag stel, met de waarschijnlijkheid, nee, met de bijna-zekerheid dat zij bevestigend beantwoord moet worden: zijn er onder u die hier aanwezig zijn, niet sommigen die toebereid worden tot het verderf? God bereidt u daar niet toe. Dat doet u zelf, doordat u dagelijks de verdorvenheid van uw hart voedt en eraan toegeeft.
U zoekt ieder nieuw vermaak en iedere nieuwe zonde op. U bent vaak gewaarschuwd om u af te keren van uw slechte weg, maar zijn er onder u niet sommigen die halsoverkop het verderf tegemoet rennen? Maken velen van u zich niet door een leven van zonde en dwaasheid rijp voor de grote oogst van de Heere? Maakt u zichzelf niet gereed om als volkomen droog stoppelstro in de oven van Zijn toorn geworpen te worden? Dat mag u God niet aanrekenen; de schuld ligt aan uw eigen deur! Als u omkomt, wie van u ook, dan komt uw bloed op uw eigen hoofd! De eeuwige God is niet schuldig aan de moord op de zielen van mensen. Wie sterft en in de hel wegzinkt, heeft de hand aan zijn eigen ziel geslagen. Zulke mensen hebben de barmhartigheid verworpen, de Zaligmaker veracht, de zonde gekozen en de heiligheid gehaat. Zoals hun keus was, zo is hun deel! Zoals hun opstandige wil op aarde was, zo moet hun gekwelde bestemming voor eeuwig zijn.
Och, kon ik met een onfeilbare blik de harten en gewetens van alle aanwezigen doorgronden! Zou ik dan niet, terwijl mijn ogen langs deze zitplaatsen gaan, van deze en van die moeten zeggen, zelfs met het mildste oordeel: “Die man maakt zich gereed voor het verderf”? Zijn misdaden eisen straf. Zijn geest is zo, dat hij voor altijd ver van God moet blijven. Zijn wil is zo koppig, zijn voornemens zijn zo hardnekkig en zijn hartstocht is zo wanhopig, dat iedereen met een half oog kan zien dat hij zich erop voorbereidt om voor eeuwig te wonen waar geluk, en zelfs hoop, eeuwig vreemd zullen blijven!
O mijn geliefde broeders en zusters, wat zal ik u zeggen? Hoe zal ik tot u preken? U maakt de maat van uw ongerechtigheid vol en bereidt u met alle ijver voor om passende metgezellen te worden voor de duivelen in de hel! Er is een teder hart en een ernstige stem voor nodig om mensen zoals u aan te spreken. Sta mij toe tot u te spreken in de taal van de Schrift. Waarom zou u sterven, o huis Israëls? Waarom zou u de genoegens van de zonde omhelzen, genoegens waarvan u weet dat ze gevolgd worden door de kwellingen van de eeuwigheid? Waarom zou u de hoop op het leven van u wegstoten? Waarom zou u de Zaligmaker verwerpen? Het zal iets vreselijks zijn als u, die nu vaten van vrolijkheid bent, met toorn gevuld zult worden! U, die nu vaten van vermaak en vaten van hoogmoed bent: het zal verschrikkelijk zijn als God u tot de rand toe met ellende vult en u overloopt van Zijn toorn!
O Heere, wij smeken U, maak het werk van de zondaar ongedaan! Grote Pottenbakker, keer de schijf om, kneed de klei opnieuw en breek het oude vat in stukken, dat gereed wordt gemaakt om een drinkbeker voor de satan te zijn! Smelt het om en vorm het opnieuw. Zet het weer op de schijf, raak het aan met Uw eigen handen en maak er toch nog een vat ter ere van, geschikt voor het gebruik van de Meester!
En nu heb ik de aangenamere taak om meteen naar onze tekst te gaan. We bekijken het karakter van hen die daartegenover de “vaten der barmhartigheid” zijn, “die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid. Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.” We willen deze morgen naar drie zaken kijken. Ten eerste naar de vaten. Ten tweede naar de Pottenbakker aan Zijn werk. En ten slotte naar het merkteken van de Pottenbakker dat op de vaten gezet wordt: het merkteken van de goddelijke roeping, dat hen kenmerkt als vaten der barmhartigheid.
Ten eerste dan: laten we kijken naar de heiligen van God zoals ze hier beschreven worden, onder de naam VATEN DER BARMHARTIGHEID.
1. Het eerste wat ons hier opvalt, is dat duidelijk gezegd wordt dat de vaten der barmhartigheid uit dezelfde klomp gemaakt zijn als de vaten des toorns. Hetzelfde stuk klei waaruit het vat des toorns gevormd wordt, kan God ook gebruiken om een vat der barmhartigheid te maken. O geliefde broeders en zusters, u die hoop hebt op de hemel hierna, en er nu al een voorsmaak van hebt: kijk terug naar de kuil waaruit u gegraven bent, naar het modderige slijk waaruit u opgehaald bent! Van nature was er in u niets beters dan in welk ander mens ook. U lag in de onreine massa van het gevallen schepsel. Als God u tot een vat der barmhartigheid gemaakt heeft, dan was dat niet omdat er iets in u was wat achting verdiende. Er was in u geen geschiktheid en geen natuurlijke aanleg om te worden wat u nu bent. U bent een wonder van Zijn liefde en van Zijn onderscheidende genade! Als Hij u aan uzelf had overgelaten, dan was u in uw leven net zo laag en verdorven geweest als anderen. Dan was u in uw sterven net zo wanhopig en net zo zonder Christus geweest als anderen. En dan was u in de eeuwigheid net zo zeker verdoemd geweest als de man die, rood van het bloed van menig vermoorde, in de afgrond van de hel is neergedaald!
Bedenk dat u in de lendenen van Adam was, in de lendenen die een Judas hebben voortgebracht! U bent een zoon van dezelfde moeder Eva die Kaïn, de moordenaar, ontving en ter wereld bracht, en ook Demas, die de Heere verliet, en Judas, die Hem verkocht voor dertig zilverlingen. U weet ook uit eigen ervaring dat uw gemoed net zo boos, uw aard net zo verdorven en uw neiging net zo hels is als die van wie ook maar aan de galg aan zijn einde is gekomen! Is er in u een verschil, dan komt dat verschil door Gods genade en niet door de natuur. Nog deze morgen hebt u in uw eigen ziel het bewijs gekregen dat u van het oude blok genomen bent en niet meer bent dan een flard van de melaatse lap van de gevallen mensheid!
Mijn geliefde hoorders, hebt u deze waarheid van God in uw ziel geleerd? Ik weet dat er sommigen zijn die niet willen geloven dat ze verdorven zijn. Ze zijn er niet toe te brengen te denken dat ze net zo diep gevallen zijn als de slechtste mens. Ze blazen zichzelf op van hoogmoed en doen alsof ze geloven dat er in hen iets beters te vinden is dan in een misdadiger of een losbandige. Hebt u deze waarheid van God nooit geleerd, dan geef ik u maar weinig hoop dat u een kind van God bent! Ik zie dat Gods uitverkorenen hier uit dezelfde klomp komen als de voornaamste der zondaren. Bent u uit een andere klomp, dan wijst dat erop dat u niet tot het uitverkoren volk van God behoort. Iedereen van Gods volk moet, zo zeker als de genade hem ooit onderwijst, leren dat hij verdorven is. Christenen kunnen in duizend leerstukken van elkaar verschillen, maar op dit ene punt verschillen ze nooit. We geloven allemaal, en we worden allemaal gedrongen te belijden, dat onze natuur van oorsprong verdorven is: boos, alleen maar boos, en dat te allen dage! Als er in iemand van ons iets goeds is, erkennen wij allen dat het een werk van Gods genade is. Het is niet de vrucht van de kracht van het schepsel en het komt ook niet voort uit ons verdorven hart.
Ik bid God dat u deze les mag leren. En als u haar geleerd hebt, laat ze u dan niet ontmoedigen, maar u eerder hoop geven! Als u naar uzelf kijkt en zegt: “Ik zie dat ik van de oude stam ben”, sla dan uw ogen op naar de God van alle genade en roep uit: “O grote Pottenbakker! Al ben ik van de oude klei, vorm mij toch door Uw genade en maak mij tot een vat der barmhartigheid, bereid tot heerlijkheid.”
2. Verder blijkt zowel uit de tekst als uit het verband dat deze vaten der barmhartigheid, net zo goed als elk ander deel van de klei, geheel in de handen van de Pottenbakker waren. Stel dat de Pottenbakker die klomp klei met rust had willen laten. Stel dat Hij hem had laten ronddraaien op de schijf zonder hem met Zijn genadige handen aan te raken, of dat Hij hem had overgeleverd aan de werktuigen van de satan en diens kunsten. Als de grote Pottenbakker u en mij, die vaten der barmhartigheid zijn, aan onszelf had overgelaten, dan zouden we zeer zeker vaten des toorns geweest zijn!
Jehova had dit kunnen doen als Hij het gewild had, en dan zou er in ons geen kracht geweest zijn om onszelf geschikt te maken voor de hemel. De distels van de hel zaaien zichzelf uit, maar Gods koren heeft een Landman nodig. Vaten des toorns maken zichzelf geschikt voor het verderf, maar alleen Gods genade kan een ziel bereiden tot heerlijkheid. Er is geen enkele reden ter wereld waarom iemand behouden zou worden buiten de soevereine en onderscheidende genade van God om. Als de Heere het hele menselijke geslacht verloren had laten gaan, zou Hij oneindig rechtvaardig geweest zijn, en de engelen zouden Hem de hele eeuwigheid door met aanbiddende liederen hebben bezongen.
Als Hij ervoor gekozen had maar enkele mensen te sparen, zou het sparen van die enkelen al een daad van verbazingwekkende barmhartigheid geweest zijn, en barmhartigheid en oordeel zouden samen de stof van het eeuwige lied geweest zijn! Nu Hij echter zoveel van de klei genomen heeft, en het Hem behaagd heeft vaten der barmhartigheid te maken, ontelbaar als de sterren aan de hemel, komt Zijn Naam alle eer toe tot in alle eeuwigheid! Pas er wel voor op dat u, als u aan het grote aantal verlosten denkt, de gedachte niet aantast dat God nog altijd soeverein is. Als Hij maar één mens behouden had, zou u gezegd hebben dat het een voorbeeld was van volstrekte soevereiniteit. Nu Hij tienduizenden behouden heeft, is Zijn soevereiniteit nog precies even volstrekt als voorheen. Als de Heere u had laten worden wat uw boze natuur en de satan van u hadden kunnen maken, had u niet kunnen klagen. Als Hij u had laten voortgaan in uw dronkenschap zonder u het Evangelie te zenden, of als Hij u dat Evangelie had laten verwerpen, zoals u gedaan zou hebben als Hij u niet gedrongen had het aan te nemen, dan had u Zijn rechtvaardigheid niet kunnen aanvechten. U had er misschien over gemord, maar aanvechten had u haar niet gekund.
U bent gemaakt tot wat u bent, niet als gevolg van een verdienste die de Heere iets verschuldigd maakte, en ook niet door enige inspanning van uzelf. U bent wat u bent door de soevereine, onderscheidende liefde van God de Vader in Christus Jezus, onze Heere!
Laat ik mijn hoorders opnieuw vragen: hebt u deze waarheid van God geleerd? Hebt u geleerd hoe volkomen u in Gods hand ligt? Bent u er ooit toe gebracht, mijn hoorder, te geloven dat als u behouden wordt, het Zijn wil is die u behoudt, maar dat als u verloren gaat, het uw wil is die u verdoemt? Bent u ooit zo naakt uitgekleed, zo volkomen naakt, dat u zei: “Ik heb op God geen enkele aanspraak. Als Hij mij behoudt, moet het barmhartigheid zijn, pure barmhartigheid, onvermengde barmhartigheid”? O, als u nog nooit zover gebracht bent, dan beef ik voor u! Ik bid de Heere u op dit punt te brengen, want het is de drempel van de deur van de genade. Wie hier gebracht is, is niet ver van het Koninkrijk van God! Moge het zo zijn met ieder van ons, dat wij de soevereiniteit erkennen en dan de genade in die soevereiniteit bewonderen.
3. Laten we verder gaan. De tekst spreekt over Gods uitverkorenen als ‘vaten’. Nu weten we allemaal dat een vat niets anders is dan een ontvanger. Een vat is geen fontein en brengt het water niet voort. Het bevat en bewaart wat erin gegoten wordt. Zo zijn ook de verlosten van God. Zij zijn van nature geen fonteinen waaruit iets goeds opwelt. Zij zijn eenvoudig ontvangers, en niets dan ontvangers! Eens waren ze vol van zichzelf, maar Gods genade heeft hen leeggemaakt. Dan worden ze als lege vaten op de weg van Gods goedheid gezet, en God vult hen tot de rand met Zijn goedertierenheid. Zo blijken ze vaten van Zijn barmhartigheid te zijn.
Zondaar, bedenk dat alles wat God van u vraagt voor uw zaligheid, is dat u een ontvanger bent, en zelfs dat geeft Hij u: de kracht om te ontvangen! U mag ontvangen van Hem Die alles geeft. Hij vraagt niet van u dat u iets doet, maar alleen dat u uw lege hand uitsteekt en alles neemt wat u nodig hebt. Hij vraagt u niet te komen met een volle mond, als iemand die vet en verzadigd is van brood, maar uw lege mond wijd open te doen, en Hij zal hem vullen met Zijn heil. Hij gebiedt u niet uw graanschuren te vullen en rijk te worden. Hij gebiedt u alleen uw armoede te belijden en de deuren van uw lege kamers te openen, opdat Hij een zegen over u uitstort waar u nauwelijks ruimte voor zult vinden!
De uitverkorenen van God zijn, om mijn tekst nog eens te herhalen, vaten en alleen maar vaten! Als vaten kunnen ze daarna aan anderen uitdelen, maar ze kunnen alleen uitdelen wat God in hen gelegd heeft. Ze kunnen hun eigen zaligheid uitwerken met vreze en beven, maar dat kunnen ze niet tenzij God in hen werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen! Ze kunnen overlopen van dankbaarheid, maar alleen omdat God hen met genade gevuld heeft. Er kunnen stromen van heiligheid uit hen voortkomen, maar alleen omdat de Heere ervoor zorgt dat de voorraad blijft overvloeien. Ze zijn ontvangers, en niets dan ontvangers!
Laat ik u opnieuw vragen, mijn hoorder: hebt u deze waarheid ooit geleerd? Bent u als een ontvanger uit de hand van God gaan leven? Hebt u bij de poort van de barmhartigheid gestaan als een bedelaar in lompen die om Zijn brood roept? Bent u er ooit toe gedrongen te zeggen:
“Niets breng ik in mijn handen mee,
ik klem mij eenvoudig vast aan Uw kruis”?
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
In Gods Naam verzeker ik u: als u nooit een vat der barmhartigheid geworden bent, als u nooit bereid bent geweest van God te ontvangen in plaats van Hem uw eigen werken aan te bieden, als u niet bereid bent Zijn onverdiende goedheid te ontvangen, dan bent u een volslagen vreemdeling van alles wat op het Evangelie van Christus lijkt! De rooms-katholiek die zijn gebeden meebrengt, de vormendienaar die zijn plechtigheden meebrengt, de huichelaar die zijn belijdenis meebrengt: zij hebben allemaal het Evangelie verkeerd begrepen! Het Evangelie is geen weg om aan God te geven, maar om van God te nemen. Het gaat er niet om iets te brengen aan de eeuwige Jehova, maar om te nemen uit Zijn volheid, te drinken uit Zijn bron en te ontvangen uit Zijn voorraadschuur. U bent nog niet eens begonnen het woord ‘zaligheid’ te spellen als u niet allereerst geleerd hebt dat u niets kunt doen en niets kunt zijn, tenzij God u iets maakt en u in staat stelt iets voor Zijn zaak te doen.
4. Ten slotte nog iets onder dit eerste punt. De kinderen van God worden vaten genoemd, maar om hen van de andere te onderscheiden, wordt er iets aan toegevoegd: ze zijn vaten der barmhartigheid. Om vaten der barmhartigheid te kunnen zijn, is het zeker nodig dat ze zondig en ellendig zijn. Medelijden kan men hebben met de ellendige, maar barmhartigheid moet bewezen worden aan de zondaar! Als een rechter zou spreken over barmhartigheid tegen mensen die nooit iets misdaan hebben, zou hij hen beledigen. En als een weldoener medelijden aanbiedt aan iemand die geen verdriet kent, zou hij hem alleen maar bespotten! De enige vereisten die een mens kan hebben om een vat der barmhartigheid te zijn, zijn dat hij zondig is en bedroefd. Ik twijfel er niet aan dat velen van u die twee vereisten bezitten, al denkt u juist omdat u ze hebt, dat u nooit een kind van God kunt worden. O, verheug u in deze gedachte: om met genade gevuld te worden, is leegte het vereiste! Om met gerechtigheid bekleed te worden, is naaktheid het onmisbare vereiste! Om in het bloed van Jezus gewassen te worden, is alles wat van u gevraagd wordt dat u voelt dat u die wassing nodig hebt! De verlosten van God zijn geen vaten van verdienste, maar vaten der barmhartigheid! Het zijn zondige mannen en vrouwen die hun zonde gevoeld hebben en over hun ongerechtigheid getreurd hebben, en die daardoor bedroefd en ellendig geworden zijn. Juist dan laat God hun zien dat ze vaten der barmhartigheid zijn.
Als ik door deze zaal zou kunnen rondgaan en ieder hart zou kunnen lezen, zou ik ongetwijfeld sommigen vinden die hier gekomen zijn met de gedachte: “Ik ben de voornaamste der zondaren. Ik voel dat er voor mij geen plaats is, al werd de hele wereld behouden, want er is geen enkele goede trek in mijn karakter. Mijn zonde is zo verzwaard. Ik heb het Evangelie zo vaak gehoord, en toch heb ik het verworpen! Mijn geweten heeft mij zo vaak wakker geschud, en toch wilde ik niet naar zijn vermaningen luisteren. Ik ben er zeker van, ik weet het vast, dat ik in de meest hopeloze toestand verkeer, en daarom ben ik vreselijk ellendig. Och, was er maar barmhartigheid te verkrijgen in de hemel, en wilde God zich maar ontfermen over zo iemand als ik!” Ziel, er is troost voor u in deze tekst! Heb ik u niet gezegd, en gelooft u het niet, dat het vat leeg moet zijn voordat het gevuld kan worden? En u bent leeg! Er is dus hoop dat God u zal behouden. Het vat moet zwart zijn van de zonde voordat het met barmhartigheid gewassen kan worden. En u bent zwart. Er is dus hoop dat u gereinigd zult worden. Een vat moet vol ellende zijn voordat het met barmhartigheid gevuld kan worden, en u bent vol ellende en vol verdriet. O, heb goede moed! Breng dat vat van u, hoe vol ellende het ook is, en leeg het helemaal aan de voet van het kruis. En ik zeg u, zondaar, en mijn woorden zijn waar: Hij zal uw vat vullen met de rijkste barmhartigheid die Hij ooit gegeven heeft aan de meest stralende van Zijn heiligen of aan de vrijmoedigste van Zijn apostelen!
Wat een blij en vreugdevol uur is het als God voor het eerst het vat met Zijn barmhartigheid vult! Mijn ziel moet wel terugdenken aan het uur in mijn eigen leven waarin de eerste vloed van barmhartigheid dit arme, lege vat tot de rand vulde. Vele, vele dagen lang was dat vat tot barstens toe vol geweest van alsem en gal. Vaak leek het alsof het vat moest bezwijken onder de werking van het inwendige verdriet. Eindelijk was het uur gekomen. Jehova zei: “Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde!” Deze ogen keken, door Gods genade! Dit hart geloofde, en in een ogenblik werd dat vat leeggemaakt van het eigen ik. Leeggemaakt van ellende werd ik ondergedompeld in de zee van barmhartigheid, helemaal onder! Ik dacht dat ik eerst een beetje hoop zou krijgen en daarna een vaster vertrouwen, maar nee, mijn zon ging op in de volheid van haar kracht! De stroom kwam niet langzaam aan, maar in een ogenblik was het vat bedekt, verzwolgen en verloren in vreugde en liefde! De blijdschap van dat uur kan ik mij herinneren, maar ik kan haar niet beschrijven. Toen wist ik dat mijn zonden vergeven waren! Ik had wel kunnen dansen van vreugde! Toen wist ik dat mijn naam geschreven stond in het schone boek des levens van het Lam, en niets wat de aarde had kunnen bieden, kon ook maar een druppel vreugde geven die te vergelijken was met de zaligheid van dat uur!
O, moge het met sommigen van u deze morgen ook zo gaan! Mannen, broeders en zusters, vaders, moeders en kinderen: moge het met u zo zijn! Sla uw betraande ogen op naar Jezus, Die aan het kruis hangt, smeek ik u, en het zal nu zo zijn! Kom, breng uw lege vaten, want de fontein stroomt! Breek uw kruik niet stuk in wanhoop, maar kom en vul haar met de handen van het geloof. Er is plaats voor u hier op het bruiloftsmaal, u bevende bedelaar, gekleed in de lompen van de zonde! Kom, de stem van de barmhartigheid nodigt u. De armen van Jezus zijn uitgestrekt om u te winnen! U wordt niet afgewezen; de deur van de barmhartigheid is niet gesloten. Kom, u bent welkom! Het is het elfde uur. Het twaalfde uur heeft op aarde al geslagen, maar in de hemel nog niet: er is nog tijd! Uw middaguur van barmhartigheid is nog niet voorbij! Het uur van de genade duurt nog voort, en nu nog kunt u uw naam lezen als een vat der barmhartigheid, ten volle bereid tot eeuwige heerlijkheid!
We hebben onze ogen op de vaten gericht. Laten we nu een poosje stilstaan en kijken naar DE POTTENBAKKER AAN HET WERK.
Als een pottenbakker een vat gaat maken, moet u niet denken dat hij gewoon de klei pakt, die op de schijf zet en het dan aan het toeval overlaat wat ervan terechtkomt. Nee, hij heeft een plan. Voordat hij aan het werk gaat, weet hij wat voor vat hij gaat maken. Zo is het ook met onze goddelijke Pottenbakker in de hemel. Hij neemt de arme zondaar als een klomp klei en zet hem op de schijf. Terwijl die schijf ronddraait, kijkt de Pottenbakker toe en ziet in die klei iets toekomstigs wat het vat zelf niet ziet, maar wat alleen zichtbaar is voor de ogen van de grote Werkmeester. Van ieder van ons die de Heere kent, kunnen we in waarheid zeggen: “Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen.”
En wat wij zijn zullen, wordt pas openbaar als wij Christus zien, gelijk Hij is, en wij Hem gelijk zullen wezen! De Pottenbakker weet echter wat wij zullen zijn. Onze Vader in de hemel zal zich ten slotte niet vergissen in wat Hij van Zijn volk wil maken. Hij heeft een plan, en dat plan kan ik u, denk ik, in deze paar woorden voorlezen: “Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.” Wat een zoete en gezegende gedachte! God is van plan van iedere zondaar die in Hem gelooft een vlekkeloos, volmaakt vat te maken, vol heerlijkheid! Hij is niet van plan ook maar één zonde onvergeven te laten, of ook maar één boos beginsel in uw ziel te laten blijven. Hij wil uw ongerechtigheid met wortel en al uitrukken en u volkomen vrijmaken van het bestaan en het inwonen van de zonde! Hij wil u zo volkomen wassen in het bloed van Christus, dat zowel de macht als de schuld van de zonde helemaal weggenomen wordt! En om alles te voltooien, wil Hij u maken naar het beeld van Christus Jezus, even schoon en lieflijk als dat vlekkeloze en volmaakte Lam van God.
O christen, verblijdt dit uw hart niet? U zult nog aan Christus gelijk zijn! Zegt u misschien: “Soms lijk ik zoveel op de duivel als maar mogelijk is, en vaak moet ik erover treuren dat er nog zoveel van de oude Adam in mij zit”? Ja, maar verheug u! Het is nog niet geopenbaard wat u zijn zult! Ieder merkteken van de satan zal nog van u weggenomen worden.
Elke zweem van de oude verdorvenheid zal nog weggewassen worden. En als u in de hemel opgenomen wordt als een vat dat volkomen voltooid is, zult u een voorwerp van verwondering zijn voor alle engelen en verheerlijkte geesten. Zij zullen om u heen komen staan om de weergaloze kunde en genade van God te zien, zoals die openbaar wordt in uw karakter en in uw natuur! De Heere geve dat wij altijd het oog gericht houden op het grote plan van de Pottenbakker. Dan kunnen we ons, als scherpe beproevingen ons op de schijf doen rondtollen, erover verheugen dat het plan uitgevoerd wordt, en dat we volmaakt uit de handen van de Maker tevoorschijn zullen komen.
En nu we hier stilstaan bij de Pottenbakker aan Zijn werk en een blik op het plan geworpen hebben, laten we opmerken dat Hij, zoals iedere pottenbakker, allereerst de omtrekken in de klei aanbrengt. Misschien hebt u wel eens iemand aan het werk gezien die ontwerpen in glas uitvoert. Misschien kon u op het allereerste moment al ruwweg raden wat het geheel moest worden, al kon u de versiering en de uitwerking die het voornaamste deel van de schoonheid uitmaken, nog niet ontdekken. Zeker is dat u, zodra een mens door de genade van God in zijn ziel voor de hemel bereid begint te worden, de omtrekken kunt zien van wat hij zal worden, al is het maar de kale omtrek. Zal ik u vertellen wat die omtrekken zijn?
Allereerst vindt u in hem het geloof in Christus: een eenvoudig, kinderlijk vertrouwen op Hem Die aan het hout hing. Vervolgens is er in hem nog een merkteken van de handen van de Pottenbakker: de liefde tot Christus, een liefde die sterk is als de dood, al lijkt ze soms zo zwak als een worm! Ook vindt u in hem een hoop die niet beschaamt, en een vreugde die zijn gelaat verblijdt. Het is nog maar de kale omtrek, zoals ik zei, want de heerlijkheid die alles overtreft, is er nog niet. De vaas is nog maar in wording, maar toch al zo ver gevormd dat ze iets voorspelt van haar voltooide gedaante. Maar welke afbeeldingen erin aangebracht zullen worden en welke kleuren erop gezet zullen worden, kunt u nog niet raden. Dat zou u ook niet kunnen, tenzij u op de zetel van de Pottenbakker kon klimmen en het plan kon zien waarop Hij kijkt terwijl de klei op de schijf ronddraait.
Geliefde broeders en zusters, is er in u al iets van die grote omtrekken? Kunt u in waarheid zeggen: “Ik geloof in de Heere Jezus”? Vrees dan niet, mijn hoorder, u bent een vat der barmhartigheid! Nog geen voltooid vat, maar wel een dat voltooid zal worden. Kunt u zeggen:
“O ja, ik heb Jezus lief,
omdat Hij mij eerst heeft liefgehad”?
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Als dat waar is, dan bent u nog niet wat u zijn zult, maar dan bent u toch een vat der barmhartigheid! En zegt uw hoop u soms dat u door Jezus onder de verheerlijkten zult staan? Wees dan blij! De Pottenbakker is met u begonnen, en Hij zal u nooit verlaten! Hij laat geen vat op de schijf mislukken, en mislukt het toch, dan maakt Hij het opnieuw. Hij werpt de klei die Hij eenmaal in Zijn handen genomen heeft, niet weg. Hij zal voltooien wat Hij begonnen is. Hij kent geen mislukkingen en geen teleurstellingen. U zult nog alles worden wat Hij wil dat u bent, en ten slotte zult u, vervuld met heerlijkheid, in de hemel schitteren!
Maar laten we verder gaan. Terwijl de Pottenbakker doorgaat met Zijn werk, kunt u zien dat het voorwerp dat Hij maakt, geleidelijk voltooid wordt. En zo, geliefde broeders en zusters, als u vaten der barmhartigheid bent, zal er in u niet altijd alleen de kale omtrek te zien zijn. Naarmate de tijd verstrijkt, komen er enkele van de prachtige lijnen en het glazuur bij die Hij aanbrengt! Het is altijd een vreugde voor mij dat zo’n groot deel van de christenen die hier steeds komen, grijze haren heeft. Het is een reden tot vreugde, maar ook tot verwondering, want ik kan nauwelijks begrijpen wat ze van mij nog kunnen leren. De Heere moet hun in al die jaren zoveel meer geleerd hebben. Hij moet zo lang aan hen gegraveerd en Zijn fijne werktuigen op hen gebruikt hebben, dat ze wel gereed moeten raken. Ze moeten steeds dichter komen bij die heerlijke gereedheid die het volk van God voorbereidt op het ingaan in het eeuwige leven!
Ik behoor niet tot hen die denken dat een christen iets is wat stilstaat. Hij is een vat, maar een vat op de schijf. Hij is klei, maar klei in de handen van de Pottenbakker, die geleidelijk vorm krijgt. Ik zou betwijfelen of er iets van het leven van God in een mens is, als dat leven niet ontkiemt en groeit. Want leven groeit, en u kunt dat niet tegenhouden. U kunt proberen een tak van een boom vast te binden of in te tomen, maar als hij niet in de ene richting kan groeien, groeit hij wel in een andere. Als hij niet kan uitdijen op de plek waar u hem hebt omwonden (al doet hij de strakste band die u eromheen legt vaak knappen), dan groeit hij zeker ergens anders! Zo is het met het leven van God in de christen: het groeit!
De christen wordt steeds meer zoals zijn Meester. Soms denkt u dat u achteruitgaat, maar als u een kind van God bent, is er toch steeds vooruitgang. Er kan af en toe sprake zijn van afdwalen, maar de lijn van uw leven zal vooruitgang zijn. U kunt uitglijden, ja, zelfs vallen, maar het ware motto van uw levensloop blijft: “Voorwaarts!” U zult vorderen in het leven met God. Maar ik denk niet, broeders en zusters, dat u een vat der barmhartigheid bent als er na 20 of 30 jaar verbonden te zijn met de gemeente van Christus geen enkele groei in u is. Als u niet meer weet van de trouw van uw Heere, als u uw eigen zwakheid en verdorvenheid niet sterker voelt, als uw geloof niet onwankelbaarder geworden is en uw vertrouwen op Hem Die getrouw en waarachtig is niet vaster, als u niet meer naar Hem verlangt en niet meer bereid bent u voor Zijn zaak te geven, dan zou ik me gaan afvragen of u wel een vat bent op de schijf van de Meester. Ik denk niet dat Hij 25 jaar aan u zou verliezen, dat Hij u al die tijd op de schijf van de voorzienigheid zou laten rondtollen zonder u ooit aan te raken, en zonder u ooit bekwamer te maken om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht! Juist die groei in Gods genade is namelijk een van de bewijzen van het leven, en al kunt u haar niet altijd ontdekken, toch is ze er! Als u een vat der barmhartigheid bent, komt u steeds dichter bij de voltooiing, dichter bij de dag waarop u met eeuwige liederen voor het aangezicht van de Vader gesteld zult worden.
O broeders en zusters, als we hier op aarde al vaten kunnen zien die gereed worden gemaakt voor de volmaaktheid, en als die vaten al zoveel schoonheid in zich hebben als de kinderen van God werkelijk hebben, wat zullen ze dan zijn als ze ten slotte voltooid zijn? Jehova, hoe heerlijk zal Uw werk zijn in deze, Uw tweede schepping! Als deze wereld schoon is, hoeveel schoner zal dan de nieuwe wereld zijn! In deze, Uw oude schepping, hebt U zoveel schoonheid gelegd dat de engelen vol bewondering naar beneden komen om haar te bekijken, en dat de morgensterren er stof voor hun lied in vinden. Hoe zal dan Uw nieuwe schepping zijn!
Als dat ruwe werk, dat U alleen maar met Uw mond uitsprak, al zo wonderbaarlijk mooi is, hoe moet dan het werk zijn waarvoor U Zich aan de pottenbakkersschijf hebt gezet? Om dat werk te volbrengen, hebt U Uw eigen bloed vergoten. Om het te volmaken, hebt U de schatten van de hemel niet gespaard, maar ze uitgestort om die vaten te voltooien die tot Uw heerlijkheid zullen zijn. O, wat een liederen, wat een halleluja’s zullen het werk van Jehova begroeten als alles voltooid is, als alle vaten thuisgebracht zijn, als de tafels van de hemel beladen zijn met het rijkste vaatwerk, als de zielen vervuld zijn met de rode wijn van de zaligheid en alle verheerlijkten zich in God verheugen! Wat een liederen, zeg ik, wat een halleluja’s zullen de hoven van de hemel doen klinken en weerklinken, de hele eeuwigheid door, tot in alle eeuwigheid!
En nu kom ik tot mijn laatste punt. Daarover zal ik vrij kort zijn, maar naar ik hoop, door en door ernstig. Het laatste punt was HET ZEGEL VAN DE POTTENBAKKER OP ZIJN VATEN.
Bij het vervaardigen van kostbaar aardewerk is er altijd een merkteken dat eigen is aan de firma die het voorwerp gemaakt heeft. Het is een merk dat niet nagemaakt mag worden en zonder welk geen enkel vat het echte product is van de maker die erop staat. Broeders en zusters, u kunt vandaag weten of u een vat der barmhartigheid bent! U kunt het weten aan het merkteken van de Meester op u! Dat merkteken, zegt de apostel ons, is de roeping. Bent u geroepen? Want als u geroepen bent, bent u uitverkoren. Heeft Gods genade u geroepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht? Zo ja, dan is het geen vraag meer of u verordineerd bent tot het eeuwige leven. U kunt er gerust op zijn dat uw naam zonder enige twijfel van voor de grondlegging van de wereld in het boek des levens van het Lam stond, als u in de tijd geroepen bent uit de zonde tot de gerechtigheid!
Let dus op: het onderscheidende merkteken van de grote Pottenbakker op Zijn vaten der barmhartigheid is de krachtdadige roeping. En ik wil hier opmerken dat het een merkteken is dat geen mens u kan geven. Het is er een dat alleen God kan indrukken. Wij kunnen u roepen, maar wij kunnen u niet krachtdadig roepen. Een ernstige predikant kan uit de keel roepen, niet inhouden en zondaars nodigen tot het bruiloftsmaal van het Lam, maar het is tevergeefs roepen tegen dove oren, en zo zijn de oren van alle mensen van nature! Alleen de Heere kan zo spreken dat de doven, nee, de doden, zullen horen!
Hebt u dan ooit een roeping gevoeld die niet van mensen is en ook niet door een mens? Heeft de stem van de barmhartigheid ooit tot uw ziel gesproken en gezegd: “Kom tot Jezus”? En heeft zij zo gesproken dat uw hart zei: “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE”? O, mijn geliefde hoorders, u bent door mij vaak genoeg geroepen, zo vaak dat uw bloed, als u verloren gaat, aan uw eigen deur moet liggen! God is mijn getuige dat deze ogen over de meesten van u vele, vele malen geweend hebben. De Heere weet hoe ernstig ik u geroepen heb, hoe ik bij u gepleit heb alsof het mijn eigen ziel was die op het spel stond, en alsof ik pleitte voor mijn eigen leven! Als u al dat roepen hebt afgewezen, wees er dan op voorbereid u daarvoor te verantwoorden op de grote laatste dag. Maar helaas, al dat roepen kunt u gehoord hebben, en het kan u alleen maar dieper doen wegzinken dan de diepste hel!
Hebt u ooit de onweerstaanbare roeping van de Heilige Geest ontvangen? Heeft Hij tot u gezegd: “Maria!”, en hebt u gezegd: “Rabbouni”? Heeft Hij u toegeroepen: “Zacheüs! haast u, en kom af”? En bent u naar beneden gekomen en hebt u Hem ontvangen in uw huis? Niets dan een roepstem van Christus’ eigen lippen zal zulke koppige harten als de onze ooit dwingen Hem te volgen! Hebt u die roepstem gehoord? Zo ja, dan draagt u het merkteken van de Pottenbakker! U bent geen vat des toorns, tot het verderf toebereid, maar een vat der barmhartigheid, bereid tot heerlijkheid!
Ik wil verder opmerken dat dit een merkteken is dat geen mens u kan geven, en dat het dus, God zij geloofd, ook geen mens van u kan afnemen! Als God u geroepen heeft, dan is die roeping onberouwelijk. God zal geen berouw hebben en de gave die Hij u gegeven heeft niet terugnemen. Als Hij u door Zijn genade geroepen heeft tot berouw, zal Hij u ook roepen tot geloof, en dan van geloof tot liefde, van liefde tot geduld, en tot hoop, en steeds verder, totdat Hij u ten slotte toefluistert: “Kom herwaarts op”, en u roept tot de heerlijkheid! Ik geloof niet in een evangelie dat leert dat een mens krachtdadig geroepen kan zijn en toch verloren kan gaan, dat een hart grondig vernieuwd kan zijn en toch kan terugkeren tot zijn oude staat, kortom, dat Gods werk kan wegsmelten als ‘het grondeloze bouwsel van een droomgezicht’. Ik geloof niet dat Zijn nieuwe schepping niets dan schuim en vlokken is, die alleen leeft door de wil van een schepsel en sterft zodra dat schepsel dat wil! Nee, mijn broeders en zusters, als de Heere eenmaal het licht van de hemel in u ontstoken heeft, dan blijft het daar voor altijd. Dood noch hel kan het doven, maar het moet en zal branden in uw ziel!
“Ja, maar,” zegt iemand, “als ik nu toegeef aan de zonde?” Ja, maar u zult niet toegeven aan de zonde. De Heere zal u behoeden en bewaren, zodat de boze u niet aanraakt. “Maar als ik nu terugval en zondig zoals ik vroeger deed?” Ja, maar dat kunt u niet. De genade van God die uw natuur veranderd heeft, zal u vasthouden tot het einde. U zult in het licht van God wandelen totdat u in de hemel wandelt! “Het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.” En als u terugvalt, zullen we van u zeggen: “Hij is uit ons uitgegaan, omdat hij uit ons niet was; want indien hij uit ons geweest was, zo zou hij met ons gebleven zijn.” “De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel”, omdat hij een hond was, “en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk”, omdat ze een zeug was. Maar als hun natuur veranderd was, zouden ze nooit teruggekeerd zijn tot hun oude neigingen! Als ze nieuwe schepselen in Christus Jezus gemaakt waren, dan had die nieuwe schepping nooit ongedaan gemaakt kunnen worden! Gods weefwerk kan niet uitgerafeld worden en Zijn werk kan niet vergaan. Het is eeuwig en moet blijven; het moet standhouden tot aan de volmaaktheid in de hemel. Heb dan goede moed: als de Heere Zijn merkteken op u gezet heeft, kan de duivel het er niet afwassen!
En dan, om te besluiten, wil ik opmerken dat, als het zegel van de roeping op u gezet is, dat zegel zeker en vast is. Er is nog nooit iemand per vergissing uit de duisternis tot het licht van God geroepen! Er is nog nooit iemand geweest die zich bekeerde en daarna ontdekte dat hij niet uitverkoren was. Nog nooit is er iemand tot Christus gegaan die toen ontdekte dat hij het recht niet had om te komen en terug moest gaan.
“Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” God heeft zich nog nooit vergist in de roepingen van Zijn genade! De juiste mens wordt geroepen op de juiste tijd en op de juiste plaats. Hij gaat tot Christus en ontdekt dat wat in de tijd een feit is, van eeuwigheid Gods voornemen was! Tussen roeping en verkiezing bestaat een onverbrekelijke band. Als u de schakel van de roeping in handen hebt, vertrouw er dan op dat die vastzit aan de andere gouden schakel van Gods raadsbesluit, ook al kunt u dat niet zien!
U had niet tot Christus kunnen komen als de Vader u niet getrokken had, en de Vader zou u niet getrokken hebben als Hij dat niet van plan was geweest. Dat voornemen is het besluit van de verkiezing. Wees er dus volkomen zeker van dat, als u komt, het de bedoeling was dat u zou komen, en dat u door God verkoren bent van voor de grondlegging van de wereld! Maar ben ik er zeker van dat ik wedergeboren ben? Dan kan ik geen twijfel toelaten over de vraag of ik uitverkoren ben of niet. Ben ik er zeker van dat
“mijn geloof op niets minder rust
dan op het bloed en de gerechtigheid van Jezus”?
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Dan kan ik net zo zeker zijn van mijn verkiezing als wanneer ik naar de hemel zou kunnen klimmen, de rode rol zou kunnen openslaan en mijn naam zou kunnen lezen in gouden letters! De Heere heeft u een toets gegeven die nog nooit gefaald heeft en ook nooit zal falen. U zult in de tijd noch in de eeuwigheid ook maar één boetvaardige vinden die ontdekte dat hij zich per vergissing bekeerd had en geloofd had. O nee! De vrucht bewijst dat de boom leeft, en het feit dat u barmhartigheid hebt, bewijst dat God van plan was u die barmhartigheid te geven. En wat is dat anders dan alles wat wij bedoelen met de leer dat God van den beginne hen tot de zaligheid verkoren heeft die in Christus Jezus geloven?
En nu, voordat ik u laat gaan, wil ik nog een paar ernstige woorden zeggen. Het maakt mijn hart blij te zien welk werk de Heere in onze dagen overal doet. Ik geloof niet dat dit tijden zijn waarover Gods volk bedroefd hoeft te zijn. Er gebeurt nu meer in Londen dan er in de afgelopen twintig jaar tot stand is gebracht. Het volk van God is ernstig in het gebed. Er worden mannen opgewekt die in eenvoudige taal de waarheid van God prediken, zoals die in Jezus is. Ik hoop van harte dat al het goede dat we in het verleden gezien hebben, binnenkort ruimschoots overschaduwd en overtroffen zal worden door grotere werken die op komst zijn!
Maar, mijn broeders en zusters, wie kan zijn ogen sluiten voor het droevige feit dat er in tijden van opwekking sommigen zijn die geen zegen ontvangen? Ik ben bezorgd om u, dat u, terwijl God rechts en links aan het werk is, zou ontkomen zonder de zegen van omhoog te ontvangen! Och, te zijn als het vlies van Gideon, droog terwijl de grond nat is! Een onvruchtbaar stuk grond te blijven terwijl de hele aarde vol vruchtbaarheid is! En toch, mijn geliefde hoorders, is dat met sommigen van u het geval. U wordt nog steeds meer en meer toebereid tot het verderf! O, ik wil u ernstig waarschuwen dat toebereid zijn tot het verderf zeker zal eindigen in het verderf! Zonde en hel zijn met elkaar getrouwd, tenzij het berouw de scheiding uitspreekt! Wat u zaait, zult u moeten oogsten. Het heeft geen zin in geheimzinnige leerstukken te zoeken naar iets wat deze waarheid van God zou kunnen weerspreken. Zoals uw leven is, zo moet uw einde zijn! En als uw weg buiten Christus is, zal uw einde buiten Christus zijn, en zal uw eeuwige woning zonder hoop zijn en ver weg van het eeuwige geluk!
Maar o, ik bid dat de Heere u in plaats daarvan in Zijn oneindige goedheid krachtdadig mag roepen door Zijn genade! Ik bid dat de Heilige Geest mag neerdalen. Maar hoe zullen we die Heilige Geest verkrijgen? Alleen door de verenigde en eendrachtige gebeden van de Kerk van Christus! Mijn geliefde vrienden, laten we ernstiger bidden. Niet alleen onze eigen troost, maar ook de redding van zondaars ligt in de handen van God. Wij kunnen hen niet redden! Wij kunnen hen niet wakker schudden! Laten we roepen: “O Heere, neem het werk in Uw eigen hand!” En laat vanaf dit uur iedere christen in ons midden zich voornemen de Heere geen rust te laten totdat Hij de regens van Zijn genade doet neerdalen en Zijn werk doet herleven in het midden van onze gemeente en in alle landen! Laat ik u laten gaan met een kort gebed daarvoor.
O Heere, doe Uw werk herleven, bidden wij! Wij zijn zwak en krachteloos; wij kunnen niets doen. Maar kom Zelf, behaal zegepralen en laat overwinningen behaald worden. Kom en breek het harde hart en buig de koppige wil. Heere, red wie nog niet gered zijn! O God, wek hen op die hier aanwezig zijn en nog dood zijn in de zonde. En laat de vaten der barmhartigheid die U naar Uw soeverein welbehagen uit de massa van de mensheid hebt uitverkoren, gevuld worden met barmhartigheid totdat ze overvloeien van dankbaarheid en vreugde! O Heere, hoor ons, en laat de zwakke poging van deze morgen bekroond worden met rijkere vrucht dan wij kunnen bidden of zelfs denken, door Jezus Christus, onze Heere!
Amen.
Preek nr. 327 · Gehouden in Exeter Hall, Strand, Londen, zondagmorgen 5 augustus 1860, New Park Street Pulpit deel 6. Oorspronkelijke titel: “Vessels of Mercy—A Sermon of Self-Examination”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
