24 March Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Leerstuk van uitverkiezing

Leerstuk van uitverkiezing

Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid; waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus. 2 Thessalonicensen 2:13,14

Als er geen andere tekst in de Heilige Schrift stond dan deze, dan zouden we allemaal de waarheid moeten erkennen en beamen van die geweldige en heerlijke leer dat God vanouds zijn gezin heeft uitgekozen. Maar er lijkt wel een ingeworteld vooroordeel in het menselijk verstand te zijn tegen deze leer. De meeste andere leerstellingen worden door belijdende christenen wel erkend, zij het sommige wat voorzichtig, en andere met graagte. Maar deze wordt wel het allermeest veronachtzaamd en terzijde geschoven. Vanaf veel van onze kansels wordt het als een doodzonde en als verraad beschouwd om een preek over de uitverkiezingte houden. Je kunt er immers niet ‘praktisch’ over spreken? Ik geloof dat ze daarin afdwalen van de waarheid. Alles wat God geopenbaard heeft, heeft Hij ons geopenbaard met een doel. Er is niets in de Schrift waarover niet, door de werking van Gods Geest, praktisch gepreekt kan worden. Immers, “al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig” voor een of ander geestelijk doel. Het is waar, de Schrift kan niet voor een verhandeling over de vrije wil gebruikt worden, dat weten we prima. Maar hij kan heel goed gebruikt worden voor een praktische verhandeling over vrije genade. Het behandelen van de vrije genade is het meest praktische dat er is, als het toegepast wordt aan de harten van gelovigen en ongelovigen.

Er zijn vanochtend vast mensen onder u die opschrokken toen ze dit woord hoorden. Ze zeggen bij zichzelf: “Ik zal er goed naar luisteren. Ik schuif mijn vooroordelen even aan de kant. Ik wil alleen maar eens horen wat die man te zeggen heeft.” Stop in ieder geval niet meteen uw oren dicht, en zeg: “Dit is allemaal ingewikkelde dogmatiek.” Wie heeft u het recht gegeven het al of niet ingewikkeld te noemen? Waarom zou u zich verzetten tegen Gods leer? Herinnert u zich wat er terecht kwam van de kinderen die Gods profeet uitscholden en riepen: “Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op”. Zeg niets over Gods leer, of er komt nog een wild beest uit het bos dat u ook zal verscheuren. Er is nog een ander soort ellende dan het duidelijke oordeel des hemels. Pas op dat deze niet op uw hoofd neerkomt. Leg uw vooroordelen opzij. Luister rustig, zonder u op te winden. Luister naar wat de Schriften zeggen. En als u de waarheid te weten komt, schaamt u zich er dan niet voor om haar te belijden. Als het God behaagt de waarheid te openbaren en aan u te tonen, schaamt u zich er dan niet voor. Als u toegeeft dat u gisteren fout zat, erkent u alleen maar dat u vandaag wat wijzer bent geworden. Het zegt niet iets over uzelf, het doet alleen uw oordeelsvermogen maar eer aan. Het laat zien dat u vooruitgaat in de kennis der waarheid. Schaamt u zich niet om iets nieuws te leren en uw oude opvattingen en leerstellingen terzijde te leggen. Houd u aan wat u duidelijk in het Woord van God kunt lezen. Maar als u het niet in de Bijbel tegenkomt, verwerp het dan. Of ik het nou zeg, of welke autoriteit ik er ook bijhaal, als u uw ziel liefheb, ik smeek u, geloof het dan niet. Als u ooit vanaf deze kansel dingen hoort die ingaan tegen Gods Woord, herinnert u zich dan dat de Bijbel de eerste plaats in hoort te nemen, en dat Gods dienaar eronder hoort te liggen. We staan niet met onze voeten op de Bijbel om te preken. We moeten preken met de Bijbel boven ons hoofd.

Na alle preken die ik gehouden heb, ben ik me ervan bewust dat de berg der waarheid hoger is dan onze ogen kunnen waarnemen. Wolken en donkerheid omringen de top. We kunnen het uiterste puntje niet zien. Toch zal ik er zo goed over preken als ik kan. Maar ik ben sterfelijk, en kan me vergissen. Daarom, vorm uw eigen oordeel. “Beproeft de geesten, of zij uit God zijn.” Als u, na zorgvuldige afweging op gebogen knieën, de uitverkiezing niet kunt aanvaarden – iets wat ik absoluut onmogelijk acht – laat het dan schieten. Geloof en belijd dan maar wat u ziet als Gods woord. Dit als inleiding.

Ten eerste zal ik wat zeggen over de waarheid van deze leer: “God heeft u van den beginne verkoren tot zaligheid.” Ten tweede zal ik proberen te bewijzen dat deze uitverkiezing absoluut is: “God heeft u van den beginne verkoren tot zaligheid”, niet tot heiligmaking, maar in of door“heiligmaking des Geestes en geloof der waarheid.” Ten derde: deze verkiezing is eeuwig. Want de tekst zegt: “God heeft u van den beginne verkoren tot zaligheid”. Ten vierde is de uitverkiezing persoonlijk: “God heeft u van den beginne verkoren tot zaligheid”. Vervolgens kijken we naar de effecten van de leer – wat werkt het uit? En tenslotte, als God ons de kracht geeft, willen we kijken naar zijn gevolgen; wat gebeurt er als we een goed inzicht krijgen in deze leer?Is het inderdaad zo’n vreselijke en lichtzinnigheid in de hand werkende leer? We zullen de bloem onderzoeken, en als echte bijen kijken of er ook honing te vinden is. We zullen kijken of er iets goeds uit voort kan komen of dat het een onvervalst, onvermengd kwaad is.

1. Ten eerste moet ik proberen te bewijzen dat de leer waar is. Laat ik beginnen met een argumentum ad hominem. Ik zal tot u spreken met inachtneming van uw verschillende posities. Er zijn onder u mensen die tot de Anglicaanse Kerk behoren. Ik ben blij zovelen van u hier te zien. Hoewel ik nu en dan zeker harde noten kraak over kerk en staat, houd ik toch van de oude kerk. In haar gemeenschap zijn vele godvruchtige voorgangers en vooraanstaande heiligen. Nu, ik weet dat u altijd gelooft in wat de 39 Artikelen zeggen over wat de gezonde leer is. Ik zal u een voorbeeld geven van wat zij zeggen over de uitverkiezing.Als u de artikelen gelooft, kunt u niet vermijden de uitverkiezing ook te accepteren. Ik lees een gedeelte van het 17′ Artikel, over Voorbestemming en Uitverkiezing:

“Voorbestemming tot het leven is het eeuwige doel van God waardoor Hij (voor de grondlegging der wereld) verordend heeft, door Zijn voor ons geheime raad, om van de vloek en de verdoemenis hen te redden die Hij in Christus gekozen heeft uit het hele menselijk geslacht, en hen door Christus te brengen tot eeuwige zaligheid, als vaten bereid ter ere. Daarom worden zij die met zo’n buitengewoon voorrecht van God begiftigd worden, door God geroepen naar Zijn doel, door Zijn Geest die werkt op Zijn tijd; door genade gehoorzamen zij die roeping; ze worden om niet gerechtvaardigd; ze worden door aanneming tot Gods kinderen gemaakt; ze worden veranderd naar het beeld van zijn enig geboren Zoon Jezus Christus; ze wandelen godsvruchtig in goede werken; en tenslotte, door Gods genade, verkrijgen zij de eeuwige gelukzaligheid.”

Het is wel duidelijk: elke anglicaan, als hij een ernstig en eerlijk lid is van de moederkerk, moet een overtuigd aanhanger van de uitverkiezing zijn. Het is waar, als hij andere gedeelten van het Anglicaanse Gebedsboek opslaat, treft hij dingen aan die helemaal tegen de leer van vrije genade ingaan. Dat niet alleen, ze wijken ver af van het bijbelse onderwijs. Maar als hij kijkt naar de 39 Artikelen, moet hij inzien dat God zijn volk uitverkoren heeft ten eeuwigen leven. Ik ben echter niet zo wanhopig verliefd op dat boek als u misschien bent. Ik heb dat artikel dan ook alleen maar gebruikt om u te laten zien dat als u bij de gevestigde kerk hoort, u in ieder geval geen bezwaar tegen deze leer der uitverkiezing kunt hebben.

Een andere menselijke autoriteit die ik wil gebruiken om de leer van de uitverkiezing te bevestigen, is de oude geloofsbelijdenis van de Waldenzen. Als u de geloofsbelijdenis van de oude Waldenzen leest, moet u beseffen dat hij ontstond toen de vervolgingen hevig woedden. Deze beroemde belijders van het christelijk geloof hielden stevig vast aan en omarmden deze leer. Ze erkenden hem als een gedeelte van Gods waarheid. Ik heb uit een oud boek één van de artikelen van hun geloofsbelijdenis overgeschreven:

“God redt van het verderf en de verdoemenis degenen die Hij heeft uitverkoren van voor de grondlegging der wereld, niet vanwege enige neiging, geloof of heiligheid die Hij in hen voorzag, maar uit pure genade in Christus Jezus Zijn Zoon, terwijl Hij alle anderen voorbijgaat, naar de onberispelijke reden van Zijn eigen vrije wil en rechtvaardigheid.”

Het is geen nieuwigheid die ik hier sta te verkondigen. Het is geen nieuwe leer. Ik houd ervan die oude sterke leer te brengen. Het wordt wel ‘calvinisme’ genoemd, maar het is zeker en waarlijk de geopenbaarde waarheid van God in Christus Jezus. Door deze waarheid maak ik een pelgrimage door het verleden. Ik zie kerkvader na kerkvader en martelaar na martelaar opstaan om me de hand te schudden. Als ik een pelagiaan zou zijn, of iemand die gelooft in de vrije wil, dan zou ik mijn tocht door de eeuwen helemaal alleen moeten afleggen. Misschien hier en daar een ketter met een niet al te nobel karakter, die naar voren treedt en me broeder noemt. Maar als ik deze leer als de standaard voor mijn geloof neem, zie ik het land van de voorvaderen dichtbevolkt met mijn broeders. Ik zie hele massa’s die hetzelfde belijden als ik, en erkennen dat dit de godsdienst van Gods eigen Kerk is.

Ik geef u ook een uittrekstel van de oude geloofsbelijdenis van de baptisten. Wij zijn baptisten in deze kerk – tenminste, de meesten van ons. We zien graag wat onze eigen voorvaderen schreven. Zo’n tweehonderd jaar geleden kwamen de baptisten bij elkaar en brachten hun geloofsbelijdenis uit. Dat deden ze om een eind te maken aan allerlei beschuldigingen tegen hun rechtzinnigheid die de wereld overgegaan waren. Ik sla dit oude boek op – ik heb het net opnieuw laten drukken, en u zult het binnenkort allemaal kunnen krijgen – en ik vind het volgende in het derde Artikel:

“Door het raadsbesluit van God, om Zijn heerlijkheid te tonen, zijn sommige mensen en engelen voorbestemd tot eeuwig leven door Jezus Christus, tot prijs van Zijn heerlijke genade; anderen, overgelaten aan hun eigen zonden, tot hun rechtvaardige veroordeling, tot prijs van zijn heerlijke rechtvaardigheid. Deze mensen en engelen die zo voorbestemd zijn, zijn persoonlijk en onveranderlijk hiertoe bestemd. Hun aantal is zo zeker en beslist, dat het noch vermeerderd noch verminderd kan worden. Degenen uit de mensheid die voorbestemd zijn tot het leven heeft God, van voor de grondlegging der wereld, naar zijn eeuwige en onveranderlijke doel, en de geheime raad en het welbehagen van Zijn wil, uitverkoren in Christus tot de eeuwige heerlijkheid, slechts uit Zijn vrije genade en liefde, zonder enig ander iets in het schepsel als toestand of oorzaak om Hem daartoe te brengen.”

Als het om deze menselijke autoriteiten gaat, geef ik geen klap om alle drie de belijdenissen. Wat ze zeggen voor of tegen deze leer kan me werkelijk niet schelen. Ik heb ze alleen maar gebruikt als een soort bevestiging voor uw geloof. Ik wil u laten zien dat men misschien wel tekeer tegen me gaat omdat ik een ketter ben en een hypercalvinist, maar dat ik tenminste gesteund word door de geschiedenis. Het hele verleden staat achter me. Wat kan mij het heden schelen. Geef mij het verleden en ik hoop op de toekomst. Laat het heden maar tegen mij te hoop lopen, ik geef er niet om. Al heeft een hele massa kerken in Londen de grootste en belangrijkste leerstellingen uit Gods Woord in de steek gelaten, het geeft niet. Laten we maar met een handvol van ons, zonder met de ogen te knipperen, vasthouden aan de soevereiniteit van onze God. Zelfs als we worden belaagd door vijanden, ja, zelfs door onze eigen broeders, die onze vrienden en helpers zouden moeten zijn, geeft het niet. We kunnen op het verleden bouwen. Het edele leger van martelaren is onze vriend. De getuigen van de waarheid staan achter ons. Als dezen voor ons zijn, zeggen we niet dat we alleen staan. We kunnen uitroepen: “Zie, God heeft Zichzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baal niet gebogen hebben.” Maar het beste van alles is: God is met ons.

De waarheid is altijd de Bijbel, en de Bijbel alleen. Mijn beste toehoorders, u gelooft toch niet in een ander boek dan de Bijbel, hoop ik? Al zou ik mijn punt kunnen bewijzen met behulp van alle boeken in de christelijke wereld; al zou ik de Alexandrijnse bibliotheek weer tot bestaan kunnen roepen, en het uit die boeken bewijzen, dan zou u het misschien nog niet geloven. Maar u zult het zeker geloven als het in Gods Woord staat.

Ik heb een paar teksten uitgekozen om u voor te lezen. Ik houd ervan om een heel salvo aan teksten op u af te vuren, als ik bang bent dat u een waarheid niet vertrouwt. Dan hoop ik maar dat u te verbaasd bent om te twijfelen, als u het in werkelijkheid nog niet echt gelooft. Laat me snel door een lijst teksten gaan waar Gods volk “uitverkorenen” genoemd worden. Natuurlijk, als de mensen uitverkorenen genoemd worden, dan moet er zoiets als uitverkiezing zijn. Als Jezus Christus en Zijn apostelen de gewoonte hadden de gelovigen te benoemen met de titel “uitverkorenen”, dan moeten we zeker geloven dat ze uitverkoren zijn. Anders betekent de term niets.

Jezus Christus zegt: “En indien de Heere de dagen niet verkort had, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort.” ‘‘Want er zullen valse Christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.”“En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenenbijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels.” Dat is Markus 13 vers 20, 22 en 27. “Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen,die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?” Lukas 17 vers 7.

Er zijn nog heel veel andere passages die ik uit zou kunnen kiezen, waarin allemaal woorden als ‘verkiezing’ of ‘uitverkorene’ of ‘voorgekend’ of ‘geordineerd’ voorkomen; of de uitdrukkingen ‘mijn schapen’, of iets dergelijks, die laat zien dat Christus’ volk onderscheiden is van de rest der mensheid. Maar u hebt zelf wel een concordantie. Ik zal u niet vermoeien met allerlei teksten. In alle brieven worden de heiligen constant aangesproken als ‘uitverkorenen’. In Kolossensen horen we Paulus zeggen; “Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid.” Als hij schrijft aan Titus, noemt hij zichzelf “Paulus, een dienstknecht Gods, en een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods”. Petrus zegt: “De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader”. Als u Johannes opslaat, ziet u dat hij het woord graag gebruikt. Hij zegt: “De ouderling aan de uitverkoren vrouw”. En hij spreekt over onze “zuster, de uitverkorene”. En we weten waar het geschreven staat “de mede-uitverkorene Gemeente, die in Babylon is”. In die dagen schaamden ze zich niet voor het woord. Ze waren niet bang erover te praten. Vandaag de dag is het een uitgehold begrip geworden. Mensen hebben de leer verminkt en bedorven. Ze hebben het in een duivelse leer veranderd, moet ik bekennen. En velen van degenen die zich gelovigen noemen, zijn de rangen van het antinomianisme gaan versterken.

Maar zelfs als dat zo is, waarom zou ik me voor de leer van de uitverkiezing schamen als mensen het wagen deze leer te verdraaien? Wij hebben Gods waarheid lief, of die nou op de pijnbank gebonden ligt of recht overeind staat. Als er een martelaar zou zijn die we al bewonderden voordat hij op de pijnbank terechtkwam, zouden we hem nog meer bewonderen als hij daar uitgestrekt lag. Als Gods waarheid op de pijnbank ligt, noemen we die waarheid geen leugen. We houden er niet van dat zij daar uitgestrekt ligt, maar we houden wél van haar. We kunnen immers bedenken hoe zij eruit zou zien als ze niet zo uitgerekt en mismaakt zou zijn door menselijke wreedheid.

Als u de brieven van de oude kerkvaders leest, zult u zien dat ze Gods volk altijd aanspreken als ‘uitverkorenen’. Het is zelfs zo dat in de dagelijkse omgang met elkaar in veel van de kerken van de vroege christenheid, mensen elkaar aanspraken als ‘uitverkorenen’. Dat zeiden ze tegen elkaar. Daarmee lieten ze zien dat het algemeen geloofd werd dat heel Gods volk duidelijk ‘uitverkoren’ was.

Maar laten we nu kijken naar de verzen die deze leer onomstotelijk bewijzen. Open uw bijbels en sla Johannes 15:16 op. Daar ziet u dat Jezus Christus Zijn volk heeft uitgekozen. Hij zegt hier: “Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.” Dan in het 19 vers: “Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld.”

Dan volgt er in hoofdstuk 17 vers 8 en 9: “Want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt. Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw.” Zoek nu Handelingen 13:48 op: “Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.” Ze mogen deze tekst tot op het bot afkluiven, maar er staat toch echt “geordineerd tot het eeuwige leven”. In de grondtekst is het zo duidelijk als het maar zijn kan. Het kan me niet schelen wat al de verschillende commentaren erover te zeggen hebben.

U hoeft nauwelijks herinnerd te worden aan Romeinen 8. Ik vertrouw erop dat u dat hoofdstuk goed kent, en het nu ook goed begrijpt. In vers 29 en het vervolg staat: ’’Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?”

Het is ook niet nodig om het hele negende hoofdstuk van Romeinen te herhalen. Zolang dat in de Bijbel staat, zal geen mens in staat zijn het arminianisme te bewijzen. Zolang dat hoofdstuk daar geschreven staat, kunnen de vreemdste verdraaiingen van dit stuk de leer van de uitverkiezing nog niet uit de Bijbel wegsnijden. Laten we nog eens een paar verzen lezen: “Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit de Roepende; zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal de mindere dienen.” Lees dan het 21ste vers: “En of (of: wat als) God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des tooms, tot het verderf toebereid; en opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid?”

Vandaar gaan we verder naar Romeinen 11:7: “Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.” In het vijfde vers van hetzelfde hoofdstuk staat: “Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.” Zonder twijfel herinnert u zich allen de passage in 1 Korinthe 1:26-29: “Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; en het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken, opdat geen vlees zou roemen voor Hem.”

Nog één: denk eens aan 1 Thessalonicensen 5:9: “Want God heeft ons niet gesteld tot toom, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus.” En dan heb je nog mijn tekst van vanochtend. Me dunkt, dat is ruim voldoende. Maar als u nog meer nodig hebt, u kunt nog veel meer vinden. Zoek daar vooral naar als uw wantrouwen tegen deze leer nog niet verdwenen is.

Vrienden, zo’n overweldigende getuigenis van de Schrift moet degenen die om deze leer lachen, toch doen wankelen? Wat zullen we zeggen over degenen die haar zo vaak veracht hebben? Die vaak haar goddelijke oorsprong verloochend hebben? Die tekeer zijn gegaan tegen haar rechtvaardigheid? Die God durfden uit te dagen en Hem een almachtige tiran genoemd hebben, toen ze hoorden dat Hij een bepaald aantal mensen voor het eeuwige leven uitverkoren had? Kunt u die deze leer verwerpt haar uit de Bijbel smijten? Kunt u het schrijfmes van Jehudi nemen en haar uit het Woord van God snijden? Wilt u zijn als de vrouw aan de voeten van Salomo? Wilt u het kind in tweeën scheuren, zodat u uw eigen helft kunt houden? Staat het hier niet duidelijk in de Schrift? Is het niet uw plicht om ervoor te buigen, en deemoedig te aanvaarden wat u niet begrijpt?

Ik zal niet proberen te bewijzen dat het rechtvaardig van God is als Hij sommigen uitverkoren heeft, en anderen niet. Ik hoef niet voor mijn Meester op te komen. Hij spreekt voor Zichzelf, en dat doet Hij zo: “Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt? Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere?” Wie zal er tegen zijn vader zeggen “Wat genereert gij?”, of tegen zijn moeder “Wat baart gij?” Ik ben de Heere uw God. Ik schep het licht en ik schep de duisternis. Ik de Heere doe al deze dingen. Wie bent u dat u in opstand komt tegen God? Beef en kus zijn staf. Buig u neer, en onderwerp u aan zijn scepter. Betwist Zijn rechtvaardigheid niet. Dagvaard Zijn daden niet voor uw eigen rechtbank, o mens!

Sommigen zeggen echter: “Het is moeilijk voor God om sommigen te kiezen en anderen aan hun lot over te laten.” Ik zal u één vraag stellen. Is hier vanochtend iemand die heilig wil zijn? Iemand die vernieuwd wil worden, de zonde achter zich laten en in heiligheid wandelen? “Jazeker,” zegt iemand, “dat gaat over mij.” Dan heeft God u uitverkoren. Maar iemand anders zegt: “Nee. Ik wil niet heilig zijn. Ik wil mijn pleziertjes en mijn slechte gewoonten niet opgeven.” Waarom zou u zich er dan over beklagen dat God u niet heeft uitverkoren? Want dan zou u dat moeten doen. Dus u zou het helemaal niet fijn vinden om uitverkoren te zijn, dat geeft u zelf toe. Als God u deze ochtend had uitverkoren om heilig te zijn, dan zou u zeggen: “Nou, liever niet.” Erkent u niet dat u dronkenschap prefereert boven nuchterheid en oneerlijkheid boven eerlijkheid? U houdt meer van de genoegens van deze wereld dan van het dienen van God. Waarom zou u zich er dan over beklagen dat God u niet uitverkoren heeft om Hem te dienen?

Als u houdt van het dienen van God, dan heeft Hij u daartoe uitverkoren. Als u daarnaar verlangt, heeft Hij u daartoe uitverkoren. Als u er niet naar verlangt, welk recht heeft u dan te zeggen dat God u iets had moeten geven wat u niet wil hebben? Stel dat ik hier in mijn hand iets heb wat u niet interesseert, en ik zeg: “Ik ga dat aan zus-en-zo geven.” U heeft dan niet het recht te mopperen dat ik het niet aan u gegeven heb. U kunt toch niet zo dom zijn om te mopperen over iets wat een ander krijgt wat u zelf niet hebben wil. U geeft het zelf toe, velen van u willen God niet dienen. U wilt geen rein hart en een vaste geest. U wilt geen vergeving van uw zonden. U wilt geen heiligmaking. U wilt helemaal niet voor deze dingen uitverkoren worden. Waarom zou u dan mopperen? U vindt het allemaal maar kaf. Waarom zou u dan klagen als God het aan mensen geeft die Hij uitgekozen heeft?

Als u echter gelooft dat het goede dingen zijn en ernaar verlangt, dan is het ook voor u bestemd. God geeft met gulle hand aan iedereen die ernaar verlangt. Allereerst zorgt Hij ervoor dat een mens begint te verlangen. Anders zou geen mens dat ooit doen.

Als u van deze dingen houdt, bent u ertoe uitverkoren. U mag ze hebben. Als u er niet van houdt, waarom zou u dan de schuld aan God geven? Het is immers uw eigen wanhopige wil die u ervan weerhoudt van deze dingen te houden. Het is gewoon uw eigen ik die ervoor zorgt dat u deze dingen haat.

Stel dat iemand op straat zou zeggen: “Wat jammer dat er voor mij geen plek is in de kerk om te horen wat die man te zeggen heeft.” En stel dat hij zegt: “Ik heb een hekel aan die predikant. Ik kan zijn leer niet uitstaan. Toch is het jammer dat er voor mij geen plek is.” Verwacht u dat iemand dat zegt? Nee, u zou meteen zeggen: “Die man geeft er niet om. Waarom zou hij zich er druk om maken dat andere mensen het hebben? Zij waarderen het tenminste, maar hij moet er niets van hebben.” U houdt niet van heiligheid. U houdt niet van rechtvaardigheid. Als God mij tot deze dingen uitverkoren heeft, heeft Hij u dan tekort gedaan? “Ja, maar,” zegt iemand, “ik dacht dat God sommigen voor de hemel en anderen voor de hel heeft uitverkoren.” Dat is iets heel anders dan de leer van het evangelie. Hij heeft mensen uitverkoren tot heiligheid en rechtvaardigheid, en daardoor tot de hemel. U moet niet zeggen dat Hij hen simpelweg tot de hemel heeft uitverkoren en anderen tot de hel. Hij heeft u uitverkoren tot heiligheid, als u heiligheid liefhebt. Als er onder u zijn die er hevig naar verlangen door Jezus Christus gered te worden, dan heeft Christus u uitverkoren om gered te worden. Is er onder u iemand die de zaligheid wil ontvangen? Dan bent u uitverkoren om die te ontvangen, als u er ernstig en oprecht naar verlangt. Maar als u er niet naar verlangt, waarom in ’s hemelsnaam zou u zo dwaas zijn om te mopperen omdat God iets geeft aan anderen wat u zelf niet hebben wilt?

2. Tot nu toe heb ik geprobeerd iets te zeggen over de waarheid van de uitverkiezingsleer. Laat ik nu kort uitleggen dat de uitverkiezing absoluut is. Zij hangt niet af van wat wij zijn. De tekst zegt: “dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid”. Maar onze tegenstanders zeggen dat God mensen kiest omdat ze goed zijn. Hij zou ze kiezen op grond van allerlei goede werken die ze gedaan hebben. In antwoord daarop vragen we om welke werken het dan gaat. Gaat het om wat meestal “werken der wet” genoemd worden? Om werken van gehoorzaamheid die het schepsel als prestatie aan God kan aanbieden? Als dat bedoeld wordt, antwoorden we u: als de mens niet gerechtvaardigd kan worden door de werken der wet, lijkt het me nogal duidelijk dat hij ook niet uitverkoren kan worden op grond van de werken der wet. Als hij niet gerechtvaardigd kan worden door goede werken, kan hij er ook niet door gered worden. Dus de leer van de uitverkiezing kan niet gebouwd worden op goede werken.

Anderen zeggen: “God heeft ze uitverkoren op grond van de voorkennis van hun geloof.” God geeft het geloof. Daarom kan Hij hen niet uitverkoren hebben op grond van het geloof waarvan Hij het van tevoren wist. Stel dat er twintig bedelaars in de straat zijn, en ik besluit een van hen een shilling te geven. Zal iemand ook maar denken dat ik hem uitkoos om de shilling te krijgen, omdat ik van tevoren wist dat hij hem zou hebben? Dat is onzin. Het is net zo absurd om te zeggen dat God mensen uitverkoos omdat Hij wist dat ze zouden geloven. Het is te dom om erbij stil te staan. Geloof is een gave van God. Alle goeds komt van Hem. Daarom kan het niet de oorzaak zijn van Zijn uitverkiezing. Het is immers Zijn gift? Verkiezing, daar zijn we zeker van, is absoluut. Het staat helemaal los van alle deugden die de heiligen daarna vertonen. Al zou een gelovige zo heilig en toegewijd zijn als Paulus, al zou hij zo dapper zijn als Petrus of zo liefdevol als Johannes, toch zou hij niets van Zijn maker eisen. Ik ken geen enkele gelovige, in welk kerkgenootschap dan ook, die denkt dat God hem gered heeft omdat Hij wist dat hij deze deugden en verdiensten zou hebben. Mijn broeders, de beste juwelen die de gelovige ooit draagt, zijn nog niet loepzuiver. Als ze van eigen ontwerp zijn, zit er altijd wel een beetje aarde in. De hoogste genade die we ooit bezitten, heeft nog aardse trekjes. Hoe meer we gezuiverd en geheiligd zijn, hoe beter we dat voelen. Onze taal moet altijd zijn:

“I the chief of sinners am Jesus died for me.”

Onze enige hoop en onze enige pleitgrond is nog steeds de genade, zoals we die uitgedrukt zien in de persoon van Jezus Christus. Ik ben er zeker van dat we de gedachte moeten verwerpen dat het onze goede eigenschappen zijn die Zijn liefde ooit zouden kunnen veroorzaken. Dat zijn immers al gaven van Hem, stekjes die Zijn rechterhand geplant heeft. Altijd moet het ons lied zijn:

“What was there in us that could merit esteem, or give the Creator delight?
’t Was even so Father, we ever must sing,

Because it seemed good in thy sight.”

Hij zal genadig zijn die Hij genadig zal zijn. Hij redt omdat Hij het wil. Als u me vraagt waarom Hij mij de zaligheid geeft, kan ik alleen maar zeggen: omdat Hij dat wil. Was er iets in mij dat mij kon aanbevelen bij God? Nee. Ik leg het allemaal terzijde. Ik heb niets in mijn voordeel te melden. Toen God mij redde, was ik de verachtelijkste, meest verloren en te gronde gegane persoon van het menselijk geslacht. Ik lag voor Hem als een zuigeling in mijn bloed. Echt, ik had geen kracht om mezelf te helpen. Wat voelde ik me een slechterik en ik wist dat ik dat ook was. Misschien hebt u iets om bij God in een goed blaadje te komen, maar ik heb dat nooit gehad. Ik ben er tevreden mee door genade gered te worden, onvermengde, pure genade. Ik kan niet opscheppen over mijn verdiensten. U misschien wel, maar ik niet. Ik moet zingen:

“Free grace alone, from the first to the last,
hath won my affection and held my soul fast.”

3. Ten derde is de uitverkiezing eeuwig.“God heeft u van den beginne verkoren tot het eeuwige leven.” Kan iemand mij vertellen wanneer ‘van den beginne’ was? Jaren geleden dachten we dat het begin van deze wereld was toen Adam erop geplaatst werd. Maar we hebben ontdekt dat duizenden jaren tevoren God orde in de chaos aan het scheppen was om het een geschikte woonplaats voor de mens te maken. Hij plaatste allerlei soorten schepselen op de aarde die zouden sterven en de tekenen van het werk Zijner handen en van Zijn wonderbaarlijke vaardigheid achter zouden laten. Daarna pas begon Hij aan de mens. (Dit zijn dubieuze uitspraken die voor rekening van de auteur komen) Maar dat was niet het begin. De openbaring wijst ons op een periode lang voordat deze wereld gevormd werd – de dagen dat de morgensterren geboren werden. Als dauwdruppels van de vingers van de ochtend, vielen sterren en sterrenstelsels als druppels uit Gods hand. Met Zijn eigen lippen lanceerde Hij de ontzagwekkende hemellichamen. Met Zijn eigen hand stuurde Hij kometen als bliksemflitsen door het heelal, rondzwervend totdat ze op een dag hun eigen baan zouden vinden. We gaan terug tot lang voorbije jaren, toen werelden geschapen en zonnestelsels gevormd werden. Maar nog steeds zijn we niet in de buurt van het begin. Als we dat willen, moeten we terug naar de tijd dat het hele universum nog sliep in Gods brein en nog niet geboren was. Dan gaan we de eeuwigheid binnen waar God, de Schepper, alleen was. Alles sliep in Hem. De hele schepping rustte nog in Zijn machtig grote gedachten. We kunnen terug en terug en terug gaan, eeuw na eeuw na eeuw. We kunnen hele eeuwigheden teruggaan, als we die rare uitdrukking mogen gebruiken, en toch nog niet bij het begin aankomen. Onze vleugels zouden vermoeid raken, ons voorstellingsvermogen kan het niet meer aan. Al zou het de bliksemflitsen overtreffen in majesteit, kracht en snelheid, dan nog zou het zichzelf vermoeid te ruste leggen voordat het bij het begin was aangekomen.

Maar in den beginne koos God Zijn volk! Toen de onbereisde ruimte nog niet beroerd was door de vleugel van een enkele engel; toen het heelal nog oeverloos was, of misschien nog niet geboren; toen er in het hele universum stilte was, en geen stem en geen gefluister de ernst van de stilte doorbrak; toen er nog geen wezen was dan God Zelf, alleen in Zijn eeuwigheid; toen er nog geen beweging en geen tijd was; toen de lofliederen van de engelen nog niet klonken, en zelfs de cherubim nog niet rondom Hem stonden; lang voordat levende schepselen geboren werden en de wielen van de strijdwagen des Heeren gesmeed werden; zelfs toen, “in den beginne was het Woord”. In den beginne was Gods volk een met het Woord, en “in den beginne heeft Hij hen verkoren tot het eeuwige leven.” Onze verkiezing is dus eeuwig. Ik zal niet uitweiden om dat te bewijzen. Ik ga deze gedachten alleen even langs voor jonge beginnelingen, zodat zij kunnen begrijpen wat we bedoelen met eeuwige en absolute uitverkiezing.

4 Vervolgens is de uitverkiezing persoonlijk. Onze tegenstanders hebben de uitverkiezing geprobeerd om zeep te helpen door ons te vertellen dat het een uitverkiezing van volken is, niet van mensen. Maar hier zegt de apostel: “God heeft u van den beginne uitverkoren.” Het is wel de meest miserabele uitvlucht die je bedenken kunt om te beweren dat God geen personen gekozen heeft, maar volken. Want precies hetzelfde verwijt dat gemaakt wordt tegen het kiezen van personen kan gemaakt worden tegen het kiezen van volken. Als het niet rechtvaardig is een persoon uit te kiezen, is het nog veel onrechtvaardiger een volk uit te kiezen. Volken zijn immers niet meer dan een heleboel mensen bij elkaar. Dus het kiezen van een volk is een nog veel grotere misdaad — als uitverkiezing een misdaad zou zijn – dan het kiezen van een persoon. Om tienduizend mensen uit te kiezen zou slechter zijn dan om er één uit te kiezen. Om een heel volk af te zonderen van de rest van de mensheid lijkt dan een nog veel extremere daad van Gods soevereiniteit dan de uitverkiezing van een enkele sterveling. Wat zijn volken meer dan mensen? Een volk bestaat uit dat individu, en dat, en die daar. Als u me vertelt dat God de joden uitverkoren heeft, zeg ik: Hij heeft die Jood en die Jood en die Jood uitverkoren. Als u zegt dat Hij Groot-Brittannië uitverkoren heeft, dan zeg ik dat Hij die Brit en die Brit en die Brit uitverkoren heeft. Uiteindelijk komt het op hetzelfde neer. Verkiezing is dus persoonlijk. Dat moet het wel zijn. Iedereen die de tekst en andere soortgelijke teksten leest, ziet dat de Schrift de hele tijd spreekt over Gods volk hoofd voor hoofd. Zij zijn de bijzondere voorwerpen van Zijn verkiezing. We weten dus dat uitverkiezing persoonlijk is.

Mijn tijd vliegt te snel voorbij. Sta me toe wat langer over de volgende punten te spreken.

5. De andere gedachte is dat de uitverkiezing een goede uitwerking heeft. “God heeft u van den beginne verkoren tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid.” Hoeveel mensen vergissen zich niet in de uitverkiezingsleer! Mijn binnenste brandt en kookt als ik denk aan de verschrikkelijke dingen die voortgekomen zijn uit het bederven en verdraaien van dat heerlijke gedeelte van Gods heerlijke waarheid! Hoevelen zijn er niet die tegen zichzelf gezegd hebben: “Ik ben uitverkoren” en daarna lui zijn gaan zitten, of erger. Ze zeggen: “Ik ben de uitverkorene des Heeren” en met beide handen bedrijven ze ongerechtigheid. Snel rennen ze op iedere onreinheid af, want ze zeggen: “Ik ben het uitverkoren kind van God, hoe mijn werken er ook uitzien. Daarom mag ik leven zoals ik wil en doen waar ik zin in heb.”

Geliefden! Laat me u allemaal ernstig waarschuwen de waarheid niet te ver door te voeren. Of liever gezegd, de waarheid niet in een dwaling te veranderen, want te ver doorvoeren is onmogelijk. We kunnen te ver gaan en daardoor de waarheid achter ons laten. Wat als zoete troost bedoeld was, kunnen we veranderen in een vreselijk brouwsel dat bijdraagt aan onze ondergang. Ik zeg u, er zijn duizenden mensen verloren gegaan omdat ze de uitverkiezing niet goed begrepen. Ze zeiden: “God heeft me uitverkoren voor de hemel en voor het eeuwige leven.” Maar ze vergaten dat er geschreven staat dat God het uitverkoren heeft “in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid”. Dat is Gods uitverkiezing: uitverkiezing tot heiliging en tot geloof.

God kiest Zijn volk om heilig te zijn, en om gelovig te zijn. Hoevelen van u zijn hier dan gelovigen? Hoevelen, in welke kerk dan ook, kunnen hun hand op het hart leggen en zeggen: “Ik vertrouw God dat ik geheiligd ben”? Is er iemand onder u die zegt: “Ik ben uitverkoren”? Laat me u eraan herinneren dat u vorige week gevloekt hebt. Iemand van u zegt: “Ik ben ervan overtuigd dat ik uitverkoren ben.” Ik wil uw herinnering opfrissen over die slechte daden die u de afgelopen zes dagen verricht hebt. Nog iemand zegt: “Ik ben uitverkoren.” Maar ik kijk u in het gezicht, en zeg: “Uitverkoren! U bent een vervloekte huichelaar! Dat is alles wat u bent!” Anderen zeggen: “Ik ben uitverkoren.” Ik herinner hen eraan dat ze de troon der genade verwaarlozen en dat ze niet bidden. Geliefden! Denk niet dat u uitverkoren bent als u niet heilig bent. U mag tot Christus komen als zondaar. Maar u kunt niet tot Christus komen als uitverkorene voordat u uw heiligheid kunt zien.

Begrijp me niet verkeerd. Zeg niet: “Ik ben uitverkoren”, terwijl u verder gaat met in zonde te leven. Dat is onmogelijk. De uitverkorenen van God zijn heilig. Zij zijn niet honderd procent goed. Ze zijn niet volmaakt. Ze zijn niet vlekkeloos. Maar, als je hun hele leven beschouwt, dan zijn het heilige mensen. Ze hebben een eigen zegel, en staan apart van anderen. Geen mens heeft het recht zichzelf uitverkoren te noemen als hij niet heilig is. Misschien is hij wel uitverkoren, en ligt hij nog in de duisternis. Maar hij heeft niet het recht om daarvan uit te gaan. Niemand kan het immers zien, er is geen enkel bewijs van. Misschien wordt hij op een dag nog wel levend, maar op het moment is hij dood. Wandelt u echter in de vreze des Heeren? Wilt u Zijn wil doen en Zijn geboden gehoorzamen? Twijfel er dan niet aan dat uw naam geschreven is in het Boek van het Lam van voor de grondlegging der wereld.

Als dit te hoog gegrepen is voor u, let dan op het andere kenmerk van verkiezing: geloof. Wie Gods waarheid gelooft, en zijn vertrouwen op Jezus Christus stelt, is uitverkoren. Ik kom vaak arme zielen tegen die eindeloos piekeren en zich zorgen maken over de gedachte: “Wat als ik niet uitverkoren ben!” “Dominee”, zeggen ze tegen mij, “ik weet dat ik mijn vertrouwen op Jezus heb gesteld. Ik weet dat ik in Zijn Naam geloof en het verwacht van Zijn bloed. Maar hoe moet het nou als ik niet uitverkoren ben?” Arm schepsel! U weet niet veel van het evangelie, of u zou nooit zo praten. Wie gelooft, is uitverkoren. Wie uitverkoren zijn, zijn uitverkoren tot heiligmaking en tot geloof. Als u geloof hebt, bent u één van Gods uitverkorenen. Dat mag u weten, en dat zou u moeten weten, want het is een absolute zekerheid. Zegt u vanochtend, als zondaar opkijkend naar Jezus Christus:

“Nothing in my hands I bring.
Simply to thy cross I cling”?

Dan bent u uitverkoren! Ik ben niet bang dat uitverkiezing gelovigen of zondaren afschrikt. Er zijn vele geestelijken die een zoekende ziel vertellen: “U heeft niets met de uitverkiezing te maken.” Dat is slecht van ze, want die arme ziel wordt daarmee niet tot rust gebracht. Als je hem zo tot rust zou kunnen krijgen, zou het prima zijn. Maar hij zal er toch aan denken, hij kan er niets aan doen. Zeg dus tot hem: als u gelooft in de Heere Jezus Christus bent u uitverkoren. Als u zich aan de Heere Jezus overgeeft, bent u uitverkoren. Ik zeg u, zelfs als u de voornaamste der zondaren bent, ik zeg u vanochtend in Zijn naam: als u naar God komt zonder eigen verdienste; als u zich overgeeft aan het bloed en de gerechtigheid van Jezus Christus; als u nu komt en op Hem vertrouwt, bent u uitverkoren. U bent door God geliefd van voor de grondlegging der wereld. U zou immers niet kunnen geloven als God u niet de kracht gegeven had, en er niet voor gekozen had dat te doen. Nu bent u veilig en verzekerd, als u maar komt en uzelf aan Jezus Christus toevertrouwt; als u maar door Hem gered en geliefd wilt worden.

Maar denk niet dat iemand zalig wordt zonder geloof en zonder heiligheid. Haal u niet in het hoofd, mijn hoorders, dat er een raadsbesluit is, genomen in de donkere tijden van de eeuwigheid, dat uw ziel zal redden buiten geloof in Christus om. Ga er niet bij zitten en denk niet dat u gered gaat worden zonder geloof en heiligheid. Dat is een verschrikkelijke en vervloekte ketterij die duizenden in de vernieling gebracht heeft. Gebruik de uitverkiezing niet als een kussen om op te slapen of u gaat ook nog de vernieling in. God geve dat ik geen kussentjes aan het naaien ben voor onder uw armen zodat u lekker achterover leunt in uw zonden.

Zondaar! Er is niets in de Bijbel te vinden waarmee u uw zonden kan vergoelijken. Als u veroordeeld wordt, man – als u verloren gaat, vrouw, dan vindt u in deze Bijbel geen druppel om uw tong te verkoelen. Er staat geen zin in die uw schuld vergoelijkt. Uw verdoemenis zal helemaal uw eigen schuld zijn. Uw zonde verdient het dubbel en dwars. U wordt veroordeeld omdat u niet gelooft. “Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb. En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”

Haal het niet in uw hoofd dat uitverkiezing een smoesje is om te kunnen zondigen. Wieg uzelf niet zelfvoldaan in slaap bij de gedachte dat u niet verantwoordelijk bent. U bent verantwoordelijk. Ik moet u beide dingen vertellen. Gods soevereiniteit mogen we niet ontkennen en de verantwoordelijkheid van de mens ook niet. We moeten het hebben over de uitverkiezing, maar we moeten ook grondig bezig zijn met ons eigen hart. Ik wil u Gods waarheid vertellen. Daarom herinner ik u eraan dat er geschreven staat: “want in Mij is uw hulp”, maar dat er ook geschreven staat: “Het heeft u bedorven, o Israël!”

6. Tenslotte, wat gebeurt er als we een goed inzicht hebben in de uitverkiezingsleer? Ten eerste zal ik u vertellen wat de uitverkiezingsleer gelovigen laat doen onder de zegen van God. Ten tweede wat het doet voor zondaren, als God het aan hun hart zegent.

Voor gelovigen is de uitverkiezing één van de leerstellingen die het meest helpt om alle vertrouwen in het eigen vlees weg te nemen. Het helpt ons om op niets anders te vertrouwen dan op Jezus Christus. Hoe vaak kleden we ons niet in onze eigengerechtigheid en versieren we onszelf met de valse parels en edelstenen van onze eigen werken en inspanningen. We zeggen: “Nu zal ik zalig worden, want ik heb dit en dat bewijs.” Maar nee, het is geloof alleen dat zaligmaakt. Alleen dat geloof verenigt ons met het Lam. Het gaat niet om werken, hoewel het geloof zorgt dat er werken volgen. Hoe vaak leunen we niet op een bepaald werk, anders dan het volbrachte werk van onze eigen Geliefde! Hoe vaak stellen we ons vertrouwen niet op een andere macht dan de macht die van boven komt.

Als we willen dat die neiging van ons weggenomen wordt, moeten we nadenken over de uitverkiezing. Wees stil, mijn ziel, en denk hierover na. God hield van u voordat u bestond. Hij hield van u toen u dood was in zonden en misdaden. Hij stuurde Zijn Zoon om voor u te sterven. Hij heeft u gekocht met Zijn kostbaar bloed, voordat u Zijn naam kon stamelen. Kun je dan nog trots zijn?

Ik weet niets, helemaal niets, dat ons nederiger maakt dan de leer van de uitverkiezing. Soms, als ik het probeer te begrijpen, heb ik me er diep voor neergebogen. Ik heb mijn vleugels uitgeslagen en ik vloog omhoog als een arend naar de zon. Mijn blik was vast, mijn vleugels waren sterk – voor een poosje. Maar toen ik in de buurt kwam, verdwaalde ik in Zijn glans. Eén gedachte vervulde me: “God heeft u van den beginne verkoren tot zaligheid.” Ik duizelde van die geweldige gedachte. Van die duizelingwekkende hoogte kwam mijn ziel weer naar beneden, gebogen en gebroken. Ik zei: “Heere, ik ben niets. Waarom ik? Waarom ik?”

Vrienden, als u nederig wilt worden, bestudeer dan de uitverkiezing. Door de werking van Gods Geest zal het u zeker nederig maken. Wie trots is op zijn uitverkiezing, is niet uitverkoren. Wie door de gedachte nederig wordt, mag geloven dat hij uitverkoren is. Hij heeft alle reden om dat te geloven. Immers, hij toont één van de meest gezegende effecten van de uitverkiezing; zij helpt om ons te vernederen voor God.

Nog iets. De uitverkiezing hoort de christen onbevreesd en moedig te maken. Niemand is zo moedig als wie gelooft dat hij door God uitverkoren is. Wat kan de mens hem schelen, als hij door zijn Maker uitverkoren is? Wat kan hem het getjilp schelen van een paar kleine musjes als hij weet dat hij een arend is van koninklijken bloede? Wat kan het hem schelen als de bedelaar hem nawijst als ’s hemels blauwe bloed in zijn aderen vloeit? Zal hij bang worden als de hele wereld tegen hem is? Als de aarde overal in het rond de wapens opneemt, leeft hij in volkomen vrede. Hij woont in het verborgene van de tent des Allerhoogste, in de tent van de Almachtige. “Ik ben van God,” zegt hij, “ik ben anders dan andere mensen. Zij zijn van een inferieur ras. Ben ik geen edelman? Hoor ik niet bij de hemelse aristocratie? Is mijn naam niet geschreven in Gods boek?”

Kan de wereld hem verontrusten? Nee. Zoals de leeuw zich niet druk maakt om het blaffen van een hond, zo glimlacht hij om zijn vijanden. Wanneer ze te dicht bij hem komen, komt hij in beweging en slaat ze aan stukken. Waarom zou hij zich druk om hen maken? Hij loopt om ze heen als de Kolossus. Kleine mensen lopen onder hem en begrijpen hem niet. Zijn voorhoofd is van ijzer, zijn hart van keisteen – wat kan een mens hem doen? Al zou de hele wereld hem wegfluiten, hij zou erom moeten glimlachen. Hij zou zeggen:

“He that hath made his refuge God,
Shall find a most secure abode.”

Ik ben een van Gods uitverkorenen. Ik ben uitverkoren door God en kostbaar. Al word ik buitengestoten in deze wereld, ik vrees niet. Ach, die opportunistische christenen van tegenwoordig. Sommigen van u kunnen buigen als een wilgenboom. Er zijn maar weinig eikenhouten christenen die de storm kunnen weerstaan. Ik zal u zeggen waarom. Het is omdat u niet gelooft dat u uitverkoren bent. Wie weet dat hij uitverkoren is, is te trots om te zondigen. Hij zal zichzelf niet vernederen tot de daden van gewone mensen. Wie in deze waarheid gelooft, zal zeggen: “Ik compromissen sluiten over mijn principes? Ik mijn leer veranderen? Ik mijn overtuigingen terzijde leggen? Ik verstoppen wat ik geloof dat de waarheid is? Geen sprake van! Ik weet dat ik één van Gods uitverkorenen ben, en ik zal Gods waarheid hardop zeggen, al ga ik tegen de hele wereld in.” Niets maakt een mens zo moedig als de wetenschap dat hij Gods uitverkorene is. Hij zal niet trillen, hij zal niet beven, als hij weet dat God hem uitverkoren heeft.

Verder maakt de uitverkiezing ons ook heilig. Als de Heilige Geest werkt, kan niets een christen zo heilig doen zijn als de gedachte dat hij uitverkoren is. “Zal ik zondigen”, zegt hij, “nadat God mij uitverkoren heeft? Zal ik overtreden na zo’n liefde ervaren te hebben? Zal ik afdwalen na zoveel genade en liefdevolle barmhartigheid? Nee, mijn God. Omdat U mij uitverkoren hebt, zal ik U liefhebben. Ik zal voor U leven,

“Since thou, my everlasting God,
My Father, art to come.”

Ik wil mijzelf aan U overgeven. Ik wil voor altijd de Uwe zijn. Door Uw uitverkiezing en verzoening vertrouw ik mijzelf geheel aan U toe. Ik wijd mij plechtig aan Uw dienst.

Tenslotte een woord voor de ongelovigen. Wat heeft de uitverkiezing u te zeggen? Om te beginnen, jullie goddelozen, zal ik jullie het voordeel van de twijfel geven. Velen van u houden niet van de uitverkiezing. Ik kan het u niet kwalijk nemen. Ik heb over de uitverkiezing horen preken op een manier dat men zei: “En ik heb geen enkel woord voor de zondaar.” Inderdaad, u moet ook een hekel hebben aan zo’n prediking. Ik neem het u niet kwalijk.

Maar ik zeg u, zondaar: “Vat moed, heb hoop, want er is een uitverkiezing!” Het is helemaal niet iets om u moedeloos en wanhopig te maken. Integendeel, het is iets dat u hoop en vreugde brengt. Wat als ik u zou vertellen dat niemand gered kan worden? Dat niemand bestemd is voor het eeuwige leven? Zou u dan niet beven, en zonder hoop in uw handen wringen, en zeggen: “Hoe kan ik dan gered worden, als er geen uitverkorenen zijn?” Maar ik zeg u, er is een grote menigte uitverkorenen. Het zijn er zoveel, dat geen sterveling ze tellen kan.

Daarom, vat moed, arme zondaar. Weg met uw vertwijfeling! Kan u niet net zo goed verkoren zijn als ieder ander? Want er is een menigte uitverkoren die niemand tellen kan! Er is vreugde en troost voor u! Vat dus niet alleen moed, maar ga naar de Meester toe en probeer Hem uit. Zelfs als u niet uitverkoren zou zijn, heeft u er niets mee te verliezen. Wat zeiden de vier melaatsen? “Nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriërs vallen; indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven.”

O zondaar, kom tot de troon van verkiezende genade. U kunt ook sterven waar u nu bent. Ga naar God. Zelfs als Hij u zou wegduwen, zelfs als Zijn hand u zou wegdrijven – iets wat onmogelijk is!, zelfs dan hebt u nog niets verloren. U bent er niet meer verloren door. Trouwens, gesteld dat u verloren zou gaan, dan zou u tenminste de voldoening smaken uw ogen in de hel op te heffen, en te zeggen: “God, ik heb U om barmhartigheid gesmeekt en U wilde me het niet geven. Ik heb ernaar gezocht, maar U hebt me het geweigerd.” Dat zult u nooit zeggen, zondaar! Als u naar Hem toegaat en het Hem vraagt, zult u het ontvangen. Hij heeft nog nooit iemand weggestuurd. Is dat geen geweldige hoop voor u? Inderdaad, er is een vastgesteld aantal. Maar allen die zoeken, behoren tot dat aantal. Ga en zoek. En als u de eerste zou zijn die zo naar de hel gaat, vertel dan aan de duivels dat u zo omgekomen bent. Vertel de duivels dat u een uitgeworpene bent, nadat u als een schuldige zondaar tot Jezus gekomen bent. Ik zeg u, het zou de Eeuwige met eerbied gesproken – onteren. Hij zou zoiets nooit toestaan. Hij is jaloers op Zijn eer. Hij zou een zondaar nooit toestaan om dat te kunnen zeggen.

Maar, arme ziel, bedenk niet alleen dat u niets te verliezen hebt door naar God te gaan. Er is nog een andere gedachte. Bent u vanochtend van de leer van de uitverkiezing gaan houden? Bent u bereid haar rechtvaardigheid te erkennen? Zegt u: “Ik weet dat ik verloren ben. Ik verdien het. Als mijn broeder gered wordt, mag ik niet klagen. Als God mij vernietigt, verdien ik het. Als Hij degene naast mij zaligmaakt, heeft Hij daar het volste recht toe. Hij mag doen met het Zijne wat Hij wil. Ik verlies er niets bij.” Kunt u dat van harte zeggen? Als dat zo is, heeft de leer van de uitverkiezing de juiste uitwerking op u gehad. U bent niet ver van het Koninkrijk der hemelen. U bent gebracht waar u hoort te zijn, waar de Geest u wil hebben. Als u er zo over denkt, ga heen in vrede. U zou er niet zo over denken als uw zonden niet vergeven waren. U zou er niet zo over denken als Gods Geest niet in u aan het werk was.

Verblijd u dus! Laat uw hoop rusten op het kruis van Christus. Denk niet aan de uitverkiezing, denk aan Jezus Christus. Rust op Jezus – Jezus eerst, daarna en voor altijd!

Amen.

(Deze preek is gehouden op 2 september 1855, in New Park Street Chapel, Southwark.)

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend