24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Zij was niet verborgen

Zij was niet verborgen

De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem nedervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was. Lukas 8:47

De vorige zondagmorgen spraken wij over de vrouw, die van de vloed des bloeds genezen werd. Nadat zij al haar leeftocht aan de medicijnmeesters had uitgegeven en met hen allen bedrogen was uitgekomen, raakte zij het kleed van de Zaligmaker aan, en werd onmiddellijk genezen. Van achteren kwam zij naar Hem toe, want zij wenste niet gezien te worden. Zij sprak geen woord: zij had niet de moed om openlijk om de begeerde zegen te vragen. Toen zij eenmaal genezen was, sloop zij weg in de menigte, angstig, dat zij zou worden opgemerkt. Indien het verhaal hier nu geëindigd was, zou het voor u geen verrassing geweest zijn. Het was een geval van buitengewone kiesheid, wat wel een bijzonder geheimzinnig slot scheen te vereisen, daarin bestaande, dat aan de vrouw werd toegelaten, dat zij gelukkig en gezond heenging naar huis.

Maar veronderstel nu, dat onze Zaligmaker, door de tederheid van Zijn medelijden met deze bevende vrouw, haar toegelaten had om te vertrekken zonder dat zij een openbare belijdenis deed, wat zou dan het gevolg geweest zijn? Het was naar de wil van de Zaligmaker, dat het wonder in drie van de vier evangeliën zou worden opgetekend, en als het geëindigd was waar wij de vorige zondagmorgen zijn blijven steken, dan zouden wij, zo is onze menselijke natuur, daaruit de gevolgtrekking hebben afgeleid, dat het zaligmakende geloof niet beleden behoeft te worden. Onze natuurlijke liefde tot het gemak, en onze begeerte om het kruis te vermijden, zouden ons het voorbeeld van deze vrouw hebben doen volgen, en wij zouden getracht hebben de Heere ter genezing aan te raken, en dan van Hem weg te lopen, zonder enigerlei belijdenis te doen van het discipelschap. Velen zouden haar voorbeeld hebben aangehaald als een reden, waarom het hun geoorloofd zou zijn zich te onttrekken aan de verantwoordelijkheid de plichten en het lijden, die het discipelschap met zich brengt. Indien de Zaligmaker het aan deze vrouw had toegelaten in stilte heen te gaan, zouden vele lafhartige gelovigen gezegd hebben, dat het stilzwijgen van de Zaligmaker het zegel der goedkeuring hechtte aan haar heengaan zonder een woord te spreken; en dat zij haar veilig konden navolgen. Ik ken de mensen en hun wijze van redeneren wel. Dit zou net een kolfje naar hun hand zijn geweest. Denkt eens aan welk een gebruik men van deze geschiedenis zou hebben gemaakt in de tijden van het martelaarschap. De lafhartigen zouden aldus hebben geredeneerd: “Het kan wel gebeuren, dat wij naar de gevangenis of naar de brandstapel moeten, als wij Christus belijden; waarom zouden wij nodeloos zulk een uittartende houding aannemen? Wij kunnen genade van Jezus ontvangen, zonder dat er iemand mee bekend wordt; en wanneer wij de zaligheid verkregen hebben, kunnen wij ons onder de schare mengen, en er ons voor hoeden, dat wij ons aan het gevaar blootstellen.” De Zaligmaker wilde niet, dat wij in dit voorbeeld een grond zouden kunnen vinden voor een verkeerde handelwijze; en daarom riep Hij de vrouw, die Hij genezen had, uit de schare. De geest der verberging werd, Gode zij dank, in martelaarstijden in de kerk niet gevonden; want heilige mannen en vrouwen kwamen te voorschijn en beleden hun geloof met meer dan gewone beslistheid. Een voorbeeld ter navolging voor ons allen!

Indien het verhaal geëindigd was waar wij de vorige zondag gebleven zijn, welk een kalmerend middel zou dit dan verschaft hebben voor de goede, vredelievende mensen, die zich in deze dagen van Godslastering en bestraffing nergens bij willen aansluiten! “Er gaat niets boven een rustig leven”, zeggen zij. Zij hebben het zeer goed en gemakkelijk, en het is hun bedoeling, dat het ook zo blijven zal. Wat gaat het hen aan, al zou de gehele kerk ook door de geest der dwaling zijn aangetast? Zij hopen rustig naar de hemel te gaan; en inderdaad, zij gevoelen, dat zij derwaarts gaan; en al zijn zij dan geen soldaten van het kruis, zo vertrouwen zij er toch op volgelingen van het Lam te zijn; indien zij niet ernstig strijden voor het geloof, eenmaal de heiligen overgeleverd, zo eten zij toch van het vette, en drinken zij van het zoete, en genieten zij van de voorrechten van een godsdienst, die hun genoegen bezorgt. Dat is heden ten dage het streven van velen, en zeer gaarne zouden dezulken zich achter deze vrouw verscholen hebben. Zij nochtans was niet verborgen; en zulke mensen mogen het ook niet zijn. Wij hebben genoeg drogredenen voor onze zelfzuchtigheid en gemakzucht, voor onze vermijding van alles waardoor wij ons zouden kunnen blootgeven, zonder dat de Zaligmaker ons ook nog iets daartoe aan de hand doet; en daarom droeg Hij er in dit geval op bijzondere wijze zorg voor, dat er niet iets zo verkeerds uit zou worden afgeleid. Wat een verdedigingsmiddel voor een schuldig stilzwijgen had kunnen zijn, verandert Hij in een machtige drangreden voor een openbare belijdenis. Hij wil in dit geval geen verberging toestaan, omdat Hij ze in geen enkel geval wil dulden, maar van ons eist, dat wij ons kruis zullen opnemen en Hem volgen.

Dat is het onderwerp voor deze morgen. Moge ik de hulp van de Heilige Geest ontvangen om het zo te behandelen, dat sommigen alhier, die oprecht zijn in hun liefde tot Christus, maar toch nimmer daarvan bekentenis hebben gedaan, genoodzaakt mogen worden om ineens voor de dag te komen, en voor de Heere Jezus Christus en zijn volk te verklaren, dat zij Hem hebben aangeraakt, en dat zij onmiddellijk zijn genezen.

Laat mij tot u spreken over de volgende zaken: In de eerste plaats, haar wegschuilen scheen zeer verschoonbaar; in de tweede plaats, haar wegschuilen werd niet toegelaten; en in de derde plaats, uw wegschuilen zou niet worden verschoond, en evenmin worden toegelaten, maar ineens een einde nemen..

In de eerste plaats dan, wij zeggen aangaande deze vrouw, DAT HAAR WEGSCHUILEN ZEER VERSCHOONBAAR SCHEEN. Ik heb reeds gezegd, dat zo er in één geval een genezing verborgen had mogen blijven, wij hier dit geval hebben; en dat wel om verschillende redenen. In de eerste plaats, vanwege de natuurlijke schroomvalligheid van deze vrouw en vanwege de aard van haar ziekte. Het is toch duidelijk, dat zo er in één geval de zaak in een hoek had kunnen geschieden, of zo zij in de mensenmassa geschiedde, zonder verdere opmerking had kunnen zijn voorbijgegaan, dit geval hier aanwezig is. Toch wil de Zaligmaker, door welke tedere overwegingen Hij ook wordt aangedaan, het niet zo hebben. En gij, waarde vriend, gij zegt misschien: “Ik ben van nature zo erg beschroomd en achterhoudend; och, verschoon mij toch.” Deze vrouw was niet alleen vol schroom, maar haar ziekte gaf haar ook het recht om te wensen, dat zij achteraf en in het verborgen kon blijven. “Ik zou niet gaarne willen dat mijn gehele geschiedenis aan iedereen bekend werd”, zegt er iemand. Dat kon die vrouw ten minste wel zeggen; voor haar moet het inderdaad hard geweest zijn, te bekennen wat de Heere gedaan had. En toch moest zij Zijn genade in het openbaar erkennen, en dat moet gij ook doen. Zij is een ziekelijke en zwakke vrouw, die de laatste twaalf jaar al zwakker en zwakker geworden is; doch nu zij genezen is, moet zij voor de dag komen en van die genezing bekentenis doen. Schijnt u dit hard toe? Het is toch voorzeker het minste wat zij kan doen, en zij behoort dat uit eigen beweging te doen. Doch zo het stilzwijgen in één geval geoorloofd kon zijn geweest, dan was de zaak haar aangaande wel zo kies, dat zij het twijfelachtig voorrecht had kunnen genieten genade te ontvangen zonder dit te erkennen.

Voegt hierbij, dat de Zaligmaker geen openbaarmaking zocht. Hij legde degenen, die Hij genas, niet de verplichting op, dat zij tot iedereen over het wonder zouden spreken. Hij zocht geen roem of bekendheid; Hij twistte niet met veel geroep, Zijn stem werd in de straten niet gehoord. In verschillende gevallen beval Hij zelfs aan de genezenen om niemand te zeggen wat er geschied was; en in dit geval had hij genezing geschonken, zonder dat er openlijk om was gevraagd. Kon zij hieruit niet het besluit trekken, dat haar verborgen daad des geloofs goedgekeurd werd, en deze ook verborgen kon blijven, aangezien zij het begeerde gunstbewijs ontvangen had? Gij kunt op die wijze omtrent uzelf redeneren en zeggen, dat Jezus er geen behoefte aan heeft, dat gij van Hem getuigt. Welzeker, het is waar, dat Hij aan niets van één onzer, wie hij ook zij, behoefte heeft; maar is dit een gepaste manier om uw Heere te behandelen? Gij kunt wel zeggen, dat rust en stilzwijgen van uw zijde verschoonbaar zou zijn; maar aangezien de Zaligmaker in het geval van deze vrouw daar niet zo over dacht, geloof ik, dat Hij ten opzichte van uw persoon daar evenmin zo over zal denken. Ik vertrouw, dat Hij in Zijn barmhartigheid met u evenzo zal handelen als met haar, en dat Hij u zal noodzaken om voor de dag te komen en de wonderen van Zijn genade te erkennen.

Er was nog een andere reden waarom ze had kunnen denken, dat zij geen openbare belijdenis behoefde af te leggen, en wel deze, dat de Zaligmaker op die tijd buitengewoon bezet was. De schare verdrong Hem, en Hij was op weg naar het huis van de overste der synagoge om aan diens kind Zijn aandacht te weiden; zij zou Hem slechts hebben opgehouden in Zijn loopbaan tot de betoning van Zijn liefde. Zou de Zaligmaker dan om haar worden opgehouden? Jaïrus zag al niet met zoveel welgevallen op haar neer, toen hij merkte, dat Jezus om haar stil hield; wat zou hij doen, als zij de oorzaak werd van een nog langer oponthoud? Daarenboven kon zij heel natuurlijk aldus redeneren: “Waarom zou zulk een onbetekenende persoon als ik ben de Profeet ophouden? Wie ben ik, dat ik ook maar één seconde van Zijn tijd in beslag zou nemen? Jaïrus gaat voor mij; laat hij zijn beurt hebben. Ik heb de zegen ontvangen, en er is geen behoefte aan om de Heere op te houden.” Gij weet hoe haastig wij er bij zijn om verontschuldigingen in te brengen, wanneer een plicht niet aangenaam is; ik veronderstel, dat gij zelf daar handig genoeg in zijt. En aangezien nu deze verontschuldiging, als zij ooit bij de vrouw is opgekomen, spoedig krachteloos werd gemaakt, zou ik u wel willen aanraden ook alle uitvluchten weg te werpen, en te bedenken, wat er staat geschreven: “Die met het HART gelooft, en met de mond Hem belijdt, zal zalig worden”, of, om een even duidelijke Schriftuurplaats aan te halen: “Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.” Het geloof en de belijdenis worden door de Heilige Schrift samengevoegd, en wat God heeft samengevoegd, scheide de mens niet.

Voor de genezen vrouw had er ook een verontschuldiging kunnen liggen in het feit, dat haar genezing door de gevolgen zich zelf zou openbaar maken. Wanneer zij haar huis bereikte, zou iedereen zien, dat zij een geheel andere vrouw was; en wanneer men haar dan vroeg, hoe dat zo gekomen was, kon zij aan de mensen alles dienaangaande meedelen. Zij zouden in haar leven het beste bewijs zien van het werk des Heeren, aan haar verricht. Is het niet beter door uw leven dan door uw lippen te spreken? Welzeker, en hierin ligt de schijnbare kracht van deze verontschuldiging voor de ongehoorzaamheid. Er is een zeker deel waarheid nodig om een valse stelling op de been te houden. Let er dus wel op, dat het aan deze vrouw niet werd toegelaten de openbare belijdenis van haar grote verplichting aan Christus terug te houden, niettegenstaande het zeker was, dat haar gezondheid en haar gedrag getuigenis van Zijn macht zouden afleggen. Ik weet wel wat gij zegt: “Ik behoef mij niet bij een kerk te voegen, ik kan tehuis wel een Christen zijn. Beter een christelijk leven te leiden dan een christelijke naam te dragen”. Mijn vriend, wij hebben u nooit voorgesteld, dat gij het dragen van een christelijke naam in de plaats zou stellen van een christelijk leven; wel hebben wij ons met nadruk tegen zulk een denkbeeld verzet. Wij zouden u wel ernstig willen herinneren aan de woorden van onze Zaligmaker: “Deze dingen moet gij doen, en de andere niet nalaten.” Het waarnemen van de ene plicht sluit geen rechtvaardiging in voor het verzuimen van de andere. Op geen enkel punt moogt gij weigeren te gehoorzamen. Doe belijdenis van uw Heere; erken wat Hij voor u heeft gedaan; en zorg er dan verder voor, dat de ganse toon van uw leven uw belijdenis ondersteunt. Een godzalig leven moet er in ieder geval zijn, maar laat het dan ook door een treffende belijdenis gekroond worden.

Er is nog wel een ander voorwendsel te vinden, waarvan deze vrouw zich had kunnen bedienen, indien het haar om een verontschuldiging te doen was. Zij had naar waarheid kunnen zeggen: “Het is zo duidelijk als de dag, dat een openbare belijdenis niet tot het wezen van mijn genezing behoort, want ik ben genezen.” Zij was onmiddellijk genezen, en er wordt bijgevoegd, dat zij aan haar lichaam gevoelde, dat zij van die kwaal genezen was. Zij wist alzo, dat zij genezen was en het was duidelijk, dat een belijdenis van haar geloof niet noodzakelijk was voor het ontvangen van dat grote gunstbewijs uit de handen des Heeren. Vandaar ook, dat velen redeneerden: “Christus te belijden en mij bij Zijn volk te voegen is niet noodzakelijk voor mijn zaligheid.” Wie heeft ooit gezegd, dat dit wel zo was? Openbare belijdenis is niet noodzakelijk, wat meer zegt, is niet geoorloofd, voordat de zaligheid uw deel geworden is. Hoe had deze vrouw op enigerlei wijze bekentenis van een genezing kunnen doen voordat zij genezen was? Maar toen zij eenmaal genezen was, toen werd het noodzakelijk, dat zij dit ook bekende; niet noodzakelijk voor de genezing, dit is duidelijk, maar noodzakelijk vanwege de genezing. Het is altijd noodzakelijk voor een discipel om te doen wat zijn Heere hem gebiedt. Het behoort tot de wezenlijke verplichtingen van een krijgsman, die onder de banier van het kruis optrekt, dat hij de bevelen van zijn Veldheer opvolgt. Jezus gelast ons, dat wij ons licht zullen laten schijnen; zouden wij het dan durven dit achterwege te laten? Indien wij genade uit Zijn handen ontvangen hebben, vordert Hij van ons, dat wij die ontvangst ook zullen erkennen, en ons rechtvaardigheidsgevoel maakt het gewis ook noodzakelijk voor ons, dat wij onze verplichting erkennen.

Zo heb ik u aangetoond, dat er in het geval, hetwelk ons bezighoudt, vele verontschuldigingen konden worden gemaakt; en toch zou het met dat al een ongepaste zaak zijn geweest, indien zij in de schare was weggeslopen en naar huis was gegaan, genezen, maar zonder de Heere te loven en te prijzen. Zulks zou haar voor altijd tot oneer gestrekt hebben. Mij dunkt, dat zij dit ook wel gevoeld heeft, toen de Zaligmaker Zijn liefdevolle ogen op haar richtte en zeide: “Iemand heeft mij aangeraakt.” Welk een gezicht vol vriendelijke goedheid en vrede was dit voor haar! Zij moet wel ogenblikkelijk gedacht hebben: “Hoe dwaas was het van mij om Hem van achteren te naderen! Hoeveel vertroostends ligt er op Zijn gelaat; de blik van Zijn ogen geeft enkel blijdschap. Hij zou mijn verzoek met een glimlach hebben ingewilligd.” Toen zij Zijn uiterlijk waarnam, en de recht koninklijke houding van de grote Weldoener opmerkte, bloosde zij er over, dat het haar bedoeling geweest was een genezing te stelen van Hem, Die zo bereidwillig was om ze te geven. Het zien van Hem was bestraffing genoeg daarvoor, dat zij zich steelsgewijze van de zegen meester had gemaakt. Als zij er aan dacht, dat zij daarna weggegaan was zonder Hem te danken, wel, mij dunkt, op het ogenblik dat zij Hem in Zijn Goddelijke majesteit, in Zijn koninklijke goedheid aanschouwde, kon zij niets anders doen dan aan Zijn voeten nedervallen en zulk een glorierijke Heere in oprechtheid aanbidden. In zichzelf gevoelde zij, dat het een wonderbaarlijke genezing was, welke door een aanraking van Hem haar ten deel gevallen was; en nu kon ze Hem niet genoeg loven. De stenen zouden het tegen haar hebben uitgeschreeuwd, als zij van dat wonder van genadig machtsbetoon geen bekentenis gedaan had; en de aarde zou geweigerd hebben zulk een monster van ondankbaarheid nog langer te dragen. Ogenblikkelijk viel zij voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid. De gedachten van haar hart werden door haar Heere geopenbaard, en nooit werd Jezus meer in waarheid aangebeden dan door dit arme schepsel, nu haar stilzwijgen door de liefde van haar Heere bestraft en door Zijn onmetelijke goedheid veroordeeld werd.

II.

In de tweede plaats, HAAR WEGSCHUILEN WERD NIET DOOR DE ZALIGMAKER TOEGELATEN. Ik heb u bij het begin van onze verhandeling gezegd, dat zo haar geschiedenis een einde genomen had zonder dat zij voor het licht was getreden, dit een aanmoediging zou geweest zijn voor die praktische verloochening van Christus, welke bestaat in het verbergen van ons geloof in Hem. Het voor de dag brengen van deze vrouw uit haar schuilplaats werd door de Zaligmaker zelf bewerkt, en daarom kunnen wij, niettegenstaande die ogenschijnlijke ruwheid, er van verzekerd zijn, dat dit het liefderijkste was, dat er kon plaats hebben. Dat zij in het volle licht werd geplaatst, had de beste gevolgen.

Want in de eerste plaats was een openbare belijdenis van haar zijde nodig in betrekking tot des Heeren heerlijkheid. Geliefden, de wonderen van Christus waren de zegelen, welke God aan Zijn zending gaf. Hij was een Mens, van God gezonden, en de wondervolle dingen, die Hij deed, bewezen, dat God met Hem was. Indien de wonderen, welke Hij verrichtte, niet werden bekend gemaakt, zouden de zegelen van Zijn zending verborgen gebleven zijn, en alzo veel van hun uitwerking verloren hebben. Hoe zouden de mensen weten, dat Hij waarlijk de Christus was, als zij er nooit van hoorden, dat de zieken genezen werden? Als deze vrouw haar genezing verborgen hield, zouden anderen hetzelfde kunnen doen; en als allen dat zo deden, zou Christus’ opdracht geen zichtbare handtekening dragen van de Heere God. Ik zou degenen onder u, die uw Heere niet belijden, deze zaak wel op het hart willen drukken; want hetgeen, waartoe gij het recht hebt, daartoe hebben anderen ook het recht. Als het goed is van de ene Christen, dat hij Christus niet belijdt en zich niet bij een kerk voegt, dan moet het voor andere Christenen ook geoorloofd zijn om op dezelfde wijze te handelen. Waar zouden gemeenten zijn, waar zou de voortzetting zijn van de ordinantiën van het evangelie; en wat dat aangaat, wie zou gehouden zijn als prediker op te treden, als zelfs niemand gehouden was in het openbaar belijdenis te doen? Als gij langs de trap aan de achterzijde naar de hemel moogt gaan, dan ik ook, en zo zou de van God verordende openbare ingang tot het koninkrijk ongebruikt kunnen blijven. Wie zal er op gesteld zijn langs de openbare weg, met al de daaraan verbonden verantwoordelijkheid en de daarmee gepaard gaande tegenstand, naar de hemel te gaan, als gij juist even gemakkelijk dat lieve paadje achter de heggen langs kunt nemen, en zo zonder te worden opgemerkt de heerlijkheid kunt insluipen? Zulks gaat niet aan, broeders, als wij bedenken wat de Heere Jezus Christus van ons verdient, en hoe onze openbare belijdenis strekt om getuigenis van Zijn zending af te leggen. De verandering, die er tot stand komt in de geestelijke en zedelijke toestand van degenen, die tot de zaligheid worden geleid, is de getuigenis Gods aangaande het evangelie; en wanneer hierover niet zou worden gesproken, hoe zou de wereld dan kunnen weten, dat God het evangelie heeft gezonden?

Bedenkt verder, dat de wonderen van onze Heere tot opheldering dienden van Zijn onderwijs. Wel beschouwd zijn de wonderen van Christus de platen van een boekdeel, waarvan Zijn prediking de drukletters vormen. Gij neemt het een of ander geïllustreerd tijdschrift ter hand, en daarin leest gij de beschrijving van een openbaar gebouw of het verslag van een grote plechtigheid; gij vindt veel genoegen in het gedrukte verslag, maar om u een recht denkbeeld van de gehele zaak te vormen, daartoe zijn de gravuren van zeer veel nut. Gij zoudt die houtsneeplaten niet gaarne missen, want zij maken het aantrekkelijkste gedeelte van het tijdschrift uit en hebben voor u een grote waarde. Zo nu ook waren in de bediening van onze Zaligmaker Zijn woorden de bedrukte bladzijden om te lezen, en Zijn wonderen waren de gravuren ter verduidelijking. Als de plaat er uit gescheurd wordt, of als er iets overheen wordt geplakt, wordt het tijdschrift daardoor erg beschadigd; en evenzo zou het onderwijs van onze Heere er grote schade bij lijden, zo de daarmee gepaard gaande wonderen verborgen bleven. Ik heb u de vorige rustdag aangetoond, dat de genezing van deze vrouw een gebeurtenis was, waarin wonderveel lering ligt opgesloten; hoe zou zij dan onbekend kunnen blijven? Moet zij maar stilzwijgend worden voorbijgegaan om aan haar vrees voldoening te schenken? Moet Jezus dit wonder verrichten en niemand er ooit van horen? Gelijk God gezien wordt in de werken van Zijn schepping, zo wordt Jezus gezien in Zijn wonderen van genade. Zullen wij Hem van Zijn eer beroven? God verhoede, dat wij Hem deze schandelijke oneer zouden aandoen. Als iemand in de tijd, toen ik het eerst de Heere leerde kennen, tot mij gezegd had: “Gij zult u schamen Christus te belijden, ofschoon Hij u heeft gered; en de dag zal komen, wanneer gij blozende Zijn naam zult erkennen”, zou ik mij over zulk een aantijging verontwaardigd hebben gevoeld. Wel, het was mij er juist om te doen tot iedereen over de liefde van de Zaligmaker te spreken. Als er niemand anders geweest was om mij aan te horen zou ik tot het redeloze dier hebben gesproken. Ik had hetzelfde gevoel als Bunyan, die van zichzelf getuigt, dat hij aan de vogelen des velds wel alles dienaangaande wilde mededelen. Ik kan het mij niet indenken hoe het komt, dat gij, die de Zaligmaker kent, of tenminste denkt dat gij Hem kent, van oordeel kunt zijn, dat het goed is weg te schuilen en de heerlijkheid van Christus als het ware te bedekken. O spreekt er toch van! Vertelt het aan iedereen, dat Hij ons heeft genezen, ons de vergeving der zonden heeft geschonken, ons heeft zalig gemaakt.

De openbaarmaking moest ook geschieden ter wille van anderen. Zijn er onder u, die voor zich zelf wensen te leven? Zo dat het geval is, moet gij van die zelfzucht worden verlost. Tegen de evangelische godsdienst wordt wel eens de beschuldiging ingebracht, dat wij de mensen leren in de eerste plaats het oog te richten op hun eigen zaligheid, en dat dit een soort van geestelijke zelfzucht is. Maar als dan die zaligheid, die verlossing, de verlossing van de zelfzucht is, waar blijft dan de zelfzucht? Het is een zaak van groot gewicht in de verlossing, dat de zondaar verlost wordt van de hardheid des harten en van zijn onverschilligheid omtrent anderen. Wenst gij alleen naar de hemel te gaan? Dan vrees ik, dat gij er nooit komt. Is er bij u in het geheel geen verlangen aanwezig, dat ook anderen gered worden? Dan behoort ook gij nog niet tot hen, die gered zijn. Weest daarvan verzekerd. Wat is het natuurlijkste middel, hetwelk tot de zaligheid van anderen leiden kan? Wat anders dan uw eigen persoonlijk getuigenis goed te doen uitkomen? Onze Heere genas deze vrouw tot heil van de gehele schare. Allen moeten wel verwonderd hebben gestaan, toen zij haar geschiedenis hoorden. Hij deed het in het bijzonder tot heil van Jaïrus. Het dochtertje van Jaïrus had twaalf jaar geleefd, en deze arme vrouw was twaalf jaar stervende geweest – let op die gelijkheid, wat de tijd aangaat, in beide gevallen. Voorzeker lag er in deze genezing voor Jaïrus een luide oproep om geloof in Jezus te oefenen, en zij zal gewis tot grote steun geweest zijn voor zijn geloof, dat nu juist niet zo sterk was als het wel scheen te zijn.

En zijt gij het niet met mij eens, dat haar openlijke verklaring ook vereist werd met het oog op het welzijn van de discipelen van onze Heere? Zullen de discipelen, toen zij haar geschiedenis hoorden, deze niet als een schat bij zich zelf hebben bewaard, en in later dagen daarvan tot elkander hebben gesproken om daardoor elkanders geloof te versterken? De herinnering aan deze merkwaardige wonderen, welke zij hun Meester zagen verrichten, zoude hun in tijden van vervolging wel te stade komen. Geliefden, heeft de Heere zelfs niet het oog gehad op u en op mij, die door Zijn genade eeuwen later zouden worden geboren? Zijt ook gij niet van gevoelen, dat Hij de genezen vrouw voor de dag deed komen met het opzettelijk doel, dat het te boek stellen hiervan in het evangelie door alle geslachten heen schuilzieken in het licht zou doen treden? Heeft onze Heere niet voorzien, dat velen door het horen van haar genezing zouden worden aangemoedigd om door het geloof de zoom van Zijn kleed aan te raken? Aldus zal het u duidelijk worden, dat de bevende vrouw haar Heere moest erkennen, opdat het huisgezin daartoe een zegen zou wegdragen voor de Heere.

Voornamelijk evenwel moest zij dit doen voor haar eigen welzijn. De Zaligmaker had liefdevolle oogmerken, toen Hij deze arme bevende vrouw voor het oog van al het volk deed voorkomen. Hierdoor verloste Hij haar van allerlei vreze, welke haar anders van rondom zou hebben bezet. Veronderstelt eens, dat zij genezen naar huis was gegaan en nimmer daarvan bekentenis had gedaan, wat zou zij zich dan ongerust hebben gevoeld! Een gevoel van dat gunstbewijs te hebben gestolen zonder verlof of toestemming zou verontrustende dromen en benauwende gedachten bij haar hebben veroorzaakt. Zij zou gekweld geworden zijn door de vrees, dat de kwaal spoedig zou terugkeren, of dat zij als gevolg van een vreselijk vonnis het leven moest derven. Daarenboven zou zij tot zich zelf gezegd hebben: “Ik was weinig beter dan een dief. Ik ben niet door de deur ingegaan, maar over de muur geklommen. Ik vrees, dat ik het zwaar te verantwoorden zal hebben in de dag van het gericht. Zal ook een mens God beroven. Heb ik de Zaligmaker zelf niet beroofd?” Al zulke door vrees ingegeven overleggingen werden onmogelijk gemaakt door haar openlijke belijdenis, en door datgene, hetwelk daarop volgde. Jezus verzekerde haar, dat Hij niet geërgerd was; Hij wenste, dat zij geen vrees zou koesteren, want Hij zeide: “Uw geloof heeft u behouden. Ga heen in vrede.”

Zij was een zeer schroomvallige en vreesachtige vrouw geweest, maar nu zou zij alle ongepaste beschroomdheid van zich af schudden. Ik ken verscheidene personen, die van hun beschroomdheid genezen zijn, doordat zij voor het front kwamen om Christus te belijden. Ik zou gevallen kunnen vermelden van personen die vroeger zeer achterhoudend waren, ja bijna niet in staat om een enkel woord over het een of ander onderwerp te zeggen; nadat zij zich echter bij de kerk hebben gevoegd, heeft hun openbare belijdenis het ijs gebroken en kwamen de wateren van hun leven in beweging. Onze Heere neemt deze zwakheid weg door onze gehoorzaamheid: “in het onderhouden van des Heeren geboden is grote loon.”

Onze Heere gaf haar ook na haar belijdenis nog groter zegen. Misschien hebben sommigen uwer nog wel een grote gunst van de Heere te verwachten, wanneer gij Zijn naam belijdt. Gij blijft binnen de deuren en Hij geeft u melk genoeg om van te kunnen leven; maar als gij voor de dag wilde komen om Hem te belijden, zou Hij u voeden met vaste spijze van Zijn koninkrijk. Gij zoudt een dapperder en nuttiger mens worden, indien gij uw kruis op wilde nemen. Gij zijt nu gelijk aan Saul, de zoon van Kis, die zich tussen de vaten verstak; komt voor de dag en weest koning. Maakt alom bekend wat Christus voor u gedaan heeft. Want wat gaf de Zaligmaker haar?

Hij gaf haar op klare wijze haar betrekking tot Hem te verstaan. Hij zeide: “Dochter!” Ik weet niet, dat de Zaligmaker ooit een andere vrouw dochter heeft genoemd, want in Zijn spreken tot vrouwen was Hij op zijn hoede; maar tot deze vrouw zeide Hij dan toch: “Dochter!” O, moge de Heere aan de zodanigen, die bevende en vol angst zijn, de nauwe en innige betrekking doen zien en gevoelen, welke er bestaat tussen Christus en hun ziel! Moge uw kindschap op de levendigste wijze u voor de geest komen te staan, als loon op uw gehoorzaamheid. Moge Jezus tot sommigen van u zeggen: “Zoon, wees welgemoed”, of tot een ander: “Dochter, heb goede moed, uw geloof heeft u behouden.” “Wat zou ik wel niet geven”, zegt er een “als Jezus mij dochter wilde noemen.” Geef Hem u zelf door in Hem te geloven en van Hem belijdenis te doen en zie of Hij u Zijn liefde niet openbaart. Welke heerlijke openbaringen er door dat zondige stilzwijgen voor u verloren gaan, kan ik u niet zeggen; maar het is zeker, dat gij daardoor menig opbeurend woord van de eigen lippen uws Heeren mist. Als gij Hem niet wilt erkennen, hoe kunt gij dan verwachten, dat Hij u de geest der aanneming zal schenken? Indien gij in de plaats daarvan de geest der dienstbaarheid ontvangt, dan hebt gij geen reden om u te verwonderen.

Let er verder op, dat onze Heere haar vreugde en blijdschap schonk. Hij zeide: “Dochter! wees welgemoed.” Laten toch die rimpels van uw voorhoofd verdwijnen, mijn dochter. Waarom zouden ook koningskinderen al de dag in het zwart gaan? “Wees welgemoed.” Ach vrienden, gij laat uw hoofd hangen. En als gij genade genoeg bezat om Jezus meer ten volle te erkennen, zoudt gij misschien het hoofd omhoog steken, de zon zou u in het gelaat schijnen, en gij zoudt met blijdschap uw weg gaan al de verdere dagen van uw leven. Ik raad u aan om het eens te beproeven. Een van de beste medicijnen tegen een zwaarmoedige geest is te vinden in een moedig gehoorzamen aan Jezus. Houdt u dicht bij de Gekruisigde en in gemeenschap met Hem zal uw eigen kruis licht worden.

Merk voorts op, dat Hij een aanbeveling gaf van haar geloof: “Uw geloof heeft u behouden.” Maar het was toch zeker niet haar geloof, hetwelk haar gezond maakte? Neen, maar Jezus zet Zijn eigen kroon op het hoofd van het geloof. Het is altijd veilig voor Jezus om het geloof te kronen, omdat het geloof altijd Jezus kroont. Haar geloof zou antwoorden: “Heere ik deed niets, Gij deed het alles,” en daarom schrijft Jezus haar genezing aan haar geloof toe. Hoezeer is het mijn begeerte, dat gij, die nu bang zijt voor uw eigen geloof, de lof van uw Heere moogt verwerven door voor de dag te treden en getuigenis af te leggen van hetgeen Hij voor u heeft gedaan. Dan zult gij niet alleen geloven, maar ook weten, dat gij geloofd hebt; en dan zal uw tegenwoordige staat van ellendige twijfelzucht voor goed een einde nemen.

Daarop voegde de Heere haar een woord toe vol kostelijke geruststelling. Hij zeide: “Ga heen in vrede.” Waarmede zoveel gezegd wordt als: Blijft niet in de schare, om heen en weer geduwd of aangestaard te worden, maar ga rustig naar huis. Ga met een verlicht hart naar uw huis en naar uw vrienden. Het is alles wel. Gij deelt in Mijn gunst. Ik heb u dochter genoemd en Ik zal u nimmer verloochenen. Ik heb u gezegend, en gij zult gezegend zijn. Ik geef u vrede op de aarde en vrede in de hemel. O gij, die de Heere liefhebt en op Hem vertrouwt, maar toch nooit uw geloof overeenkomstig Zijn gebod hebt uitgesproken, gij zegt: “Wij weten niet hoe het komt, maar terwijl wij er over horen spreken, dat Gods volk grote vrede heeft, genieten wij die vrede niet.” Gij kunt zolang gij ongehoorzaam zijt, niet verwachten vrede te zullen hebben. Indien gij u niet aan de zijde van Jezus schaart, verwacht gij dan, dat Hij zich aan uw zijde zal plaatsen? Gij zult brood en water hebben, zodat uw ziel in het leven zal blijven; maar gij kunt de reine wijnen, die gezuiverd zijn, en de vettigheden vol merg niet smaken, zolang gij uw Heere niet belijdt. De lekkernijen in de bergplaats der levensmiddelen zijn niet voor ongehoorzame kinderen. Schaamt gij u voor Jezus? Hoe kunt gij dan verwachten, dat Hij u de kussingen van Zijn mond geven zal? Dat Hij u zalig maakt, is meer dan Zijn belofte; maar aangezien Hij u liefheeft, moet Hij en wil Hij u onder de tucht brengen, totdat gij Zijn naam en Zijn werk belijdt. Waarom ontzegt gij u door uw verzuim genot en vertroosting? Allen, die in de trein van het geloof zijn, gaan naar de hemel; maar waarom reizen er zovelen met de derde klasse of gaan zelfs plaats nemen in de veewagens? Waarom niet eerste klasse gereisd? Wanneer gij volkomen voor Christus leeft, dan rijdt gij eerste klasse. Doet belijdenis van uw Heere. Neemt het besluit om nooit het vaandel weg te bergen. Weest met hart en ziel een Christen. Leeft voor Jezus, en weest bereid om voor Hem te sterven; dan gaat gij eerste klasse naar de hemel, en waarom zoudt gij dat niet doen? Waarom zoudt gij mokken en morren, en klagen en zuchten wanneer gij even goed kunt zingen en feestvieren voor het aangezicht van uw Heere en van Zijn huisgenoten? Aarzelt gij uw Heere en Meester te erkennen? Wee mij! hoe zal ik op de rechte wijze leed over u dragen? Laat er geen nieuwe dag voorbijgaan, vóór gij de burcht der lafaards verlaten hebt en plaats genomen hebt in de gelederen van de Heere der heirscharen.

III.

Zo ben ik reeds gekomen tot mijn laatste punt: UW WEGSCHUILEN DIENT EEN EINDE TE NEMEN. “Gij prediker, tot wie spreekt gij nu?” Wel, niet tot u, waarde vrienden, die u altijd aan het front vertoont en de banier van het kruis opheft. “Tot wien spreekt gij dan?” Tot u, waarde vriend, zo gij werkelijk een discipel zijt, maar in het geheim, uit vrees voor de Joden. Indien gij u in u zelf opsluit, dan is het tot u, dat ik spreek, en dan wens ik u uw verplichtingen voor te houden. Wat zijt gij mijn Heere al niet verschuldigd? Gij zijt gewassen van uw onreinigheid. Gij zijt bekleed met de mantel der gerechtigheid. Gij zijt aangenomen in de Geliefde. Gij weet, dat gij zijt overgegaan van de dood in het leven. Tenzij gij u op een vreselijke wijze aan zelfmisleiding schuldig maakt, weet gij, dat gij des Heeren zijt. Welnu, dan, erken zulks. Schaam u niet uw plaats in te nemen in het kruisdragend gezelschap, en volgt het Lam, waar het ook henen gaat. Bij uw liefde tot Jezus, wend u niet ter rechterzijde om uw eigen gemak te zoeken, en evenmin ter linkerzijde om met iedereen op een goede voet te blijven; maar ga recht voor u uit; waar uw plicht en Jezus u heenleiden. Dit is nog altijd de weg tot ere en tot onsterfelijkheid.

En denkt gij ook niet, dat gij iets verschuldigd zijt aan de kerk van God, welke het evangelie in de wereld deed prediken, zodat gij dit kon horen. Heeft zich niet een groep van godzalige mannen en vrouwen verenigd, en hebben deze er niet voor gezorgd, dat het evangelie verkondigd werd? Was het niet daardoor, dat gij gered werd? Dient gij dan niet uw gaven en uw krachten te wijden aan die kerk, welke het middel geweest is om u tot Jezus te leiden?

Het zij mij geoorloofd hierbij te voegen: Ik geloof, dat gij ook iets verschuldigd zijt aan de dienaar, die u tot Jezus leidde. Welk een blijdschap is het voor ons, wanneer wij een brief ontvangen van iemand, die door ons onderwijs de Heere gevonden heeft; of, nog beter, wanneer wij van aangezicht tot aangezicht iemand ontmoeten, die door onze gebrekkige evangeliebediening zijn vertrouwen op de Zaligmaker gesteld heeft! Zij, die zaaiers van het zaad zijn weten, welk een vreugde het is, het te zien opkomen. Wie zijn de mensen, die ons nodeloos terneer drukken? Wie zijn het, die ons de aanmoediging onthouden waaraan wij zoveel behoefte hebben? Wel, dat zijn zij, die niet voor de dag komen, en niet vertellen, wat de genade voor hen gedaan heeft. Ter wille van hen, die onder u arbeiden in het woord en in de leer, smeek ik u, komt te voorschijn. Gemene dankbaarheid moest u er toe leiden, ons te doen weten, dat onze arbeid niet ijdel is in de Heere.

Daarenboven, gij zijt het aan uzelf verschuldigd. Gij wilt toch geen vleermuizen zijn, die uitvliegen, wanneer niemand ze gadeslaat, en die zich voor het licht verbergen? Gij wilt toch niet gelijk zijn aan de muizen, die alleen bij nacht hun holen verlaten om in de provisiekamer aan de spijzen te knagen? Toont u mannen te zijn, en gaat uit van u zelf! O gij, die in de kloven der rotsen verborgen zijt, laat de Zaligmaker uw stem horen en uw aangezicht aanschouwen!

Gij zijt het aan uw bloedverwanten verschuldigd. Gij dient aan de leden van uw huisgezin mede te delen wat de genade voor u heeft uitgewerkt. Menig man verwondert zich, dat zijn zoons en zijn dochters geen lust tonen te hebben in de dienst van God, terwijl hij zelf zich nimmer openlijk voor de Heere verklaard heeft. “O,” zegt er iemand, “maar ik ben toch oprecht van hart.” Maar moet het licht daarbinnen dan in een donkere lantaarn worden opgesloten? Wie kan in een gesloten boek lezen? Wij wensen in het uitstalvenster van uw leven enige van de waren te zien, welke in het magazijn van uw hart zijn opgestapeld; hoe kunt gij anders voor uw Heere handel drijven? Wanneer een mens vrijmoedig zegt: “Ik geloof in Jezus”, en dit door zijn daden bewijst, heeft zulks een heilzame invloed op zijn kinderen, zijn dienstboden en zijn metgezellen; wenst gij dan geen invloed ten goede op hen uit te oefenen?

En meent gij ook niet, dat gij het aan uw buren verschuldigd zijt om voor de Heere uit te komen? Wel, er zijn gehele straten in deze stad, waar nauwelijks een enkel persoon een gebouw, bestemd voor de openbare godsdienstoefening, bezoekt. Moet hij daar nu sluipsgewijze heengaan, alsof hij er zich half voor schaamt? Wat zal er van ons worden, als het weinige zout, dat wij bij ons hebben, zijn smaak verliest? Er zijn in deze grote stad gedeelten, door honderdduizenden mensen bewoond, waar het bijwonen van de openbare godsdienstoefeningen zo schaars plaats heeft, dat er bij de dienst in de kerken en kapellen hier en daar maar één te zien is. Behoort dan niet gij, die de Heere liefhebt, er met alle macht op uit te zijn om het te laten zien en weten, dat er nog een God is, Die moet worden aangebeden. Een Zaligmaker, op Wie men zijn vertrouwen moet stellen? In deze kwade dagen bovenal geldt het woord:

O gij, die God vreest, dient de Heer,
wijdt Hem, vol goede moed uw lied.
Gevaar noch moeite drukke u neer.
Vreest voor de vijand niet.

Wanneer Christus aan de winnende hand is, dan scharen zich velen om Hem heen. Welke waarde kan men aan hun hosanna’s toekennen? Die soort van mensen, waarin een gekruisigde Christus behagen vindt, zijn zij, die hun Heere volgen ten dage van schande, van laster en van verachting. Een oprechte krijgsknecht van Jezus treedt als het moet alleen voor zijn Heere op. Hij is even getrouw aan Jezus, wanneer hij de enige is, als hij zou zijn, wanneer er een miljoen achter hem stonden. Gezegend is hij, die zich niet aan Jezus ergert, en zich niet voor Zijn kruis schaamt. O gij, die gered en behouden zijt, heft uw vaandel in de hoogte, laat fier de banen wapperen en zorgt er voor, dat de vijand nimmer de vlag neerhaalt. O dat God iedereen, hier tegenwoordig, die een weinig beschroomd is of achteraan staat, moge bewegen om uit te gaan buiten de legerplaats en des Heeren smaadheid te dragen!

Laat mij nu enige van uw tegenwerpingen horen, en die beantwoorden. Ik hoop, dat ik ze door mijn gehele predikatie heen, eigenlijk reeds beantwoord heb. Eén er van is deze: “Gij weet, dat ik zulk een onbetekenende persoon ben. Het kan toch eigenlijk in het geheel geen verschil maken wat ik doe of niet doe.” En deze vrouw dan, die was toch zeker wel een zeer onbetekenende persoon – slechts een vrouw! Wanneer ik in onze dagen zo spreek, is dat een zeer onhoffelijke uitdrukking; maar als een rabbi in Christus’ dagen dit gezegd had, zou er, naar het algemene oordeel, niets onbehoorlijks in gelegen hebben, want er werd geleerd, dat een heilig persoon zich op straat niet mocht laten aanraken door de klederen van een vrouw, opdat zij daardoor niet zou worden besmet. Die rabbi’s waren van oordeel, dat als een Schriftgeleerde een vrouw de wet trachtte te onderwijzen, hij door dit te doen de wet onteerde. In de dagen van de Zaligmaker werden de vrouwen door godsdienstige mensen licht geschat. Onze Goddelijke Heere gaf nooit de geringste bekrachtiging aan zulk een afschuwelijke geest, en ik ben evenmin van plan om op enigerlei wijze mijn goedkeuring uit te spreken over uw gezegde: “Ik ben slechts een arme zwakke vrouw.” Gij moet niet zo spreken; die laag staan worden door God hoog geschat. Bovendien hebben velen uwer niet zulk een lage dunk van zichzelf als zij voorwenden, wanneer het er hen om te doen is hun plicht te verwaarlozen. Verontschuldigt u niet door voorgewende nederigheid. Als de Heere u kocht met Zijn bloed, zijt gij niet zo onbetekenend, dat het aan u kan worden toegestaan Hem uw dienst te ontzeggen.

“Maar dat optreden in het openbaar om zich bij een kerk aan te sluiten, met alles wat er aan verbonden is, is zulk een strenge proef.” Dat kan wel waar zijn. In het geval van deze vrouw was het in veel groter mate een strenge proef, dan het voor u zijn kan. Stelt u haar voor, fijn gevoelende als zij was in zulk een kiese zaak, hoe zij voor het oog van die gehele schare naar voren geroepen wordt om van haar genezing getuigenis af te leggen! Zij moet wel in de grond hebben willen zinken! Een onreine, die de ceremoniële wet verbroken had! Wat zal zij verlangd hebben om weg te komen! En toch wilde de tedere Heere, in haar eigen belang, dat zij te voorschijn zou treden; en wat een strenge proef scheen te zijn, werd een oorzaak van blijdschap. Jezus neemt geen verontschuldigingen aan van één dergenen, die door Hem zijn genezen, wat aangaat het erkennen van het werk van Zijn genade. Een lieve dame van hoge geboorte, die al lang in de heerlijkheid is, was eens een geëerd lid van deze gemeente. Toen zij zich nu met ons wenste te verenigen, sprak zij er met mij over, dat het toch moeilijk voor haar ging om vóór de schare plaats te nemen en ten aanhore van al de leden haar geloof in Christus te belijden. Ik zeide tot haar, dat wij voor niemand een uitzondering konden maken en vooral niet voor haar, die zo bevestigd was in het geloof, dat zij toch zeker wel enkele vragen kon beantwoorden in het bijzijn van degenen, die broeders en zusters waren in de Heere. Zij kwam moedig voor de dag en sprak zich op een innemende wijze voor haar Heere uit. Sommigen uwer herinneren zich misschien haar nog wel met haar liefelijk gelaat en haar eerwaardige houding. Toen zij belijdenis van haar Heere gedaan had, legde zij beide haar handen op de mijne, en zeide met nadruk: “Van ganser harte dank ik u hiervoor; ik zal mij nu nooit voor Christus schamen. En wanneer aristocratische vriendinnen mij een bezoek brengen, zal ik tot hun over mijn Heere spreken.” Dat deed ze ook gedurig. Nooit vond men haar traag in het op de voorgrond plaatsen van het evangelie, wie ook bij haar mocht zijn. Menigmaal heeft zij tot mij gezegd: “O wat is dat een goede leerschool voor mij geweest! Mogelijk was ik al mijn levensdagen wel bedeesd en beschroomd gebleven, als ik niet voor het oog en het oor der gehele gemeente die belijdenis afgelegd had.” En daarom zeg ik dan nu tot u: “Als het een strenge proef is, onderga die dan om Christus’ wil. Inderdaad, het behoort voor u een genoegen te zijn uw Heere te midden van Zijn eigen discipelen te erkennen.

“Helaas!” zegt er een, “ik zou niet kunnen vertellen wat de Heere voor mij gedaan heeft, omdat ik zulk een treurige geschiedenis achter mij heb. Gij weet wat ik vroeger voor iemand was; de souvereine genade heeft mij tot een ander mens gemaakt, maar mijn voorgaand leven legt mij een slot op de mond.” Was het niet zo met deze vrouw? Hoe kon zij haar geschiedenis vertellen? Doch daar deze tot eer van God strekte, zo “zeide zij Hem al de waarheid.” Wat gij ook moogt geweest zijn vóór uw bekering, roem er niet over; maar aan de andere kant, loochen dat ook niet, maar eer uw Zaligmaker. Denk maar eens na hoe dikwijls Paulus ons zegt wat hij was vóór zijn bekering. Indien iemand uw oude zonden oprakelt, geef hem dan ten antwoord, dat wat hij daar zegt een maar al te treurige waarheid is, maar dat gij zijt afgewassen en dat u veel is vergeven. Erken, dat gij de voornaamste der zondaars waart, en dat gij nu minder dan de minste van alle heiligen zijt, maar dat de Heere u tot heerlijkheid van Zijn naam heeft overgebracht van de dood tot het leven.

“Ik heb zo weinig te zeggen,” zegt er een. Dat is een goede reden waarom gij aan het vertellen moet gaan, want dat zal u uw taak des te gemakkelijker maken. Hij, die weinig te zeggen heeft, moet dat weinigje dan maar kort en goed mededelen. Ander antwoord dan dat kan ik u al moeilijk geven. Maar toch, als gij zeggen kunt, dat de Heere Jezus u in Zijn dierbaar bloed heeft gewassen, geloof ik niet, dat het een geringe zaak is om zulks te vertellen. Als gij zeggen kunt, “Terwijl ik eertijds blind was, zie ik nu,” laat dan niet na zulks te zeggen, en beschouw dit niet als een geringe zaak. Eens kwam u dit voor als het belangrijkste feit, waarmede gij bij mogelijkheid bekend zoudt kunnen zijn; blijf bij die gedachte. En sier uw geschiedenis niet op, maar verhaal alles juist zoals het gebeurd is.

“Maar de mensen zullen mij misschien niet geloven.” Heb ik dan tot u gezegd, dat gij moest maken, dat zij u geloven? Is dat uw werk? Gij moet recht handelen, wat ook daarvan de gevolgen mogen zijn. En dan zal men u geloven, als gij verdient geloofd te worden. Wanneer wij als gelovigen samenkomen en het verhaal horen van een zondaar, die uit genade is gezaligd, is niemand van ons wantrouwig; (de tijden zijn zeker veranderd? Red.) wel zijn wij er soms wat al te haastig bij om te geloven wat er verhaald wordt, zodat wij in gevaar verkeren van bedrogen te worden. Heb daar geen vrees voor, dat men u mistrouwen zal. Belijd in ieder geval uw geloof, en God zal uw getuigenis zegenen.

“Maar veronderstelt nu eens,” zegt er iemand, “dat ik, na Christus te hebben beleden, weer even slecht werd als vroeger.” Veronderstelt eens, dat deze vrouw zulk een treurige zaak verondersteld en gezegd had: “O Heere! ik kan niet belijden, dat Gij mij genezen hebt, want ik weet niet hoe het over zes maanden met mij zal zijn.” Zo wantrouwig was zij evenwel niet. “Maar als de Heere mij dan toch eens verliet, en toeliet, dat ik ook Hem ging verlaten.” En als gij nu eens ophield met allerlei veronderstellingen te maken, en Zijn beloften ging aannemen, juist zoals zij daar liggen. “Die in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven.” “Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.” Gelooft gij Zijn woord? Leg dan zulke vermoedens op zij. Jezus geeft ons geen bedrieglijke, tijdelijke zaligheid; Hij maakt ons niet zalig voor een vierendeeljaars om ons dan te verlaten. Indien gij door Hem zijt zalig gemaakt, zult gij voor eeuwig zalig zijn. Hij is de Bewerker der eeuwige zaligheid. Als Hij u een nieuw hart geeft, is het een nieuw hart, en dan zal het ook nooit weer een oud hart worden. Als Hij u het water des levens instort, gaat Hij niet te werk zoals gij doet, wanneer gij des morgens de straat vóór uw winkel besproeit, maar zo, dat het water al gauw weer opgedroogd is; neen, Hij zegt: “Het water, dat Ik hem geven zal, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.” Toen ik mijn vertrouwen op Christus stelde, was dat geen vertrouwen om mij zalig te maken voor één of twee jaar, maar voor eeuwig. Wanneer gij u op weg begeeft naar de hemel, moet gij een kaartje nemen voor de duur van de gehele reis. Sommigen van onze vrienden nemen een kaartje voor het volgende station, en stormen dan naar buiten om weer een ander te nemen. Neem een kaartje voor het nieuwe Jeruzalem, en niet voor een gebouw, dat halfweg staat. De trein houdt onderweg niet stil, en de reis wordt onafgebroken voortgezet. Indien gij Jezus Christus uw vertrouwen kunt schenken om u door te voeren naar de heerlijkheid, zal Hij zulks doen. Laat geen vrees u verontrusten.

“Och,” zegt nog een ander, “dat schijnt al te goed om waar te zijn. Ik kan niet denken, dat zo iemand als ik mij mag verstouten om in verbinding te treden met de Heere Jezus Christus, Die zo groot en zo heerlijk is.” En dit is toch uw enige hoop. Gij wordt alleen behouden door uw zijn in Christus. Dit moge te groot, te goed zijn, dan dat wij het ons kunnen voorstellen, maar wij behoeven het ons ook niet voor te stellen; het is klaarlijk geopenbaard in het onfeilbaar Woord van God. Hij, die in Jezus gelooft, is één met Hem. Kom dan, en erken die zalige eenheid.

Weest heden een met Christus in Zijn vernedering, en gij zult straks een met Hem zijn in Zijn heerlijkheid. Wordt om Zijnentwil veracht en bespot, en gij zult met Hem geëerd en verheerlijkt worden in de dag wanneer Hij verschijnt. God zegene u om Christus wil. AMEN.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend