Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

Hoe zij de draak overwonnen

33 min. lezen

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 30 mei 1875 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe. Openbaring 12:11

Vandaag is het niet mijn voornaamste doel het hoofdstuk dat voor ons ligt uit te leggen. Ik acht mijzelf nauwelijks bekwaam om enig deel van het boek Openbaring te verklaren, en geen van de verklaringen die ik ooit gezien heb, nodigt mij uit die taak op mij te nemen. Ze zijn meestal bezig met het weerleggen van alle uitleggingen die eraan voorafgingen, en elke verklaarder lijkt er heel goed in te slagen te bewijzen dat alle anderen helemaal niets van de zaak weten. Wat er aan degelijk onderwijs in vrijwel alle commentaren op de Openbaring te vinden is, komt hierop neer: onze hemelse Vader heeft in Zijn Woord een aantal geheimenisvolle zaken gezegd die maar weinigen van Zijn kinderen nu al kunnen begrijpen.

Dat is precies wat we konden verwachten wanneer de oneindige God tot eindige mensen spreekt. Ongetwijfeld is het bedoeld om ons nederig te maken en ons tot eerbiedige aanbidding te brengen. Gelukkig is er een zegen voor wie de woorden van Zijn profetie leest, hoort en bewaart. Als die zegen beperkt was gebleven tot wie haar begrijpen, zouden maar weinigen hem ontvangen hebben. De Openbaring is een zeer gezegend boek, maar de ontsluiting ervan moet nog komen. Als u de verklaarders naslaat, zult u zien dat zij in dit gedeelte het drakenvaandel van het heidense Rome ontdekken, en hoe Constantijn het van zijn plaats verwijderde en het kruis ervoor in de plaats zette.

Ik geloof niet dat de Heere meer belang stelde in Constantijn dan in enige andere zondaar. Het lijkt mij haast godslasterlijk om te zeggen dat hij de mannelijke zoon was, “die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede”, en die weggerukt werd tot God en Zijn troon (Openbaring 12:5).

Dat hij het christendom tot staatsgodsdienst maakte, was geen zaak waarover verheerlijkte geesten zich konden verblijden, maar een vreselijke ramp, alleen geschikt om de hel te vermaken.
Niemand heeft de kerk ooit een slechtere dienst bewezen dan hij die haar als eerste aan de staat verbond. Die daad was een staaltje staatspolitiek en vorstenberekening, meer niet; een zaak die het volstrekt onwaardig was door een geïnspireerde pen te worden opgetekend.

Het zou weinig vruchtbaar zijn de grote uitleggers te volgen door de geschiedenis van het Romeinse rijk, die zij in haar geheel in de visioenen van Johannes terugvinden. Zo’n oefening past beter bij een andere gelegenheid en hoort eerder thuis onder geschiedenis dan onder theologie.
Ik kan u alleen doorgeven wat u en ik naar mijn gedachte van het visioen begrepen zouden hebben als het ons getoond was. Het lijkt mij geen onderdeel van een doorlopende reeks openbaringen, maar een soort samenvatting van de visioenen die erop volgen, en in sommige opzichten een inleiding daarop. Bedenk dat het een visioen is. Het moet dus niet koel en woord voor woord worden uitgelegd, of gelezen alsof de samenhang en het verband altijd duidelijk zouden zijn.

In dit hoofdstuk zien wij als in een panorama de hele strijd tussen de beginselen van goed en kwaad, tussen God en de satan. Wij hebben de oude, oorspronkelijke twist voor ogen tussen de vrouw en de slang, waarmee het geïnspireerde Boek begint. Het is een duidelijke uitwerking van de eerste belofte: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad.” De vrouw werd in haar onschuld aangevallen door “de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas”, en zij viel maar al te gemakkelijk ten prooi aan zijn misleiding, tot volslagen ondergang van ons geslacht. Aan het einde van die eerste listige aanval en snelle overwinning kreeg de draak zijn antwoord in de woorden dat het zaad van de vrouw hem de kop zou vermorzelen: “Datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.” Deze belofte verklaarde dat het zaad weliswaar veel zou moeten lijden als gevolg van de zonde, maar uiteindelijk toch zou overwinnen en de macht van het kwaad zou vernietigen.

In de Openbaring is het toneel verplaatst van Eden naar de hemel, en daar staan opnieuw de vrouw en de slang voor u, in dezelfde vijandige verhouding als vroeger. De slang is nog altijd de aanvaller, alleen doet hij het deze keer openlijker. Zie hoe zowel de vrouw als de slang gegroeid is. De een is een koningin geworden, getooid met hemelse pracht, en de ander een python met een staart zo groot dat hij met elke slag de sterren dreigt uit te wissen. De vrouw is niet langer een eenvoudig, kinderlijk figuurtje, maar een wonder. Zij wandelt niet tussen de bomen en de bloemen, maar tussen de hemellichamen. Zij is bekleed met de zon, de maan is onder haar voeten en op haar hoofd draagt zij een kroon van twaalf sterren. In haar ziet u de grote zaak van waarheid en gerechtigheid belichaamd. Zij is in feite de Kerk van God door alle eeuwen heen, de vrouw door wier zaad alle volken van de aarde gezegend worden.

De heerlijke zaak van heiligheid en van God, belichaamd in de Kerk, is bekleed met de pracht van licht, waarheid en majesteit. Wij zullen niet stilstaan bij de uitleg van de details van deze schitterende beeldspraak, want in zo’n zaak is het haast lichtzinnig om in details te treden. De Kerk heeft haar grotere en kleinere lichten. Zij is bekleed met de luister van de inwonende Godheid, die niet van elders ontleend is, en haar wandel straalt van de weerkaatste glans van de heiligheid. Haar vreugdekroon is haar volledige bediening, zoals de twaalf apostelen die vertegenwoordigen. Zij is “schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren.”

Zie dan de vrouw die hier wordt voorgesteld, en zie hoe heerlijk de zaak van waarheid en heiligheid is. In het visioen staat de koninklijke vrouw op het punt het beloofde zaad te baren. Zij roept in haar nood, “barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren.” Dit kan natuurlijk de Kerk voorstellen, die in vroeger tijden dag en nacht tot God riep om de komst van de beloofde Verlosser, een roep die in kracht en vurig verlangen toenam naarmate de tijd naderde. Het kan echter ook de blijvende toestand van de ware Kerk uitbeelden, die altijd in barensnood is totdat Christus in de harten van mensen gestalte krijgt. Totdat het mannelijke kind, namelijk de mystieke Christus, hier beneden geboren wordt; totdat Christus zo onder de mensenkinderen wordt voortgebracht dat Hij en allen die door genade de boze overwinnen, de heidenen zullen hoeden met een ijzeren roede (Openbaring 2:26-27).

U ziet dus in het visioen de vrouw, de Kerk, en tegenover haar staat een ander wonder: de slang, machtig gegroeid. Hij wordt een grote, rode draak genoemd. Reusachtig van omvang en vreselijk om te zien is dit zinnebeeld van het kwaad. Hij is bekleed met de afschuwelijke pracht die hem eigen is, de pracht van dodelijke haat en heerszuchtige opstand. Fel en brandend als vuurvlammen is de enorme slang verschrikkelijk om aan te zien. De python is rood van toorn en purper van vervolgingszucht. Rood is de kleur van Edom, de tegenstander van de Heere en van Zijn Israël, en het is nog altijd de gekozen kleur van de monsterachtige macht van de antichrist, die in Rome hof houdt. Wat is de laatste van haar boze gaven aan ons eigen land anders dan een rode hoed voor haar aartspriester? Deze grote, rode draak is vol listigheid, want hij heeft zeven hoofden. Eén satanisch hoofd zou genoeg geweest zijn, maar onze grote vijand bezit een haast volmaakte vindingrijkheid in het kwaad. Hij gebruikt een bijna oneindige wijsheid om de Kerk van God omver te werpen en Christus en de rest van het hemelse zaad onder de mensen te vernietigen!

Deze zeven hoofden worden aangevuld met tien hoornen, de zinnebeelden van macht, want de overste van de macht der lucht is allerminst zwak. Hij heeft eigenlijk meer macht dan wijsheid, want hij heeft maar zeven hoofden bij tien hoornen. Omdat volgens de orde van de natuur elk hoofd twee hoornen zou moeten hebben, kunnen we ook zeggen dat hij niet genoeg macht heeft om alles uit te voeren wat zijn boze sluwheid hem laat bedenken. Met de macht waarover de draak beschikt, brengt hij mensen ertoe in opstand te komen tegen de wet van de Heere en zet hij hen aan de Kerk te vervolgen. De macht van het kwaad is groot in alle landen. Tegenover een weerloze vrouw in droeve omstandigheden lijkt het volstrekt onmogelijk dat zij daartegen standhoudt. De hoofden zijn ook gekroond, want de satan heerst met meer dan koninklijke macht over het verstand van de mensen.

Hij is de god van deze wereld, en “de gehele wereld ligt in het boze.” Hij vindt het heerlijk om die macht te tonen en vertrouwt sterk op uiterlijke pracht en praal. Daarom draagt hij zeven kronen op zijn zeven hoofden, alsof één diadeem niet genoeg was om zijn koningschap aan te duiden. Zijn geweldige kracht blijkt ook hieruit dat hij in zijn woede de hemel geselt en een derde deel van de sterren neerhaalt. Het is altijd zijn eerzucht de duisternis te verdiepen en het licht te vernietigen, en in dit geliefde tijdverdrijf heeft hij verschrikkelijk veel succes gehad.

Stelt u dus de vrouw voor in haar glans en lieflijkheid, en de draak in zijn woede en macht. De draak wacht op de verwachte geboorte en wil het mannelijke kind verslinden zodra het geboren is. Dat kind, de ideale Mens, de vrucht van het goddelijke leven, wil hij vernietigen. Zo ging het toen onze Heere Jezus geboren werd. De satan zette Herodes ertoe aan het Kindeke te zoeken, en daaruit kwam de kindermoord in Bethlehem voort. Maar de draak werd verijdeld. Jezus leefde totdat Zijn ure gekomen was, en toen werd Hij weggerukt tot God en Zijn troon.

Zo probeerde de satan ook het pasgeboren zaad te verslinden toen er nog maar weinig bekeerlingen tot Christus waren en het mystieke lichaam op aarde nog als dat van een klein kind was. Hij vervolgde het mannelijke kind toen het Evangelie voor het eerst werd gepredikt, maar hoe meer zijn dienaren de heiligen vervolgden, hoe meer zij zich vermenigvuldigden. De methode van Farao in Egypte was listig, maar zij slaagde niet en kon ook niet slagen. Vervolging mislukt altijd. Vandaag, broeders, is het mannelijke kind, namelijk onze Heere Jezus, weggerukt tot God en zit Hij op Zijn troon. Ten dele is ook het mystieke lichaam van Christus daar, ver buiten het bereik van de draak. Jezus regeert met Zijn heiligen in een gebied waar voor de draak geen plaats meer is, een rijk waaruit hij voor altijd op de aarde is geworpen. Alle macht die de satan ooit in hemelse zaken had, is nu ten einde door het volbrachte werk van onze opgevaren Heere.

Vermorzeld is de kop,
de hel is overwonnen, de dood is dood,
en door Christus, opgevaren in de hoogte,
is de gevangenis gevangen geleid.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Door onze zonde en door zijn eigen macht over de dood had de satan de hemel voor ons gesloten. Maar nu is de strijd in de hogere gewesten tussen de draak en het zaad voorbij. Wij zijn in de hemelse plaatsen en de satan is voor altijd verbannen. “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn,” en nu wij in Christus zijn, heeft de boze geen voet meer om op te staan. Wanneer wij hier “hemel” lezen, moet u daaronder niet de plaats van de gezaligden verstaan, waar God woont, maar het geestelijke gebied, het rijk van de geestelijke werkelijkheden. De eerste strijd tussen waarheid en dwaling speelt zich af in zuiver geestelijke zaken. In die hemelse plaatsen, waarin Christus Zijn Kerk heeft opgeheven, is het een worsteling tussen goede en boze geesten en geen strijd tegen vlees en bloed.

Wij zien dat engelen als eersten deze strijd aangaan. Wij weten er maar weinig van, maar het lijkt erop dat de grote draak van het kwaad zowel met engelen als met mensen oorlog heeft gevoerd. Milton heeft die engelenstrijd in verheven verzen bezongen, maar Milton was niet geïnspireerd om onfeilbaar te spreken, en we moeten oppassen dat we dichters niet met profeten verwarren. Het is duidelijk dat goede en boze geesten noodzakelijk met elkaar in onmin leven. Het is ook duidelijk dat de satan in vroeger eeuwen de schare van engelen verzocht heeft, en dat de engelen die hun eerste staat bewaarden, eens voor altijd over hem hebben gezegevierd. Zij verwierpen zijn zondige verleidingen en nu heeft hij geen macht meer over hen.

Nooit meer kan hij hen verzoeken; zij zullen voor eeuwig staande blijven, bevestigd in hun gezegende staat. Michaël en zijn engelen hebben de duivel en zijn engelen in één beslissende slag verslagen, en doordat zij trouw bleven aan hun Vorst, hebben zij de binnendringende macht van het kwaad uit het rijk van de engelen verdreven. In de geestelijke gewesten wonen behalve de engelen ook anderen: onze broeders die het lichaam verlaten hebben, de heiligen uit vroeger tijden en de getrouwen van de vroege Kerk. Ook zij wonen in een gebied waaruit de satan verdreven is; hij kan hen niet meer lastigvallen. De tekst laat ons horen hoe de verheerlijkten het overwinningslied zingen over de satan, die voor altijd uit het rijk van de gezaligden is neergeworpen, om nooit meer het geestelijke gebied binnen te gaan en hen te kwellen. “En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht is nedergeworpen.”

Op de zangers van dit lied wil ik uw aandacht vestigen, en vooral op één punt dat hen betreft. Zij hebben de satan overwonnen. Ik wil dat u dat opmerkt en let op de wapens waarmee zij overwonnen.
Wij laten al het andere rusten en richten onze aandacht op de overwinnaars en op de wapens waarmee zij de strijd wonnen.

1. Eerst merken wij op dat DE GEZEGENDEN VOOR DE TROON ALLEN STRIJDERS EN OVERWINNAARS WAREN.

2. Ten tweede dat ZIJ ALLEN MET DEZELFDE WAPENS STREDEN.

3. En ten derde dat ZIJ ALLEN IN DEZELFDE GEEST STREDEN.

Ten eerste, ALLE HEILIGEN DIE NU IN DE HEMEL JUICHEN WAREN EENS STRIJDERS EN OVERWINNAARS HIER BENEDEN.
Dit is een heel eenvoudige waarheid om te noemen, maar we moeten er wel aan herinnerd worden.

Eens treurden zij hier beneden
en maakten hun bed nat met tranen;
zij worstelden zwaar, zoals wij nu,
met zonden, twijfels en vrees.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Wij denken te vaak aan de heiligen die ons zijn voorgegaan alsof zij mensen van een ander slag waren dan wij, tot edeler daden in staat, begiftigd met genadegaven die wij niet kunnen bereiken en getooid met een heiligheid die voor ons onmogelijk is. De middeleeuwse kunstenaars schilderden de heiligen gewoonlijk met een stralenkrans om het hoofd, maar zulke stralenkransen hadden zij werkelijk niet. Hun voorhoofd was gerimpeld van zorg, net als het onze, en hun haar werd grijs van verdriet. Hun licht was van binnen, en dat kunnen wij ook hebben; hun heerlijkheid was uit genade, en diezelfde genade is ook voor ons beschikbaar. Zij waren mensen van gelijke bewegingen als wij, onze broeders, al waren ze wat eerder geboren. Uit onze tekst blijkt duidelijk dat ieder van de heiligen in de hemel door de satan is aangevallen.

Hoe zou er een overwinning kunnen zijn zonder strijd? Zij werden allen aangevallen door een van de hoofden of hoornen. Wanneer u lijdt onder een vreselijke verzoeking die u haast doet wankelen, houd het dan niet voor iets vreemds. Wees niet ontmoedigd, alsof u een nieuwe verzoeking overkomen is. Die vurige pijl was al op andere harten gericht voordat hij op uw schild werd opgevangen. Misschien is de ingeving zo goddeloos en lasterlijk dat u uzelf veroordeelt en zegt: “Geen ander mens is ooit door zo’n vuile gedachte bezoedeld.” Wanhoop dan niet, want zulke ingevingen zijn ook in de gedachten van de zuiversten geplant, zoals de ergste dief kan proberen in te breken in het huis van de eerlijkste man van de stad. Zelfs zij die op dit ogenblik zonder gebrek voor de troon van God staan, werden hier beneden door gruwelijke verzoekingen overvallen.

Sinds zijn val is de satan altijd een verzoeker van de ergste soort geweest. Sinds hij onze moeder Eva bedroog, is hij doorgegaan zielen te verstrikken met dezelfde list, dezelfde wreedheid, dezelfde leugen en dezelfde goddeloosheid tegen de Heere. Het zal u helpen als u bedenkt dat u niet alleen bent, en dat het pad dat u gaat, betreden is door de meest geëerden onder de uitverkorenen van God. Paulus, die hele provincies voor Christus won, had toch zijn engel van de satan die hem met vuisten sloeg. Hij moest standhouden tegen twijfels en angsten die de oude slang hem ingaf, net zoals u moet standhouden. Als u de hemelse overwinnaars een voor een had kunnen bekijken toen zij door de paarlen poort binnengingen, zou u gezien hebben dat zij allen vol littekens zaten. Nu hebben zij geen vlek of rimpel of iets dergelijks meer, maar in de dagen van hun vlees moesten zij allen de wrede tanden van die helse slang voelen. Niet één van hen heeft een vrije baan gehad en zijn troon onbetwist ingenomen, en ook u zult niet overwinnen zonder strijd. Ook voor u geldt: geen kruis, geen kroon. Wees daarom niet verbaasd als u op allerlei manieren wordt aangevallen.

De verheerlijkten werden niet alleen aangevallen, maar werden er ook toe gebracht de boze te weerstaan, want niemand overwint een tegenstander zonder met hem te strijden. Voor een echte strijd zijn twee partijen nodig. Ik vrees echter dat er belijders zijn die veel weten van verzocht worden, maar weinig van weerstand bieden. Welnu broeders, hoe groot onze verzoeking ook is, onze weerstand moet groter zijn. Verzocht worden is iets gewoons, ook voor de slechtste en meest verworpen mensen, maar de verzoeking weerstaan is het kenmerk van een kind van God. Het vers dat ik zojuist aanhaalde, zegt dat zij zwaar worstelden, zoals wij nu, met zonden, twijfels en vrees.

Het is niet alleen zo dat zij zonden, twijfels en vrees hadden; dat kan iedereen hebben. Maar zij worstelden er zwaar mee. Zij lieten zich er niet door onderkrijgen en weken geen duimbreed. Zij bleven op hun hoede totdat zij het zwaard van de Geest door het hart van de vijand hadden gestoken. Zij hebben tot den bloede toe tegengestaan, strijdende tegen de zonde. Wees ervan verzekerd, geliefde vrienden, dat de zonde nooit zonder weerstand overwonnen wordt. Als wij onze armen over elkaar slaan en menen dat wij de overwinning zullen behalen door te geloven dat wij haar al hebben, dan vergissen wij ons deerlijk.

Wij moeten waken en bidden, strijden en worstelen en voortdringen. “Dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten.” De zaligheid is niet uit de werken, maar de overwinning over de zonde vraagt dat wij dag aan dag strijden. De overwinning komt niet tot ons terwijl wij lijdelijk stilliggen; wij moeten met alle kracht van de eeuwige Geest worden opgewekt om het kwaad te overwinnen. Deze Kanaänieten moeten met wapengeweld uit het land verdreven worden voordat wij onze erfenis volledig in bezit kunnen nemen. Laat dit dan ons gebed tot onze grote Jozua zijn, terwijl wij onze wapenrusting aangorden en onze zwaarden trekken:

Almachtige Koning der heiligen,
bedwing deze tirannieke lusten;
verdrijf de oude draak van zijn troon,
en heel zijn helse bende.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Wij zien dat deze strijders allen overwonnen, want de hemel is niet voor wie alleen maar strijdt, maar voor wie overwint. “Die overwint, zal alles beërven.” “Ik strijd wel tegen mijn zonde,” zegt iemand.

Broeder, overwint u haar? Leek het u zojuist een moeilijke vraag toen ik vroeg: “Biedt u weerstand?”
De vraag die ik nu stel, is nog moeilijker: “Overwint u?” Want als de zonde u overwint, als de zonde in de praktijk gewoonlijk uw meester is, dan moet u nog leren wat ware godsdienst is. Van de heiligen wordt immers gezegd: “Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”

Er is een zuchten en roepen dat alle heiligen kennen: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Dat is geen ervaring van een uurtje, die nooit terugkomt; zij loopt min of meer door het hele leven heen. Bedenk echter dat zij ook gepaard gaat met hoopvol vertrouwen op de kracht van de goddelijke genade, want de apostel zegt verder: “Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere.” De gelovige voelt de strijd, maar hij verheugt zich ook in de overwinning. Hij worstelt en overwint tegelijk. Ik wilde dat sommige van mijn broeders konden zien hoe goed dit mogelijk is. Wij overwinnen, al is het niet zonder strijd. Onze overwinning is behaald en wij zijn meer dan overwinnaars, maar toch trekken wij op naar nieuwe gevechten en leggen wij onze zwaarden nooit neer.

Het is hier net als bij Napoleon, die placht te zeggen: “Verovering heeft mij gemaakt tot wat ik ben, en verovering moet mij staande houden.” Zo is het ook met u, christen. U hebt overwonnen door Jezus Christus, maar u moet nog steeds overwinnen en voortgaan zoals Hij: “overwinnende, en opdat Hij overwonne!”

Dit alles door de kracht van de Heilige Geest. Stel dat ik vandaag door genade in staat ben gesteld een zonde te overwinnen die mij telkens belaagt. Voordat er een uur voorbij is, kan ik een andere zonde in mijn hart voelen opkomen, en daaraan mag ik niet toegeven. Ik ben geroepen elke verzoeking te overwinnen wanneer zij mij aanvalt. Als ik de satan overwin door het bloed van het Lam, ben ik een christen, anders niet. Want als een of andere zonde mij blijvend overwint, kan ik de hemel niet binnengaan. Als ik een zonde door de kracht van de Heilige Geest overwin, moet ik toch blijven uitzien om met andere te worstelen, want tussen hier en de hemel mag ik nooit een wapenstilstand aanvaarden of op een einde van de vijandelijkheden hopen. Nooit mag de christen zijn wapenrusting afleggen, nooit mag hij tegen zichzelf zeggen: “De strijd is gestreden, de overwinning is behaald en ik hoef niets meer te doen.”

U bent in dienst genomen, broeder, voor een levenslange strijd. Pas wanneer u in uw graf ligt, kan er gezegd worden: “De strijd is voorbij.” Maar zolang u hier bent, bevindt u zich binnen schootsafstand van de vijand, en het is goed mogelijk dat uw zwaarste strijd nog op uw sterfbed komt. John Knox had de duivel in allerlei vormen en gedaanten overwonnen, maar toen hij op sterven lag, leverde hij de zwaarste strijd van zijn hele leven. Zo kan het ook met u gaan, maar u bent geroepen te overwinnen. Aanval, weerstand en overwinning moeten uw deel zijn.

Daarom verheugen zij zich allen in de hemel, want zij hebben overwonnen. Het vers na onze tekst zegt het zo: “Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin woont!”
Het is een reden tot blijdschap in de hemel dat zij gestreden, weerstaan en overwonnen hebben. Die witte klederen betekenen overwinningen, en die palmtakken ook, maar er hadden geen overwinningen kunnen zijn als er nooit strijd was geweest. Er is vreugde onder de engelen, want zij hadden hun strijd toen zij pal stonden tegen de verzoeking en niet wankelden toen de staart van de draak een derde deel van de sterren van de hemel wegveegde. Maar onze overwinning zal bijzonder zoet zijn, ons lied bijzonder welluidend, omdat onze strijd bijzonder zwaar geweest is. Wij vielen, wij stonden weer op, wij werden bewaard, ondersteund, gesterkt en in staat gesteld om ten slotte te overwinnen. Daarom zullen wij ons voor eeuwig verblijden voor de troon van God.

Ik laat dit punt rusten, maar ik wil graag dat u het persoonlijk toepast. Biedt u weerstand? Overwint u? Krijgt het leven van God in u de overhand over de zonde? Laten wij onszelf niet bedriegen. Als de zonde onze meester is, zullen wij omkomen; de genade moet in ons heersen, of wij verkeren in een ellendige toestand. Laten wij de overwinning over de zonde niet beschouwen als een luxe voor wie het zogenaamde hogere leven leidt. Het is een staat waarin wij allen moeten komen, anders zijn wij niet behouden. Heiligheid is geen luxe voor enkelen, maar een noodzaak voor alle heiligen.

Wat gepredikt wordt als iets wat door een tweede bekering verkregen kan worden, is in werkelijkheid een noodzakelijk deel van de eerste bekering, als die van de Heere is. De slaven van de zonde zijn niet de kinderen van God. Als de zonde heerst in uw sterfelijk lichaam, bent u daarin dood. Als de satan heerschappij over u heeft, bent u niet in Christus Jezus, want “die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.”

Waar de genade woont, daar heerst zij, of zij strijdt om de troon. Zij komt de ziel binnen met het doel oorlog te voeren tegen het kwaad en het omver te werpen. Waar de ark van de Heere is, moet Dagon op zijn aangezicht vallen en gebroken worden. “Een iegelijk, die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet gekend,” zegt de apostel Johannes, en hij spreekt de waarheid. “Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld.” Als u de wereld de overhand laat krijgen, kunt u niet uit God geboren zijn.

Zo laat ik dit punt rusten, in de hoop dat wij verdrukkingen zullen lijden als goede krijgsknechten van Jezus Christus, en ten slotte de kroon des levens zullen ontvangen.

Nu, ten tweede, DE OVERWINNAARS VOCHTEN ALLEN MET DEZELFDE WAPENS.
Zij hadden twee wapens, en die twee waren één: het bloed en het woord. “En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis.” Allereerst het bloed van het Lam: het was het hunne. Het bloed van het Lam helpt ons niet totdat het ons eigen wordt. Zij gingen door het geloof naar Jezus en ontvingen de verzoening. Het reinigende bloed werd op hen gesprenkeld, het sprak vrede in hun geweten, het nam hun zonde weg; zij werden erin gewassen en werden wit als versgevallen sneeuw. “Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” Zij waren verre, maar zij zijn “nabij geworden door het bloed van Christus.” Dit bloed bleef hun toegang tot God geven, want het gaf hun vrijmoedigheid om toe te gaan tot de troon van de genade. Ja, dit bloed was zozeer het hunne, dat het het leven van hun geest was; het was hun als edele wijn en werd de hoogste vreugde van hun ziel.

Broeders, als u en ik ooit onder deze overwinnaars willen zijn, moet het bloed ons eigen zijn, door het geloof toegeëigend. Hoe staat het met u vanmorgen? Heeft het bloed u gereinigd, mijn broeder? Woont het bloed in u als uw leven? Heeft het bloed van het Lam u gemeenschap met God gegeven en u nabij gebracht? Zo ja, dan bent u op weg om door het bloed te overwinnen.

Volgens het vers dat aan de tekst voorafgaat, had het bloed van het Lam hun alles gegeven wat zij nodig hadden, want het gaf hun zaligheid. Zij waren behouden, volkomen behouden. Toen zij Jezus Christus aangrepen en de kracht van Zijn bloed voelden, verloste Hij hen van alle ongerechtigheid en bracht Hij hen over uit het rijk van de satan. Toen ontvingen zij kracht; let op dat woord. Zij waren dood geweest, maar zij ontvingen leven. Zij waren zwak geweest, en zij werden sterk gemaakt in de Heere, want wie de kracht van het bloed van Jezus kent, wordt sterk gemaakt om grote daden te doen. Toen verkregen zij het koninkrijk, want het koninkrijk komt tot ons langs de weg van het overwinnende bloed van Jezus, en omdat Hij geslacht is, heeft Hij ons tot koningen en priesters gemaakt voor God. Ons wordt ook verteld dat zij macht of gezag hadden.

Onze Heere, Die uit de doden is opgestaan, bekleedde al Zijn discipelen met gezag toen Hij zei: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende.”
Geliefden, als wij deel hebben gekregen aan het bloed van Jezus Christus, hoop ik dat wij voelen dat het voor ons al deze vier zaken is: verlossing van de zonde, kracht uit zwakheid, een koninkrijk in gemeenschap met Christus, en gezag om in Zijn Naam te spreken. Het is het bloed van het verbond, en het verzekert ons alle verbondsgaven van God.

Het is het leven van ons leven, het een en al van alles wat wij bezitten. Zo hadden zij dus het bloed van het Lam, en bezaten zij de voorrechten die het bloed met zich meebrengt. Maar de kern van de tekst ligt hierin, dat zij met de draak streden door middel van het bloed van het Lam, en ermee overwonnen. Hoe deden zij dat? Dat is gemakkelijk te ontdekken. Zij overwonnen de verschrikkingen door het bloed van de verzoening. De satan is de grote, rode draak, een afschuwelijke python met zeven hoofden, gruwelijk om aan te zien, gehoornd als de slang die de Egyptische hoornadder heet.

De mens is bang voor het slangengeslacht, en het meest zou hij vrezen voor zo’n vreselijk monster als dit, zo vol gif, zo rood van woede. De strijd tussen dit afschuwelijke gedrocht en het zaad van een bange vrouw lijkt ongelijk genoeg. Toch zijn wij onkwetsbaar wanneer wij besprenkeld zijn met het bloed van Jezus, en vrezen wij de draak niet, want wij denken aan de belofte: “Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden.”

Wanneer de verzoening vrede in ons hart brengt, krimpt de grote draak ineen tot een gewone slang met een verbrijzelde kop, waarvan geschreven staat: “Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten.” Wij kunnen de afdruk van Christus’ hiel op zijn verbrijzelde kop zien. Meer nog, wij verwachten daar ook onze eigen hiel te zetten, want ons wordt gezegd dat de God des vredes de satan haast onder onze voeten zal verpletteren. Ik reken op de tijd dat de Heere hem onder mijn voet zal verpletteren, en het zal zo’n zware verplettering zijn als ik hem maar kan geven, dat verzeker ik u. Hij heeft ons allen zo verzocht en beproefd, dat de overwinning die wij zullen behalen, Jezus veel roem zal brengen, en wij zullen niet nalaten Zijn lof te zingen zolang wij bestaan. Zo houdt onze vrees voor de satan op wanneer wij zien dat Christus ons van de vloek verlost heeft en de satan als vijand onder onze voeten heeft gelegd. Ons hart juicht in Uw tegenwoordigheid, o Verdelger van de duivel en zijn werken, en wij triomferen in U.

Wanneer wij dood en hel en zonde
overwonnen zien door Uw dierbaar bloed,
en de Man Die zuchtte en stierf,
heerlijk zien zitten aan Zijn zijde.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Door het bloed van het Lam overwinnen wij de satan als de verklager van de broeders. Het hoofdstuk zegt ons uitdrukkelijk dat hij de broeders dag en nacht verklaagt. Er is onder de Joden een leerzame overlevering dat de satan de uitverkorenen van God de hele dag en de hele nacht aanklaagt, behalve op de Grote Verzoendag; dan zwijgt hij. Ere zij het stervende Lam: de verzoening sluit de muil van de leeuw voortdurend, want de verzoening duurt het hele jaar door. Noch in de raadzaal van de hemel, noch in de vierschaar van het geweten kunnen de aanklachten ons schaden, want het bloed van onze Borg staat elke rechtszaak tegen ons in de weg. Als wij door het geloof verzekerd zijn dat Jezus onze zonde heeft weggedaan, welke reden hebben wij dan om te schrikken? Als de straf die wij voor onze zonde verdienden en de zonde zelf allebei zijn weggedragen door onze grote Borg, zodat de zonde in de diepten van de zee en achter Gods rug is geworpen, wie is er dan die ons kwaad zal doen?

Broeders, grijp de leer van de verzoening aan en weet dat u er zelf deel aan hebt, en de verklager van de broeders zal door de stem van het bloed tot zwijgen worden gebracht. Met hetzelfde middel overwinnen wij de satan in zijn listigheid. Hij heeft zeven hoofden, maar wij zeggen hem dat Jezus gestorven is, en dat verbrijzelt alle zeven hoofden en vernietigt de zevenvoudige vindingrijkheid van zijn strikken. Hij zou, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen verleiden, maar het geheim van het gesprenkelde bloed is wat de uitverkorenen ervoor bewaart ooit door hem misleid te worden. Wie zal hen scheiden van de liefde van Christus? Houdt de verlossing door het bloed hen niet vast aan hun Verlosser? U kunt nergens juist staan als u verkeerd staat in de verzoening, maar als u gezond bent in de leer van het plaatsvervangende offer, is er weinig gevaar dat u in een ernstige dwaling vervalt.

Zoals de naald van een kompas, eenmaal gemagnetiseerd, de pool blijft zoeken, zo zullen zij die eenmaal door de liefde van hun stervende Borg zijn aangeraakt, die zeker niet vergeten; zij kunnen niet lang in een andere richting gedraaid worden. En wat de hoornen van macht betreft: de macht van het bloed is veel groter. Omdat wij door Christus van onder de macht van de satan verlost zijn, kan hij ons niet opnieuw in zijn greep krijgen. Zijn macht is gebroken. En de kronen die hij draagt, wat geven wij daarom?

Wij zijn van onder zijn macht bevrijd doordat wij verlost zijn door het bloed van Jezus Christus, en de satan kan nooit meer over ons heersen. Dan is er nog de krachtige invloed die door zijn staart wordt uitgebeeld. Hij mag de sterren van de hemel uitdoven, de meest schitterende belijders omlaag trekken en hen als afvalligen op de aarde doen vallen, maar ons kan hij geen kwaad doen, want om het bloed van Jezus worden wij in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid. Houd u dan vast aan het kruis, geliefde broeders, want daar bent u buiten het bereik van het oude gif. Hij mag sissen, maar meer kan hij niet doen. Geen golf kan een arme zondaar ooit van de Rots der eeuwen afspoelen, geen storm kan een boetvaardige uit de kloven van de rots verdrijven. In de wonden van Jezus zijn wij veilig voor alle woede van de satan. In onze strijd met de satan hebben wij geen ander geschut nodig dan het verzoenende bloed; het treft en overwint hem op alle punten.

Het andere wapen dient om het Evangelie te verbreiden en de macht van de duivel over onze medemensen te breken.
“En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis.”
Welnu broeders, wat is de getuigenis van de heiligen? Het is een getuigenis over het bloed van het Lam. Als wij ooit de satan in de wereld willen overwinnen, moeten wij het verzoenende bloed prediken. Telkens wanneer de leer van de verzoening in de kerk in enige mate werd verduisterd, is de kracht van de kerk in dezelfde mate afgenomen. Maar u zult zien dat waar de rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus helder wordt verkondigd, de kerk in haar heerlijkheid tevoorschijn treedt en de kop vermorzelt. Geliefde broeders, als u zielen wilt verlossen uit de macht van de satan, dan moet u het offer van Jezus prediken en de kracht ervan om de zonde weg te nemen.
Werpt de satan mensen de ketenen van dronkenschap, onreinheid of eigengerechtigheid om, predik dan dat het bloed van Jezus de enige weg van zaligheid is. Laat hen zien hoe de zonde in Hem gestraft is en hoe bereid de Heere is hun te vergeven, en zij zullen opstaan en tot hun Vader gaan. Zeg de zondaar dat God zijn zonde kan wegdoen omdat Jezus gestorven is. Dan zult u zien dat de zondaar, door het onderwijs van de Heilige Geest tot berouw gebracht, losbreekt uit de heerschappij van de duivel.

Ziet u diezelfde zondaar beven van wanhoop, aangeklaagd in zijn geweten en verschrikt als door een grote, rode draak, dan mag u hem bemoedigen met het oude, oude verhaal van verlossende genade en stervende liefde. Het bloed van Jezus is de dood van de wanhoop. Er is geen wapen als een getuigenis van het reinigende bloed om de moedeloosheid te doden.
Zeg de zondaar dat er geen zonde is die een mens gedaan heeft, of het bloed kan haar wegnemen. Ga tot aan de poorten van de hel met uw getuigenis van vergeving door het bloed, en u zult er sommigen vinden die u aan de rand van het verderf verwelkomen. Zeg het tegen de dieven in de gevangenis, tegen de misdadigers die ter dood veroordeeld zijn en tegen de verworpenen op hun sterfbed: er is nog leven in één blik op de Gekruisigde.
Als u dit doet, zult u hen verlossen van de verharding van hart die zegt: “Er is geen hoop.” Bedriegt de satan zondaren met valse hoop en laat hij hen vertrouwen op priesterlist en sacramentalisme, dan is er geen andere weg om de satan in hen te overwinnen dan door de kracht van het bloed van Jezus.

Ik geloof werkelijk, broeders, dat wij nu niet geplaagd zouden worden met dit herleefde pausdom, als de verzoening van Christus enkele jaren geleden in de kerken van Engeland goed was gepredikt. Maar er is veel verwarring gezaaid rond de leer van de genoegdoening voor de zonde, en de grote leer van het plaatsvervangende offer is in hoge mate achtergehouden. De mensen willen een Zaligmaker en een offer. Stelt u hun niet het ware voor, dan gaan zij een vals zoeken, en zo’n vals offer vinden zij in het priesterbedrog van de roomse en de anglicaanse kerk. Blijf het ene, volbrachte offer prediken, en de draak moet vluchten.

Zoals van Sint-Patrick verteld wordt dat hij alle giftige dieren uit Ierland verdreven heeft, zo laat Jezus Christus komen, en al het slangenzaad zal voor Hem vluchten. Zij kunnen de grote waarheid van de verzoenende dood van de Zoon van God niet verdragen. Verhef het kruis, jongeman, wanneer u op de hoeken van de straten staat. Wat u ook niet weet, ken de leer van de verzoening. Wat u de mensen ook niet kunt vertellen, vertel hun van Jezus Christus, Die voor zondaren aan het hout hing, en maak Hem tot het hoofdthema van al uw gesprekken. Als u traktaatjes schrijft en u kunt de Openbaring niet uitleggen (en weinigen van ons kunnen dat), leg dan Golgotha uit. Sta lang stil bij Golgotha en Gethsémané. “En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn,” zegt Christus, “zal hen allen tot Mij trekken.”

Blijf bij het kruis; dat is wat het meest aantrekt. Dit is de boom waarvan de bladeren zijn tot genezing der heidenen. Dit is de middelpuntszon van het Evangelie; haar licht zal de duisternis verdrijven, en niets anders kan dat. Israël trok nooit uit Egypte voordat het bloed van het lam op de bovendorpel en de beide zijposten van de huizen was gestreken: zij overwonnen door het bloed van het Lam. De wereld van verloste zondaren zal nooit bekeerd worden totdat wij het grootste van alle wonderen tevoorschijn brengen: het Paaslam, en het bloed dat door het geloof aan de deur is gestreken. Laten wij altijd de zaligheid door het stervende Lam verkondigen en de macht van de satan op haar grondvesten doen schudden.

3. Ik moet besluiten met deze laatste opmerking dat ZIJ ALLEN IN DEZELFDE GEEST STREDEN, want de tekst zegt: “Zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.”
Mijn broeders, wat betekent dit? Ik wilde dat wij het konden bereiken en met ons leven konden uitleggen. De uitdrukking wijst op onverschrokken moed. Zij waren nooit bang voor de leer van een bloedende Zaligmaker, en schaamden zich nooit om te roepen: “Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!” Laten wij ons nooit schamen voor onze hoop. Er wordt tegenwoordig zo gestreefd naar geleerde prediking, er is zo’n liefde voor woordenspel en het bedenken van theorieën. Maar laten wij dwazen zijn om Christus’ wil en vasthouden aan het oude Evangelie.

Laten wij in onze strijd geen andere banier hebben dan de koperen slang, hoog opgeheven, namelijk Jezus Christus, en Dien gekruisigd. Laten wij nooit wijken voor spot of hoon. Sommigen van ons zijn de echo van de puriteinen genoemd; ja, men heeft ons de eervolle titel “Ultimus Puritanorum”, de laatste van de puriteinen, gegeven. Het is goed; wij begeren geen hogere graad, want de oude theologie is ons zeer dierbaar. Wij spijkeren onze vlag aan de mast. Het verzoenende bloed is het eigenlijke leven, de ziel en de kern van onze bediening, en dat zal het blijven zolang wij leven.

Deze mannen hadden behalve onverschrokken moed ook onwankelbare trouw. “Zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.” Zij vonden het beter te sterven dan het geloof te verloochenen. Zij lieten zich niet verleiden of op een zijspoor brengen door steekpenningen en aanbiedingen van voordeel, en toen het leven zelf op de weegschaal werd gelegd, aarzelden zij niet: zij hielden vast aan het kruis. Broeders, ik wil dat u allen dit doet: dat u de moed hebt uw overtuiging over Christus openlijk te belijden, en dan ook de trouw om in boze tijden pal te staan.

Meer nog, zij waren volkomen in hun toewijding. “Zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.”
Zij gaven zich met lichaam, ziel en geest over aan de zaak waarvan het dierbare bloed het zinnebeeld is, en die toewijding bracht hen tot volkomen zelfopoffering. Geen christen van het ware soort rekent iets als zijn eigendom. Wie werkelijk de kracht van het bloed van Jezus kent, zegt met de apostel dat hij niet van zichzelf is, maar duur gekocht. Voor hem is leven of sterven, arm of rijk zijn, ziek of gezond zijn, eer of schande geen kwestie van eigen keuze. Hij is het eigendom van zijn Meester en heeft zich zonder voorbehoud overgegeven; hij heeft zijn leven niet liefgehad, zelfs tot de dood toe. Ik geloof dat dit de geest is waarin het Evangelie gepredikt moet worden.

Broeders, wij zullen het Evangelie nooit zo naar voren zien komen dat het de draak overwint, totdat wij het in deze geest naar voren brengen. Wanneer God onder ons mannen en vrouwen verwekt die alleen leven om de kracht van het bloed van Jezus Christus te bewijzen, en voor niets anders leven; die de Naam van de Zaligmaker uitroepen en met hun leven tonen wat dat bloed voor hen gedaan heeft, en die bereid zijn te sterven om hun Heere te verheerlijken, dan zullen de tijden komen waarin het overwinningslied gehoord wordt. Dan zal de barende vrouw haar loon ontvangen en dan zal de draak met eeuwige schande bedekt worden! Moge God u vanmorgen zegenen door u de kracht van het bloed te doen kennen, om Jezus’ wil.

Amen.

Preek nr. 1237 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 30 mei 1875, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 21. Oorspronkelijke titel: “How They Conquered the Dragon”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.