Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

De briesende leeuw

34 min. lezen

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 17 november 1861 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden; Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt. 1 Petrus 5:8-9

Satan, die in de Schrift verschillende namen draagt, die allemaal zijn slechte eigenschappen beschrijven, was eens een engel van God, misschien wel een van de voornaamsten onder de vurige geesten:

De eerste van de zonen van het licht,
tussen de stralenden dubbel stralend.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

De zonde, de allesvernietigende zonde, die van Eden een Akeldama heeft gemaakt, vond al snel in de hemel zelf bewoners voor de hel. Zij rukte een van de helderste morgensterren uit haar baan en doofde haar uit in de zwartste nacht.

Vanaf dat ogenblik heeft deze boze geest, die wanhoopt aan elk herstel van zijn vroegere heerlijkheid en geluk, eeuwige vijandschap gezworen tegen de God van de hemel. Hij heeft de brutaliteit gehad om de Schepper openlijk aan te vallen in al Zijn werken. Hij bevlekte de schepping. Hij trok de mens van de troon der heerlijkheid af en rolde hem in het slijk van de verdorvenheid. Met het spoor van de slang verwoestte hij al de schoonheid van Eden en liet er een wildernis van over, die doornen en distelen voortbrengt, een land dat bewerkt moet worden in het zweet van het aangezicht. Daarmee niet tevreden heeft satan, omdat hij de eerste schepping bedorven had, onophoudelijk geprobeerd om ook de tweede te verwoesten. De mens, eens gemaakt naar het beeld van God, heeft hij al snel te gronde gericht. Nu gebruikt hij al zijn listen, al zijn streken, al de kracht van zijn bekwaamheid en al het gif van zijn boosaardigheid om de tweemaal gemaakte mens, die geschapen is naar het beeld van Christus Jezus, ten val te brengen. Met onophoudelijke inspanning en onvermoeibaar geduld is hij er steeds op uit om het Zaad van de vrouw te vermorzelen. Er is geen gelovige in Christus, geen volgeling van al wat waarachtig, liefelijk en welluidend is, die niet op de een of andere tijd aangevallen zal worden door deze vuile vijand en de legioenen die in zijn dienst staan.

Zie hier dan uw tegenstander. Ja, ook al kunt u zijn gezicht niet zien of zijn gestalte niet ontdekken, geloof dat zo’n vijand tegen u opstaat. Het is geen mythe, geen droom en geen bijgelovige verbeelding. Hij is een even werkelijk wezen als wijzelf. Hoewel hij een geest is, heeft hij net zoveel werkelijke macht over harten als wij over de harten van anderen hebben, ja, in veel gevallen nog veel meer. Dit is, ik herhaal het, geen nachtelijk visioen, geen hersenschim van een verward brein. Die boze is vandaag nog even bitter werkelijk als toen Christus hem in een strijd op leven en dood ontmoette in de woestijn van de verzoeking.

Gelovigen moeten nu nog met Apollyon strijden in het Dal der Verootmoediging. Wee de belijders van de godsvrucht die door deze dodelijke tegenstander verslagen worden: zij zullen ontdekken dat hij een verschrikkelijke werkelijkheid is in de toekomende wereld. Tegen deze vorst van de duisternis laten wij vanmorgen opnieuw de waarschuwing van de apostel horen: “Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof.” Ik wil nu over vier zaken spreken.

1. Ten eerste over SATANS ONOPHOUDELIJKE ACTIVITEIT: “gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden.”

2. Ten tweede willen wij even stilstaan bij ZIJN VRESELIJK BRIESEN, en ten derde bij ZIJN UITEINDELIJKE DOEL, NAMELIJK GODS KINDEREN TE VERSLINDEN.

3. En ten slotte willen wij deze vermaning van Petrus ter harte nemen en zal ik laten zien HOE SATAN OVERWONNEN MOET WORDEN.

Ten eerste dan, SATANS VOORTDURENDE ACTIVITEIT.

Alleen God is alomtegenwoordig, dus satan kan maar op één plaats tegelijk zijn. Toch, wanneer u bedenkt hoeveel kwaad hij aanricht, zult u gemakkelijk inzien dat hij een ontzaglijke bedrijvigheid aan de dag moet leggen. Hij is hier, daar en overal. Hij verleidt ons hier en strooit dan weer zijn verzoekingen uit in de landen aan de andere kant van de wereld. Hij haast zich over de zee of spoedt zich over het land. Wij weten niet hoe hij zich voortbeweegt, maar uit zijn voortdurende aanwezigheid op alle plaatsen kunnen wij gemakkelijk afleiden dat hij met onvoorstelbare snelheid moet reizen. Bovendien heeft hij een leger van gevallen geesten, die met hem gevallen zijn. Deze grote draak trok met zijn staart het derde deel van de sterren van de hemel mee, en zij staan klaar om zijn wil uit te voeren en zijn bevelen te gehoorzamen. Misschien doen zij dat niet met dezelfde macht en kracht die hun grote leider als het ware van nature bezit, maar toch wel met iets van zijn geest, zijn boosaardigheid en zijn sluwheid. Denk eens even na hoe actief hij moet zijn! Wij weten dat hij op elke plaats te vinden is! Ga het meest gewijde heiligdom binnen en u zult hem daar vinden. Ga naar de beurs, waar de mensen samenkomen, en u zult daar tekenen van zijn aanwezigheid genoeg zien. Trek u terug in de rust van de familiekring en u zult al snel aan de ruzies en jaloezieën merken dat satan ook daar handenvol kwaad zaad heeft gestrooid. Zelfs in de diepe eenzaamheid van de grot van de kluizenaar zou u de afdruk van zijn gespleten hoef kunnen vinden.

Als u van Engeland naar Amerika vaart, vindt u hem daar te midden van het gekletter van de zwaarden. Als u terugkomt en door het machtige Russische rijk reist, vindt u hem daar in het hart van de tiran, en misschien ook in de vijandschap die in de harten van de onderdrukten wordt opgewekt. U kunt doordringen in de wildernis waar nog nooit de voet van een christenzendeling kwam, maar u zult ontdekken dat satan al tot diep in het binnenland is doorgedrongen en de ongeletterde barbaren heeft onderwezen. U kunt gaan waar de Naam van Jezus nog onbekend is, maar u zult zien dat satan daar heerschappij heeft. Hij is de overste van de macht der lucht. Waar levensadem wordt ingeademd, is de giftige damp van de verzoeking iets vertrouwds. Zij die in de woestijn wonen, buigen voor hem, de koningen van Seba en van Scheba bieden hem geschenken aan, ja, en de bewoners van de eilanden erkennen hem al te vaak als hun koning. Bedenk dan dat u hem, zoals hij op alle plaatsen te vinden is, ook vaak in al uw plichten bent tegengekomen. U hebt geprobeerd God te dienen in uw dagelijks werk, maar sterke verzoekingen en hevige ingevingen van het kwaad zijn u daar gevolgd. U bent van uw werk thuisgekomen, haast met een gebroken hart vanwege uw struikelingen. U bent in uw gezin gekomen en hebt geprobeerd uw Meester groot te maken in de huiselijke kring, maar misschien juist op het beste ogenblik, toen u op het punt leek het grootste werk te volbrengen, werd u onderuitgehaald. De zonde die u zo licht omringt, wierp u omver en satan juichte over uw val. Zelfs daar vond u hem.

U zei: “Ik ga naar bed,” maar toen u midden in de nacht lag te woelen, vond u hem daar weer. U stond op en zei: “Ik ga in mijn binnenkamer en sluit de deur,” maar wie van ons heeft die vuile vijand niet ook daar in een eenzame strijd ontmoet? Wanneer wij met de engel van God wilden worstelen, moesten wij strijden tegen de boze geest uit de hel. Kijk eens naar al uw plichten, christen. Ziet u er niet de sporen van de zonde op, en op sommige niet alleen sporen van zonde, maar ook sporen van satans aanwezigheid? Satan zit niet in alle zonde; wij zondigen ook uit onszelf. Wij moeten niet te veel op satans schouders leggen. De zonde groeit in ons hart zonder dat er gezaaid wordt, net zoals doornen en distels opschieten in braakliggende voren. Toch zijn er tijden geweest dat satan zelf aanwezig moet zijn geweest, en u hebt dat moeten weten en voelen.
Op sommige oude bakstenen uit Egypte en Babel heeft men de afdruk van een hondenpoot gevonden. Toen de steen gemaakt was en te drogen lag, is er een hond overheen gelopen die de afdruk van zijn poot erop heeft achtergelaten. Nu, duizenden jaren later, vinden wij bij het afbreken van de muur nog steeds die pootafdruk. Zo is het vaak met ons gegaan. Terwijl onze plichten nog week en vormbaar waren, voordat zij door de zon gebakken en gedroogd waren en klaar om in de praktijk gebruikt te worden, is die hellehond eroverheen gelopen en heeft hij zijn pootafdruk achtergelaten op het beste wat wij ooit gedaan hebben.

Als wij jaren later terugkijken, zien wij wat wij destijds misschien niet zagen: dat hij werkelijk het beste werk van onze meest gewillige handen heeft ontsierd en bevlekt. Ach, als ik bedenk hoe satan ons volgt op alle plaatsen en in alle plichten, zou ik soms haast op hem willen toepassen wat David zei toen hij sprak over de alomtegenwoordige God: “Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee; Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden. Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.” Maar God zij geloofd: als ik opklim naar de hemel, is satan daar niet. Daar kan ik hem ontkomen. Buiten het bereik van zijn gebrul zal mijn geest haar rust vinden in God.

Wij moeten ook opmerken hoe snel satan klaarstaat om zijn wrok tegen ons te koelen, in welke gemoedsgesteldheid wij ook verkeren. Wanneer wij terneergeslagen zijn, misschien doordat een lichamelijke ziekte ons heeft neergeworpen, wanneer onze levenskracht is weggeëbd en wij het gevoel hebben dat wij wegzinken, dan zal die oude lafaard satan ons zeker aanvallen. Uit ervaring heb ik altijd gemerkt dat hij sommigen van ons liever aanvalt wanneer wij zwak en terneergeslagen zijn dan op enig ander moment. O, wat heeft de verzoeking ons doen wankelen toen wij ziek waren!

Wij hebben gezegd: “Ach, als dit nu maar gekomen was toen ik gezond was, dan had ik het meteen met mijn schild kunnen opvangen. Ik zou er zelfs om gelachen en het in stukken gebroken hebben.” Maar satan maakt gebruik van onze droevige en zwakke gesteldheid, zodat zijn vurige pijlen des te beter doel treffen. Aan de andere kant, wanneer wij blij en triomfantelijk zijn en ongeveer zo gestemd zijn als David toen hij voor de ark danste, dan weet satan zijn strikken te zetten door ons tot overmoed te verleiden: “Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.” Of tot vleselijke zorgeloosheid: “Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust.” Of tot eigengerechtigheid: “Mijn eigen kracht en goedheid hebben mij verhoogd.”

Hij zal zelfs proberen onze vreugde te vergallen met de gal van kwade voorgevoelens. “Ach,” zegt hij, “dit is te mooi om waar te blijven. U zult spoedig neergeworpen worden en al die mooie veren van u zullen nog vertrapt worden als het slijk op de straten.” Hij weet heel goed hoe hij in elke gemoedsgesteldheid onze toestand dienstbaar kan maken aan zijn verslindende doeleinden. Hij zal u volgen, christen, wanneer uw ziel haast wanhoopt, en dan zal hij u in het oor fluisteren: “God heeft u verlaten en u overgegeven aan de wil van uw vijanden.” En hij zal uw weg naar boven volgen, alsof hij op de vleugels van een cherub meerijdt. Wanneer u het sterrenpad van de gemeenschap met God gaat, zal hij uw voetstappen volgen, zelfs tot op de top van de Tabor, en met u meeklimmen tot op de top van de Pisga. Op de tinne van de tempel zal hij u verzoeken en zeggen: “Werp uzelf naar beneden,” en op de hoogste bergtop zal hij u aanvallen met: “Buig u neer en aanbid mij.”

En ach, bedenk hoe goed hij alle gebeurtenissen van de voorzienigheid in ons nadeel weet te gebruiken. Hier komt Ezau, hongerig van de jacht, en daar staat een schotel linzenmoes klaar, zodat hij verleid wordt om zijn eerstgeboorterecht te verkopen. Hier is Noach, blij dat hij verlost is uit zijn lange opsluiting in de ark; hij is vrolijk, en daar staat de wijnbeker voor hem klaar, zodat hij drinken kan. Hier is Petrus, zijn geloof is klein, maar zijn overmoed is groot, en daar staat een dienstmaagd klaar om te zeggen: “Ook gij waart met Jezus den Nazarener.”

Daar is Judas, en daar liggen dertig zilverlingen in de hand van de priesters om hem te verleiden, ja, en daar is naderhand het touw om zich aan op te hangen. Er is geen gebrek aan middelen.
Als er een Jona is die liever naar Tarsis wil gaan dan naar Nineve, dan ligt daar een schip klaar om hem mee te nemen. Satan heeft zijn eigen voorzienigheden, alsof hij de voorzienigheid van God wil nabootsen. In elk geval weet hij hoe hij Gods voorzienigheid kan gebruiken voor zijn eigen doeleinden.
Een van de grootste genadeweldaden die God ons schenkt, is dat Hij niet toelaat dat onze neigingen en onze gelegenheden samenvallen. Hebt u niet weleens gemerkt dat wanneer u neiging tot een zonde had, er geen gelegenheid voor was, en dat u, toen de gelegenheid zich voordeed, er geen neiging meer toe had? Satans voornaamste doel met gelovigen is hun begeerten en zijn verzoekingen samen te brengen: hun zielen in een dorre, verschroeide toestand te brengen en dan de lucifer af te strijken en ze in brand te zetten. Hij is zo listig en sluw, met al de ervaring van zoveel eeuwen, dat de mens, die maar van gisteren is, nauwelijks tegen hem opgewassen kan zijn. Heeft hij de wijze man niet ten val gebracht, namelijk Salomo, wiens wijsheid uitnemender was dan die van alle mensenkinderen? Heeft hij de koninklijke prediker niet als een hulpeloos slachtoffer aan zijn voeten gelegd? Heeft hij de sterke man Simson niet neergeworpen, die duizend Filistijnen kon verslaan, maar het gevlei van Delila niet kon weerstaan? Heeft hij zelfs de man naar Gods hart niet ten val gebracht door een zeer droevige misstap?

Laten wij met droefheid bedenken dat wij nauwelijks een oprecht en volmaakt mens hebben ontmoet tegen wie satan zijn gal niet heeft uitgestort en over wie hij niet in zekere mate heeft getriomfeerd. Zo heb ik dan gesproken over satans vreselijke activiteit: dat hij ons naar alle plaatsen volgt en ons vergezelt, waar wij ook heengaan. Ik weet zeker dat geen christenhart hier dit als een kleinigheid beschouwt.
Natuurlijk zijn er sceptici. Er zijn mensen die niet willen geloven in het bestaan van deze boze geest. Al te vaak heb ik gemerkt dat iemand die geen duivel heeft, ook geen God heeft. Meestal gelooft iemand niet dat er een duivel is, omdat hij nooit zijn aanvallen ervaart en die waarschijnlijk ook nooit zal ervaren. De duivel neemt namelijk niet de moeite om zich bezig te houden met hen van wie hij zeker is. “O nee,” zegt hij, “laat hen maar met rust. Ik hoef hen niet te verzoeken.”

Maar dit zeg ik: wanneer iemand ooit satan ontmoet heeft, zoals John Bunyan beschrijft hoe Christen Apollyon ontmoette in het Dal der Verootmoediging, dan twijfelt hij niet meer aan het bestaan van een duivel. Toen ik in een vreselijk uur van strijd oog in oog stond met die aartsverleider, die vanbinnen met mij worstelde en vocht, kon ik net zo min aan zijn bestaan twijfelen als een soldaat die gehouwen, getekend en neergeworpen is, en die bloedend en uitgeput op de grond ligt, eraan kan twijfelen dat er een tegenstander geweest moet zijn die hem die wonden heeft toegebracht.
Ervaring zal voor een mens per slot van rekening het beste bewijs hiervan zijn. Wij kunnen niet verwachten dat zij die nooit de vreugden van de Heilige Geest hebben gekend, veel zullen weten van de aanvallen van de boze geest, noch dat zij die twijfelen of er een God is, ooit erg door de duivel gekweld zullen worden. “O,” zegt satan, “laat hen met rust, zij vallen vanzelf wel in de gracht. Het is niet nodig dat ik achter hen aan ga.”

Ik meen dat ik u de illustratie van de heer Beecher al eens verteld heb. Een zwarte knecht ging met zijn meester mee om wilde eenden te vangen. Een van de eenden was licht gewond, en de meester deed wanhopige pogingen om hem te pakken te krijgen. Maar de knecht merkte op dat zijn meester zich weinig moeite gaf voor een eend die dood was neergevallen, omdat hij die op elk moment kon oprapen. Zo is het ook met dode zielen: de duivel kan hen op elk moment oprapen. Het zijn de gewonde zielen, die nog wat leven in zich hebben, die hij bang is te verliezen. Zulke zielen zal hij zeker achtervolgen; hij zal altijd blijven proberen om hen veilig in zijn greep te krijgen.

2. En nu gaan wij ten tweede over naar SATANS BRIESEN.

De Verderver heeft veel manieren om kwaad te doen. Hier in de tekst wordt hij vergeleken met een briesende leeuw. In sommige Bijbelgedeelten wordt hij, zoals u weet, vergeleken met een vogelvanger. Een vogelvanger maakt geen geluid. Hij zou zijn doel volkomen voorbijschieten als hij de vogels liet schrikken. Zo stil mogelijk zet hij zijn lokmiddel uit, en met zoete tonen probeert hij zijn slachtoffer te bekoren totdat het in de val zit. Dat is heel iets anders dan de briesende leeuw uit de tekst. In een ander gedeelte wordt gezegd dat hij zich weet te veranderen in een engel des lichts. Dan onderwijst hij, aannemelijk en glad, valse leer en dwaling, en al die tijd lijkt het alsof hij een heilige ijver heeft voor de waarheid en een vurige liefde voor al wat fijn, liefelijk en welluidend is.
Daarvan zien wij in deze tijd voorbeelden genoeg: de duivel die zedelijkheid predikt. Soms pakt u een krant van de spotters en schorpioenen, waarvan de schrijvers alle ware godsdienst net zo haten als de duivel de deugd haat, en dan leest u een uiterst zalvend artikel over de onkiesheden van een of andere eerlijke prediker, of een zeer vrome klaagzang over de vermeende dwaasheden van een ernstige dienaar van het Woord. Laat de duivel de christenen nooit meer van huichelarij en schijnheiligheid beschuldigen; laat hij zijn antwoord vinden bij zijn eigen dierbare bondgenoten, die kunnen pleiten voor de heiligheid van plaatsen die zij verafschuwen en voor een plechtige ernst die zij verachten.
Van alle duivels is de duivelachtigste de vrome huichelaar die de zonde liefheeft en er toch tegen pleit om haar juist te bevorderen. In deze tekst is satan echter geen engel des lichts, maar een briesende leeuw.

Ik meen dat het Rutherford was die zei dat hij de duivel het liefst in deze gedaante zag. Ik herinner mij dat hij in een van zijn brieven God dankt dat Hij hem een brullende duivel had gegeven om mee af te rekenen. Welke bijzondere verzoeking wordt nu bedoeld met het beeld van een briesende leeuw? Wij herhalen het: het gaat niet om de sluipende gang van een rondzwervende leeuw die op zoek is naar zijn prooi en pas zal brullen wanneer hij op het punt staat toe te springen, maar om een leeuw die brult totdat het hele woud ervan schrikt en de heuvels die de vlakte omringen ervan beven.

Dit briesen van satan is drievoudig. Petrus doelde hier misschien op het brullen van de vervolging. Hoe brulde satan met vervolgingen in de dagen van Petrus! Hij brulde en brulde en brulde nog eens, totdat alleen nog dappere harten het waagden zich moedig voor Christus te tonen. Er waren de onderaardse gevangenissen vol kikkers, slangen en padden, waar nooit een zuchtje frisse lucht de walgelijke stank en de verpestende dampen verdreef. Er waren pijnbanken en galgen. Er was het zwaard om te onthoofden en de brandstapel om te verbranden. Er was het slepen achter wilde paarden. Men werd met pek ingesmeerd en dan levend in brand gestoken om te branden in de tuin van Nero. Er waren martelingen die niet beschreven mogen worden; alleen de afbeeldingen ervan zijn al genoeg om iemand bloed te laten huilen wanneer hij ernaar kijkt. Er wachtte de christen toen niets anders dan verbanning en gevangenschap, en dat waren nog de lichtste straffen. “Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde.” Dat was het brullen van de leeuw in de dagen van de goede Petrus. Wat heeft satan sindsdien vanuit zijn oude hol in Rome gebruld, als donderslagen voor iedereen, behalve voor hen die het verschil kenden tussen de nagebootste donder van de hel en de echte donder van de God van de hemel!

Laat Smithfield getuigen van het brullen van deze leeuw! Laten onze begraafplaatsen en kerkhoven, die nog steeds de herinnering aan onze talloze martelaren dragen, getuigen hoe de leeuw tegen ons gebruld heeft! En laat vooral onze eigen kerkgemeenschap, die zowel door protestanten als door roomsen vervolgd is en door goeden en kwaden over de aardbodem is opgejaagd, laten de duizenden die verdronken zijn in de rivieren van Holland en Duitsland, laten de menigten die daar op de gruwelijkste wijze gemarteld zijn, enkel omdat zij Gods heilige inzetting wilden bewaren en die niet naar de wil van paus of prelaat wilden ontheiligen, laten zij allen spreken en vertellen hoe satan in vroegere dagen heeft gebruld! Nu heeft hij nog niet de helft van het gebrul dat hij toen had! Wel, hij kan helemaal niets tegen ons doen! Zijn gebrul van tegenwoordig is als het blazen van een boze kat. Alles wat hij kan doen, is wrede bespotting gebruiken: zo nu en dan een boosaardige laster, een schimpscheut, een spotprent of een geestige zin. Wat stelt dat nu voor? O, als wij dat al niet kunnen verdragen, wat zouden wij dan gedaan hebben toen de leeuw nog echt als een leeuw brulde? Wel, wel, hij kan nog weer eens grommen voordat sommigen van ons van de aardbodem verdwenen zijn, want wij weten niet wat er nog gebeuren zal. Maar laat hem brullen. Wij weten, God zij geloofd, dat Hij Die voor ons is, meer is dan allen die tegen ons zijn.

Maar er is nog een andere soort van woedende aanval: het brullen van sterke en hevige verzoekingen. Sommigen van ons hebben dat ervaren. Weet u wat het is, christen (ik hoop van niet), weet u wat het is om soms vastgegrepen te worden door een of andere angstaanjagende verzoeking die u haat, waarvan u walgt en die u verafschuwt en verfoeit? En toch wordt de greep van die hand gesteund door een arm van zo’n vreselijke kracht dat hij u dwars tegen uw wil in meesleept. U kijkt naar de zonde, recht in het gezicht. U voelt dat u dit grote kwaad niet kunt doen en tegen God zondigen, en toch sleept de aandrang u sterk en streng, geheimzinnig en onweerstaanbaar mee, totdat u aan de rand van de afgrond staat en neerkijkt in de gapende kloof die u dreigt te verzwelgen. En op het laatste ogenblik wordt u door Gods genade, als op een haar na, verlost. Uw voet glijdt niet uit en u valt niet in de hand van de Verderver.

Toch hebt u reden gehad om te zeggen: “Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.” Weet u wat het is wanneer deze verzoeking terugkomt, telkens en telkens weer, totdat u er doodsangst van krijgt? U voelde dat u liever zou sterven dan zo voortdurend aangevallen te worden, want u vreesde dat u in een kwaad uur uw God zou verlaten en u naar het verderf zou keren.

U bent geweest als de goede meneer Standvastig in Bunyans Christenreis: toen hij door Madam Bubbel verleid werd, viel hij ten slotte op zijn knieën en smeekte hij God met zuchten en roepen om hem te verlossen. En Hij Die de zwakken te hulp komt, heeft Zijn knecht ten slotte verlost. Kent u dit? Dit is een van de manieren waarop satan tegen u brult. Hij duwt zijn verzoeking op u af, zoals de martelingen die men sommige van de eerste martelaren aandeed: men legde hen neer en goot vuil water in zulke enorme hoeveelheden in hun keel dat zij er ten slotte aan stierven. Hoewel zij van die vuile vloeistof walgden, bleven hun vijanden maar gieten en gieten.

Zo heeft satan het met ons gedaan. Hij giet zijn vuil in ons, propt ons vol met zijn slijk en dwingt ons zoveel hij kan om voor de verzoeking te bezwijken. Mijn bijzondere verzoeking is altijd een voortdurend ongeloof geweest. Ik weet dat Gods belofte waar is en dat Hij Die het gezegd heeft, het ook zal doen. Hij Die vanouds Zijn woord heeft vervuld, verandert niet en zal vast en getrouw zijn tot het einde toe. Toch valt deze verzoeking mij onophoudelijk aan: “Twijfel aan Hem. Wantrouw Hem. Hij zal u toch nog verlaten.” Ik kan u verzekeren dat het, wanneer die verzoeking nog versterkt wordt door een overspannen gemoedstoestand, heel moeilijk is om dag in dag uit staande te blijven en te zeggen: “Nee, ik kan niet aan mijn God twijfelen. Hij Die in vroegere dagen met mij was, is nog steeds met mij. Hij zal Zijn knecht niet verlaten en hem niet verstoten.”

Dat voortdurende aanvallen, dat voortdurende steken, snijden en hakken op iemands geloof is niet zo gemakkelijk te verdragen. O God, verlos ons, wij bidden U, en maak ons meer dan overwinnaars door de kracht van Uw Geest! Nog eens: satan heeft nog een andere manier van brullen. Ik veronderstel niet dat één op de tien van Gods kinderen hier iets van weet, en niemand hoeft het te wensen: satan kan in de oren van de christen ook brullen met godslasteringen. Ik doel nu niet op de kwade gedachten die opkomen in de geest van mensen die in hun kinderjaren en vroege jeugd diep in de zonde hebben geleefd. Ik weet dat u soms in uw gebed geplaagd wordt door een flard van een oud liedje dat u vroeger zong. En misschien komt juist wanneer u het meest vrij zou willen zijn van elke onheilige gedachte, een grove uitdrukking die u vroeger op uw oude plekken hoorde, telkens en telkens weer in uw herinnering terug. Ja, een psalmvers kan u zelfs iets onheiligs ingeven, of een Bijbeltekst kan oude herinneringen bovenhalen die u zo graag zou willen vergeten.

Maar nu doel ik meer in het bijzonder op die nog veel woestere aanvallen van satan, wanneer hij godslasterlijke gedachten ingeeft aan gelovigen die nooit eerder zulke gedachten hebben gehad. U weet hoe Bunyan het beschrijft: “De goede Christen moest door het dal van de schaduw des doods. Ongeveer in het midden van dit dal zag hij de mond van de hel, en juist toen hij tegenover de opening van de put was gekomen, kwam een van de bozen achter hem, sloop zachtjes naar hem toe en fluisterde hem vele ergerlijke godslasteringen in, waarvan hij werkelijk dacht dat ze uit zijn eigen hart voortkwamen. Dit benauwde Christen meer dan alles wat hij tot dan toe had meegemaakt: de gedachte dat hij nu Hem zou lasteren Die hij vroeger zo liefhad. Als hij het had kunnen verhinderen, zou hij het niet gedaan hebben. Maar hij had niet het verstand om zijn oren dicht te stoppen of te begrijpen waar die godslasteringen vandaan kwamen.”

Predikanten spreken zelden over deze zaken. Maar omdat ze sommigen van Gods kinderen kwellen, geloof ik dat het de plicht is van een getrouwe herder van de kudde om hen te helpen die door deze donkere en sombere toestand heen moeten gaan. O, wat een verschrikkingen en angsten heeft satan Gods kinderen soms bezorgd door gedachten die niet de hunne waren, maar van hemzelf of van een van zijn boze geesten kwamen! Eerst gaf hij hun de gedachte zo levendig in dat zij met David uitriepen: “Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.” En wanneer de gedachte dan een ogenblik door de ziel was geflitst, bracht hij een tweede beroering teweeg door te zeggen: “Ach, u bent geen kind van God, anders zou u niet zo’n verdorven natuur hebben.” Terwijl u die gedachte helemaal niet zelf had gedacht. Het was zijn ingeving, niet de uwe. En nadat hij zijn zonde aan uw deur had gelegd, is hij de verklager van de broeders geworden en heeft hij geprobeerd uw geloof van zijn hoogte neer te werpen door u te laten denken dat u de onvergeeflijke zonde had begaan.

Wanneer de duivel dan tegen u brult, met vervolging, met verzoeking of met duivelse ingevingen, gebruik dan de woorden van onze apostel hier: “Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.”

3. Nu kom ik bij mijn derde punt, en dat is SATANS UITEINDELIJKE DOEL: “zoekende, wien hij zou mogen verslinden.”

Niets minder dan de volkomen ondergang van een gelovige zal onze tegenstander ooit tevredenstellen. Niets minder dan de volmaaktheid en de volkomen zaligheid van een christen is de hartenwens van onze Zaligmaker. Hij zal de volle vrucht van de arbeid van Zijn ziel pas zien wanneer al Zijn kinderen volkomen behouden zijn. Voor satan geldt het omgekeerde. Hij zal nooit tevreden zijn totdat hij de gelovige volledig verslonden ziet. Hij zou hem in stukken scheuren, zijn beenderen breken en hem volkomen vernietigen als hij kon.

Denk daarom niet dat het satans hoofddoel is om u ellendig te maken. Daar is hij blij mee, maar dat is niet zijn uiteindelijke doel. Soms kan hij u zelfs blij maken, want hij heeft fijne giffen, zoet van smaak, die hij Gods kinderen toedient. Als hij merkt dat hij ons gemakkelijker te gronde kan richten met het zoete dan met het bittere, dan zal hij zeker de voorkeur geven aan wat zijn doel het beste dient. Toplady zei:

Meer vrees ik de verraderlijke stilte
dan de stormen die boven mij woeden.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

En in dezelfde geest zei een puriteinse godgeleerde van vroeger: “Geen verzoeking is zo moeilijk te dragen als helemaal niet verzocht te worden.” Inderdaad, met rust gelaten te worden is een zware verzoeking. Wanneer wij menen dat wij ons zwaard niet nodig hebben, beginnen wij het van onze zij los te gespen. Wij leggen onze wapenrusting stuk voor stuk af, en juist dan staan wij het meest bloot aan de aanval van onze vijanden. Satan zal ongetwijfeld blij genoeg zijn wanneer hij ziet dat uw geloof zwak is geworden, maar zijn doel is dat geloof te vernietigen, zodat u niet in God zult geloven tot behoudenis van uw ziel. Hij zal tevreden genoeg zijn als hij slijk in de ogen van uw hoop kan gooien, zodat u niet meer kunt uitzien naar het goede land aan de overkant van de Jordaan. Maar hij zal nooit voldaan zijn totdat hij die ogen helemaal heeft uitgestoken en u, net als Simson, wegstuurt om te malen in de molen.

Laat dit ons tot troost zijn: als het satans wens is dat wij volkomen te gronde gaan, dan zal hij op dat punt in elk geval zeker verslagen worden. Wanneer het gaat om de vraag wie de overwinning zal behalen, Christus, de eeuwige Zoon van God, of satan, de overste van de macht der lucht, dan hoeven wij niet te twijfelen wie zal zegevieren. De duivel is maar een schepsel, eindig van aard, en aan zijn kracht zijn grenzen gesteld. Als de strijd tussen satan en de mens ging, dan zou het inderdaad wee ons zijn! Wij zouden ons als mannen kunnen gedragen en sterk zijn, maar voor deze reus zou heel het leger van Israël moeten vluchten. Maar de strijd is niet van ons; hij is van de machtige God. Hij Die eens de kop van deze slang vermorzelde, voert nog steeds oorlog met hem. Ja, eerder zou Christus Zelf verslagen moeten worden, zou de heerlijkheid van Zijn kruis verduisterd moeten worden en Zijn arm gebroken, zou de kroon van de soevereiniteit van Zijn hoofd gerukt moeten worden en Zijn troon onder Hem moeten wankelen, voordat één van hen voor wie Hij stierf en op wie Hij Zijn liefde heeft gezet, ooit verstoten of aan de macht van Zijn tegenstander overgegeven zou worden.

Hierin dan, beproefde gelovige, mag u zich verblijden: satan kan u kwellen, maar hij kan u niet verscheuren. Hij kan verwonden, maar hij kan niet doden. Hij kan zijn voet op u zetten om een volledig einde aan u te maken, maar u zult weer opstaan met nieuwe kracht en zeggen: “Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn.”

Met het vierde punt komen wij nu tot een slot. WAT MOETEN WIJ DOEN OPDAT WIJ DEZE TEGENSTANDER MOGEN OVERWINNEN? “Vast zijnde in het geloof.” Dit is ons eerste middel tot verdediging. Wanneer satan ons als een engel des lichts aanvalt, hoeven wij niet zozeer weerstand te bieden door een openlijke strijd als wel door te vluchten. Er zijn verzoekingen die alleen overwonnen kunnen worden door ervoor weg te rennen, maar wanneer satan brult, moeten wij de strijdkreet aanheffen. Dan wegrennen zou lafheid zijn en zou zeker tot uw ondergang leiden. Stel nu dat satan brult met vervolging (en het is maar een zwak gebrul dat hij op die manier nu nog kan voortbrengen), of stel dat u belasterd, beschimpt en mishandeld wordt: geeft u dan toe? Dan bent u verloren. Of zegt u: “Nee, nooit! Bij Hem Die mij tot dit werk geroepen heeft, zal ik deze strijd uitvechten, en in de Naam van Hem Die tot nu toe mijn Helper is geweest, richt ik de banier op en roep ik: Jehova-Nissi! De Heere der heerscharen is onze Banier, de God van Jakob is onze Toevlucht.”

Dan hebt u er goed aan gedaan, u hebt weerstand geboden en u zult de overwinning behalen. Heeft hij u aangevallen met een of andere verzoeking die uw geest tegenstaat? Geef één centimeter toe en u bent verloren. Maar word juist waakzamer en let nog beter op uzelf wat die bijzondere zonde betreft, dan zal uw weerstand zeker tot overwinning leiden. Of heeft hij u godslasteringen ingegeven? Weersta hem. Bid meer, telkens wanneer hij actiever is. Hij zal het snel opgeven wanneer hij merkt dat zijn aanvallen u naar Christus drijven. Vaak is satan niets anders geweest dan een grote zwarte hond die de schapen van Christus dichter naar de Meester dreef. Vaak is hij als een geweldige schuimende golf geweest, die de arme schipbreukeling juist op de Rots tilde, waar hij zich uit pure angst nog steviger aan vastklemde. Als hij u zo aanvalt, sla hem dan met zijn eigen wapens door zelfs zijn verzoekingen ten goede te gebruiken, en hij zal die manier van oorlogvoeren snel opgeven en voor een andere verruilen.

Weersta hem. Maar hoe weerstaan wij hem? “Vast zijnde in het geloof.” Probeer een heldere kennis van de leer van het Evangelie te krijgen en houd die dan stevig vast. Wees bereid liever te sterven dan ook maar een deeltje van Gods geopenbaarde waarheid op te geven. Dat zal u sterk maken. Houd u dan vast aan de beloften van God, die ja en amen zijn in Christus Jezus. Wees gereed voor elke aanval van satan die begint met: “Staat er geschreven?”

Antwoord satan met: “Zo zegt de Heere.” “Vast zijnde in het geloof.” Bedenk dat al het water aan de buitenkant van een schip het niet kan laten zinken; het is het water binnenin dat zijn veiligheid in gevaar brengt. Als uw geloof dus zijn houvast kan bewaren en u nog kunt zeggen: “Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?”, dan mag satan op uw schild slaan, maar uw vlees heeft hij niet verwond:

Te midden van verzoekingen, scherp en langdurig,
vlucht mijn ziel naar deze dierbare Toevlucht.
De hoop is mijn anker, vast en sterk,
terwijl de stormen waaien en de golven rijzen.
Het Evangelie houdt mijn geest staande;
een getrouwe en onveranderlijke God
legt het fundament voor mijn hoop
in eden, beloften en bloed.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

De strijd mag lang duren, maar de overwinning is volstrekt zeker. O arme ziel, blijf maar dicht bij het kruis en u bent veilig. Sla uw armen om de stervende Zaligmaker. Laat de druppels van Zijn bloed op uw zonden vallen, en zelfs als u Hem niet kunt zien, geloof Hem toch. Zeg toch: “Ik weet dat Hij in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken, van wie ik de voornaamste ben, en ik zal mij vastklemmen aan de Zaligmaker van zondaren als mijn enige hoop en vertrouwen.” Laat satan dan maar brullen, hij kan u geen kwaad doen. Laat hem tekeergaan, zijn woede is tevergeefs. Hij kan hooguit zijn tanden laten zien, want bijten kan hij zeker niet. “Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof.”

Maar er is nog een woord tot onze troost aan toegevoegd: “wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” John Bunyan schetst dit goed in het beeld waarnaar ik al verwezen heb, het dal van de schaduw des doods. “Toen Christen over het buitengewoon smalle pad ging, met aan de ene kant een diepe sloot en aan de andere kant een gevaarlijk moeras, bleef hij staan en dacht er half over om terug te gaan. Maar toen bedacht hij weer dat hij misschien al halverwege het dal was, en dus besloot hij door te gaan. En terwijl hij daarover nadacht en peinsde, hoorde hij de stem van een man die voor hem uit ging en zei: ‘Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij.’ Toen werd hij blij, en wel om deze redenen. Hij leidde daaruit af dat ook anderen die God vreesden in dit dal waren, net als hij, en dat God met hen was, al merkten zij Hem niet op. Ook hoopte hij spoedig gezelschap te krijgen. Dus ging hij verder en riep naar hem die voor hem uit ging, maar die wist niet wat hij moest antwoorden, omdat ook hij meende dat hij helemaal alleen was.”

Hier beschrijft de eerlijke Bunyan onze ervaring naar het leven. Het is heel goed mogelijk dat sommigen van u, terwijl ik vanmorgen spreek, zullen zeggen: “Ik dacht niet dat iemand zich ooit zo voelde als ik.” En hoewel ik u deze dingen vertel en weet dat velen van u satan hebben horen brullen, moet ik bekennen dat ik dikwijls in mijn eigen hart gezegd heb: “Ik geloof niet dat iemand anders vóór mij ooit zo’n verzoeking heeft gehad.” Wel, deze tekst weerlegt die veronderstelling: “dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.” Maarten Luther zei vaak dat naast de Heilige Schrift de verzoeking de beste leermeester voor een predikant was. De verdrukking plaatste hij daarna, maar de verzoeking hield hij voorop.

Wanneer wij zelf verzocht en beproefd zijn, weten wij hoe wij anderen moeten bijstaan. Ik geef toe dat het zwaar is wanneer u de overtuiging hebt dat u op een gevaarlijke plaats staat waar nog nooit iemand heeft gestaan, en verzocht wordt zoals nog nooit iemand vóór u verzocht werd. Kom, gelovige, laten wij hier even samen over spreken. Uw Heere is daar zeker al eerder geweest, want Hij is in alle dingen verzocht geweest, net als u.

De Schrift zegt dat al uw broeders deel hebben gehad aan uw beproevingen. Let er nu op: zij leden zoals u lijdt; u heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke. Zoals zij veilig en ongedeerd door de verzoeking heen kwamen, zo zult u er ook doorheen komen. Zoals zij getuigden dat hun lichte verdrukking hun een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid werkte, zo zal dat ook uw getuigenis zijn. Zoals zij overwonnen hebben en nu rondom de troon van God staan, bekleed met reine witte klederen, zo zult u dat ook. En zoals hun verzoekingen geen tranen op hun gezicht hebben achtergelaten, geen vlekken op hun klederen en geen scheur in hun koninklijke mantels, zo zal satan ook u niet kunnen schenden of verminken. U zult uit elke beproeving en uit elke worsteling komen zonder iets te verliezen, behalve wat u maar beter kwijt kunt zijn: uw schuim en uw tin, uw kaf en uw zemelen.

U zult uit de diepe wateren opkomen, gewassen, gereinigd en gelouterd. God geve dat het zo met u zal gaan, maar dat kan alleen wanneer u satan weerstaat, vast zijnde in het geloof. En nu spreek ik sommigen hier vanmorgen aan die door dit gebod niet bereikt worden, omdat zij geen geloof hebben om vast in te staan. Als u wist hoe gezegend het is om een christen te zijn, zou u uw ogen uit uw hoofd huilen omdat u zelf nog geen christen bent. “O,” zegt u, “maar u hebt ons zojuist de verzoekingen van satan beschreven.” Juist, dat heb ik, maar het is een gezegende zaak om een christen te zijn, zelfs in zijn allerslechtste toestand. Wanneer ik soms naar de platen kijk die kunstenaars getekend hebben bij de Christenreis, en ik de arme Christen tot aan zijn nek in de modder zag, dacht ik dat ik nog liever Christen in de Poel der Mismoedigheid zou zijn dan Plooibaar op het droge land aan de overkant. Ik zou nog liever Christen zijn toen de draak al zijn pijlen op hem afschoot, ook al glimlachte hij die hele dag niet één keer. Ja, ik zou toen liever Christen zijn geweest dan Formalist of Huichelaar, die over de muur klommen om langs een andere weg te gaan. Het is goed om een christen te zijn, zelfs in zijn slechtste toestand; hoe moet het dan wel niet zijn in zijn beste?

Jonge mannen en vrouwen, als iemand van uw eigen leeftijd getuig ik dat het volgen van Christus het meest gezegende en heerlijke is wat er bestaat, zelfs in deze tegenwoordige boze wereld:

Ik zou mijn gezegende staat niet ruilen
voor alles wat de wereld goed of groot noemt;
en zolang mijn geloof zijn houvast bewaart,
benijd ik de zondaar zijn goud niet.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Maar wie ben ik dat ik dit zou zeggen? Niets anders dan een arme, ellendige zondaar, die alles van Christus verwacht. Met niets in mijn hand klem ik mij eenvoudig vast aan Zijn kruis. In dit opzicht ben ik geen centimeter verder dan twaalf jaar geleden. Toen was mijn roep: “Niemand dan Jezus, niemand dan Jezus,” en dat is ook nu mijn roep, en het zal mijn roep zijn tot het einde toe. En wat bent u vandaag anders dan een verloren, schuldige zondaar? Maar wanhoop niet. Vertrouw op Jezus! Vertrouw op Jezus, en de vreugden en voorrechten van de christen zijn de uwe. Werp uzelf op Hem, nu, op dit ogenblik! Zie op Zijn doodsangst en Zijn bloedig zweet, Zijn kruis, Zijn lijden, Zijn dood, Zijn begrafenis, Zijn opstanding en Zijn hemelvaart, en u zult een balsem vinden voor elke vrees en een hartversterking voor elke nood. Alles wat u nodig hebt en alles wat uw hart ooit kan begeren, is zeker te vinden in Christus Jezus, uw Heere. Moge God ons geven deel te hebben aan de genade die in Zijn hooggeloofde Naam is, opdat wij niet verdorven worden door de Verderver!

Amen.

Preek nr. 419 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 17 november 1861, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 7. Oorspronkelijke titel: “The Roaring Lion”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.