Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

Geestelijk aren lezen

26 min. lezen

Beluister deze preek

Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.

Een preek uitgesproken op een herfstavond in het jaar 1856 door C. H. Spurgeon in de New Park Street Chapel te Southwark.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet. Ruth 2:15

Onze gemeenteleden die op het platteland wonen, zijn de laatste tijd druk bezig geweest met de oogst, en de meesten van hen weten wat ‘aren lezen’ is. Misschien zijn ze niet allemaal zo wijs dat ze ook de hemelse kunst van het geestelijk aren lezen verstaan. Dat is het onderwerp dat ik bij deze gelegenheid voor onze overdenking heb gekozen. Het trok mijn aandacht toen ik door het land reed. Omdat ik de wisseling van de jaargetijden graag gebruik tot stichting, wil ik u enkele eenvoudige opmerkingen geven over het geestelijk aren lezen.

In de eerste plaats zullen we zien dat er een grote Landman is. In dit geval was dat Boaz; in het andere geval is onze hemelse Vader de Landman.

Ten tweede letten we op een nederige arenlezer. In dit geval was dat Ruth. Zij beeldt elke gelovige uit; althans, zo zullen wij het onderwerp bezien.

Ten derde wordt hier een zeer genadige toestemming gegeven: ‘Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet.’

1. De grote Landman, God.

De God van de hele aarde is een grote Landman. Eigenlijk hangt alle landbouw van Hem af. De mens kan de grond ploegen en het zaad zaaien, maar alleen God geeft de wasdom. Hij is het Die de wolken en de zonneschijn zendt, en Hij bestuurt de wind en de regen. Zo brengt Hij langs allerlei wegen in de natuur het voedsel voor de mens voort. Maar al het landwerk dat God doet, doet Hij ten bate van anderen en nooit voor Zichzelf. Hij heeft niets nodig van wat voor ons zo onmisbaar is. Weet u nog hoe Hij eertijds tot Israël sprak? ‘Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien; Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen. Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij. Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.’ (Psalm 50:9-12)

Alles is van God, en al wat Hij in de schepping doet, alle werken van Zijn voorzienigheid, doet Hij niet voor Zichzelf, maar voor Zijn schepselen, uit de goedgunstigheid van Zijn liefdevolle hart. Ook in geestelijke zaken is God een grote Landman, en ook daar doet Hij al Zijn werken voor Zijn volk, opdat het gevoed en verzadigd wordt als met smeer en vettigheid. Sta mij dan toe u te wijzen op de grote velden van het Evangelie, die onze hemelse Vader bebouwt tot welzijn van Zijn kinderen. Er is een grote verscheidenheid aan velden, maar ze liggen allemaal op goede grond, want de woorden van Mozes gelden voor het geestelijke Israël: ‘En Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.’ (Deuteronomium 33:28) God heeft als de grote geestelijke Landman veel velden. Ze zijn allemaal vruchtbaar, en er valt altijd een overvloedige oogst in te halen.

Eén veld heet het ‘leerstukveld’. O, wat een grote schoven gezegend koren zijn daar te vinden! Wie daar alleen maar aren leest, vindt er al heel veel geestelijk voedsel. Daar staat de grote schoof van de verkiezing, vol zware korenaren, zoals Farao ze in zijn eerste droom zag: ‘vet en goed’. Daar staat de grote schoof van de bewaring, waarin ons beloofd wordt dat God het werk dat Hij begonnen is, zeker zal voltooien. En als ons geloof te klein is om van een van deze schoven te nemen, dan is er nog de gezegendste schoof van alle; ja, het zijn vele schoven in één: de schoof van de verlossing door het bloed van Christus. Menige arme ziel die zich niet kon voeden met de verkiezende liefde, heeft verzadiging gevonden in het bloed van Jezus. Hij kon neerzitten en zich erin verblijden dat de verlossing volbracht is en dat er voor iedere boetvaardige ziel een grote verzoening is aangebracht, waardoor hij met God verzoend is.

Ik kan niet blijven stilstaan bij alle schoven in het ‘leerstukveld’. Sommigen zeggen dat er maar vijf zijn. Ik geloof dat de vijf grote leerstukken van het calvinisme in zekere zin een samenvatting van de rest zijn. Het zijn de kenmerkende punten waarin wij verschillen van hen die ‘zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken’ (1 Timotheüs 6:10).

Maar er zijn nog veel meer leerstukken naast deze vijf, en ze zijn allemaal even kostbaar en even waardevol voor de ziel van de ware gelovige, want hij kan zich er naar hartenlust aan voeden. Ik vraag me af waarom sommige van onze predikanten zo nauwgezet de poort van dit ‘leerstukveld’ op slot houden. Ze willen niet dat Gods volk erin komt. Ik denk dat ze bang zijn dat Jeschurun vet zou worden en achteruit zou slaan als hij te veel voedsel kreeg (Deuteronomium 32:15). Dat is tenminste wat ik uit welwillendheid maar moet aannemen.

Ik vrees dat velen lijken op een grote korenopkoper: ze kopen de leer van de verkiezing op, maar houden die voor zichzelf. Ze geloven dat ze waar is, maar prediken haar nooit. Ze zeggen dat alle onderscheidende leerstukken van de genade waar zijn, maar ze verkondigen ze nooit aan anderen. Er zijn Particular Baptists die even gezond in de leer zijn als wie van ons ook, maar helaas laten ze daar nooit iets van horen. Al zijn ze in hun eentje nog zo gezond, op de kansel zijn ze ongezond, want daar prediken ze de leer nooit. Ik zeg: zet de poort wijd open en kom binnen, u allen, kinderen van God! Ik weet zeker dat er geen giftig onkruid op het veld van mijn Meester groeit. Als een leerstuk waar is, kan het een kind van God geen kwaad doen. En omdat het de waarheid van God is, mag u zich eraan te goed doen tot uw ziel verzadigd is; het zal u geen schade doen.

Ik herhaal wat ik al eerder heb gezegd over het idee van terughoudendheid in de prediking, waarbij men sommige leerstukken achterhoudt omdat ze niet geschikt zouden zijn om te prediken: het is een uiterst verfoeilijke onbeschaamdheid van de mens om te zeggen dat iets wat God heeft geopenbaard, niet geschikt is om gepredikt te worden. Als het niet geschikt was om gepredikt te worden, zou de Almachtige het ons zeker nooit hebben geopenbaard. Nee, deze predikers die de goede, gezonde leer niet verkondigen, vrezen voor de hoogte, zoals Salomo dat van de oude man beschrijft (Prediker 12:5). Het is een teken van hun aftakeling dat ze bang zijn over deze grote zaken te spreken. God was niet bang om ze op te schrijven, en daarom moeten wij niet bang zijn om ze te prediken. Het ‘leerstukveld’ is een heerlijk veld. Geliefden, ga er vaak in om aren te lezen; u kunt er elke dag menige efa van de fijnste tarwe vinden.

Vervolgens heeft God een veld dat het ‘belofteveld’ heet. Daar hoef ik niet lang bij stil te staan, want velen van u zijn er vaak geweest. Maar laten we een paar aren uit een van de schoven nemen en ze u laten zien, zodat u zin krijgt om zelf het veld in te gaan en er meer voor uzelf te lezen. Hier is er één: ‘Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.’ (Jesaja 54:10) Dat is nog eens een zware aar! Nu nog een: ‘Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.’ (Jesaja 43:2) Hier is er nog een; hij heeft een korte halm, maar er zit veel koren in: ‘Mijn genade is u genoeg.’ (2 Korinthe 12:9) En nog een: ‘Vrees niet, want Ik ben met u.’ (Jesaja 41:10; 43:5) En weer een andere: ‘Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.’ (Johannes 14:1-3)

Hier hebt u de belofte van Christus’ heerlijke wederkomst. Is dat geen zware korenaar die de kinderen van de Heere mogen oprapen? Ja, geliefden, van het belofteveld kunnen we zeggen wat van geen enkele akker van een boer in Engeland gezegd kan worden: het is zo rijk dat het niet rijker kan. Er staan zoveel korenaren in dat er geen enkele meer bij kan. Zoals de dichter zingt:

‘Hoe vast is het fundament, heiligen van de Heere,
dat voor uw geloof gelegd is in Zijn voortreffelijk Woord!
Wat kan Hij meer zeggen dan Hij u al heeft gezegd,
u die bij Jezus uw toevlucht hebt gezocht?’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Ga in dat veld aren lezen, christen! Het is helemaal van u, elke aar ervan. Trek gerust grote handenvol uit de schoven, want u bent van harte welkom bij alles wat u kunt vinden.

Dan is er het ‘inzettingenveld’. Er groeit veel koren op dat veld. Een deel ervan herinnert ons aan de inzetting van de doop van gelovigen. Waarlijk, Gods kinderen hebben er veel baat bij, zelfs als zij de doop van anderen alleen maar zien! Het vertroost en bemoedigt hen, en het helpt hen hun eigen gelofte van toewijding aan de Heere, de Allerhoogste, te vernieuwen. Maar ik mag u niet lang in dit veld ophouden, hoewel het voor velen van ons een geheiligde plek is. Sommige van mijn vrienden komen nooit in dit veld, omdat de grond hun te vochtig is. Hoewel het koren er heel mooi is en hoog staat, durven ze er niet heen.

Laten we dit deel van het veld verlaten en doorgaan naar de plaats van het Avondmaal. O, het is zoet, goddelijk zoet, om aan de tafel van onze Heere te zitten en het brood te eten en de wijn te drinken! Wat een rijke lekkernijen worden daar voor ons klaargezet! Heeft Jezus ons daar niet vaak ‘de kussen Zijns monds’ gegeven? En hebben we daar niet Zijn liefde gesmaakt en ondervonden dat die ‘beter dan wijn’ is? Geliefden, ga naar het ‘inzettingenveld’! Wandel onberispelijk in de inzettingen van de Heere en veracht geen van beide. Onderhoud Zijn geboden, want zo zult u een groot loon vinden, en zo zal Hij uw zielen verzadigen als met smeer en vettigheid.

Maar God heeft op een heuvel nog een veld dat net zo rijk is als alle andere! Eigenlijk kunt u geen van de andere velden werkelijk betreden zonder door dit veld te gaan, want de weg naar de andere velden loopt erdoorheen. Het heet het veld van de gemeenschap en de omgang met Christus. Ach, dat is het veld om in te lezen! Sommigen van u zijn er alleen maar doorheen gerend; u bent er niet blijven staan. Maar wie weet hoe hij erin moet blijven en erin moet rondwandelen, verliest nooit iets en wint veel. Geliefden, alleen naar de mate waarin we gemeenschap hebben met Christus en met Hem omgaan, kunnen inzettingen, leerstukken of beloften ons tot nut zijn. Al het andere is droog en dor, tenzij we zijn ingegaan in de liefde van Christus, tenzij we onze vereniging met Hem hebben ervaren, tenzij ons hart meeleeft met het Zijne, tenzij we Zijn beeld dragen, tenzij we voortdurend bij Hem wonen, Zijn liefde voelen en verrukt zijn door Zijn verlustigingen.

Het spijt me te moeten zeggen dat weinig christenen zoveel aan dit veld denken als ze zouden moeten. Het is hun genoeg om gezond in de leer te zijn en redelijk juist te leven; aan de gemeenschap met Christus denken ze niet zoveel als ze zouden moeten. Ik weet zeker dat er niet half zoveel boze buien zouden zijn als nu, niet half zoveel trots en nog geen tiende van de traagheid, als onze broeders en zusters vaker naar dat veld gingen! O, het is een gezegend veld; er is geen veld dat ermee te vergelijken is! U mag erin gaan en u verlustigen in zijn heerlijkheden, want het is vol van al het goede dat het hart kan wensen, de ziel zich kan voorstellen of het verstand kan bevatten. Gezegend, gezegend is dat veld! En God laat de poorten van dat veld wijd openstaan voor elke gelovige.

Kinderen van God, ga al deze velden in. Veracht er niet één van, maar ga in alle velden aren lezen, want nergens in de hele schepping valt rijker te lezen!

  1. Een nederige arenlezer

In de tweede plaats moeten we nadenken en spreken over een nederige arenlezer. Ruth las aren, en zij kan dienen als voorbeeld van wat elke gelovige in de velden van God behoort te zijn.

Hij moet een arenlezer zijn, en hij mag een hele schoof mee naar huis nemen als hij dat wil. Hij mag meer zijn dan een arenlezer als hij dat kan, maar ik gebruik het beeld van een arenlezer omdat ik geloof dat een christen nooit meer is dan dat. Sommigen vragen misschien: ‘Waarom gaat de christen niet het hele veld maaien en neemt hij niet al het koren mee naar huis?’ Dat mag hij, als hij het kan. Als hij een hele schoof op zijn rug wil nemen en daarmee naar huis wil gaan, mag hij dat doen. En als hij met een grote wagen komt en alles meeneemt wat er op het veld staat, mag hij het allemaal hebben! Maar meestal is ons geloof zo klein dat we alleen maar aren kunnen lezen; we nemen maar weinig mee van de zegen die God zo overvloedig heeft bereid.

Soms neemt en geniet het geloof wel veel, maar vergeleken met wat er te genieten valt, is een arenlezer het ware beeld van het geloof, en vooral van het kleine geloof. Het enige wat het kan, is aren lezen. Het kan de tarwe niet met de kar naar huis rijden of een schoof op de schouders dragen; het kan haar alleen aar voor aar oprapen.

Verder merk ik op dat de arenlezer bij haar werk veel zwoegen en vermoeidheid moet verduren. Ze staat ’s morgens vroeg op en sjokt naar een veld. Is dat veld gesloten, dan sjokt ze naar een ander. En is dat ook dicht, of is al het koren er al opgelezen, dan gaat ze naar weer een ander. De hele dag door, terwijl de zon op haar brandt, blijft ze bukken en haar korenaren verzamelen; alleen gaat ze soms even onder een boom zitten om wat uit te rusten en op adem te komen. Ze gaat pas bij het vallen van de avond naar huis, want als het veld goed is, wil ze overdag alles oprapen wat ze kan. Ze gaat liever niet terug voordat haar armen vol zijn met het rijke koren dat ze zo graag wil vinden.

Geliefden, laat het zo zijn met elke gelovige! Laat hij niet bang zijn voor wat vermoeidheid in de dienst van zijn Meester. Als er goed te lezen valt, zal de geestelijke arenlezer de vermoeidheid bij het verzamelen niet erg vinden. De een zegt: ‘Ik loop elke zondag acht kilometer naar de kerk.’ Een ander zegt: ‘Ik loop tien of twaalf kilometer.’ Heel goed! Als het om het Evangelie gaat, is het niet alleen tien of twaalf kilometer lopen waard, maar honderd of honderdtwintig, want het zal u rijk lonen! De arenlezer moet op wat inspanning en moeite rekenen. Hij moet niet verwachten dat alles hem heel gemakkelijk toevalt. We moeten niet denken dat het altijd het veld naast ons huis is waar we aren moeten lezen; het kan ook een veld zijn aan het verste eind van het dorp! Laten we er dan naartoe sjokken, zodat we onze handen en armen vol krijgen.

Maar verder merk ik op dat de arenlezer moet bukken voor elke aar die ze krijgt. Hoe komt het dat trotse mensen geen baat hebben bij het Woord van God? Hoe komt het dat voorname mensen bij zoveel predikers van het Evangelie niets goeds kunnen opdoen? Wel, omdat ze willen dat de predikers het koren voor hen oprapen!

Bovendien houden veel predikers het zo hoog boven hun hoofd dat de mensen het nauwelijks kunnen zien. Ze zeggen: ‘Hier is iets wonderlijks’, en men bewondert de knapheid van de man die het omhooghoudt! Ik strooi het koren liever zoveel mogelijk op de grond. Ik ben niet van plan het zo hoog te houden dat u er niet bij kunt. Een van de redenen is dat ik het niet kan: ik heb niet de gave om het zo hoog te houden dat u het niet kunt zien. Mijn bekwaamheid reikt niet verder dan het koren op de grond te werpen, zodat de mensen het kunnen oprapen. En als het op de grond ligt, kan iedereen erbij. Als we alleen voor de rijken preken, kunnen zij het begrijpen, maar de armen niet. Maar als we voor de armen preken, kunnen de rijken het ook begrijpen, als ze willen. En willen ze niet, dan kunnen ze ergens anders heen gaan.

Ik geloof dat de echte arenlezers, zij die werkelijk geestelijk voedsel krijgen, moeten bukken om het op te rapen. En ik zou graag bukken om het Evangelie te kennen en te verstaan! Het is de moeite waard om waar dan ook heen te gaan om het Evangelie te horen. Maar tegenwoordig moeten de mensen mooie torenspitsen op hun kerkgebouwen hebben en prachtige toga’s voor hun predikanten, en die moeten bovendien zeer welsprekend preken. Maar zo heeft de Heere het niet ingesteld. Hij wilde dat er een onopgesmukte, eenvoudige en getrouwe prediking zou zijn. Door de dwaasheid van zulk een prediking zal Hij zalig maken die geloven. Geliefde vrienden, onthoud dat arenlezers die iets willen krijgen, moeten verwachten dat ze moeten bukken.

Merk verder op dat een arenlezer wat ze verzamelt, aar voor aar bijeenbrengt. Soms krijgt ze wel een handvol, maar dat is de uitzondering en niet de regel. Bij Ruth liet men met opzet handenvol voor haar vallen, maar gewoonlijk leest men aar voor aar. De arenlezer bukt en raapt eerst één aar op, dan nog een, en dan weer een: telkens maar één aar tegelijk. Nu, geliefden, waar handenvol tegelijk te krijgen zijn, daar moet u heen om te lezen! Maar als u geen handenvol kunt krijgen, ga dan en verzamel aar voor aar.

Ik heb gehoord van mensen die gewoonlijk onder het gehoor zitten van een geliefde predikant in Londen. Als ze aan zee verblijven, zeggen ze: ‘Na hem kunnen we niemand anders meer horen. We gaan hier niet meer naar de kerk.’ Dus blijven ze de hele zondag thuis; ze vergeten, denk ik, het woord: ‘En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben.’ Een handvol kunnen ze niet krijgen, en daarom willen ze ook geen aar oprapen. Zo lijden de arme mensen honger, en ze zijn blij als ze weer thuis zijn! Ze hadden moeten gaan, al konden ze maar één aar krijgen, en het is een armzalige predikant die hun zelfs dat niet kan geven! Ook als ze maar één aar kregen, zou dat de moeite waard zijn. Al zijn het maar zes woorden van God: als we erover nadenken, doen ze ons goed. Laten we dan tevreden zijn om aar voor aar te lezen. Laten we een hele schoof meenemen als we dat kunnen, maar kunnen we dat niet, laten we dan het goede koren aar voor aar verzamelen.

‘O,’ zegt een vriend, ‘sommige predikanten kan ik helemaal niet aanhoren! Ze preken zo’n mengelmoes van waarheid en dwaling.’ Ik weet dat ze dat doen, maar het zou vreemd zijn als u zelfs bij hen niet een of twee korenaren kon vinden! Er is veel stro, en dat hoeft u niet mee te nemen. Maar het zou opmerkelijk zijn als u er niet een of twee goede aren kon oprapen.

U zegt: ‘De dwaling die die man preekt, verontrust mijn geest.’ Ongetwijfeld, maar het beste is de onwaarheid te laten liggen en de gezonde waarheid eruit te halen. En als er geen gezonde waarheid in de preek zit, kunt u hem het beste helemaal omdraaien; dan is hij zeker gezond. Ik heb zelf eens zo’n predikant gehoord. Als hij zei dat iets zus of zo was, zei ik bij mezelf dat het níet zo was. En als hij zei dat dit of dat zou gebeuren, zei ik dat het níet zou gebeuren; en zo genoot ik van de preek! Hij zei dat het volk van God door zijn zonde verloren zou gaan. Ik hoefde alleen het woordje ‘niet’ aan zijn zin toe te voegen, en wat werd het toen een zoete en troostrijke boodschap! Zo kunt u, als u een slechte preek hoort, bijsturen wat de prediker zegt. Dan kan zijn betoog u uiteindelijk toch geestelijke gedachten ingeven en u goed doen! Maar waar u ook heen gaat om het Woord te horen, u moet tevreden zijn met het koren aar voor aar op te rapen.

Merk vervolgens op dat de arenlezer wat ze opraapt, in haar handen houdt. Ze raapt het niet op om het daarna weer te laten vallen, zoals sommigen bij hun geestelijk aren lezen doen. Aan het begin van de preek komt er een goede gedachte, maar u bent zo begerig om er nog een te horen dat u de eerste laat gaan. Dan komt er tegen het einde van de preek misschien weer een flits, en terwijl u die probeert te grijpen, bent u al het andere vergeten! Zo is na afloop van de preek bijna alles weg, en bent u ongeveer net zo wijs als een arenlezer die ’s morgens op pad gaat en één aar opraapt, die laat vallen en een andere opraapt, ook die laat vallen en weer een andere opraapt. ’s Avonds zou ze merken dat ze – wat? – dat ze niets had voor al haar moeite! Zo gaat het ook bij het horen van een preek: sommige mensen rapen de aren op en laten ze net zo snel weer vallen als ze ze oprapen.

Maar iemand zegt: ‘Ik heb bijna de hele preek onthouden.’ Dat hoor ik graag, mijn vriend, maar sta mij een opmerking toe. Menigeen die bijna de hele preek heeft, verliest hem op weg naar huis. Er hangt veel af van ons gedrag op de terugweg van het huis van God. Ik heb gehoord van een christen die men op een zondag uit alle macht naar huis zag haasten. Een vriend vroeg hem waarom hij zo’n haast had. ‘O,’ zei hij, ‘twee of drie zondagen geleden hield onze predikant een zeer gezegende preek, waarvan ik enorm heb genoten. Maar zodra ik de kerk uit was, stonden daar twee diakenen; de een trok de ene kant op en de ander de andere kant, totdat ze de preek helemaal aan stukken hadden gescheurd! Hoewel het een zeer gezegende preek was, wist ik er thuis geen woord meer van; alle smaak en zalving was er door die diakenen uit gehaald. Daarom dacht ik: vanavond haast ik mij naar huis om over de preek te bidden, zonder ook maar met een van hen te spreken.’ Het is altijd het beste, geliefden, om rechtstreeks van uw samenkomst naar huis te gaan. Als u begint te praten over koetjes en kalfjes, verliest u alle smaak en zalving van de preek! Daarom zou ik u willen aanraden om na de dienst zo snel mogelijk naar huis te gaan. Misschien hebt u dan meer baat dan gewoonlijk bij de preek en bij de hele eredienst!

Verder neemt de arenlezer de tarwe mee naar huis en dorst die. Het is een gezegende zaak om een preek te dorsen als u hem gehoord hebt. Veel mensen dorsen op de prediker, maar dat is niet half zo goed als de preek dorsen! Ze beginnen deze en gene fout bij hem te zoeken en denken dat ze daar goed aan doen, maar dat is niet zo. Geliefden, neem de preek als u ernaar geluisterd hebt, leg hem op de dorsvloer van de overdenking en sla erop met de dorsvlegel van het gebed; zo krijgt u het koren eruit. Een preek heeft geen nut als u hem niet dorst. Het is net alsof een arenlezer haar koren in de kamer zou opbergen en de muizen het daar vonden: dan zou het haar eerder last bezorgen dan voordeel. Zo horen sommige mensen een preek, nemen hem mee naar huis en laten hem dan door hun zonden helemaal opeten. Zo wordt hij hun eerder tot schade dan tot zegen. Maar wie weet hoe hij een preek goed met de vlegel moet bewerken, hem in de dorsmachine moet doen en goed moet dorsen, heeft een goede kunst geleerd, waarvan hij veel profijt zal hebben.

Ik heb gehoord van een bejaarde Schot die op een zondagmorgen wat vroeger dan gewoonlijk uit de kerk thuiskwam. Zijn vrouw was verbaasd hem al zo vroeg thuis te zien en vroeg: ‘Donald, is de preek al helemaal gedaan?’ ‘Nee,’ antwoordde hij, ‘hij is helemaal gezegd, maar hij is nog lang niet helemaal gedaan.’ We behoren de preek mee naar huis te nemen en te doen wat de prediker gezegd heeft; dat bedoel ik met dorsen. Sommigen van u zijn al tevreden als u de preek mee naar huis draagt. U bent misschien best bereid er wat over te praten, maar er is geen grondig dorsen door overdenking en gebed.

En dan, nog één keer: de goede vrouw heeft het koren na het dorsen ongetwijfeld ook gewand. Ruth deed dit in het veld, maar met de preken die u hoort, kunt u dat nauwelijks doen; een deel van het wannen moet thuis gebeuren. Let er ook op dat Ruth het kaf niet mee naar huis nam. Dat liet ze achter op het veld. Het is belangrijk om elke preek die u hoort te wannen. Mijn geliefde vrienden, ik zou niet willen dat u sponsachtige hoorders bent, die alles opzuigen wat hun in de oren wordt gegoten. Ik zou willen dat u allemaal wanners was, die het kostelijke van het snode scheiden! Bij alle predikanten is er een zekere hoeveelheid kaf onder het koren gemengd.

Maar bij sommige hoorders heb ik een treurige voorliefde opgemerkt om al het kaf mee te nemen en het koren achter te laten. De een roept uit als hij buiten het gebouw is, of zelfs al eerder: ‘Dat was een merkwaardig verhaal dat de prediker vertelde! Zou dat geen mooie anekdote zijn voor mij op het volgende gezelschap waar ik kom?’ Een ander zegt: ‘Dominee Spurgeon gebruikte die en die uitdrukking.’ Als u iemand zo hoort praten, weet u dan wat u tegen hem zou moeten zeggen?

U zou moeten zeggen: ‘Houd op, vriend! We hebben allemaal onze fouten, en misschien hebt u er net zoveel als ieder ander. Kunt u ons niet iets goeds vertellen dat dominee Spurgeon gezegd heeft?’ ‘O, dat weet ik niet meer. Dat is allemaal weg!’ Zo is het: mensen onthouden graag wat slecht was, maar alles wat goed was, vergeten ze snel. Laat mij u aanraden de preek te wannen, erover na te denken, erover te bidden, het kaf van de tarwe te scheiden en zorgvuldig te bewaren wat goed is. Dat is de ware kunst van het hemelse aren lezen. Moge de Heere ons die leren, zodat we rijk worden in alle gelukzaligheid en vervuld en verzadigd worden met de gunst en de goedheid van de Heere!

  1. Een genadige toestemming

In de laatste plaats wordt hier een genadige toestemming gegeven: ‘Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet.’ Ruth had geen recht om tussen de schoven aren te lezen, maar Boaz gaf haar dat recht door te zeggen: ‘Laat haar dat doen.’ Dat zij tussen de schoven mocht gaan, in het deel van het veld waar de tarwe nog niet was weggereden, was al een bijzondere gunst. Maar dat zij tussen de schoven mocht gaan en dat men daar met opzet handenvol koren voor haar liet vallen, was een nog groter bewijs van de vriendelijkheid van Boaz.

Zal ik u vertellen wat het hart van Boaz bewoog om Ruth tussen de schoven aren te laten lezen? Een reden was dat hij haar liefhad. Hij wilde dat ze daar ging, omdat hij een grote genegenheid voor haar had opgevat, die hij later te zijner tijd ook toonde. Zo laat de Heere ook Zijn volk tussen de schoven komen lezen, omdat Hij hen liefheeft. Hebt u laatst op de sabbat rijk tussen de schoven gelezen? Nam u uw zak mee naar huis, gevuld zoals de zakken van Benjamins broers toen ze uit Egypte terugkeerden? Had u overvloed van het goede koren van het land? Werd u verzadigd met gunst en vervuld met de zegen van de Heere? Dat had u allemaal te danken aan de goedheid van uw Meester! Omdat Hij u liefhad, heeft Hij u zo mild bedeeld.

Ik smeek u: zie al uw weldaden als bewijzen van Zijn liefde! Zie vooral al uw geestelijke zegeningen als tekenen van Zijn genade. Uw koren zal des te beter malen en des te zoeter smaken als u bedenkt dat uw zoete tijden, uw hoge vreugde en uw gezegende verrukkingen van de geest evenzoveel bewijzen zijn van de liefde van uw Heere voor u. Boaz liet Ruth tussen de schoven aren lezen omdat hij haar liefhad. Zo is het ook, geliefden, Gods vrije genade die ons tussen Zijn schoven laat gaan en ons de zegeningen van de leer, van de beloften en van de bevinding laat grijpen. Uit onszelf hebben we geen recht om daar te zijn; het is allemaal de vrije en soevereine genade van de Heere die ons daar laat gaan!

Er was nog een andere reden waarom Boaz Ruth tussen de schoven liet lezen: hij was aan haar verwant. En daarom geeft de Heere ons soms zulke zoete weldaden en brengt Hij ons in Zijn wijnhuis, omdat Hij aan ons verwant is. Hij is onze Broeder, onze Bloedverwant, met ons verbonden door de banden van het bloed. Ja, meer nog: Hij is de Man van Zijn Kerk, en Hij kan Zijn vrouw gerust tussen de schoven laten lezen, want wat zij krijgt, gaat voor Hem niet verloren. Het gaat slechts van de ene hand in de andere, omdat haar belangen en de Zijne één zijn. Daarom kan Hij gerust zeggen: ‘Geliefde, neem alles wat u wilt. Ik word er niet armer van, want u bent de Mijne. U bent Mijn deelgenote, Mijn uitverkorene, Mijn bruid. Neem het dus, neem het allemaal, want het blijft in de familie, en er is niets minder als u alles hebt genomen wat u kon.’

Wat zal ik u nog meer zeggen, mijn geliefde broeders en zusters? Lees geestelijk aren, zoveel u kunt! Laat nooit een gelegenheid voorbijgaan om een zegen te ontvangen! Lees aren bij de troon der genade. Lees aren in het huis van God. Lees aren in de stille overdenking. Lees aren bij het lezen van stichtelijke boeken. Lees aren in de omgang met begenadigde mannen en vrouwen. Lees overal aren, waar u ook gaat! U die zo druk bent met uw werk en zo door zorgen wordt ingesloten: als u maar één aar per dag kunt oprapen, als u maar vijf minuten kunt vrijmaken, ga dan toch een beetje aren lezen. Kunt u geen schoof wegdragen, neem dan een aar. En kunt u geen aar krijgen, zorg dan dat u ten minste één korrel hebt. Zorg dat u een beetje aren leest! Kunt u niet veel vinden, verzamel dan zoveel als u kunt.

Nog één opmerking en dan sluit ik af. O kind van God, wees nooit bang om aren te lezen! Alles wat er in alle velden van uw Heere is, is van u. Denk nooit dat uw Meester boos op u zal zijn omdat u zoveel van het goede koren van het Koninkrijk meeneemt. Het enige waarover Hij Zich waarschijnlijk aan u zal ergeren, is dat u niet genoeg neemt! ‘Daar is het,’ zegt Hij, ‘neem het, neem het en eet het. Eet overvloedig. Drink, ja, drink overvloedig, o liefsten!’ Als u een zoete belofte vindt, zuig dan alle honing uit de raat. En als u een gezegende schoof te pakken krijgt, wees dan niet bang om die blij mee te nemen. U hebt er recht op; laat de satan u die niet afhandig maken!

Scherp de sikkel van uw geloof en ga oogsten, want dat mag u, als u wilt. En als u het kunt, mag u de hele schoof nemen en meedragen als geestelijk voedsel. Maar als u geen hele schoof kunt nemen, moge de Heere u dan leren hoe u tussen de schoven aren moet lezen, zoals Ruth deed op de velden van Boaz. En moge Hij in de grootheid van Zijn genade met opzet enkele handenvol voor u laten vallen, om Zijn geliefde Zoon!

Amen.

Preek nr. 2585 · Gehouden te Southwark, Londen, op een herfstavond in 1856; exacte datum onbekend, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 44. Oorspronkelijke titel: “Spiritual Gleaning”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.