24 March Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Troost in de duisternis

Troost in de duisternis

“Wie is er onder ulieden, die de HEERE vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des HEEREN, en steune op zijn God.Jesaja 50:10

Let er eens op hoe de HEERE op zoek is naar Zijn volk. In elke gemeente stelt Hij deze vraag: “Wie is er onder ulieden, die de HEERE vreest?” Deze zijn de tarwe op de dorsvloer. En tot de gedachtelozen zegt de HEERE: “Wat is het kaf vergeleken bij de tarwe?” Het hart van de HEERE gaat uit naar de harten die Hem vrezen en Hij stelt een onderzoek naar hen in omdat Hij hen lief heeft, om hen geeft en hen helpt in de dag der benauwdheid.

Merk op hoe helder de HEERE Zijn eigen volk beschrijft. De omschrijving is beknopt, maar opmerkelijk volledig: “Wie is er onder ulieden, die de HEERE vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort?” Heilig ontzag in het hart en nauwgezette gehoorzaamheid die uitkomt in het leven, dat zijn de twee onbedrieglijke kenmerken van de ware mens Gods. Hij vreest zijn God en gehoorzaamt daarom de hemelse Bode die God gezonden heeft. Geen enkele knecht van God oefent zoveel gezag uit over ons zodat we verplicht zijn om Hem te gehoorzamen in alles, als die Ene, de Servus servorum oftewel de Knecht der knechten, Die tevens de Rex regum, de Koning der koningen is. Het is het kenmerk van Gods kind dat hij een heilig ontzag heeft voor de Vader en dat hij gepaste gehoorzaamheid aan de Zoon van God bewijst. De HEERE kent degenen, die de Zijnen zijn, en vanuit die volmaakte kennis maakt Hij deze grove maar adequate schets van het karakter van de Zijnen. Moge heilige vrees en voortdurende gehoorzaamheid in ons zijn en toenemen!

Let er ook op dat de HEERE niet alleen naar deze mensen op zoek is, maar dat Hij tevens merkt op hun omstandigheden. Hun gesteldheid is Hem niet om het even. Als ze in duisternis wandelen is Hij met hen, en als ze geen licht hebben, aanschouwt Hij hen nog altijd. De HEERE is heel gevoelig ten aanzien van de smart van de Zijnen en Hij is snel gereed om hen te helpen. Als Hij ziet dat ze in duisternis wandelen, geeft Hij hun genadig troost en raad, opdat Hij hen op de meest doeltreffende wijze moge helpen. Aldus spreekt de genadige HEERE tot wie in het donker is: “dat hij betrouwe op de Naam des HEEREN, en steune op zijn God. ”Diezelfde God, Die van Zijn wijngaard zegt: “Ik, de HEERE, behoedt die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag” (Jes. 27:3); die God slaat Zijn kinderen in het duister nauwlettend gade, en terwijl Hij op hen ziet met een oog van tedere liefde, leidt Hij hun weg. En het woord der wijsheid waarmee Hij elk van hen door het duister geleidt, is dit: “dat hij betrouwe op de Naam des HEEREN, en steune op zijn God. ”

Om maar meteen zonder verdere inleiding te komen tot de behandeling van deze tekst, zal ik in de eerste plaats bespreken wat deze omstandigheid inhoudt,waarin sommigen van Gods volk aangetroffen worden: ze wandelen in het duister en hebben geen licht. In de tweede plaats: wat valt er te vertrouwen als iemand in zulke omstandigheden is? Alles is donker en er is geen licht en toch wordt hij gemaand tot vertrouwen. Waarop moet er dan vertrouwd worden? En in de derde plaats: waarom zouden we aldus vertrouwen? Wat is de grond om in zo’n tijd te vertrouwen? En in de vierde plaats: wat wordt er van een dergelijk vertrouwen? Als iemand waarlijk vertrouwen in God aan de dag legt terwijl hij geen licht heeft, wat zal dan de uitkomst van die vrijmoedigheid zijn?

I. Allereerst dan deze vraag: Wat is dat voor een toestand waarin een kind van God terecht kan komen? De persoon die beschreven wordt, is iemand die de HEERE vreest en de stem van Zijn Knecht gehoorzaamt en toch wandelt hij in duisternissen en heeft geen licht. Voor velen die niets van de ervaring van een christen af weten, zou deze toestand iets verrassends kunnen schijnen te zijn. Kan een kind des lichts in het donker wandelen? De normale gesteldheid van een kind van God is dat hij wandelt in het licht, omdat God in het licht is, en omdat er met Hem gemeenschap is; hoe komt hij er dan toe om geen licht te hebben? Wie gelooft in de Heere Jezus Christus is overgegaan uit de duisternis in het licht, en hij zal nooit in de verdoemenis terechtkomen; maar hoe komt hij dan in het donker terecht? In het duister van zonde en onwetendheid wandelen we niet langer; maar we worden niettemin soms door het donker van moeite en verwarring omringd. De HEERE is ons Licht en onze Zaligheid, daarom wandelen we niet langer in die duisternis waar de Vorst der duisternis regeert; maar toch verkeren we bij tijden in de sombere schaduw van de droefgeestigheid en we zien geen lichtstraal van vertroosting. Het is niet altijd zo gesteld. Vele christenen gaan jaar in jaar uit voort onder een ononderbroken zonneschijn; en ik zou niet weten waarom we niet allemaal zouden uitzien naar zoveel mogelijk voortdurende vreugde in de HEERE. Waarom zou onze vrede niet voortstromen als een almaar breder wordende rivier? Degenen onder u die altijd opgewekt zijn, hoeven niet bang te zijn voor hun blijdschap.

O HEERE! We zijn nu en dan in het duister, maar we wensen dat anderen niet toe. Geestelijke duisternis van welke aard ook moet vermeden worden en niet begeerd; en toch, hoe verrassend het ook moge schijnen, is het een feit dat sommige van de beste van Gods kinderen regelmatig in duisternissen wandelen; o, sommigen van hen worden bij tijden gehuld in een zevenvoudige droefheid, zodat geen licht van zon of maan of sterren tot hen doordringt. Als herder van een grote gemeente heb ik een breed scala aan geestelijke ervaringen waargenomen, en ik heb opgemerkt dat sommige mensen, die ik bijzonder bemin en waardeer en die volgens mij behoren tot Gods liefste kinderen, toch het grootste gedeelte van de weg naar de hemel bij nacht afleggen. Ze verheugen zich niet in het licht van het Goddelijk aangezicht, ofschoon ze onder de schaduw van Zijn vleugelen de toevlucht nemen (Ps. 36:8). Ze zijn onderweg naar het eeuwige licht en wandelen toch in duisternissen. Terwijl ze erfgenamen zijn van een onmetelijke zaligheid, moeten ze het nu doen zonder het kleinste beetje ‘zakgeld’ van de vertroosting die hun huidige bestaan zou veraangenamen. Het is niet doenlijk om iemands werkelijke gesteldheid tegenover God af te willen lezen uit de huidige toestand van zijn gevoel. U zou vol vrolijkheid kunnen zijn, terwijl het alleen maar het geluid van doornen onder een pot betreft (Pred. 7:6), wat even gehoord wordt, maar snel voorbij is. Anderzijds kan het zijn dat u terneergedrukt wordt door leed en dat het toch alleen maar een “lichte verdrukking” is, die “zeer haast voorbij gaat” en die voor ons teweegbrengt “een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid”(2 Kor. 4:17).

We hadden kunnen denken, afgaande op wat mensen ervan denken, dat de goeden altijd vrolijk zijn, zoals een kinderliedje zo stellig beweert. Toen we voor het eerst thuisgebracht werden bij de grote Vader, dachten we dat het voortaan alleen maar muziek en dansen en een gemest kalf zou geven, tot in eeuwigheid. Maar het is niet waar: we hebben sindsdien de bekrompen stem van de oudste broer gehoord en we hebben ontdekt dat we veel dingen, die we ons zouden wensen, wel kunnen vergeten. We droomden dat het twaalf maanden per jaar zomer zou zijn, de tijd van de zingende vogels was gekomen en we veronderstelden dat dat het hele jaar zo zou blijven. Helaas! De vogels hebben hun lied beëindigd en de zwaluwen strekken hun vleugels om te vertrekken en binnen enkele dagen lopen we tussen vallende bladeren en maken we onze winterkleren gereed om de bijtende vrieskou te kunnen weerstaan. We vinden het volmaakte geluk in dit ondermaanse niet. Als we, in plaats van af te gaan op wat we met onze ogen zien, ons zouden richten op de getuigenissen van Gods kinderen, zouden we allang bevrijd zijn van de gedachte aan een hemel op aarde. Er staat geschreven: “Want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt”(Hebr. 12:6).

Tussen het begin van de weg en de hemelse Stad is het pad ruw en zijn de nachten lang. Wie de pelgrimsreis maken, vertellen ons van de Verrukkelijke Bergen, en ze weiden uit over de glanzende bergtoppen van de heerlijkheid, die ze van verre hebben gezien toen ze uitzagen vanaf de heuvel Helderheid. Ze waarschuwen ons echter ook voor de heuvel Moeilijkheid en vooral voor het dal van de schaduw des doods, waardoor allen, die zich hebben voorgenomen om als pelgrim naar de Godsstad te reizen, zich slechts met moeite een weg kunnen banen. Wees daarom niet verbaasd alsof u iets vreemds overkomt, wanneer u merkt dat u in duisternis terechtkomt, want onze tekst waarschuwt u voor wat u mag verwachten. We kunnen God vrezen en nauwkeurig Zijn Knecht gehoorzamen om ondertussen toch bij nacht buiten te moeten verblijven en te ondervinden dat de straten van het dagelijks leven voor ons even mistig en donker zijn als voor anderen.

Deze toestand is een zware test voor de genade. Nu zullen we ontdekten in hoeverre ‘s mensen dapperheid van het goede soort is. Duisternis is een kwaad waar onze ziel niet van houdt, en al onze vermogens worden er door op de proef gesteld. Als u in uw eigen huis in het donker zit, geeft het niet, ofschoon kinderen er niet van houden om in het donker in bed gelegd te worden, al zijn ze in hun eigen vertrouwde Kamertje. Maar als u op reis bent en u komt op een woeste heide of in een dichtbegroeid woud of tussen grillige bergen, ontzet u zich als u ontdekt dat de zon ondergaat en dat u buiten in het donker zult zijn. Duisternis heeft een verschrikkelijke macht om angst aan te jagen: haar geheimzinnigheid maakt bang. Het is niet datgene wat we zien, dat ons verschrikt, maar hetgeen we niet zien en wat daarom groter lijkt dan in werkelijkheid. Als duisternis neerdaalt over de geest van een gelovige, betekent dit een zware beproeving voor zijn hart. Hij roept uit: “Waar ben ik en hoe ben ik hier terechtgekomen? Als ik een kind van God ben, waarom ben ik dan zo gesteld? Heb ik echt berouw gehad en licht verkregen om te ontsnappen aan het duister van de zonde? Zo ja, waarom heb ik dan zo’n last van deze hardnekkige treurnis? Heb ik echt vreugde in Christus gekend en werkelijk gedacht dat ik verzoening had ontvangen? Waarom is de zon van mijn vreugde dan zo hopeloos ondergegaan? Waar zijn nu de blijken van de gunst en de liefde van de HEERE?”

De goede man begint zichzelf vragen te stellen over elk onderdeel van zijn belijdenis, want in het donker kan hij zichzelf niet goed beoordelen. Wat nog erger is: hij twijfelt soms aan de waarheid die hij tevoren had ontvangen en gaat zelfs twijfelen aan de grond waarop zijn voeten rusten. Satan zal binnendringen met gemene insinuaties die achter alles een vraagteken zetten, zoals hij Gods Woord in twijfel trok toen hij ons menselijk geslacht verwoestte in de hof van Eden. Het is op zulke momenten mogelijk dat zelfs het bestaan van de God, Die we liefhebben, wordt betwijfeld, ofschoon we ons met de moed der wanhoop aan Hem blijven vastklemmen. We hebben een strijd op leven en dood te leveren terwijl we vasthouden aan de goddelijke waarheden. Soms worden we er pijnlijk door getroffen terwijl we nauwelijks weten wat we doen moeten. Zoals de scheepslui die met Paulus voeren, werpen we vier ankers van het achterschip uit en wensen dat het dag wordt (Hand. 27:29). Oh, dat wij er toch zeker van mochten zijn dat wij des Heeren zijn! Oh, dat wij toch de vaste beloften van de HEERE zouden kunnen aangrijpen en ons aandeel daaraan! Voor een tijd omringt de duisternis ons totaal en we zien nergens een lamp van de HEERE of een glimp licht uit onze bevinding, waardoor we de donkerheid zouden kunnen verdrijven. Deze duisternis is echt een beproeving, voor het geloof, voor de liefde, voor de hoop, voor het geduld; een beproeving voor elke genadegave van de geestelijke mens. Gezegend is de mens die deze proef kan doorstaan.

Terwijl het ons zo op de proef stelt, is het ook zeer smartelijk. Het is een plezierig iets voor de ogen om de zon waar te nemen en een pijnlijke zaak om daarvan verstoken te zijn. Op zulke momenten staan we onder zware druk. De duisternis waarvan in de tekst sprake is, draagt veel verschillende verzoekingen met betrekking tot de voorzienigheid in zich. Op dit moment verkeren velen van Gods volk in het donker als het gaat om hun lijdelijke omstandigheden. De economie heeft gebloeid, en alles ging daarom goed, maar in de huidige periode gaan de zaken een heel andere kant op. Ze waren niet begerig om grote rijkdommen te vergaren, ze waren volkomen tevreden als ze brood te eten hadden en kleren om aan te trekken; maar nu lijkt zelfs dat hen onthouden te worden. Ze zijn werkeloos of de arbeidsmarkt wordt almaar minder en hun middelen tot bestaan zullen spoedig ophouden te bestaan. Dit is een nieuwe beproeving voor hen die tot hiertoe overvloed genoten en vanzelfsprekend zorgt dit ervoor dat ze in duisternissen wandelen. Oh, u voor wie de goederen van deze wereld in overmaat voorhanden zijn, u weet haast niets van de duisternis die over de harten van Gods knechten komt als ze niet in staat zijn om voor aller oog eerlijk in hun levensonderhoud te voorzien, maar bang zijn dat er kwaad gesproken zal worden van de naam des HEEREN omdat zij hun verplichtingen niet kunnen nakomen. Als ouders naar hun lieve kinderen kijken en zich afvragen waar de volgende broodmaaltijd vandaan moet komen, dan zijn de tijden inderdaad donker.

Denk er ondertussen wel goed om, dat dit niet de duisternis is – niet de duisternis die geestelijk gevoeld kan worden. Velen van Gods volk zijn, om reden van een sterk geloof, gelukkiger in hun tegenspoed dan dat ze waren in hun voorspoed. Ik heb meegemaakt dat ze meegevoerd werden op de kam van de golf die hen dreigde te vermorzelen. Ze hebben zich verheugd, zelfs over tegenspoeden, omdat ze inwendig mochten ervaren dat de HEERE hen met bijzondere blijken van Zijn gunst zegende.

De echte duisternis komt dan, wanneer onze blijken van genade niet langer zichtbaar zijn en als het geweten een tegengesteld vonnis velt. Zoals de psalmist zegt: “Wij zien onze tekenen niet”(Ps. 74:9). De kenmerken van genade zijn verborgen. Zelfonderzoek kan het geweten de onbedrieglijke kenmerken van het werk van de Heilige Geest in de ziel niet laten zien, en op dat moment voelt Gods kind dat hij er slecht aan toe is. Als ik maar weet dat ik Gods kind ben, ben ik niet uit het veld Ie slaan, maar wanneer mijn kindschap onzeker is, ben ik werkelijk beangst. Als het duidelijke gevoel van Gods liefde de ziel ook nog wordt ontnomen, volgt duisternis daarop. Wie zich voorheen mocht verheugen in die liefde, die de kennis te boven gaat, voelt dat zijn hart zo hard als een steen wordt, zonder teder gevoel, ja bijna zonder levend verlangen. Om mat, doods, wezenloos en ongevoelig te zijn, is inderdaad treurig voor iemand die voorheen zou kunnen dansen van vreugde. Als het leven en de kracht van de genade afneemt, is dat een pijnlijke zaak. Je kunt nog beter meemaken dat een kudde uit de schaapskooi wordt verwijderd dan genade uit het hart. In zulke tijden schijnt de Heilige Geest zijn vertroostende en aansporende werkzaamheden te onderbreken, en dan zijn de uitwendige middelen van weinig nut. We lezen de Bijbel, maar worden niet opgewekt door de beloften; we bezoeken de openbare erediensten, maar de zilveren belletjes van het heiligdom schijnen hun muziek niet meer voort te brengen. De regen vult de poelen niet en als de vergaarbekkens leeg zijn, wat hebben ze dan nog voor nut? De Heilige Geest verlaat ons voor een tijd, opdat we zullen weten wat voor arme schepsels we zonder Hem zijn en hoe nutteloos de godsdienstige ordeningen zijn zonder Zijn Goddelijke aanwezigheid.

Op zulke momenten ziet de satan, (want zo’n lafaard is hij wel), zeker zijn kans schoon. Als hij ons op een donker weggetje ziet lopen, werpt hij zich op ons als een sluipmoordenaar. Als de HEERE klaarblijkelijk met ons is, druipt hij af, maar wanneer hij ziet dat duisternis ons omringt, probeert hij ons van ons geloof af te brengen. “Dit is uw ure”, zegt Christus, “en de macht der duisternis”(Luk. 22:53), en wij hebben hetzelfde moeten zeggen. Satan maakt vurig gebruik van deze ure en het is niet zijn fout dat we niet sterven in het donker en volslagen van de weg verdwalen. Laat het heel duidelijk zijn, dat sommigen van ons die op deze dag kunnen spreken vanuit een volkomen zekerheid des geloofs, in voorgaande dagen pijnlijk heen en weer geschud zijn en tot de HEERE uit de diepste kerker hebben geschreeuwd. Ieder onderdeel van het geloof dat ik vandaag in de HEERE mijn God heb, is door het vuur en door het water heengegaan. Deze vlammende fakkel van vertrouwen die vandaag voor uw ogen brandt, is voor mij ontstoken toen ik in het donker was. Hoewel wij ons in de HEERE verheugen als met een blijdschap over de oogst, toch zien we terug op een tijd waarin we wenend voortgingen terwijl we kostbaar zaad droegen (Ps. 126:6). Allen krijgen wel niet in dezelfde mate met smart te maken, maar velen van ons zijn toch bekend met de wijn der ontzetting. Voorzeker wandelen, op het ene of op het andere moment, al Gods kinderen in duisternis.

Misschien is wel de meest kenmerkende trek van deze duisternis dit, dat het zo verwarrend is. U moet lopen, maar ondertussen is de weg voor uw ogen verborgen. Dit is een zware taak. God zal Zijn kinderen helpen, toch? Zeker zal Hij dat doen, maar we zien niet hoe! We kijken omhoog en zien geen enkele ster glinsteren; we kijken naar beneden en zien niet eens een glimwormpje. O, maar dan zullen we wel ergens een kandelaar achter een raam zien. Maar nee! we zijn verdwaald in een donker bos. Hebben we niet ergens een lucifer die we kunnen aansteken? We tasten ernaar, vinden er één, maar hij is vochtig en we hebben nog geen licht. De vraag die nu het hart beklemt is: hoe kan God mij verlossen? We zien niet in hoe Hij een uitweg kan banen. Wat een onnozele zielen zijn we toch om te denken dat als wij geen weg van bevrijding zien, dat God hem dan ook niet ziet! Als u ooit met een boot de Rijn bent opgevaren, heeft u voor u uit gekeken en het zag eruit alsof u niet verder kon. De rivier leek op een meer; hoge bergen en zware rotsen verhinderden elke doorgang. Plotseling echter kwam er een verandering in de stroming en opeens opent zich een brede weg voor u, die u nodigt tot in het hart van het land. Misschien bent u door Gods voorzienigheid terechtgekomen in één van de gedeelten van de rivier van het leven waar geen doorgang mogelijk schijnt. U wordt totaal geblokkeerd en dit werpt een schaduw over de geest. Houd op met deze ongelovige verwarring. Rust in de HEERE en wacht geduldig op Hem en Hij zal u geven wat uw hart begeert.

Nog erger is die verwarring die over ons komt in de duisternis en die te maken heeft met wat wij zelf behoorden te doen. Gods kinderen weten, als een algemeen uitgangspunt, dat ze goed moeten doen. De vraag is echter: wat is goed? Welke van de vele paden zal ik nemen? We bidden de HEERE of Hij ons pad recht wil maken, maar we kunnen de weg niet ontdekken. We zien uit naar een herkenningspunt dat we lang geleden gezien hebben, maar het is verdwenen. We spoeden ons naar een vriend, maar hij is evenzeer in verlegenheid als wij. Deze onzekerheid is het ergste van de hele beproeving. Dat we onze weg niet zien, ja dat we zelfs voor de volgende stap al geen steun voor onze voet vinden, is een bijzonder vermoeiende omstandigheid. Als we maar wisten wat we moesten doen, of waar we ons op moesten voorbereiden, we zouden onze lenden ervoor gorden. Maar als we niets weten, zijn we uitgepraat en kunnen we niet vooruit.

Merk evenwel op in de tekst, dat dit ons niet ontslaat van onze dagelijkse plicht. De tekst zegt: “Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft. ”Het wandelen moet voortgezet worden, ofschoon het licht ons heeft verlaten. Als het zeer duister is, is het veilig om te gaan zitten tot de dageraad komt. Als ik niet kan slapen, kan ik in ieder geval stil rusten tot de zon is opgegaan. Wie gelooft, die zal niet haasten (Jes. 28:16), en in het donker is het het beste om te wachten tot de dag aanlicht en de schaduwen vlieden (Hoogl. 2:17). Het was een groots woord dat de HEERE tot Mozes sprak: “Staat vast en ziet het heil des HEEREN. ”(Ex. 14:13). Maar wat nu als je niet kunt stilstaan? Wat als je niet mag blijven waar je bent? Er moet iets gedaan worden, en wel direct! En op die manier word je gedwongen door te lopen, hoewel je geen meter vooruit kunt kijken. Wat anders dan alleen een Goddelijk geloof is hiertoe in staat? Het zwaartepunt van de moeilijkheid is deze: niets doen zou simpel zijn, maar activiteit in het donker moet het werk van de HEERE zijn en we moeten tot Hem roepen opdat Hij dit werk in ons werkt.

Maar laat dit genoeg zijn. Ik heb u een beeld getekend dat sommigen van u zullen herkennen als hun eigen portret. Ik ben persoonlijk vaak door deze donkere vallei gegaan: er is een moeras ter rechterhand en een diepe afgrond aan de linkerkant; en op heel de trieste weg laten het huilen van de hellehonden en het gesis van de boze geesten je oren geen moment met rust. En het ergste van alles is, dat de influisteringen van de Boze je doen denken dat zijn gemene suggesties je eigen gedachten zijn. Het zwaard in de hand wordt onbruikbaar, omdat je in het donker niet weet waar je moet slaan en er blijft geen enkel wapen over dan dat van het gebed. Om heel de nacht door te lopen en geen stap vooruit te kunnen zien, is een angstige bezigheid en toch hebben duizenden van Gods pelgrims, die zich nu verheugen in het gezelschap van de zaligen, die Gods heilige naam prijzen en zegenen, deze verschrikkelijke weg gepasseerd. HEERE, help ons wanneer ook wij zijn donkerheid doorkruisen!

II. Maar nu ga ik in de tweede plaats over tot een praktisch onderdeel van deze kwestie: Wat is er om ote vertrouwen als je in zo’n gesteldheid bent? Waarop kun je dan vertrouwen? Welnu, zegt de tekst, “dat hij betrouwe op de Naam des HEEREN, en steune op zijn God”, of zoals er eigenlijk staat: “op de naam van Jehovah.” Wat is er in de Naam van Jehova waarop men kan vertrouwen? Het is het “IK BEN” dat Zijn eigen bestaan aanduidt. Dit is een goede grond voor vertrouwen. Uw vriend is dood, maar Jehova is altijd levend als de “IK BEN”. Zij, die u hadden kunnen ondersteunen, hebben u verlaten, maar Hij zegt: “Ik ben met u.” Geloof in Hem, want Hij is en zal altijd zijn. Hij zegt tot u: “Laat af en weet dat lk God ben.” (Ps. 46:11). De naam van God draagt onveranderlijkheid in zich. De HEERE noemt Zichzelf: “IK ZAL ZIJN, DIE IK ZIJN ZAL”(Ex. 3:14); de onveranderlijke God! Herinner u hoe Hij heeft gezegd: “Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd”(Mal. 3:6). Als u geen centimeter voor u uit kunt kijken, vertrouw dan op Hem, Die is en Die was en Die komen zal. Hij is onze Woning in alle geslachten. Hij is “gisteren en heden Dezelfde, en tot in eeuwigheid”(Hebr. 13:8) en daarom mag ons vertrouwen in Hem niet afnemen. Hier is een rots onder uw voeten. Als u vertrouwt op een onveranderlijke God, Wiens liefde, trouw en kracht niet verminderd kunnen worden, hoe donker uw weg ook moge zijn, dan zult u een voor uw geloof heerlijk voorwerp hebben om in te rusten!

Maar we verstaan onder de Naam het geopenbaarde Wezen van God. Als u uw weg niet kunt zien, open dan dit Boek en tracht te ontdekken wat voor God Hij is, op Wie u uw vertrouwen hebt gesteld. Kijk wat Hij gedaan heeft in vervlogen eeuwen; kijk wat Hij beloofd heeft te zullen doen in elk huidig tijdsgewricht. Aanschouw Zijn oneindige liefde in de gave van Zijn geliefde Zoon. Denk na over al de onmetelijke zegeningen, die Hij voorbereid heeft voor degenen die Hem liefhebben en die Hij heeft bewaard voor de gouden eeuw. Als u zich voor ogen stelt Wie de HEERE is, en hoe Hij handelt met Zijn volk, zult u licht zien ontvonken in het midden van dikke duisternis. Wat moet het een vreugde zijn geweest voor Mozes toen God voor hem de Naam des HEEREN uitriep! Mozes had gevraagd om Gods heerlijkheid te mogen zien, en we lezen: “Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft” (Ex. 34:6-7). Wanneer u onderzoek doet naar het heerlijke Wezen van de HEERE God, Wiens ontferming eeuwigdurend is, denk ik dat u zult ondervinden dat uw geest uitstijgt boven de wateren van uw moeite, en vreugdevol vaart op de baren zoals de ark van Noach in de dagen van de zondvloed. “De Naam des HEEREN is een Sterke Toren(Spr. 18:10). “En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen” (Ps. 9:11).

De “Naam des HEEREN” wijst ook op Zijn geliefde Zoon, want het is in Jezus Christus dat Jehovah Zijn Naam heeft bekendgemaakt. Jezus zegt: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”(Joh. 14:9). Als het donker om en in u is, ga naar uw Zaligmaker, en laat uw gedachten over Hem gaan en over al Zijn lijden en Zijn overwinning. Stel Hem voor uw ogen, zoals Zijn leven uit Hem wegbloedde aan het kruis voor u, omdat Hij zichzelf opgeofferd heeft als een heerlijk Offer om uw zonden weg te nemen; en als u Zijn schreeuwen hoort, en het stromen van Zijn bloed waarneemt, zult u zoveel troost en vreugde verkrijgen dat uw duisternis in de dag verandert.

Het is ook een goede zaak, geliefde vrienden, als u nadenkt over de Naam van de HEERE, om te bedenken dat het voor u ook betekent wat u van God gezien hebt in uw eigen ervaring. Dit is Zijn gedenkteken oftewel Zijn Naam voor u. Het is een groot iets, als u op dit moment geen enkele troost hebt, om dan terug te grijpen op de vertroosting die u in vroeger jaren genoot. Oh, die dagen waarin Hij ons hielp! Toen Zijn arm ons ten goede was uitgestrekt! Ik herinner mij die morgen, u herinnert het zich ook, toen de HEERE u uit de kuil der verschrikking ophaalde. U zei: “Gezegend zij Zijn heerlijke Naam! Wat een uitredding heb ik gehad. Ik zal nooit meer aan Hem twijfelen!” O arme dwaas, u twijfelt nu toch aan Hem! Maar waarom? Denkt u niet dat u, als u de liederen zou ophalen, die u bij de Rode Zee hebt gezongen: “Ik zal de HEERE zingen, want Hij is hogelijk verheven!”, dat u zich dan niet zou schamen over uw huidige twijfel aan de HEERE? Passeerde Israël de Rode Zee niet te voet, zelfs in het duister van de nacht, terwijl Farao niet kon zien waar hij gaan moest? De HEERE God was Zelf, in de vuurkolom, het licht van Zijn volk, maar afgezien daarvan hadden ze geen ander licht; en zo is het met u ook: alle licht is verdwenen, maar Jehovah is met u, daarom moet u ook niet bevreesd zijn.

Zijn voorgaande liefde verbiedt ons te menen,
Dat eenmaal, in moeite, Zijn hulp is verdwenen.
ElkEben-Haëzer zo zoet, geeft ons rust:
Gods liefde geleidt ons naar d’ eeuwige kust.

“Dat hij betrouwe op de Naam des HEEREN.” Maar voorts zegt de tekst ook: “en steune op zijn God. ”Laat hij leunen op zijn God; van God zijn Stut, Steunpilaar en Rust maken. Dit is een variatie op de vorige zinsnede. Hij moest betrouwen op de Naam van Jehovah, maar nu moet hij steunen op “zijn God.” U heeft God tot uw God gesteld, nietwaar? Als dat zo is, heeft Hij u ook tot de Zijne gemaakt. Er is een verbond tussen u beiden: steun op dat verbond. Beschouw het als een vast en zeer krachtig verbond. Voorzeker heeft u niet met een leugenaar te doen. Dat verbond van de HEERE, dat werd verzegeld en bevestigd door een eed, daar denkt u toch zeker niet klein van? Nu dan, steun geheel en volledig op Hem, Die uw Verbondsgod is. Broeders, in ben vaak in deze toestand gebracht, dat ik tegen mezelf zei: HEERE, als deze Schriften nu geen geïnspireerde openbaring van God zijn, dan is het afgelopen met me, want ik heb geen andere hoop. Maar als dit Boek een getrouwe weergave is van wat God mij te zeggen heeft – en daar ben ik zeker van – dan kan ik niet met teveel vertrouwen rusten in wat Hij hier heeft laten optekenen. Ik zal de waarheid van Zijn Evangelie bewijzen. Ik zal steunen op Zijn belofte uit alle macht. Toch heb ik nooit een gewicht aan Gods belofte gehangen, dat te zwaar was voor haar om te dragen. Ik heb nooit op God vertrouwd in het gebed met een vertrouwen dat verder ging dan wat ik wist dat gewettigd was. Tot nu toe hebben we ontelbare testen uitgevoerd en overvloedige proefnemingen, en we hebben ontdekt dat het oude Boek waar is. Zoals zilver op aarde in een oven beproefd wordt, zevenmaal gelouterd, zo hebben we het gedaan met de beloften en het verbond van God. Waarom ik ook tot u zeg, in de taal van onze tekst: als u in duisternissen wandelt, en geen licht hebt, betrouw op de Naam van de HEERE en steun op uw God.

III. In de derde plaats, en heel in het kort: Waarom zouden we God op zulke momenten vertrouwen? Als de HEERE het licht heeft weggenomen, en ons zo zwaar op de proef stelt, waarom zouden we Hem juist dan vertrouwen? Ik antwoord: als u Hem nu niet vertrouwt, heeft u alle reden om zich af te vragen of u Hem ooit vertrouwd hebt. Toen uw kinderen u omringden en u was gezond, geëerd en voorspoedig, zei u: Ik heb geloof in God.’ Maar was het wel geloof, als het u in de steek laat, nu uw kinderen begraven zijn, uw huis verlaten is en uzelf ziek, oud en arm bent geworden? Was dat werkelijk geloof in God? Was het geen vrolijkheid die voortkwam uit uw omstandigheden? Als u het niet verdraagt om te worden uitgekleed zoals Job, heeft u dan datzelfde dierbare geloof als die man Gods? Mooi-weer-geloof is een armoedige imitatie van de ware genade. Ik smeek u om deze man na te volgen en te zeggen: “Zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?”(Job 13:15) Immers, als u dat niet kunt opbrengen, is uw kracht klein en uw geloof twijfelachtig. U bent gehouden om in de HEERE te vertrouwen nu het een tijd van duisternis is, omdat Zijn beloften gemaakt zijn voor duistere tijden. Als een scheepstimmerman een vaartuig bouwt, doet hij dat dan om het op stapel te laten staan? Nee, Hij bouwt het voor de zee en de storm. Toen hij het ontwierp, dacht hij aan noodweer en orkanen; had hij dat niet gedaan, dan was hij een slechte scheepsbouwer. Toen God een gelovige van u maakte, was het Zijn bedoeling om u te beproeven, en toen Hij u de beloften gaf, en aandrong om daarop te vertrouwen, gaf Hij zulke beloften die geschikt zijn voor tijden waarin het stormt en men heen en weer geslingerd wordt. Dacht u dat God imitaties vervaardigt zoals mensen vesten maken om te zwemmen, die slechts goed zijn om te worden uitgestald in een winkel, maar niet om er de zee mee in te gaan? Wij hebben allemaal gehoord van zwaarden die in oorlogstijd nutteloos waren; en zelfs van schoenen, gemaakt om verkocht te worden, maar niet om in te lopen. Gods schoenen zijn van ijzer en koper, en u kunt ermee naar de hemel lopen zonder dat ze zelfs verslijten; en met Zijn reddingsvesten kunt u duizend keer de Atlantische Oceaan overzwemmen, zonder dat u bang hoeft te zijn dat u zult zinken. Zijn beloftewoord is bedoeld om beproefd en getest te worden. O mens, ik smeek u dat u Gods beloften niet behandelt als waren het rariteiten voor in een museum, maar gebruik ze als alledaagse bronnen van troost. Vertrouw op de HEERE wanneer het ook maar nodig is. Trouwens, merk op dat hier speciale toestemming aan u wordt verleend, die u de mogelijkheid geeft om op God te vertrouwen in duisternis. Alzo zegt de HEERE: “dat hij betrouwe.” Satan zegt dat hij niet zal vertrouwen, maar de HEERE zegt: “dat hij betrouwe”, en als de HEERE ons toestemming geeft om te vertrouwen, zullen wij niet toestaan dat de wereld, het vlees of de duivel ons van ons voorrecht terughouden. “Dat hij betrouwe” is onze Goddelijke garantie om in de HEERE te rusten en we zijn van plan om daarvan gebruik te maken. Dit is het wachtwoord dat ons door de poorten van het geloof doet binnengaan in de koninklijke vertrekken van de rust.

Ik wil nog verder gaan en dit vers opvatten als een gebod om op de Naam van de HEERE te vertrouwen. Het is een opdracht om geheel en al te betrouwen in onze God, want het vraagt ons dringend te steunen op onze God. We moeten niet bij vlagen nu eens vertrouwen en dan weer vrezen; maar we moeten komen tot het steunen op God, zoals schepen een haven aandoen, hun ankers uitwerpen en er vervolgens blijven totdat de storm voorbijgegaan is. Laat ons uitspreken: “Dit is mijn uiterste vertrouwen, dit is mijn steun en hier zal ik voor altijd blijven.” Oh, broeders en zusters, we handelen vaak heel dwaas omdat we een steun in onszelf proberen te vinden. Heeft u ooit gehoord van een kapitein van een schip, dat door ruige winden voortgedreven werd, die een ankerplaats nodig had en die probeerde te vinden aan boord van zijn vaartuig? Hij verlangt zijn anker ergens aan boord van het schip een plaats te geven waar het houvast heeft. Hij hangt het aan de boeg, maar het schip vaart nog steeds verder; hij laat het op het dek liggen, maar dat houdt het vaartuig niet tegen; uiteindelijk laat hij het in het ruim zakken, maar zonder succes. Geen wonder, ankers geven geen houvast zolang ze aan boord zijn. Ze moeten in de diepte geworpen worden, en vervolgens zullen ze zich vastzetten in de zeebodem en het vaartuig op zijn plaats houden tegen de wind en het getijde in. Zo lang u vertrouwen in uzelf hebt, bent u als die man die zijn anker binnen boord hield, en u zult nooit een rustplaats bereiken. Overboord met dat geloof van u in de grote diepten van eeuwige liefde en kracht, en vertrouw op de oneindig Getrouwe. Dan zult u verblijd zijn omdat uw hart rust kent. Steun op uw God, omdat Hij u opdraagt om dat te doen. Waag het niet om te aarzelen.

Want kijk eens, broeders, als u niet steunt op God in het duister, zou het lijken alsof u per slot van rekening niet op God vertrouwd hebt, maar op het licht, of dat u afging op uw eigen gezichtsvermogen. Het gebeurt zo vaak, dat we denken te geloven, en ondertussen zijn we mijlenver van het geloof verwijderd. Tenzij we op God alléén en op God gehéél vertrouwen, vertrouwen we helemaal niet op Hem. Geloof is het tegendeel van zien. Als een man kan zien, heeft hij geen behoefte aan geloof. Gezegend is hij, voor wie God Zelf het enige Licht is dat hij nodig heeft.

Bedenk verder ook nog dit, dat u en ik, in tijden van duisternis, ervan op aan kunnen dat God ons niet in de steek zal laten, omdat onze gezegende Heere en Meester niet gespaard is in de meest diepzwarte nacht die ooit over een menselijke geest is gekomen. Hij riep ook uit: “Wat zal ik zeggen?” (Joh. 12:27). Verbijstering kreeg daarbij vat op Zijn geest en Hij was uitermate bedroefd, zelfs ten dode toe. Verwacht u soms dat u beter behandeld wordt dan het Hoofd des huizes, de “Eerstgeborene onder vele broederen” (Rom. 8:29). Als Hij op God vertrouwd heeft en is uitgered, doet u dan hetzelfde, en u zult Hem op Zijn voetstappen volgen naar de glans van het licht, zoals u ook deze voetstappen gevolgd bent in de duisternis en donkerheid.

IV. Ik wil afsluiten met dit laatste punt: Wat zal het resultaat zijn als we in het duister op God vertrouwen? En of u een heilige of een zondaar bent, ik vraag u mij nog enkele minuten het oor te willen lenen, terwijl ik tracht te laten zien wat het gevolg zal zijn van het vertrouwen op God als u niets anders meer hebt om op te vertrouwen.

In de eerste plaats: zulk geloof zal God verheerlijken. Het is niet tot Gods verheerlijking om Hem te vertrouwen terwijl je nog duizend andere steunsels en leunsels hebt. Nee, we eren Hem wanneer we louter en alleen Zijn arm vertrouwen. Het is tot eer van God als we in duisternis, moedeloosheid en wanhoop moedig kunnen zeggen: “Toch geloof ik Hem nog steeds. Ik klem me vast aan Zijn sterkte temidden van mijn zwakheid. Kom ik om, dan kom ik om; maar omdat ik op Hem vertrouw weet ik dat Hij me niet zal laten omkomen.” De cherubs en serafs verheerlijken God met hun eindeloze liederen, maar niet méér dan dat een arme terneergeslagen ziel dat kan doen, wanneer zij zich in haar benardheid op God alléén werpt. Zie dan wat u kunt doen! Zal dit betoog u niet bewegen tot vertrouwen, zelfs op dit moment, als alles verkeerd lijkt te lopen? Sommigen van u kunnen eerlijk zeggen: “Wij zouden graag iets doen of laten om God te verheerlijken.” Nu dan, doe dit: geloof in de HEERE en in Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.

Vervolgens is het ook zo dat juist door deze duisternis van u, uzelf verootmoedigd zult worden.Terwijl u wandelt in duisternissen en het licht niet ziet, zult u een heel laag beeld van uzelf vormen en dit zal een heerlijke zegen betekenen. Wij onderschatten de ootmoed, maar het is een van de meest kostbare van alle genadegaven. Misschien hebben sommigen van ons meer behoefte aan verootmoediging dan aan welke andere werkzaamheid van de Heilige Geest dan ook. Ik geloof dat degenen die moedeloos en wanhopig zijn veel gelukkiger zijn als de ootmoed haar volmaakte werk aan hen heeft verricht. Wij zijn zo geweldig! Zo groot! Die letter ‘I (Engels voor ‘ik’, vert.) schijnt iets sarcastisch in haar vorm te hebben: het is zo’n rechte, onbuigzame letter, die nooit zijn knie of rug buigt! Gelukkig wordt die duisternis op ons pad gezonden om onze trots, die tastend zijn weg zoekt, tot de grond toe te vernederen. Oh, mijn vriend, u gaat erop vooruit door het pijnlijke proces dat u uw kleinheid toont. Erger u niet omdat u nu uw dwaasheid, uw hulpeloosheid en leegheid ziet: dat alles zal een goudmijn voor u worden.

Afgezien daarvan zult u, als u God in deze beproeving kunt vertrouwen, de kracht van het gebed bewijzen en genieten. De man die het gebed nooit nodig heeft gehad kan niet vertellen of het gebed iets voorstelt of niet. U, die elke morgen brood op de plank hebt gehad, weet nauwelijks de waarde van die bede: “Geef ons heden ons dagelijks brood”; maar er zijn arme mensen hier op dit moment, voor wie die smeking bijzonder zoet is. Wie om zijn ontbijt heeft gebeden waardeert de Voorzienigheid, die het gezonden heeft. Als u in uw leven nooit met enige beproeving te maken hebt gehad, wat weet u dan van het gebed? En waarom spreekt u dan zo lichtvaardig over datgène, wat u nooit begrepen hebt? Wie zijn nood naar de HEERE heeft gebracht – een grote en dringende nood, die bovendien door heel de wereld niet gelenigd kon worden – hij, zeg ik, die met die nood naar zijn hemelse Vader is gegaan en heeft gepleit op de belofte, en een hemels antwoord heeft verkregen, hij is de man die kan getuigen dat er waarlijk een God is. Die het gebed hoort. Die filosofen die zo op het gebed afgeven; wat weten ze ervan af? Ze zijn vreemdelingen van het gebed en daarom niet in staat om de kracht ervan te beoordelen.

Stel dat een dozijn van die mensen zou zweren dat ze gebeden hadden, en dat God hun gebeden niet gehoord had, dan zouden we hen geloven; en we zouden ook tot de conclusie komen dat gebeden van zulk soort mensen niet in aanmerking komen voor verhoring. Voorzeker moet hij, die tot God komt, geloven dat Hij is (Hebr. 11:6), en deze heren willen zelfs dat niet voor zeker houden. Maar als wij bidden en de HEERE hoort ons, kan dan enig argument een feit weerleggen? Een feit zal standhouden tegenover elke vorm van redeneren; het is een onwankelbare rots, waar de golven van het scepticisme tevergeefs tegenaan slaan. Broeders, het is het gebed in het duister dat ons het meeste licht brengt wanneer we merken dat het zeker verhoord wordt. Hoe kunt u bidden, o mens, als al uw verlangens al vervuld zijn zonder dat u God erom zou vragen? Als u niets hebt om voor te bidden, hoe zou u de krachtdadigheid van het gebed kunnen beproeven? Als u zo wijs en zo goed en geweldig bent dat u het zonder God afkunt, ga dan en doe het maar als u het durft. Maar de arme en behoeftige zal toch blij zijn dat hij tot God kan roepen. Moge God u leegmaken, en u op uw knieën in zielsangst uitdrijven, dan zult u in staat zijn om te beproeven of Hij een God is Die het gebed hoort of niet!

Als u in uw duisternis tot God zult gaan en op Hem vertrouwen, zult u een bevestigd christen worden. Uw geloof zal niet een onbestendig en bedeesd geloof zijn, dat buigt voor elke wind; u zult geworteld en gefundeerd zijn in de zekerheid van het geloof. Deze beproevingen van u zullen helpen om u vast te doen wortelen in de goede aarde van het vertrouwen op God. In de toekomst zult u God zegenen voor de wolken en de duisternis, omdat daardoor uw beproefde geloof uitgroeide tot een sterk geloof en uw sterke geloof rijpte tot volle verzekerdheid. Ongetwijfeld zal het geloof onze nachten tot de vruchtbare moeders van meer heldere dagen maken.

En laat ik afsluiten met te zeggen, dat weldra – en misschien veel eerder dan wij denken – wij zullen komen in een veel groter licht dan waar we zelfs op gehoopt hadden.Misschien zult u een paar honderd meter verder een licht zien opgaan, zelfs een licht dat lang geleden is gezaaid voor de rechtvaardigen (Ps. 97:11). Uw geween is haast afgelopen; vreugde komt in de morgenstond. U zult neerzitten en zeggen: “Ik had niet gedacht dat de dag zo snel zou aanlichten; maar nu de zon is opgegaan, merk ik dat ik zelfs in de nacht bewaard ben voor duizend gevaren, en dat ik veilig geleid ben langs plaatsen waar alleen de HEERE mij kon bewaren.”

Broeders, laat ons zelfs nu een nieuw lied voor de HEERE zingen, want Hij heeft wonderbare dingen gedaan. Hij heeft de blinden geleid door een weg die ze niet kenden. Hij heeft ons juwelen in de duisternis geschonken. Hij heeft onze weeklage veranderd in een rei (Ps. 30:12). Hij zij voor altijd geloofd, ja voor eeuwig.

Hoe luid zullen sommigen van ons zingen als we eenmaal in de hemel zijn! Als we huppelen langs het gouden strand, hoe zullen we dan die almachtige liefde grootmaken, die ons voor duizend verslindende golven bewaarde! Voorzeker zullen er in de hemelse koren bepaalde stemmen naar hogere tonen reiken dan alle andere, omdat ze de hoogten en de diepten van de liefde van God hebben gekend. Er zal een volheid, een volmaaktheid en een zoetheid zijn in de klank van bepaalde stemmen, die hen vermaard zullen maken onder de hemelingen, zoals Heman, Asaf en Ethan dat waren onder de lieflijke zangers van Israël in de aardse tempel. Wie zijn dezen en van waar zijn ze gekomen? Het enige antwoord op die vraag zal zeker zijn: “Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams” (Opb.7:14). Wees daarom vol goede moed, o volk van God, dat in duisternis wandelt, want u zult rijk beloond worden. En u, arme tobbers die tot nu toe geen hoop hebt en bang bent dat God u voor altijd heeft verworpen: kom en rust nog deze morgen in Jezus Christus. Vertrouwop Jezus, en trotseer de duisternis en de duivel die daarover legeert. Zo gauw u durft te vertrouwen op Christus Jezus, onze Heere, is uw redding zeker. Vertrouw slechts en uw Zaligmaker is gehouden om uw vertrouwen te beantwoorden en om het goed met u te maken door u te redden. De HEERE zegene u om Jezus’ wil!

Amen

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend