24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Gezaaid onder de doornen

Gezaaid onder de doornen

“En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve. Mattheus 13:7

“En die in de doornen bezaaid is, deze is degene die het woord hoort; en de zorgvuldigheid van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom verstikt het woord, en het wordt onvruchtbaar.Mattheus 13:22

De arbeid van de zaaier is te vergeefs geschied, als hetgeen uit zijn zaaien voortkomt onvruchtbaar is. En dan heeft hij zijn kracht verspild. Zonder vrucht zou het werk van de zaaier onzinnig schijnen, want hij neemt goede tarwe, werpt haar weg en verliest haar in de grond. Het prediken zou de meest nutteloze van alle bezigheden zijn, als het woord niet geschikt is om in te gaan tot het hart en een goed resultaat op te leveren. O mijn hoorders, indien gij niet bekeerd wordt, dan verspil ik tijd en krachten met hier te staan! Men zou het wel waanzin kunnen achten, dat een gehele dag van de week doorgebracht wordt in het aanhoren van redevoeringen, indien er geen gevolgen uit voortkwamen voor hart en geweten. Indien gij geen vruchten voortbrengt tot heiligheid. En indien het einde niet is het eeuwige leven, dan zou ik nuttiger werkzaam zijn met stenen te breken aan de weg dan met voor u te prediken.

Het vruchtdragen maakte het verschil openbaar tussen de verschillende soorten van grond, waarin de zaaier het zaad gestrooid had. Gij zou niet met zoveel zekerheid de hoedanigheid er van hebben kunnen kennen, indien gij de mislukking of de voorspoed van het zaad niet had gezien. Wij kennen uw hart niet, vóór wij uw houding en gedrag zien ten opzichte van het Evangelie. Indien het in u voortbrengt heiligheid en liefde tot God en mensen dan weten wij dat er goede grond in u is. Doch indien gij niets meer bent dan veelbelovende mensen, zonder ook volbrengende mensen te zijn, dan weten wij dat de grond van uw hart hard is, of steenachtig, of doornig. Het woord des Heeren proeft het hart en de nieren van de kinderen der mensen. En hierin is het als het vuur dat het verschil doet kennen tussen metaal en schuim. O, waarde hoorders, ook gij wordt heden getoetst! Gij zult wellicht de prediker oordelen, doch een, groter dan de prediker, zal u oordelen, want het Woord zelf zal u oordelen. Gij zit hier als een rechtbank van gezworenen over u zelf: uw eigen toestand zal duidelijk in het licht treden door de wijze waarop gij Gods Evangelie aanneemt of afwijst. Indien gij tot lof van Gods genade vrucht voortbrengt, zo is het wel. Doch zo niet, met hoeveel aandacht gij ook schijnt te luisteren en het gehoorde in uw geheugen bewaart, zo er geen zaligmakende uitwerking is teweeggebracht in uw ziel dan zullen wij weten dat de grond van uw hart door de Heere niet werd toebereid, maar nog in zijn natuurlijke toestand van onvruchtbaarheid verkeert.

Welke vrucht hebt gij tot nu toe voortgebracht van al uw horen? Mag ik die vraag zeer persoonlijk richten tot u allen? Sommigen van u zijn van uw kindsheid af hoorders geweest – bent gij er beter door geworden? Welk een lange lijst van predikatiën moet gij nu al aangehoord hebben! Telt uw zondagen eens over. Hoe velen hebt gij er beleefd? Denkt aan de godvruchtige leraren die nu reeds in de hemel zijn en naar wie gij eens geluisterd hebt! Denkt aan de tranen die door hun woord aan uw ogen ontvloeid zijn! Indien gij nu nog niet verlost bent, zult gij dan ooit verlost worden? Indien gij nog niet heilig bent, zult gij ooit heilig worden? Waarom heeft de Heere zoveel ten koste gelegd aan iemand die dit zo weinig beloont? Waartoe dit verlies? Voorwaar! Gij zult zeer veel te verantwoorden hebben in die grote dag, als de dienstknechten van God rekenschap zullen afleggen. En geen blijdschap zullen smaken bij de vermelding van uw naam. Hoe zult gij u voor God verontschuldigen dat gij hun zo veel teleurstelling hebt veroorzaakt?

Ik zal heden slechts over één soort van hoorders spreken. Ik zal niet spreken tot hen, die het Woord horen, doch er vanwege de hardheid van hun hart niets van meedragen. Deze zijn de hoorders voor wie het zaad “bij de weg” gevallen was. Ik zal het woord ook niet richten tot hen, die de waarheid met plotselinge geestdrift ontvangen, doch haar even geredelijk verlaten als hun verdrukking of vervolging overkomt. Dat zijn de hoorders van de steenachtige grond. Ik zal slechts handelen met diegenen van u die het Woord aandachtig hoort. En het, in zekere zin, ook ontvangt in uw hart en verstand, zodat het zaad in u groeit. Ofschoon deze vrucht nooit tot volkomenheid geraakt. Gij bent godsdienstige mensen, en, naar alle schijn, bent gij onder de invloed van de godsvrucht. Gij vertoont overvloedige bladeren, doch er is geen koren in de aar, geen degelijkheid in uw christendom. Ik kan vanwege de grote lichaamszwakte, waaronder ik heden lijd, thans niet met kracht tot u spreken. Doch wat ik zeg, zeg ik met de ernstige begeerte dat de Heere het aan u zal zegenen. Een welsprekend gehoor kan iedere prediker welsprekend maken. Zo wilt mij dan heden helpen. Indien gij mij uw oor wilt geven dan zal het gebrekkige van mijn tong vergoed worden. Indien gij uw hart geeft aan God dan zal Hij zijn waarheid zegenen, hoe zwak zij door mij ook geuit zal worden.

Ik wens ten eerste een weinig tot u te spreken over het zaad dat gij hebt ontvangen; ten tweede over de doornen; ten derde over de uitkomst, het resultaat er van.

I.

Ten eerste een weinig over HET ZAAD. Herinnert u in de eerste plaats, dat het overal hetzelfde zaad was. Daar ginds heeft het dertigvoudige vrucht voortgebracht. Het was hetzelfde zaad dat in u verloren ging. In nog een beter geval heeft het zaad honderdvoudige vrucht gedragen. Het was volkomen hetzelfde koren dat ook in uw akker gezaaid was. De zaaier is voor al het zaad naar de graanschuur van zijn Meester gegaan. Hoe komt het dan dat het bij u geheel en al verloren ging? Indien er twee evangeliën waren, dan zouden wij tweeërlei resultaat kunnen zien, zonder dat het de schuld was van de grond, waarin het mislukte. Maar voor velen van u, tot wie ik spreek, is er gedurende uw gehele leven slechts één Evangelie geweest. Gij bent opgegaan naar dit huis van het gebed, waar wij nooit ons zaad veranderd hebben, doch altijd voortgegaan zijn met de ene eeuwige waarheid van God te zaaien. Velen hebben honderdvoudige vrucht gedragen van het zaad dat met volle handen van deze kansel gezaaid is. Zij hebben niets meer gehoord dan gij gehoord hebt. Hoe veel beter echter hebben zij er niet mee gehandeld dan gij er mee gehandeld hebt! Ik wens dat gij hier eens over nadenkt. Hoe moet uw hart niet met doornen en distels bedekt zijn, dat het Evangelie, waardoor uw zuster of uw vriendin bekeerd werd, u nooit heeft getroffen! Ofschoon gij zegt in het Woord van God te geloven, heeft het toch nooit zulk een uitwerking op u gehad dat gij er heilig en godvruchtig door bent geworden. Gij bent nog slechts een hoorder. Hoe komt dit? De schuld ligt niet aan het zaad, want het is hetzelfde dat voor anderen zo nuttig geweest is.

Gij hebt het Evangelie met genoegen gehoord. “Hebt gehoord,” zegt gij, “ik heb het al gehoord, toen ik nog een klein kind was.”Uw moeder heeft u in haar armen naar het huis van God gebracht. Gij hebt het gehoord. En gij hoort het nog, al is het u ook als een oud lied. Maar is dit nu alles? Ik ben er zeer dankbaar voor, dat gij het Evangelie hoort, want ik hoop dat God het weldra in u zal doen opwassen en vrucht voortbrengen. Maar toch rust er een zware verantwoordelijkheid op u. Denkt eens aan de voorrechten die u ten deel vielen! Hoe zult gij van die voorrechten rekenschap kunnen geven, indien gij ze veronachtzaamt en als zij door die veronachtzaming nutteloos worden? Waarde hoorders, indien wij in het hart van Afrika woonden en wij stierven zonder te geloven in Christus, van wie wij nooit hadden gehoord, dan zou dit onze schuld niet zijn. Doch hier zijn wij in het hart van Londen, waar het Evangelie in alle straten wordt gepredikt. En zo wij omkomen zal ons bloed op ons eigen hoofd zijn. Is het uw bedoeling naar de hel te gaan? Bent gij zo wanhopig slecht dat gij met het kleed van de christenen om de leden daarheen wilt gaan? Indien gij volhardt met uw ziel te verwoesten, dan zullen mijn ogen u volgen met tranen. En als ik niet meer bij machte ben u te waarschuwen, dan zal mijn ziel in verborgen plaatsen wenen vanwege uw verdorvenheid.

De personen die in mijn tekst beschreven worden, zijn niet slechts hoorders, doch in zekere mate hebben zij het goede Woord ook aangenomen. Het zaad viel niet slechts op de grond, maar ook in de grond, zodat het begon te groeien. Van u is het waar dat gij het Evangelie niet afwijst of er niet over twist. Het doet mij genoegen dat gij geen moeilijkheden hebt te overwinnen omtrent de ingeving van de Schrift. Of de Godheid van onze Heere. Of het feit van zijn verzoening. Gij hult u niet in de nevelen van de “moderne gedachte,” maar gij belijdt uw geloof in het oude Evangelie. Dat is nu alles heel goed, doch wat moet ik denken van het vreemde feit dat uw aannemen van de waarheid generlei uitwerking op u heeft? Het is een zeer treurig geval, niet waar, dat iemand het Evangelie gelooft waar te zijn, terwijl hij leeft, alsof het een leugen was? Indien het de waarheid is, waarom gehoorzaamt gij er niet aan. De mens weet, dat er verzoening is aangebracht voor de zonde, doch hij heeft zijn zonden nooit beleden. En het grote Offer niet aangenomen. Die grote waarheden die als een sterrenkroon het kruis omstralen – hij heeft er de schoonheid van gezien. Hij heeft zich in haar glans verlustigd. Nooit heeft hij echter haar licht toegelaten in zijn hart om er een weerschijn van te doen vinden in zijn zedelijk karakter. Dit is kwaad, niets dan kwaad. Indien gij de waarheid gelooft, wat doet gij dan méér dan de duivel? Ja, gij staat nog bij hem ten achter, want hij gelooft en siddert. En gij bent er nog niet toe gekomen om te sidderen. Het behoorde zo te wezen dat elke grote waarheid welke men gelooft, invloed moest uitoefenen op het gemoed, de gedachten moest beheersen, een gestalte moest geven aan het leven. Dit is de natuurlijke vrucht van een grote geestelijke waarheid. Als de leer der genade bezit neemt van de geest en het hart bestuurt, dan zal zij het zuiverste resultaat opleveren. Maar als zij in ongerechtigheid wordt aangenomen dan is het eerder een vloek dan een zegen om zulk een kennis van het hoofd te bezitten. Is het niet verschrikkelijk Gods openbaring te geloven zonder Gods Geest te ontvangen? Het is alsof men een bron ontvangt, doch er nooit het water van drinkt. Alsof men koren in de schuur aanneemt. En toch omkomt van honger. God ontferme zich over de bezitters van een dood geloof!

Het zaad, dat onder de doornen gezaaid was, leefde en bleef groeien. En in het hart van vele mensen groeit in zekere zin het Evangelie van de goddelijke waarheid. Zij begrijpen het beter, kunnen het krachtiger verdedigen en er vloeiender over spreken. In zekere zin en in zekere mate oefent het ook invloed op hen uit, want de grove ondeugden worden nagelaten. Zij zijn tamelijk goede namaaksels van gelovigen. Gij kunt de vorm van een aar onderkennen. De halm heeft zich door de doornen heen geworsteld, tot gij haar hoofd zien kunt en er toe komt om er koren van te verwachten. Neem nu echter die schijn-korenaar in de hand en betast haar. Er zijn wel de huizen, doch er is niets in. Gij hebt de vorm van een korenaar, doch er komen geen graankorrels uit. Ik wens te spreken tot hen die wellicht gedoopt zijn. En leden zijn van de gemeente. En ik wens u enige vragen te stellen? Gelooft gij niet dat er heden ten dage veel uitwendig belijden zonder innerlijke waarheid wordt gevonden? Gelooft gij niet dat er velen zijn die de naam hebben van te leven en dood zijn? “Ja,” zegt gij, “ik ken iemand, die, geloof ik, in die toestand verkeert.” Kan er nu niet iemand anders zijn die juist zo oordeelt over u? Zou het niet goed zijn u zelf deze vraag te stellen? Hebt gij waarlijk in de Heere Jezus gelooft? Bent gij waarlijk bekeerd van de zonde en van het eigen ik? Richt uw scherp kritisch oog eens op uzelf. Onderzoek uw eigen daden en oordeelt daarnaar uw toestand. Doet u zelf eens in de smeltkroes. O, mijn God, indien ik nu eens een prediker was voor anderen en zelf verworpen moest zijn! Zal niet iedere ambtsdrager in de gemeente en ieder lid van de gemeente op dezelfde wijze tot zichzelf spreken? Gij zult heden middag naar uw zondagsschool gaan. Zult gij de kinderen leren wat gij zelf niet weet? Gij wilt heden avond naar een vergadering gaan en tot anderen over bekering spreken. Zult gij hen aansporen tot hetgeen gij zelf nooit hebt ervaren? Gij hebt geen schone prediking nodig. Wat gij behoefd is uzelf te onderzoeken. Zulk een grondig onderzoek zal aan de gezonden geen kwaad doen en de zieken tot zegen wezen. “Heere, laat mij het ergste van mijn toestand kennen,” dat is een gebed dat ik dikwijls bid. En ik raad het ook u aan te bidden.

Tot zover wat het zaad betreft. Het was goed zaad, het was gezaaid. Het was door de grond ontvangen, het wies op en beloofde voorspoedig te zullen zijn. Doch bleek in het einde toch onvruchtbaar. Er zijn zeer vele mensen die het christendom aannemen, geregeld naar de kerk gaan. En een eerlijk, zedelijk leven leiden. Doch Christus is voor hen niet alles in alles; Hij heeft slechts een zeer ondergeschikte plaats in hun genegenheden. Hun koren is overschaduwd door een gans kreupelbos van doornen die het zó verstikken dat het onmogelijk groeien en tot rijpheid komen kan. Hun godsdienst is begraven onder hun wereldsgezindheid. Droevig zal hun einde zijn. Moge God in zijn genade ons voor zulk een oordeel behoeden.

II.

Maar nu wens ik in de tweede plaats enige woorden te spreken over DE DOORNEN. Door Mattheüs worden zij aangeduid als “de zorgvuldigheid van deze wereld en de verleiding van de rijkdom.” Lukas voegt er bij: “en wellusten des levens. En Markus maakt ook nog melding van “de begeerlijkheden omtrent de andere dingen.” Ik veronderstel dat de zaaier geen doornen gezien heeft toen hij zijn handvol koren uitstrooide. Zij waren allen gelijk met de grond afgesneden. Hij heeft waarschijnlijk de hoop gekoesterd dat het overal goede grond was. En daarom heeft hij hem bezaaid, weinig vermoedende dat de doornen er reeds bezit van hadden genomen.

Merk wel op, dat doornen de grond van nature eigen zijn. Sedert de val zijn doornen de eerstgeboren kinderen van de grond. Geen kwaad dat de godsdienst in de weg staat is iets buitengewoons. Het is wat wij van de gevallen mens moeten verwachten. De genade is een uitheemse plant. Doornen zijn inheems. De zonde is zeer thuis in het menselijk hart. En, evenals onkruid, schiet zij welig op. Indien gij naar de hemel wenst te gaan, dan zou ik wel enige tijd nodig hebben om u de weg te wijzen. En ik zou u moeten aansporen tot ijver en volharding. Doch indien gij naar de hel wilt gaan wel! “Breed is de weg, die tot het verderf leidt.” Het is slechts een weinigje verzuim of veronachtzaming. “Hoe zullen wij ontvlieden indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?” Slechte dingen zijn gemakkelijke dingen. Want zij zijn natuurlijk voor onze gevallen natuur. Goede, rechtvaardige zaken zijn zeldzame bloemen die gekweekt moeten worden. Indien iemand van u schade heeft geleden aan zijn ziel door de zorgvuldigheden van het leven en de verleiding van de rijkdom, dan verwondert mij dit niet. Want dit is geheel natuurlijk. Zo wees dan op uw hoede tegen dit velerlei kwaad. Ik bid u, zegt tot u zelf: kom, er is wel iets in hetgeen deze man zegt dat waardig is om ter harte te worden genomen. Hij is wel zeer vervelend en ouderwets, doch hij kon toch wel eens gelijk hebben in hetgeen hij zegt. Het zou kunnen wezen dat ik de doornen duld in mijn hart die het goede zaad verstikken. Want ik ben van gelijke bewegingen als andere mensen. Ik smeek u, hebt acht op uzelf, opdat gij ten laatste niet bedrogen uit mocht komen.

De doornen waren reeds in de grond. Zij waren niet slechts de natuurlijke bewoners van de grond. Zij waren er in geworteld en bevestigd. Onze zonden maken aanspraak op het bezit van onze vermogens. En vrijwillig zullen zij dat bezit niet opgeven. Zij zullen voor de Heilige Geest, of voor het nieuwe leven, of voor de invloeden van de goddelijke genade niet zonder hevige worsteling wijken. De wortels van de zonde hebben zich wijd en zijd uitgespreid in onze natuur, haar met een verbazingwekkende kracht aangegrepen en vastgehouden. O, waarde hoorder, wie gij ook zijn mag, gij bent een gevallen schepsel. Al waart gij de Paus, of de President van de Verenigde Staten, of de Koningin van Engeland, dan zou het toch waar zijn dat gij in zonde bent geboren en in ongerechtigheid bent ontvangen. En dat uw onwedergeboren hart arglistig is, meer dan enig ding, ja dodelijk is. De staatskerk van de stad Mensziel heeft de duivel tot aartsbisschop. De zonde heeft onze natuur omvat, zoals een boa-constrictor zijn slachtoffer omvat. En als zij gedurende twintig, veertig of zestig jaren haar bezit heeft gehandhaafd, dan zult gij, hoop ik, niet zo dwaas zijn van te denken dat heilige dingen heel gemakkelijk de overhand zullen krijgen. Onze boze natuur is door en door conservatief. En zij zal elke poging tot een revolutie, waardoor de genade van God zal heersen door gerechtigheid, uit alle macht tegen gaan. Zo waakt dan en bidt, opdat generlei verzoeking het goede in u verstikken zou. Waakt, want de genade is een teer plantje in een grond die haar vreemd is. En in een voor haar zeer ongunstig klimaat. Terwijl de zonde in haar eigen element is. En diep in de grond is geworteld.

Weet gij, waarom zo veel belijdende christenen als de doornige grond zijn? Het is omdat er werkingen zijn nagelaten die in die stand van zaken een grote ommekeer teweeggebracht zouden hebben. Het was de plicht van de landman de doornen uit te roeien. Of ze op de plaats zelf uit te branden. Als de mensen in vroeger tijd bekeerd werden dan plachten zij overtuiging van zonde te kennen. De grote ploeg der zielsbenauwdheid werd gebruikt om diepe voren te maken in de ziel. En ook het vuur brandde met heftige hitte in het gemoed. Als de mensen de zonde zagen en de ontzettende gevolgen er van bespeurden, dan werd de liefde tot die zonde bij hen uitgebrand. Maar heden horen wij het geraas in onze oren van snelle bekeringen. Ik, voor mij, geloof in plotselinge bekeringen. En het verblijdt mij ze te zien, doch nog blijer ben ik, als ik een grondig werk der genade zie. Een diepe bewustheid van zonde, een krachtige doorwonding, veroorzaakt door de wet. Met ploegen, die slechts de oppervlakte van de grond aanraken, zullen wij de doornen nooit uitroeien. Het beste koren groeit in akkers die het best beploegd zijn. De bekering zal waarschijnlijk daar stand houden, waar de doornen niet op kunnen schieten, omdat zij door de ploeg werden ontworteld. Waarde hoorder, lijdt gij thans onder een diepe en smartelijke overtuiging van zonde? Dank God er voor. Bent gij in grote zielsbenauwdheid? Denk niet, dat u hiermee door een ramp bent getroffen. Moge God zelf voortgaan met u te beploegen. En dan in u te zaaien. En een krachtig werk in u te werken. Gij ziet alzo dat deze doornen inheems waren in de grond, inboorlingen die het land van oudsher in bezit hadden. En dat het goed geweest was, zo zij uitgeroeid waren geworden.

De doornen moesten groeien. Er is een ontzettende levenskracht in het kwaad. Eerst doen die doornen enige dunne twijgjes uitspruiten. Die twijgen vertakken zich. En zo komen er al meer en meer om hun gezelschap te houden. Totdat het korenhalmpje als een eenzaam plantje in het midden van een kreupelbos van doornen stond. En er al meer en meer door werd overschaduwd. De doornen streefden naar de heerschappij. En hebben haar ook spoedig verkregen. Dit geschied zijnde tijgen zij nu aan het werk om het koren te vernielen. Zij versperden het de weg. Sommigen van de doorntwijgen kronkelden zich om de korenhalmen, totdat deze tenslotte er door verstikt werden.

De doornen haalden al het voedsel van de tarwe naar zich toe. En zo moesten de korenhalmen verhongeren. Want er is slechts een zekere hoeveelheid van voedsel in de grond. En als dit door de doornen verteerd wordt, dan blijft er voor de tarwe niets over. Er is slechts een zekere hoeveelheid van gedachten en van kracht in de mens. En als de wereld ze ontvangt, dan kan Christus ze niet ontvangen. Indien onze gedachten zich bezig houden met zorgvuldigheden en wellusten, dan kunnen zij zich niet bezig houden met de godsdienst. Is dat niet duidelijk? Dat is de manier, waarop de doornen gehandeld hebben met het koren: zij hebben het laten verhongeren door er het voedsel van te verteren. En zij hebben het doen verstikken door er de zon en de lucht van af te sluiten. En zo werden dan die arme korenhalmen dor en zwak, geheel onmachtig om de graankorrels voort te brengen die de zaaier er van verwachtte. Zo is het ook met vele belijdende christenen. Zij zijn in den beginne werelds, echter niet zo heel werelds. Zij zijn tamelijk godsdienstig, doch niet al te ijverig. Zij zoeken de genoegens van deze wereld, maar volstrekt niet in zo hoge mate als anderen. Doch weldra komen de doornen op. En nu wordt het twijfelachtig wat de overhand zal hebben, zonde of genade, de wereld of Christus. Twee meesters kunnen er niet zijn. En vooral in dit geval is dit onmogelijk, daar geen der strijdende partijen een mededinger kan dulden. De zonde is uit een koninklijke, hoewel boze stam voortgekomen. En zo zij in het hart is, zal zij naar de heerschappij streven. En zo is het geschied dat het onkruid, in de akker geduld zijnde, het goede zaad verstikt heeft.

Laat mij u deze doornen enigszins beschrijven. Mattheüs, Markus en Lukas te samen lezende, bevinden wij dat er vier soorten van doornen zijn geweest. De eerste soort wordt genoemd: “De zorgvuldigheden van deze wereld.” Deze zullen ongetwijfeld de armen aanvallen: zij zijn maar al te zeer geneigd bezorgd te worden en mistrouwen te koesteren aangaande wereldrijke aangelegenheden. “Wat zullen wij eten? Wat zullen wij drinken? Waarmee zullen wij ons kleden?” Deze drie-eenheid van mistroostige vragen is voor velen een ware kwelling. Maar bezorgdheid blijft ook van de rijken niet weg. Zorg verwijlt bij rijkdom zowel als bij armoede. “Hoe zal ik méér verkrijgen? Hoe zal ik het verkregene opleggen? Hoe zal ik het vermeerderen?” En zo voorts. Het is tegen “de zorgvuldigheid van deze eeuw” dat wij het sterkst gewaarschuwd worden. Elke eeuw brengt haar eigen tobberij mee. Het is niet de zorg van God te behagen – er is geen enkele eeuw die deze zorg kent, – neen, de zorg, de bekommering van de eeuw geldt de een of andere ijdelheid. En een van de meest blijvende zorgen is de begeerte om gelijke tred te houden met uw medegenoten, deftig en voornaam te zijn in de ogen van de wereld. En de uiterlijke schijn op te houden. Dat is de zorg die als een kanker aan het hart van velen knaagt. Knagende zorg bezorgt aan zeer veel mensen grijze haren. En zal menig voorhoofd met rimpels doorploegen. Als gij de zorg laat groeien in uw ziel, dan zal zij uw godsdienst verstikken. Gij kunt niet tegelijk om God geven en om de mammon. “Wij moeten zorg hebben”, zegt iemand. Er is een zorg die gepast is. En er is een bezorgdheid die ongepast is. Het is een gepaste zorg of bekommernis die gij op de Heere kunt werpen “Werpt al uw bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u.” Het is een onbetamelijke zorg, als gij er niet mee tot God durft gaan, maar ze zelf moet dragen. Wacht u voor bezorgdheid, want zij zou het hart van uw godsdienst weg knagen.

Er waren anderen, die “de bedrieglijkheid van de rijkdom”(volgens Matth.13: 22, naar de Engelse overzetting) ervaren hebben. Onze Heere spreekt niet van de “rijkdom”, maar van “de bedrieglijkheid van de rijkdom.” Die twee dingen gaan altijd samen: rijkdom is altijd bedrieglijk. Hij bedriegt de mensen bij het verkrijgen er van, want zij hebben een onbillijk oordeel over de zaken, zodra er gewin voor hen in het spel is. De bekoorlijke klank van het goud of het gezicht van “de almachtige dollar” maken een wereld van onderscheid voor het oor en voor het oog bij het beoordelen van zaken. De mensen kunnen het niet bijbrengen om door eerlijkheid en oprechtheid verliezen te lijden. En zo kiezen zij dan de twijfelachtige weg. En zullen zó lang speculeren, tot het dobbelen wordt. Zij zouden er niet aan denken zulk een gedragslijn te volgen, indien de hoop op gewin hen niet bedroog. Ons gedrag moest nooit door verlies of gewin worden geregeld. Doe recht, al zou ook de hemel naar beneden vallen. Doe geen onrecht, al zou gij er ook een koninkrijk door kunnen winnen. De mensen nemen Adam Smith’s “rijkdom der volkeren” ter hand. Het is een merkwaardig boek, waarin zij zekere wetten vinden, die, geloof ik, even vast en onveranderlijk zijn als de wet van de aantrekkingskracht van de aarde. Gedreven door de bedrieglijkheid van de rijkdom gebruiken zij die wetten tot voorwendsel om het aangezicht der armen te vermalen. Zij zouden even goed de mensen naar de top van een rots kunnen brengen, ze van daar in de afgrond werpen, zodat zij verpletterd worden. En dan zeggen:” Dit is het natuurlijk gevolg van de aantrekkingskracht van de aarde.” Zeker! De wet van de aantrekkingskracht van de aarde werkt onverbiddelijk. En evenzo werkt ook de wet van vraag en aanbod onverbiddelijk. Doch geen van deze wetten mogen wij gebruiken om er wreedheid jegens armen en nooddruftigen mee te bedekken. Toch doen velen dit door “de verleiding van de rijkdom.”

Er is ook een grote verleiding in rijkdom, als hij reeds verkregen is, want er worden in de mens velerlei ondeugden door aangekweekt, welks bestaan hij zelfs niet had vermoed. De een is trots op zijn rijkdom en verbeeldt zich nederig te zijn. Hij is een man die door eigen kracht en wijsheid groot en rijk is geworden. En daarom aanbidt hij zichzelf. In zijn hart denkt hij: “Ik ben een belangrijk persoon. Ik kwam naar Londen met een daalder in mijn zak. En nu zou ik wel een hele straat kunnen kopen.” Voor zo iemand moet men eerbied hebben, niet waar? Al is hij ook op wat vreemde wijze aan zijn geld gekomen. Heden ten dage doet het er weinig toe, hoe gij aan uw geld komt. Alleen, zie het te verkrijgen. En gij zult een gehele menigte van bewonderaars hebben. En de verleiding van de rijkdom zal u in staat stellen om ook u zelf te bewonderen. Met de hoogmoed komt de begeerte naar de omgang met rijke lieden en naar ijdel gezelschap. En ook aldus wordt aan de godsdienst groot nadeel toegebracht. Zeer gemakkelijk komt dan afgoderij in het hart met deze wereld en haar schatten. “Ik geef niet om geld”, zegt iemand. “Gij weet, dat niet het geld, maar de liefde tot het geld de wortel is van alle kwaad.” Zo is het. Doch bent gij er zeker van, dat gij het geld niet lief hebt? Gij bent er in uw gedachten zeer mee bezig. Gij houdt het tamelijk stijf vast en vindt het hard om er van te scheiden. Ik zal u niet beschuldigen, maar wel wens ik dat gij tot het besef zult komen dat rijkdom, voordat men het weet, als een worm aan het hart van de mensen knaagt.

Gij kunt de verleiding van de rijkdom bespeuren als gij let op verontschuldigingen die de mensen maken dat zij zó veel voor zich trachten te verkrijgen, doch het aan de zaak van God onthouden. “Zij zijn voornemens er heel veel mee te doen.” Hoort gij de duivel niet lachen. Ik spreek niet van vele geliefde broederen, hier tegenwoordig die met de middelen, hun door God geschonken, werkelijk veel doen. Maar wel van hen, die voor niets anders leven dan om schatten op te hopen. En zeggen dat zij voornemens zijn er later veel goed mee te doen. Dat zeggen zij. Zal het ooit tot iets meer komen dan tot zeggen? Ik vrees dat zeer vele rijken zich hierin bedriegen. Zij gaan voort met schatten te vergaderen, zonder ze ooit te gebruiken. Zij maken tichelstenen, maar bouwen niet. Alles wat zij verkrijgen zullen is een hoekje in een geïllustreerd nieuwsblad, waarin te lezen staat, hoeveel zij bij hun dood hebben nagelaten. O, mijne hoorders, hoe kunt gij het aldus toelaten dat het goede in u verstikt wordt? Overal waar deze verleiding van de rijkdom de overhand verkrijgt zal zij het goede zaad verstikken. De mens kan niet met gretigheid rijkdom wensen te verkrijgen en vurig verlangen de rijkdom te behouden. En te vermeerderen. En miljonair te worden. En tegelijkertijd een waar dienstknecht van de Heere Jezus zijn. Naarmate het lichaam rijk wordt, zal de ziel verarmen.

Lucas spreekt ons van een ander soort van onkruid, genaamd de “wellusten van het leven.” Ik houd er mij van overtuigd dat deze doornen heden ten dage een ontzettende rol spelen. Ik heb volstrekt niets tegen betamelijke uitspanning. Er zijn uitspanningen die nodig en nuttig zijn. Maar het is ellendig als uitspanning of vermakelijkheid de zaak wordt waarvoor men leeft. Uitspanning moet gebruikt worden om ons goed te doen, zoals men medicijnen gebruikt. Maar nooit mag zij als voedsel voor de mens worden gebruikt. Sommigen brengen van de vroege morgen tot de late avond hun tijd door in beuzelingen. Of soms werken zij met geen ander doel dan om geld te verkrijgen ten einde hun genoegens en vermakelijkheden te kunnen bekostigen. Dit is slecht. Door zulk voortdurend beuzelen zijn alle heilige gedachten en godvruchtige voornemens in veler hart onderdrukt en verstikt geworden. Wat de wereld “plezier” noemt, is de dood voor alle denken. Dit is de eeuw van buitensporig genieten, iedereen haakt naar genot. In de meer sobere tijd van onze vaderen hadden de mensen iets beters dan dwaze pret om voor te leven. De doornen verstikken de eeuw.

Markus voegt er bij: en de begeerlijkheden omtrent andere dingen. Ik zal al die andere dingen niet bij name opnoemen. Maar alle dingen, behalve de dingen van Christus en van de Vader zijn “andere dingen.” Indien iemand zijn leven doorbrengt met iets dat niet is tot de eer van God, hoe goed het op zichzelf ook mag wezen, dan wordt het goede zaad door een geringer voorwerp verstikt. Iemand is zeer bedreven in de kunst zo hij er alle krachten en gaven aan besteedt. Dan doet hij er wel aan, indien die kunst gebruikt wordt als een muildier voor Christus, om er op te rijden. Maar zo de kunst rijdt op Christus, dan is dit een groot kwaad. Ik ontmoette jaren geleden eens een predikant die mijlen ver liep om een nieuw soort van kever te zoeken. Hij was een groot insectenkundige. En daarvoor heb ik hem niet gelaakt, want voor een nadenkend man is er uit de insectenkunde zeer veel nuttigs te leren. Indien hij echter zijn predikdienst veronachtzaamt om insecten te kunnen vangen, dan verwondert het mij niet dat zijn gemeenteleden wensen dat zijn insecten zijn oude preken maar weg knagen omdat zij zo heel oud en oudbakken zijn. Ik noem het een verstikken van het zaad als onze geest beheerst wordt door de beoefening van iets dat van minder aanbelang is, terwijl dan de zaak van God en van de waarheid slechts de tweede plaats moet innemen in het hart. Iedere keer als Christus niet ons alles is in alles wordt het zaad in onze ziel verstikt. Gij bemerkt mijn gedachtegang. Wat het ook zij – gewin, roem en eer, wetenschap, genot en genoegen – het kan alles doornen zijn die het zaad verstikken.

Ds. Jay heeft nooit méér voldoening gesmaakt dan toen hij eens te Bristol een briefje ontving van de volgende inhoud: “Een jongeling die voorspoedig is in zijn zaken verzoekt om het gebed van Gods volk dat de voorspoed geen strik voor hem mag worden.” Ziet toe, dat gij uw voorspoed in dit licht beschouwt. Mijn lieve vriend, Dr. Taylor van New York zegt dat sommige hedendaagse christenen een “vlinder-christendom” bezitten. Als tijd en kracht, gedachten en talenten allen tot bloot amusement zijn aangewend, wat zijn dan die mannen en vrouwen anders dan vlinders? Wat men de “hoge kringen” van de samenleving noemt, is slechts een verzameling van mensen die hun tijd in ijdelheid doorbrengen. En elkander daarin behulpzaam zijn. O, waarde hoorders, wij zijn toch waarlijk niet in de wereld gekomen om onze tijd te verbeuzelen! Ik geloof niet, dat wij in de wereld zijn gekomen om ons dood te zwoegen. En evenmin om ons leven te laten wegroesten in ledigheid. Wij zijn hier gekomen, zoals men in een portaal komt, ten einde daarna het huis binnen te treden. Het leven is de doorgang naar het paleis van de hemel. Gaat er op zulk een wijze doorheen dat gij met heilige vreugde tot de Koning in kunt gaan. Indien gij uw hart en uw gedachten aan deze voorbijgaande dingen wijdt – waarin zij ook mogen bestaan – dan zult gij uw zielen ten verderve voeren. Want dan kan het goede zaad niet groeien.

III.

En zo zal ik nu tenslotte stilstaan bij DE UITKOMST. Het zaad was onvruchtbaar.

Deze doornen en distels konden het zaad niet uitrukken of het wegwerpen. Het bleef waar het was. Doch zij verstikten het. Zo kan het ook wezen dat uw zaken, uw zorgen, uw genoegens de godsdienst niet bij u ontworteld hebben – zoals hij is, is hij nog bij u aanwezig. Maar die dingen verstikken uw betere gevoelens. Een man die stikt is tot niet veel meer in staat. Als een dief in zijn huis komt en hij wenst zijn eigendom te verdedigen, wat kan hij dan daarvoor doen, terwijl hij stikt? Hij moet wachten totdat hij weer op adem komt. Welk een massa van verstikte godsdienst hebben wij rondom ons! Die godsdienst kan nog in leven zijn. Ik weet niet of hij het is of niet is. Maar wél weet ik, dat hij een zeer doods voorkomen heeft. God behoede u er voor dat uw godsdienst verstikt wordt!

Ik heb u reeds gezegd dat er al het nodige voedsel aan was onttrokken. Ziet op vele christenen. Ik noem hen christenen, omdat zij zichzelf zo noemen. Een jongen liep te koop met koekjes en riep overluid: “Warme koekjes!” Iemand die er één van hem kocht bevond dat zij geheel koud waren. “Jongen,” zei hij, “waarom hebt gij die koekjes warm genoemd?” “Omdat zij zo heten,” antwoordde de knaap. Zo zijn er ook veel mensen, die christenen genoemd worden, doch geen christenen zijn. Zij zijn onder die naam bekend. Maar het wezen van christen te zijn is door andere dingen in hen vernietigd. Gij ziet de gestalte van een christen. Gij hoort iets van de spraak van een christen. Doch de vrucht van een christen is er niet. Dat is het gevolg van het verstikken door de doornen. Van de zorgvuldigheden, rijkdom, wellusten des levens en van wereldsgezindheid in het algemeen.

Het weinigje leven dat er in het koren was, was ziekelijk. Laat mij sommige personen er opmerkzaam op maken dat hun geestelijk leven zwak begint te worden. Hoe lang heeft heden uw morgengebed geduurd? Bloost niet. Ik zal er niets meer van zeggen. Heden avond gaat gij niet naar de kerk? Gij acht het genoeg zo gij de halve zondag aan Gods aanbidding wijdt. Zou gij niet graag ergens wonen waar gij in het geheel niet naar de kerk behoeft te gaan? Hoe dikwijls leest gij in de Bijbel? Is het u een genot om met uw gezin te bidden? Ach! Zeer veel zogenaamde christenen hebben de huisgodsdienst maar voor goed opgegeven. Hoe staat het met het bijwonen der weekbeurten? Gij gaat niet dikwijls naar de bidstond. Neen, de kerk is te ver. “Wel, ik zou er wel graag heen gaan, maar, ziet gij, er is dan juist een buitenpartij.” Wilt gij dan in de winter komen? “Ja, dat zou ik wel willen, doch dan komt juist de een of ander. En dan brengen wij te samen de avond door met een gezellig spel.” Hoe velen zijn er niet in die toestand! Ik zal hen niet oordelen; maar ik herinner mij dat een voortreffelijk leraar placht te zeggen: “Als de weekbeurten worden overgeslagen dan kan men wel vaarwel zeggen aan het leven van de godsvrucht.” Zulke mensen schijnen zich nooit te baden in hun godsdienst. Zij bevochtigen zich slechts een weinig. En zo trachten zij een goed en rein voorkomen te hebben. Maar inwendig zijn zij niet gereinigd.

En wat aangaat het openlijk belijden van Christus – daarin komen velen geheel en al te kort. Indien gij in de engte werd gedreven met de vraag op de man af: “Bent gij een christen?” Gij zult zeggen: “Wel, ik ga naar de kerk.” Maar gij begeert ganselijk niet u de lieflijke beschuldiging te laten aanleunen. Onze vrienden van het “Leger des Heils” schamen zich hun godsdienst niet. Waarom zou gij er u wél voor schamen? Onze Kwakervrienden plachten breedgerande hoeden te dragen. Doch tegenwoordig leggen zij, zeer terecht, hun eigenaardige kledij af. Nu hoop ik maar dat dit voor u het teken niet is dat gij uw godsdienst mag verbergen. En zoveel mogelijk der wereld gelijkvormig mag wezen. Hoopt gij krijgsknechten te wezen zonder dat gij ooit uw uniform draagt? Dat is een van de kentekenen van een kwijnende godsdienstigheid.

Als het er toe komt om het Evangelie te verdedigen, waar ziet gij dit dan in onzen tijd? Ik heb gehoopt dat er onder de Baptisten velen gevonden zouden worden, wie de waarheid ter harte gaat. Maar thans kom ik tot de gevolgtrekking dat het bij velen is als met de speelman. Men vroeg hem welk beeld Wellington en welk beeld Bonaparte voorstelde: “Hetwelk gij maar wilt, lieve kinderen,” antwoordde hij, “betaalt uw entree en kiest dan maar zelf, wie gij wilt!” Vrije wil of vrije genade, menselijke verdienste of Christus’ zoenbloed – dat komt er heden niet meer op aan. Nieuwe of oude theologie, menselijke bespiegeling, of goddelijke openbaring – wie geeft er om? Wat is er hun aan gelegen of Gods waarheid of de leugen van de duivel stand houdt? Ik ben deze dwazen moe! De doornen hebben het zaad verstikt op de kansels en in de kerken, zowel als in de afzonderlijke personen. Ach! Dat God mocht wederkeren! Dat zijn Geest mannen onder ons verwekte die in waarheid geloven. En die de kracht van hun geloof tonen!

De vrucht van veel hedendaagse vroomheid is nihil. Ik was eens in gezelschap met enige bejaarde christenen. Zodra wij bijeen waren begonnen wij al dadelijk te spreken van de weg, die God houdt met zijn volk. En wij verhaalden elkaar voorbeelden van gebedsverhoringen. En wij spraken over de vrije genade van God en zijn getrouwheid jegens zijn heiligen. Toen die gesprekken een poosje geduurd hadden gaf één van hun te kennen dat hij er veel van had genoten. “Helaas,” zei hij, “niemand spreekt thans meer van God. Zeer zelden hoort men meer melding maken van zijn voorzienigheid en zijn bereidwilligheid om het gebed te verhoren. Men spreekt over de marktprijzen en het weer. En de “Home rule” (zelfregering in Ierland). En de heer Gladstone. En de “Scheiding van Kerk en Staat.” Doch zeer weinig over de Heere Jezus Christus.” Dat getuigenis was waar. In vroeger tijd spraken de kinderen Gods dikwijls met elkander. En de Heere stond aan het venster en luisterde. “De Heere merkt er toch op en hoort.” Hij beminde hun gesprekken zó zeer dat Hij zei ze te willen schrijven in een boek. “Er is een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven voor degenen die de Heere vrezen en voor degenen die aan zijn naam gedenken.” Waar kunt gij thans bevindelijke christelijke gesprekken horen? De doornen verstikken de heilige gemeenschap. Vurig gebed! Krachtig gebed! Waar vindt gij het? Gode zij dank, wij hebben hier sommige broederen, van welke het gebed de vensters van de hemel zou kunnen openen of toesluiten. Maar dit kan niet van zeer velen worden gezegd. Gaat eens naar de bidstonden in de meeste kerken. Hoe arm zijn zij! Op het platte land worden de bidstonden gedurende de hooitijd en de oogst gans en al nagelaten. In Londen laat men de bidstonden niet ophouden in de zomer, omdat zij van te weinig aanbelang zijn om er formeel van te zeggen dat zij ophouden. Hoe kunnen wij een zegen verwachten, als wij te traag zijn om er om te vragen? Is het geen bewijs van de stervende toestand van de godsdienst, als wij zelfs leraren twijfel horen opperen aan de waardij van bidstonden. Alleen maar om er hun onverschilligheid door te bedekken?

Waar ziet gij een innig, hartelijk genieten van de dingen van God? Het geestelijk leven moet wel heel flauw en zwak zijn als er zo weinig verlustiging is in de heilige dienst. O, mocht het oude Methodistische vuur weer eens opvlammen! O, dat wij bij de klank van Jezus’ naam ons hart in ons van blijdschap voelden opspringen! O, dat wij als lichtbakens waren, dat de vlam van onze heilige liefde en zielsverrukking opging naar de hemel! Het is een droevige dag, als de godsdienst uitgaat zonder zijn sieraad van de blijdschap te dragen. Als een leger zijn vlag heeft achtergelaten dan heeft het blijkbaar alle gedachten aan de overwinning opgegeven.

Indien er verval is in het geestelijk leven dan kunnen wij geen daden van heilige toewijding verwachten. O, dat er mannen en vrouwen waren die hun albasten fles tot Jezus brachten! Het verheugt mij die soort van klacht te horen: “Ik heb voor de Heere niet gedaan wat ik had moeten doen. Ik ben nu al sedert vele jaren een gelovige geweest. Maar ik heb voor zijn zaak niet gegeven wat ik er voor had moeten geven. Zeg mij wat ik doen moet.” Er zijn hoopgevende tekenen in zulke vragen. En daarom zijn zij goed. Maar nog beter zou het zijn om maar vroeg te beginnen ten einde zulk leedgevoel te voorkomen.

Ik wens u, mijn waarde hoorder, de vraag voor te leggen: bent gij vruchtbaar geweest? Bent gij vruchtbaar geweest met uw bezittingen? Bent gij vruchtbaar geweest met uw talent? Wat doet gij thans voor Jezus? De zaligheid wordt door geen doen verkregen van mensen. Gij bent zalig geworden uit genade. Maar indien gij aldus zalig gemaakt bent, toont het door u toegewijd leven aan de dienst van de Heere. Wijdt u heden opnieuw en ten volle aan de dienst van uw Meester. Gij bent uw zelf niet, gij bent duur gekocht. En zo gij niet gelijk wilt wezen aan dit door de doornen verstikte zaad, zo leeft met een alles verterende ijver, terwijl gij leeft.

“Maar”, zegt iemand, “daar zijn de doornen.” Ik weet het. Zij waren hier, toen onze gezegende Heiland onder ons is gekomen. En zij zijn tot een wrede kroon voor Hem gemaakt. Zult gij er nog meer aankweken? Mag ik u dringend en ernstig vragen om niet langer doornen te kweken? Zij zijn nutteloos. Er komt geen goed uit voort. Alles wat gij najaagt dat niet tot eer van God is, is een doorn en is tot niets nut. In het eind zal hij u even smartelijk zijn als hij uw Heere geweest is. Een doorn zal uw vlees, ja, ook uw hart verscheuren. Als gij komt te sterven zullen deze doornen in uw hoofdkussen wezen. Zelfs als gij sterft in de Heere zal het uw hart grieven als gij bedenkt dat gij niet méér voor Jezus geleefd hebt. Indien gij voor deze dingen leeft, dan zal het u berouwen, want zij zijn gelijk doornen, pijnlijk in het verkrijgen, pijnlijk in het behouden en pijnlijk in de uitrukking er van. Gij die wel eens een doorn in uw hand gehad hebt, weet wat ik bedoel. Wereldse zorgen komen met smart, blijven met smart, en worden niet dan met smart weggedaan.

Toch is er nog enige nuttigheid in doornen. Waarin bestaat die nuttigheid? Ten eerste: zo gij heden doornen bij u hebt, doe er mee wat een kind er mee doet. Wat doet het kind? Als hij een doorn in zijn vinger krijgt ziet hij er naar en schreit. Hij doet hem zo zeer! Dan loopt hij naar zijn moeder. Dat is de lieflijke nuttigheid van de tegenspoed, het verschaft hem terstond toegang tot zijn moeder. “Waarom komt gij hier,” zegt zij wellicht, “ga spelen in de tuin.” Maar hij schreit en roept: “Ach, moeder, ik heb een doorn in mijn vinger.” Dit argument is volkomen voldoende om hem de gehele aandacht van de koningin des huizes te verzekeren. Zie met hoeveel tederheid zij die kleine dolk verwijdert! Laat uw zorgen u uitdrijven tot God. Ik zou het niet betreuren als gij vele zorgen hebt, indien zij allen u slechts dringen tot gebed. Indien elke smart of kwelling u meer doet steunen op Jezus, zal het een weldaad voor u zijn. Het is aldus, dat gij ook van de doornen een goed gebruik kunt maken.

En dan kunnen doornen ook gebruikt worden om er een heg van te maken ten einde de bokken van werelds vermaak te beletten de jonge plantjes van uw genadegaven te eten. Laten de zorgen des levens de verzoekingen weren die u anders ernstig kwaad en nadeel zouden berokkenen.

Mogen wij elkaar ontmoeten in de hemel! Welk een grote vergadering is het, tot welke ik heden heb mogen spreken. Van de einden der aarde bent gij wellicht hier gekomen. De Heere zegene u! Er zijn hier zeer vele vreemdelingen, want de meeste van onze gewone hoorders zijn uit de stad. Wellicht zal ik u dus nooit weer zien op aarde. Mogen wij elkander allen ontmoeten in de hemel, waar nooit doornen zullen groeien! Mogen wij door de engelen vergaderd worden ten dage als de Heere zeggen zal: “Brengt de tarwe samen in mijn schuur!” Amen. Zo zij het.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend