24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Eerst de genezing en dan het dienen

Eerst de genezing en dan het dienen

“En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag de moeder van de vrouw van Petrus te bed liggen, hebbende de koorts. En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende henlieden.” Mattheus. 8:14,15.

Deze gebeurtenis had plaats te Kapernaüm, maar Petrus’ woonplaats was te Bethsaïda; want wij lezen: “Filippus was van Bethsaïda, de stad van Andreas en Petrus.” Hoe kwam Petrus er toe een huis te hebben te Kapernaüm? Arme visserslieden hebben niet vaak twee huizen. Ligt er niet een grote waarschijnlijkheid in de veronderstelling, dat Petrus, bemerkende dat de Heere Jezus Christus dikwijls te Kapernaüm was, het het best oordeelde daar een woning te hebben, zodat hij altijd tegenwoordig zou kunnen zijn, wanneer de Meester predikte. En zijn best zou kunnen doen om Hem van tijd tot tijd levensonderhoud te verstrekken? Het is mij een aangename gedachte, dat de dienaar, ter wille van zijn Meester, van woonplaats veranderde. Zou het niet goed zijn, zo vele Christenen wat meer omzichtigheid betoonden bij het kiezen van een huis en hun gedachten er over lieten gaan of het wel geschikt gelegen is voor het horen van het woord? Zijt gij niet met mij van oordeel, dat vele belijders voornamelijk het oog hebben op allerlei andere voordelen en wanneer zij voor goed hun keuze gedaan hebben, naderhand in de tweede plaats vragen naar de afstand tot een huis, waar zij God kunnen dienen, de christelijke gemeenschap beoefenen en voor anderen tot nut zijn? Er zijn sommigen in deze gemeente, die naar dit deel van de stad verhuisd zijn om lid te worden van een ijverige, biddende kerk. Zulke gelovigen gevoelen, dat de eerste overweging in het leven de welvaart van hun ziel moet zijn, benevens het heil van hun kinderen en hun eigen nut in het bevorderen van de zaak van Christus. Waar zij op die wijze en om die reden een huis hebben uitgezocht, hebben zij bevonden, dat er een zegen op hen rust, overeenkomstig de belofte: “Zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.” Sommigen, die deze regel hebben vergeten en gelijk Lot de welbewaterde vlakten van Sodom hebben gekozen, hebben berouw over deze keuze gehad. Al is ook het huis gerieflijk en de betrekking aangenaam, deze voordelen wegen niet op tegen het verlies van de middelen der genade en het gemis van de gelegenheden tot de heilige dienst. Toen Mefiboseth te Lodebar, de plaats waar geen weide was, leefde, haalde David hem op naar Jeruzalem, waar hij zelf lust had te wonen. Het zou voor menige kreupele broeder goed zijn, zo hij een dergelijke verandering onderging. Aldus leren wij een les, vóór wij in werkelijkheid de drempel van Petrus’ huis overschrijden.

Onze Heere Jezus Christus had een zware dagtaak gehad. Hij was naar de synagoge geweest. Hij had gepredikt. Hij had wonderen gewerkt. Hij had Zich te midden van een grote schare bewogen. En nu de Sabbat ten einde neigde, had Hij behoefte aan verkwikking. En het kwam zeer van pas, dat Petrus een huis had, opdat de Heere in die richting kon gaan. Ik stel mij niet voor, dat het een deftig herenhuis was, waarschijnlijk was het weinig beter dan een hut, want Petrus was maar een visser. Doch dit huis ontving een hoge eer, doordien de Heere Jezus er binnen ging. Waar de koning is, daar is het paleis.

Ofschoon onze Heere naar het huis van Petrus ging om te rusten vond Hij het niet vrij van moeite. Het was een hospitaal vóór Hij er een paleis van maakte. De moeder van de vrouw van Petrus lag op haar bed uitgestrekt met een zware koorts. Tyfus van de ergste soort brandde haar in de aderen. Hoe goed een mens ook mag zijn, hij ontkomt niet aan beproeving in het vlees. Uw huis kan vol heiligheid zijn en tegelijk vol ziekte. Het blijkt ons waarheid te wezen, terwijl wij hier beneden zijn, dat wel het lichaam dood is om der zonden wil, maar dat de geest leven is om der gerechtigheid wil. De wedergeboren geest is ten leven opgestaan, maar het lichaam toeft onder de macht van de dood en van de daarmee gepaard gaande pijn en zwakheid. Sommige personen schrijven alle ziekte aan de duivel toe en leggen degenen, die smartelijk bezocht worden, bijzondere zonde ten laste. Deze leer is zo vals als zij wreed is. “Die de Heere liefheeft, kastijdt Hij.” Ik kan er getuigenis van afleggen, dat sommigen van de heiligste personen, die ik ooit gekend heb, jaren achtereen bedlegerig zijn geweest. En anderen, in wie het beeld van Christus uitblonk, van wier lippen allen in het rond de heerlijkste uitdrukkingen als vrucht van een heilige ervaring opzamelden, zijn wel twintig of dertig jaar onafgebroken sukkelende en lijdende geweest. Onze krankheden zijn door de Heere bepaald, hoe smartelijk zij ook mogen zijn. En wij mogen zonder twijfel zeggen, gelijk David deed: “De Heere heeft mij hard gekastijd.” “Heere, die Gij lief hebt, is krank,” is nog een waarheid. Zelfs het huis van Petrus, ofschoon het de verblijfplaats is van een uitverkoren heilige en een leidende apostel, wiens schaduw alleen eens een zieke zou genezen, had in zich een vreselijke koorts, die met de dood bedreigde. Doch Jezus kwam waar de koorts de lucht verpestte. Was de krankheid gekomen, de grote Geneesmeester was ook verschenen. Wij worden niet door het kruis verontrust, als Christus daarmee komt.

Merkt op met betrekking tot het binnengaan van onze Heere van het huis van Petrus, dat Hij daar kwam met Zijn drie meest begunstigde discipelen. Als gij de beschrijving leest, die door Markus in het eerste hoofdstuk gegeven wordt, zult gij misschien wel enigszins verwonderd zijn Petrus, Jakobus en Johannes daar te ontdekken. Wij lezen daar: “En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus enJohannes.” Of Andreas daar al of niet was, kan ik niet zeggen; hij was de mede-eigenaar van het huis, maar hij wordt niet vermeld als zich aldaar bevindende. Wanneer gij Petrus, Jakobus en Johannes met de Heere bijeen ziet, kunt gij bijzondere wonderen verwachten. Zij waren de mannen, die de uitnemende heerlijkheid van de Heere op de berg aanschouwden. Zij waren het meest nabij in de zielenstrijd in Gethsemané. Hun was het vergund de opwekking uit de doden van het dochtertje van Jaïrus te aanschouwen, toen de Heere de gehele verzamelde menigte deed uitgaan. Aan dit uitverkoren drietal openbaarde Jezus Zich zoals Hij zulks niet deed aan de overige apostelen, en nog veel minder aan de wereld. Heeft de Zaligmaker ons daardoor niet te kennen gegeven, dat de genezing van de moeder van de vrouw van Petrus een bijzondere openbaring van Zijn macht en genade was en dat het de bedoeling was een les te geven aan de meer uitgezochte geesten onder Zijn volgelingen? Ik denk het wel. En daarom zal ik deze omstandigheid ook als zodanig opvatten. Voor u, die Jezus zeer lief hebt en in Zijn bijzondere nabijheid verkeert, komt er een stem van het bed van haar, die uit de koorts opstond om haar Heere te dienen. Gij ook wordt uit uw zwakheid opgeroepen om persoonlijk Hem te dienen, Die al uw krankheden geneest.

Doch ofschoon Jezus met Petrus, en Jacobus en Johannes daar zijn, ziet gij niets voor u dan een toneel, een groep familieleden in een huis. De ware godsdienst openbaart zijn grootste wonderen rondom de huiselijke haard. De schoonmoeder van een visser wordt een historisch persoon, door dat de Heere haar aanraakte. Welk een heerlijkheid werpt Jezus op alledaagse dingen! Met welk een grootheid versiert Hij een kamer in het huis van een arme man! De hut van een visser wordt het hoofdkwartier van de overste Leidsman van onze zaligheid. Binnen haar deuren geneest Hij een vrouw en het duurde niet lang of “de gehele stad was bijeenvergaderd omtrent de deur.” O dat wij iets dergelijks mogen aanschouwen: onze eigen dierbaren gered en daarna de gehele stad in opschudding om de goddelijke genezing te zoeken!

Wij zullen onze verhandeling verdelen in vier delen en aan het hoofd van elk daarvan een opmerking plaatsen.

I.

Laat ons dan in de eerste plaats opmerken, DAT ER MOGELIJK SOMMIGEN IN ONS HUIS ZIJN, DIE DE BEDIENING VAN DE HEERE JEZUS NODIG HEBBEN. Eén persoon in Petrus’ huis kon Jezus nog niet dienen, want het was nodig, dat Christus Zijn bediening tot haar uitstrekte. Zij was door een hevige koorts aangetast en lag machteloos op het ziekbed neer, geheel en al onbekwaam om op te staan. Laat ons zien of wij niet rondom ons de zodanigen hebben, die geestelijk krank zijn, op een wijze, welke aan een zware koorts doet denken.

Wat zou de koorts voorstellen? Zij, die de koorts hebben, stellen geestelijk die mensen voor, die van zonde branden. Het oorspronkelijke woord voor “koorts” heeft een nauwe verwantschap met het woord “brand.” De grote dichter der wereld spreekt van “de brandende koorts.” Een brandende hitte steekt het lichaam aan, jaagt het bloed onstuimig door de aderen, maakt mond en tong droog en doortrekt het gehele gestel. Zij, die de koorts in hun ziel hebben, gevoelen een brandend verlangen naar de zonde, worden in vuur gezet door kwade begeerten, en verhit door de boze lusten. Welk een ongezonde energie leggen velen aan de dag in het botvieren aan hun hartstochten of in het najagen van hun eerzuchtige oogmerken. Zij worden door hun begeerten zo zeer in vuur en vlam gezet, dat hun leven als door een brand verteerd wordt. Hebben wij niet sommigen, die wij hartelijk beminden, door deze woeste ongeregeldheid aangetast gezien? Raakt sommige punten aan en wij ontdekken dat zij te dien opzichte aan een vreselijke kwaal lijden; zij zijn in een gemoedstoestand die aan een inwendig vuur doet denken. Men kan hen er niet toe brengen, dat zij koel en nuchter nadenken en kalm oordelen; zij verkeren in een staat van prikkelbaarheid en opgewondenheid. Wanneer wij hen aanraken, menen wij de hand van een koortslijder te vatten. Hun gehele natuur brandt door het vuur van de zonde. Zulke personen zijn niet altijd in gelijke mate aangestoken. Menigmaal zijn zij in een zachte stemming en handelbaar. Dermate, dat wij ten opzichte van hen met hoop worden vervuld. Dikwijls is de koorts intermitterende of bij tussenpozen; de patiënt is de ene tijd heet en de andere tijd koud. Ook bij vele zondaars is de koorts der zonde in haar verschijnselen intermitterend. Zij drinken niet altijd; somtijds zijn zij lange tijd achter elkaar nuchter en openbaren zij zich als ten zeerste met berouw vervuld over hun vroeger ongebonden leven. Welk een aangenaam gezelschap, welke behoorlijke, vernuftige geesten zijn zij op zulke tijden! De koorts komt terug en niets kan hen intomen. Zij drinken weer zo hard als zij kunnen. Welk een ellende wordt daardoor, helaas, veroorzaakt! Anderen zijn voor een tijd zachtaardig en beminnelijk. En dan geven zij weer plotseling aan de toom toe en niemand weet, waartoe zij in hun woorden en daden al niet toe kunnen komen. Als de koorts zich eerst weer van hem heeft meester gemaakt, zijn zij weer even hittig ontstoken als altijd. Wij kennen personen, van wie de hitte van de koorts zolang geweken is, dat wij voor vast denken, dat zij genezen zijn. Maar helaas! Hun koele tijden zijn niet meer dan een pauze tussen de aanvallen. En het kwaad keert met toenemende kracht terug. Hun goedheid is als de morgenwolk en als de vroeg komende dauw; zij komt als een hoopgevend teken. Maar verdwijnt ook weer geheel en al. Wij hebben de tijd tussen de aanvallen van de koorts ten onrechte voor de kalmte van een genezing aangezien, maar het is gebleken, dat wij ons vergist hebben. Zelfs zijn zij na hun hoopvolle tijden waarschijnlijk nog erger geweest dan zij vroeger ooit waren. Evenals de persoon, van wie de boze geest uit eigen beweging uitging, doch alleen om weer te keren en met zich te brengen zeven andere geesten bozer dan hij zelf om daar in te gaan en te wonen. Hebt gij niet zulke gevallen onder uw eigen dak of onder uw naaste bloedverwanten – gevallen van arme zielen, inwendig brandende door de verschrikkelijke hitte der zonde?

Deze koortsachtige lieden zijn dikwijls zeer onrustig. Het is een van de uitwerkselen van de koorts, dat de lijder niet lang achtereen op dezelfde zij kan liggen, maar zich al heen en weer draait. Zelfs zijn slaap wordt gedurig afgebroken; zomin bij nacht als overdag kan hij rust vinden. Zijn levenskracht is opgeteerd en hij gevoelt zich zo zwak alsof hij reeds in het stof van de dood terneer lag en geheel ontbonden was. Wat hij ondervindt is niet zozeer pijn als wel iets erger dan pijn, een volslagen afwezigheid van rust. Hebt gij geen vrienden of betrekkingen, die in deze zin koortsig zijn? Ik had bijna gezegd: ik hoop, dat zij zo zijn, indien zij zich werkelijk onder de macht der zonde bevinden. Er zijn tekenen van leven, waar de onrust overheerst. Wij kennen jonge mensen uit gezinnen waar voorspoed heerst, die maar niet tevreden zijn. Zij schijnen het er op gezet te hebben om hun moeder het hart te breken. En hun vader weet niet wat hij met hen zal aanvangen. Niets bevalt hun, nooit zijn ze vast ergens bij. Zij zijn al wel bij een half dozijn ambachten of bedrijven geweest, maar overal haken ze weer af. Nu verlangen zij dan naar een vreemd land, of wensen zij dienst te nemen in het leger. In ieder geval, ze willen weer wat anders dan wat zij tegenwoordig hebben. Wij weten er voorbeelden van dat zij naar de buitenlandse bezittingen gegaan zijn en ook weer zijn teruggekomen, omdat zij daar niets konden vinden. Er werd verwacht, dat de zeereis hen wel zou genezen, maar helaas! Een zondaar op het land is ook een zondaar op de zee. De ziekte zit inwendig en er bestaat behoefte aan verandering van persoon eerder dan aan verandering van plaats. Onder de invloed van de koorts der zonde hebben de mensen allerlei wensen en zij weten zelf niet wat zij wensen. Zij zijn gelijk aan een rollend voorwerp, dat door een dwarrelwind wordt voortgedreven, of gelijk de golven der zee, die door de wind worden opgeheven en voort gezweept. Geen enkel deel van hen schijnt in rust te zijn. Een soort van waanzin heeft zich van hen meester gemaakt. Bovenal is er bij hen een ongerustheid in betrekking tot de zonde. Zij zondigen, maar zij ondervinden geen voldoening. En nadat zij gezondigd hebben, worden zij door gewetenswroeging verteerd, een wroeging evenwel welke tot geen praktische uitkomsten leidt. Want zij gaan weer naar de zonde terug en vliegen, evenals de mot, op nieuw naar de kaars, waaraan zij al eenmaal de vleugels gebrand hebben. Zulke personen worden dikwijls toornig tegen hun vrienden, wanneer zij in hun verkeerde handelingen worden tegengehouden, Zelfs worden zij ten laatste, gelijk Pashur in het boek van Jeremia, een schrik voor zich zelf en voor hun vrienden.

Mogelijk zet ik in dit alles mijn voet op een gevoelige bodem. Ik geloof, dat mijn woorden letterlijk waar zijn. Tot christenen, die van deze zware bezoeking niet weten, richt ik de opwekking om zeer dankbaar te zijn en God te bidden voor hen, die wel met deze bezoeking hebben te worstelen. Met die dierbare vrienden, welke de smartelijke beproeving hebben te ondergaan, deze in hun familie te hebben, wens ik medelijden te oefenen en hen aan te moedigen om koortsachtige geesten door geloof en gebed naar de Heere Jezus te brengen, opdat in hen de gelijkenis van de verloren zoon letterlijk moge worden vervuld.

Een van de verschijnselen van de koorts is, dat een mens de trek verliest naar datgene, hetwelk goed voor hem zou zijn. Sommigen van onze onbekeerde vrienden hebben geen smaak voor het evangelie. Wij kunnen hen er niet gemakkelijk toe brengen om er naar te komen luisteren. Indien gij hen onder het geklank van het woord kon krijgen, zou gij neerzitten en bidden. En zelfs worstelen en smeken voor hen, de gehele tijd dat de waarheid gepredikt werd; maar helaas! Zij willen niet toetreden; zij hebben geen smaak, geen lust, geen bekommernis voor hemelse dingen; de zaak, waaraan zij de meeste behoefte hebben, is die naar welke zij de minste begeerte gevoelen. Doch vreest niet: Jezus kan hun lust benevens al het andere schenken, hetwelk voor een volmaakte genezing nodig is.

Aan de andere kant gebeurt het dikwijls, dat een koortslijder een grote dorst heeft, welke hij met geen middel kan stillen. Hij verlangt te drinken en nog eens weer te drinken en met al zijn drinken wordt de hitte niet geblust. Somtijds heeft de kranke trek naar datgene, hetwelk hij niet mag proeven; hij roept om de schadelijkste en zelfs om de onnatuurlijkste dingen. Spijzen, welke zo verderfelijk zijn als maar mogelijk is, die verkiest hij. Zo is het ook met de onbekeerden, wanneer zij zich onder de volle macht van de zonde bevinden; zij zijn begerig genoeg om een goddeloze lezing aan te horen. Of te luisteren naar gevoelens, welke het tegengestelde van de waarheid zijn. Zij zouden iedere moeilijkheid het hoofd bieden om maar aan hun hartstochten de vrije teugel te kunnen laten en er alles voor over hebben om hun begeerten maar vervuld te krijgen. Gelijk de bloedzuiger roept: “Geeft, geeft!” Zo ook is de zonde onverzadigbaar. De zonde kan de ziel van de mens nimmer voldoening schenken. De dorstigen zouden even goed kunnen hopen door teugen van het zilte nat tot verlichting te ontvangen. Gelijk het is met bekers vol wijn, zo is het met de zonde: de ene maakt plaats voor de andere. Die gezondigd heeft, wil zondigen. Het is een verschrikkelijk deel van de straf der zonde, dat zij tot een gewoonte aangroeit en in kracht toeneemt naarmate er aan toegegeven wordt. Ik zou met recht van de zwarte wel der zonde kunnen zeggen: “Die van dit water drinkt, zal wederom dorsten en nog meer dorst hebben.” De zonde is een zaak, die zich snel voortplant en nooit alleen blijft. Het is u niet mogelijk één zonde in uw huis op zich zelf te doen blijven. Het duurt niet lang of zij brengt een talrijk nakomelingschap voort, een geslacht van adderen, menigvuldig als de haren van uw hoofd. Welk een vreselijke zaak is het, dat een mens een koorts in zijn leden heeft, welke hem doet dorsten naar datgene, hetwelk zijn dorst vermeerdert.

Maar het ergste in het geval van de zondaar is dit, dat deze koorts noodlottig zal blijken te zijn. Deze zoon, dochter, man of vrouw van u zal door de koorts der zonde, zo deze niet genezen wordt, omkomen. Een grote koorts is een groot gevaar. En zo is het ook met de zonde. In de dagen van onze Heere wisten de mensen niet zo goed als nu hoe zij de koorts moesten bestrijden; daarom waren degenen, die daardoor waren aangetast, ten dode opgeschreven. De arme vrouw zou gestorven zijn, als Jezus niet tussenbeide gekomen was. Zo is het ook met de dienaars der zonde, wier toestand wij bejammeren.

Ik heb alzo de kwaal beschreven; wat zullen wij er tegen doen? Laat ons zien wat de discipelen deden.

Markus zegt: “En terstond zeiden zij Hem van haar.” Ik zou er wel ernstig bij u op willen aandringen om hetzelfde te doen. Neemt het geval van de persoon, wiens toestand u op het hart ligt. En spreidt het uit voor de Heere. Spreekt over de zaak tot in bijzonderheden. Niet om Hem daarvan kennis te geven, maar om bij u zelf een biddende gestalte op te wekken. Ziet de zaak goed onder de ogen, brengt geen verontschuldigingen voor de zondaar in, en zegt het de Heere in alle getrouwheid hoe het met de dienaar of de dienares der zonde staat. Stort uw hart uit voor de Heere. En weeklaagt over de verlorene, gelijk Samuël leed droeg over Saul, alleen met een betere hoop. Vertelt het geval aan Jezus, juist zoals gij op natuurlijk gebied een ziektegeval aan de geneesheer zou meedelen. Hij is bereid het alles aan te horen en het in overweging te nemen. Maakt Jezus tot uw vertrouweling. Loopt de buurt niet af om over die u het naast zijn, te klagen. “Mijn jongen doet dit,” of “mijn man doet dat;” want dan kan het wel gebeuren, dat gij het kwaad verergert door de bedoelde persoon tegen u zelf en tegen uw godsdienst te verbitteren. Gij kunt dienaangaande alles aan Jezus zeggen, zonder enige beperking. Kwaad kan er van zulk een nauwkeurige mededeling niet komen. Het zal voor uw eigen gemoed een verlichting zijn en het is de geschiktste wijze om uw Heere te bewegen Zijn hulp te verlenen.

Lukas zegt ons: “En zij baden Hem voor haar.” Nadat gij het geval voor uw Heere hebt blootgesteld moet gij bij Hem pleiten. Pleit op Zijn beloften. En pleit op Zijn gezindheid. Bepleit de dringende noodzakelijkheid en de heerlijkheid, welke uit de genezing zal voortvloeien. Laat het geen koud gebed, maar een warm, hartelijk, innig smeken zijn. Twist niet met de zondaars over de godsdienst, maar worstelt met Christus omtrent hen. Smeekt de zondaars ten aanzien van Christus, maar laat nooit na Christus te smeken ten aanzien van de zondaars. Wanneer er bij de mensen weinig gedaan kan worden, kunt gij nog veel bij Jezus doen. Het zal van zeer weinig nut zijn, wanneer gij het hun voortdurend lastig maakt met: “gij moet dit niet doen,” en: “gij moet dat niet doen;” maar het zal van oneindige dienst zijn te gaan zeggen: “Heere! Wees deze arme zielen, die U niet kennen, genadig!” Houdt nimmer op met voor uw verloren zonen te bidden, zolang er een adem des levens in hun lichaam is, zelfs niet wanneer zij u daarom vloeken.

Wij vinden ook, dat toen zij Jezus van haar hadden gezegd en voor haar hadden gebeden, zij Hem in het vertrek brachten. Wij lezen toch in onze tekst: “En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag de moeder van de vrouw van Petrus te bed liggen, hebbende de koorts.” Het scheen wel of zij wilden zeggen: “Heere, dit is alles wat wij kunnen doen. Wij zouden gaarne willen, dat Gij een blik op de stervende vrouw werpt en haar beschouwt. Daar is zij.” Kunt gij u door het geloof de tegenwoordigheid van de Heere Jezus Christus niet zo voor de geest brengen, dat gij Hem ziet, bezig de verloren toestand te beschouwen van hen, in wie gij belang stelt? Uw vriend is door de koorts der zonde aangetast, maar Jezus ziet het. Uw zoon weet van geen rust, maar Jezus bespiedt hem. Uw dochter is in gevaar van om te komen, maar Christus slaat het oog op haar. Laat dag op dag uw aanhoudende gebeden hen onder het oog van Christus houden. Brengt al uw dienaars en dienaressen der zonde tot Jezus; legt ze aan Zijn voeten neer; laat hen in Zijn tegenwoordigheid blijven. Wanneer gij dit alles gedaan hebt; wanneer gij Hem van haar gezegd hebt, Hem voor haar hebt gebeden, Hem tot het huis gebracht hebt om op haar te zien, dan kunt gij Zijn genezende aanraking en Zijn zaligmakend woord verwachten. Dit is onze eerste opmerking.

II.

In de tweede plaats: DE BEDIENING VAN JEZUS MOET VOORAFGAAN AAN DE BEDIENING VAN DE GEZALIGDEN. Wij begeren met sterk verlangen dat die vrienden en betrekkingen van ons, die nu ziek zijn door de koorts der zonde, nog eens dienaars van Christus worden en er toe overgaan om Hem te dienen. Ik kan mij de vreugde voorstellen van die beangstigde moeder daarginds, indien haar ooit het voorrecht mocht te beurt vallen haar zoon het evangelie te horen prediken – die zoon die zover afgeweken is dat men hem wel hoort vloeken. Welk een genot zou het zijn voor het hart van de vrouw, indien zij haar ongelovige man in het openbaar het gebed kon horen doen. Sommigen van u denken thans aan enkele begaafde personen, die al hun bekwaamheden in het werk stellen tegen de zaak van Christus, en “o” zegt gij, “als die eens bekeerd werden, hoe zou mijn hart dan van vreugde in mij opspringen!” Dat is een goede begeerte, maar geeft er niet op een onverstandige manier aan toe. Vraagt hun niet iets voor Jezus te doen, zolang zij nog onwedergeboren zijn. De genezing moet er zijn vóór het dienen. Wanneer een persoon op het ziekbed ligt uitgestrekt en de koorts heeft, vraagt hem dan niet op te staan en de Heere Jezus Christus te dienen. Neen; Zijn bediening ten opzichte van de moeder van de vrouw van Petrus ging vooraf aan haar dienen van Hem. Zij lag te bed; de verschrikkelijke ziekte had haar op het ziekbed uitgestrekt. Een lichaam, dat grotelijks verzwakt is, schijnt zich aan het bed te hechten en er bijna in weg te zinken. En zo was het met haar. Zij was gelijk aan een voorwerp, dat men verpletterd heeft. Of aan een schaap dat op de rug in de sloot ligt. Zij was alzo machteloos om iets te doen. Zo is het ook met de zondaar. Wat kan hij voor Christus doen? “Want toen wij nog krachteloos waren, is Christus te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.” Er is geen kracht in een goddeloze, waarmee hij God zou kunnen dienen. Hij heeft geen geloof. En zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Hij heeft geen liefde. En zelfs al was een daad ook op de rechte wijze verricht, zo er geen liefde aan ten grondslag ligt, kan zij niet Gode welgevallig zijn. De zondaar heeft in werkelijkheid geen geestelijk leven. En als hij mocht trachten goede werken te doen, zouden het dode werken zijn, die de levende God niet kunnen behagen. Uit een vuile bron kan geen rein water opwellen. En uit een bedorven hart kunnen geen Gode welgevallige werken voortkomen. Christus moet ons kracht geven en in ons werken beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen, want zonder Hem kunnen wij niets doen.

Deze zieke vrouw was ook ten enenmale ongeschikt om iets voor Jezus te doen terwijl de koorts haar door de leden woelde. Overal waar zij heen ging zou zij de besmetting, welke haar ziekte veroorzaakt, verspreiden. Alles wat zij aanraakte zou besmet zijn. Iedere spijze, die zij toebereidde, zou een walg verwekken, alleen als men er maar aan dacht. Laat haar toch volstrekt te bed blijven, en laat niemand bij haar komen, dan die genoodzaakt is zulks te doen. Want de koorts maakt spoedig nieuwe slachtoffers. Zo ook kunt gij, die goddeloos zijt, Christus niet dienen; want alles wat gij doet is besmet, gij kunt zelfs niet uw hand op heilige dingen leggen zonder ze te bezoedelen. Uw gedachten zijn koortsig, uw woorden zijn koortsig, uw daden zijn koortsig. En daarom kunnen wij u niet tot medewerking in het werk des Heeren uitnodigen. Gij zou meer kwaad dan goed doen, indien gij als zondige mensen diensten wilde verrichten jegens een heilig God. Zodanig is uw natuurlijke verdorvenheid, dat gij overal in het rond besmetting zou verspreiden, zelfs als gij pogingen deed om de Heere Jezus te dienen.

Wat er nog bijkomt, indien een vrouw, die aan de koorts lijdt, onderwijl de koorts in haar lichaam woelt, opstond en gasten ging bedienen, zou zij geen goed stichten, maar zich aan verschrikkelijke gevaren blootslellen. Mensen, die de koorts hebben, moeten niet op de tocht komen. En er zich ook voor wachten, dat zij zich inspannen. Ieder geneesheer zou het ten hoogste nadelig achten voor iemand, die een hoge graad van koorts heeft, zo hij poogde te werken. Ik geloof gewis en zeker dat onbekeerde mensen zich zelf kwaad doen, wanneer zij godsdienstige werkzaamheden pogen te verrichten. Met een onvernieuwd hart te prediken kan niet anders zijn dan zijn eigen doodvonnis uit te spreken. Indien onvernieuwde mensen tot de tafel des Heeren komen, eten en drinken zij zich zelf een oordeel. En als zij op enigerlei wijze een belijdenis van geloof laten horen, maken zij zich voor het oog van de alziende God aan een valsheid schuldig, aangezien zij zulk een geloof niet bezitten. “Maar tot de goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen?” Neen, gij moet achteraf blijven, gij, die nimmer gewassen zijt in het bloed van het Lam. Gij kunt Christus niet dienen, zolang de felle koorts op uw aangezicht zichtbaar is. Hij, Die serafijnen tot Zijn dienaars heeft, verlangt geen koortsige diensten van zielen, die door de ongerechtigheid zijn aangetast. Koning Jezus verlangt geen slaven om het aantal van Zijn volgelingen te vergroten; gij moet eerst bevrijd worden van het juk der zonde. En dan zult gij dienaars van de Heere worden.

Luistert naar mij, gij allen die hier tegenwoordig bent, die door de koorts bent aangetast. Aangezien ik in het kort beschrijf hoe de Heere Jezus Christus Zijn bediening volvoerde ten opzichte van deze vrouw.

Hij verrichtte deze bediening door Zijn tegenwoordigheid. Dat Hij bij haar in het vertrek was had de betekenis dat de zaligheid tot haar huis was gekomen. Geliefden, gelooft dat Jezus Christus hier is. Tot Zijn dienaren heeft Hij gezegd: “Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.” Het is mij er om te doen, dat gij weet, dat Hij niet binnen de hemelse poorten is opgesloten, maar dat Hij hier is. En dat Zijn macht om zalig te maken in het midden van deze vergadering aanwezig is. En ook in uw huiskamer aanwezig zal zijn wanneer gij, naar huis teruggekeerd zijnde, voor Hem op de knieën valt.

Wat verder deze vrouw ten zegen strekte, was Zijn blik. “Jezus zag haar.” Daar ligt meer in opgesloten dan oppervlakkig schijnt. Gij weet wat een geneesheer bedoelt, wanneer hij zegt: “Ik zal komen om uw ziek kind te zien.” Hij bedoelt niet, dat Hij bloot naar dat kind wil kijken. Het is zijn voornemen de zaak grondig te onderzoeken, ze te bestuderen en te zien wat er gedaan kan worden. Wilt gij trachten te bedenken dat de Heere Jezus Christus u ziet. Dat Hij leest wat er in uw hart omgaat. Uw geheime gedachten kent, uw verborgen verzuchtingen hoort. En uw inwendige begeerten opmerkt? Hij aanschouwt de macht, welke de zonde over u heeft, de moeilijkheid, welke gij ondervindt in het komen tot Hem – Hij ziet dat alles. En weet hoe daarmede te handelen. Niet alleen is Jezus nabij, maar Hij is tegenwoordig, met Zijn ogen open, alles opmerkende, wat u deert. Hij ziet dit met een gemoed hetwelk ten zeerste met u mee gevoelt. En een hart dat haastig bereid is om verlossing te schenken.

Wat de Heere Jezus Christus verder als middel bezigde, was Zijn aanraking. Hij “vatte haar hand, en richtte ze op.” Daar hebben wij de genezing. Er was een aanraking tot stand gebracht. O, die heerlijke leer van de vleeswording van Christus, daar ligt genezing in! Ik bedoel niet in de leer, maar in het feit zelf, dat de Heere Jezus Christus ons vlees aannam en mens werd, “been van ons been, en vlees van ons vlees.” Zo raakt Hij ons aan en geneest ons. Was Hij geen mens geweest, dan kon Hij niet gestorven zijn. En was Hij niet gestorven, dan zouden wij voor eeuwig hebben moeten sterven. God in Christus Jezus is u zeer nabij, arme ziel. Zo nabij, dat als gij door het geloof de zoom van Zijn kleed aanraakt, gij gered zijt. Indien gij de Heere Jezus gelooft, staat Hij met u in verbinding; Zijn koele hand grijpt uw koortsige hand. En waar uw koorts zich in Hem oplost – want “Hij heeft onze krankheden op Zich genomen” – daar vloeit Zijn gezondheid in u over. Zodat gij kunt opstaan en Hem dienen. De aanraking door het geloof met Jezus Christus onze Heere is het verordineerde middel tot zaligheid.

En er had, behalve deze aanraking, nog een andere machtsopenbaring plaats: onze Heere sprak tot de koorts. Zijn woord is een machtswoord. Als de aanraking van onze Heere de vleeswording voorstelt, dan stelt Zijn woord de opstanding voor; want door het horen van de stem van de Zoon van God zullen alle doden uit hun graven opstaan. Zijn woord is levenwekkend. En waar het valt betoont het zich te zijn een levend en onvergankelijk zaad. Door het woord des Heeren, namelijk door het evangelie van Jezus, wordt de koorts der zonde uit mannen en vrouwen verdreven. O, dat de Heere Jezus nu door mijn lippen tot u mocht spreken – mocht spreken met almachtige kracht tot uw hart! O, dat gij, arme zondaar, krank door de zonde, het woord des Heeren mocht horen met de oren van uw binnenste, want zulk horen is het eeuwige leven! God helpe u zo te horen.

Er is genezing voor u; en ik zeg het u nogmaals, dat gij deze genezing deelachtig moet zijn, voordat gij voor Jezus kunt werken. Uw Heere moet met u beginnen, voordat gij beginnen kunt met Hem. Gaat niet met hoge maar verkeerde gedachten van u zelf dit gebouw verlaten met het besluit: “Ik wil een klas nemen in de zondagsschool;” ik wil trachten te prediken;” “ik wil mijn geld geven voor de zaak des Heeren.” Neen; houdt u achteraf, totdat gij genezen zijt; weent en bidt en zucht en kermt, totdat gij de genezing hebt ontvangen. Gij moet van Jezus alles ontvangen wat Hij heeft te geven, eer gij ook maar iets kunt geven aan Hem.

Dit moge hard klinken voor u, die het goed meent, maar God verhoede, dat ik u zou opkweken in een ijver voor God, welke niet in overeenstemming is met de kennis. Vreemdelingen kunnen niet in de voorhoven des Heeren staan; gij moet tot Israëlieten worden gemaakt, voordat gij priesters bij God kunt zijn. Eerst de zaligheid en dan het dienen.

III.

In de derde plaats wordt ons in de tekst duidelijk geleerd, dat DE KRACHT OM TE DIENEN KOMT MET DE GENEZING. “En zij stond op en diende henlieden.” De koorts veroorzaakt een buitengewone zwakheid. En wanneer zij de patiënt verlaat, is hij voor een geruime tijd buitengewoon in krachten afgenomen. De genezingen van de natuur gaan langzaam; maar wanneer Jezus geneest, doet Hij het in eens. Ofschoon Hij slechts een aanraking en een woord gebruikt, geneest Hij nochtans zo volkomen, dat er geen zwakheid overblijft. De vrouw lag een paar weken te bed, voedzame spijs gebruikende om zo haar krachten weer te krijgen. Maar zij stond zo maar in eens van haar bed op, gordde haar kleren aan en ging aan het werk om de plichten van de huishouding waar te nemen. Is het niet een wonderlijke zaak, wanneer wij haar zien, zich naar de keuken spoedende om het avondmaal voor de Heere Jezus Christus en Zijn vrienden te bereiden? Terwijl de dankbaarheid haar van het aangezicht straalde, plaatste zij de ene schotel na de andere op de tafel. En bracht zij water waarmee haar gasten de voeten konden wassen. Op het ogenblik dat de Heere Jezus Christus een ziel redt, geeft Hij die ziel kracht voor de haar aangewezen diensten.

Ik wens er uw aandacht op te vestigen, dat haar dienen een onmiddellijk dienen was dat zonder uitstel en op de plaats zelf verricht werd. Sommigen van u zijn in de laatste tijd van onze bediening bekeerd. Laat mij u mogen opwekken de Heere terstond te dienen, evenals de Heere u gediend heeft. “Hoe, dadelijk aan het werk gaan?” Ja onmiddellijk; want er is iets zeer schoon aan datgene, hetwelk door pas bekeerden verricht wordt. O, die schoonheid van de eerste blik van de liefde! O, die zoetheid van de eerste tonen van de lof! O, die macht van de eerste uitspraken tot het afleggen van getuigenis! Ik heb in het geheel niets op onze dierbare bejaarde heiligen aan te merken. Er is een rijkdom en een rijpheid bij hen. Maar toch, mijn ziel heeft begeerte naar de eerste rijpe vruchten. Er is een pittigheid en een geurigheid aan de eerste bessen der genade. Zelfs is er een zekere prikkeling aan te ontdekken, welke haar smaak des te beter merkbaar doet zijn voor hen, die traag en zorgeloos zijn. Geeft mij vruchten, bedekt met de morgendauw. Nieuw bloed in de aderen van de kerk dient grotelijks tot bevordering van haar gezondheid en haar levenskracht. De eerste vruchten zijn in sommige opzichten de beste vruchten. Ik zou niet willen, dat een bekeerde een week wacht, voordat hij iets voor Jezus tracht te doen. Loopt zo spoedig als het u blijkt dat gij voeten hebt.

Merkt ook nog op, dat wat deze goede vrouw deed, zeer gepast was. De moeder van de vrouw van Petrus ging het bed niet uit om de straat op te gaan en het woord te voeren tot de verzamelde menigte. Vrouwen zijn er het best aan toe wanneer zij zich rustig houden. Ik deel het gevoelen van de apostel Paulus, waar hij aan de vrouwen oplegt om in de gemeente te zwijgen. Toch is er voor de heilige vrouwen werk. En wij lezen van de moeder van de vrouw van Petrus, dat zij opstond en Christus diende. Zij deed wat zij kon en wat zij behoorde te doen. Zij stond op en diende Hem. Sommige mensen kunnen er niet toe komen om te doen wat tot hun roeping behoort, maar verspillen hun kracht met er over te jammeren, dat zij niet geroepen zijn om het werk van anderen te doen. Gezegend zijn zij, die doen wat zij dienen te doen. Het is beter een goede huisvrouw of verzorgster van de kinderen of dienstmaagd te zijn, dan te prediken zonder kracht of te spreken zonder genade. Zij stond niet op om een lezing gereed te maken of een predikatie uit te spreken, maar zij stond op om het avondeten klaar te maken. En dat was iets, waartoe zij in staat en geschikt was. Was zij geen huisvrouw? Dan moest zij ook als huisvrouw de Heere dienen. Ik beweer niet, dat als gij een week geleden bekeerd zijt, gij dadelijk moet gaan prediken. Neen; maar gij moet de Heere dienen in een weg, waarvoor gij het best toegerust zijt, en dat is mogelijk wel door een levend getuigenis van Zijn genade af te leggen in uw dagelijks beroep. Wij dwalen schromelijk, wanneer wij wanen, dat alleen een prediker de Heere kan dienen. Want Jezus heeft werk van allerlei aard voor allerlei volgelingen. Paulus spreekt van vrouwen, die hem zeer tot nut waren. En voorzeker, evenals er geen niets doende engel is, zo behoort er ook geen niets doende christen te zijn. Wij zijn niet zalig gemaakt om ons zelf, maar om de Heere en Zijn volk van dienst te zijn. Laat ons onze roeping niet voorbij zien.

Toen zij van de koorts genezen was, had de moeder van de vrouw van Petrus kracht om een passende dienst te verrichten, een zodanige als de bijzondere gelegenheid vereiste. Zij deed voor Jezus en de drie metgezellen wat op dat ogenblik en onder die omstandigheden nodig was. Jezus had een zware dagtaak gehad door het prediken en dat is hongerig werk. Hij had een moeilijke dag achter de rug door het genezen en dat is uitputtend werk. En nu had Hij behoefte aan enige spijze. En daarom kwam Hij in Petrus’ huis. De voornaamste persoon, die het werk verrichtte, lag daar machteloos neer. En daarom vroeg onze Heere niet om iets tot verkwikking. Hij dacht altijd eerder aan anderen dan aan Zich zelf. En ofschoon Hij mat was en Hem hongerde, plaatste Hij Zijn eigen behoeften op de achtergrond om aan de koortslijder de gezondheid weer te geven. Nadat dit geschied was, was wel het eerste dat er noodzakelijk moest gebeuren, dat de vermoeide Prediker en Geneesmeester verkwikt werd. En daar zorgde nu de dankbare vrouw voor. Toen onze Heere bij de fontein zat en met de Samaritaanse vrouw sprak, was Hij moe en mat en vroeg Hij om drinken; maar de eisen van de natuur werden door Hem zolang op zij gezet totdat Hij haar het evangelie gepredikt had. Toen kwamen de discipelen met de spijze, welke zij gekocht hadden. Bij deze gelegenheid in Petrus’ huis werd de verkwikking toegediend door haar, die pas het ziekbed verlaten had. “Zij stond op en diende henlieden.” Gij nu, waarde vrienden, die bekeerd zijt, kunt Christus dienen op een wijze die even noodzakelijk is als de dienst van Zijn bekwaamste predikers en zielenherders. Er is wel iets voor u te doen, hetwelk een verkwikking voor Hem en voor Zijn dienaren zal zijn. In Zijn neerbuigende goedheid vergunt Hij ons zulke diensten en neemt Hij ze genadiglijk aan. Gij kunt persoonlijk diensten bewijzen aan een persoonlijke Christus. Gij kunt niet alles doen, maar gij kunt toch wel iets doen dat Hem welbehaaglijk is. Gij mag, gij kunt en gij behoort zo iets te verrichten. Het dienen van Jezus is mogelijk, het wordt vergund, het wordt aangenomen en het is verplicht gesteld. Gij hebt uw ganse leven aan Hem te danken. Welaan dan, besteedt dat leven in Zijn dienst. Onmiddellijk, op deze zelfde dag, moet gij Jezus dienen. Indien gij eerst heden behouden en gered zijt, is er toch op deze dag nog wel iets voor u te doen. En op zijn plaats is zulks even noodzakelijk voor de eer van God als het dienen van cherubim en serafim. Welnu dan, doet het. U verder aanzetten wil ik niet, omdat ik in mijn laatste deel iets kan ontdekken, hetwelk u daartoe zal bewegen.

IV.

DE BEGEERTE OM TE DIENEN ONTSTAAT ALTIJD UIT DE GENEZING.

Wij aanschouwen hier een vrouw, een arme vrouw, een oude vrouw, een weduwvrouw, een vrouw die pas ziek geweest was. En zij begeert terstond Christus te dienen. Zij kan het doen. En zij doet het werkelijk. Hoe, zou gij denken, werd zij hiertoe bewogen? Kwam het niet hiervandaan, dat een gevoel van kracht van nature tot bedrijvigheid aanzet, zodra gij die kracht deelachtig zijt? Wanneer gij zeer uitgeput en afgemat terneer ligt, hebt gij geen begeerte om iets te doen. Gij hebt een gevoel alsof gij volstrekt stil moet liggen. Er is geen kracht in u en er is geen werkzaamheid in u. Maar personen die hun krachten weergekregen hebben, verlangen iets te doen. Somtijds trachten zij meer te doen dan zij kunnen. Zulk een aanwakkering ligt er in de herleefde kracht. Indien nu de Heere u geestelijk leven heeft geschonken, zal dat leven verlangen te werken. Indien Hij u licht heeft gegeven, zal dat licht schijnen. Zal de kaars er zich nu enigszins aan storen, als gij haar gebiedt, dat zij niet schijnen moet? Neen, zij kan niet anders dan schijnen, wanneer zij eenmaal aangestoken is. Indien Christus u Zijn genade heeft gegeven en deze in u is als een fontein van levend water, moet zij naar buiten vloeien, opdat anderen mogen drinken. Het baat niet of gij al tot het water zegt, dat het niet vloeien moet, of gij de fontein al gebiedt op te houden. De fontein kan het niet nalaten. Zij moet haar stromen uitzenden. En het is met u evenzo. De kracht, die God in Christus u gegeven heeft, zet tot werkzaamheid aan.

En ook de dankbaarheid voor deze kracht noopt u tot werkzaamheid. Hoe kan een mens stil zijn, wanneer Christus voor hem gesproken en hem verlost heeft? Enige tijd geleden lazen wij in de krant, dat de koning van Italië, tot zijn grote eer, bij een gerechtszitting verscheen ten behoeve van een man, die beschuldigd werd. Dat hij de oorzaak geweest was van de dood van een ander. De koning had het ongeluk gezien. En nu trad hij als een gewoon getuige de gerechtszaal binnen om te zeggen, dat het paard de bestuurder de baas was geworden en dat de man geen schuld had. Ik weet de naam van die man niet. Maar hiervan gevoel ik mij dan toch wel vrij zeker, dat als Jacobi of Antonio, of hoe hij dan ook mag heten, indien ooit koning Humbert iemand nodig heeft om een goed woord voor hem te spreken, een vriend in hem zal vinden. Hij zal zeggen: “Mijn koning kwam in het gerechtshof en sprak voor mij. En nu zal ik zolang ik leef niets dan goeds van hem spreken.” Nu is de Heere Jezus Christus pleitbezorger voor u, wees gij daarom pleitbezorger voor Hem. Kunt gij ooit het zwijgen voor Christus bewaren, nu de Heere Christus u heeft vrijgekocht van de vloek der wet en de straf der zonde? Ik zeg u, indien gij het van u kunt verkrijgen om te zwijgen en niets voor Christus te doen, vrees ik, dat gij Zijn liefde en genade nimmer hebt gesmaakt.

Daarenboven ben ik van oordeel, dat degenen, die door Christus genezen zijn, zeker werk van de rechte soort voor Hem zullen doen, omdat hun vroegere gewoonten hen daartoe zullen leiden. Ik bedoel hiermee niet, dat een zondige werkzaamheid ons ooit kan helpen in een heilige werkzaamheid. Maar wat ik bedoel is dit, dat wij onze oude gewoonten in het werk kunnen stellen voor Jezus. Ik geloof, dat de moeder van de vrouw van Petrus een bijzonder beminnenswaardige oude vrouw was. Er bestaat een zeker vooroordeel tegen een moeder van een vrouw. En waar Petrus het geschikt oordeelde, dat zij in het huis woonde, ben ik er zeker van, dat zij een bijzonder goede vrouw was. Voor het oog van mijn geest staat zij daar getekend als een lieve oude ziel, altijd bezig en altijd gelukkig. Als er anders niets te doen was, ging zij aan het kousen stoppen of deed ander heel gewoon werk. Altijd was zij druk in de weer. Men behoefde haar nooit te vragen om dit of dat te doen, zij deed alles uit eigen beweging. In het koken van de spijzen en het bereiden van allerhande dingen voor het gezin was zij volkomen thuis, nooit gemelijk, nooit klagende, nooit de echtgenoten tegen elkaar opzettende, maar altijd het er op toeleggende om te doen wat maar in haar vermogen was, dat de zaken van de huishouding en alles wat daarmee in verband stond op een aangename en zachte manier haar gang konden gaan. Toen zij de koorts had, viel het haar al hard genoeg, dat zij niets meer kon doen. En nu is ze dan weer bezig van het ogenblik af dat zij hersteld is. De overheersende gedachte is nu sterk, dat de dood het heeft moeten afleggen. Zij begint Jezus te dienen, want zij was altijd bezig geweest iemand te dienen. Toen Jezus in het huis kwam met Petrus en Jacobus en Johannes kon zij de gedachte niet verdragen, dat er niets klaar was voor het avondeten. Op het eerste ogenblik evenwel, dat zij zich weer gezond gevoelt, haast zij zich naar de keuken om daar met al haar kennis van de kookkunst het beste maal te bereiden, dat in haar macht staat. Gijlieden nu, die in uw onbekeerde staat altijd werkzaam waart, behoort nu dubbel werkzaam te zijn. Doet in het huisgezin alles voor de Heere Jezus Christus wat in uw vermogen is. Die gewone en alledaagse dingen, brengt daar een geur en een zoetigheid in door de liefde tot Hem; vereert en verheerlijkt Hem in alles wat gij doet. Is er niet iets, dat gij kunt doen voor uw buurman, niet iets, dat gij kunt doen voor uw kinderen. Is er niet het een of ander deel van het werk des Heeren, dat gij op u kunt nemen?

 

Wat u aangaat, jonge mensen, die zo rusteloos, zo krachtvol, zo voortvarend geweest zijt in de zonde, het schijnt mij toe, dat deze vertoning van kracht, waaraan gij gewend zijt, onder de heerschappij van de toewijding aan Christus moet worden geplaatst. Een paard, waar geen vuur en geen moed in is, laat zich gemakkelijk besturen. Doch een paard met wat vuur, al is het dat het wel eens achteruit slaat en soms vrij wat steigert, ja zelfs heel wat ellende kan aanrichten, is er des te beter paard om, als het maar eerst getemd en beleerd is. Als het onder de rechte behandeling is, als het maar naar toom en bit luistert dan houdt men wel van die vurige aard. Zo is het ook met een mens, wanneer hij tot God bekeerd is. Was er vurigheid van geest in, die hem er toe bracht om te razen en te woeden, toen hij de duivel diende. Richtte hij zoveel kwaad uit en plaatste hij zich zo vijandig tegenover het koninkrijk van Christus, dan is hij juist de man om het hardst te trekken voor de zegewagen van Jezus Christus. Ik bid daarom de Meester, dat Hij moge komen en de jongeling van zijn koortsigheid genezen. Dat Hij op deze dag zijn bloed moge afkoelen en hem door Zijn genade herstelling moge schenken. O, dat de Heere door Zijn aanraking alle kranken gezond mocht maken! Laat ons dan, wanneer allen genezen zijn, opstaan om Hem te dienen, Die ons gediend heeft. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. AMEN.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend