24 March Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

De zesde bede

De zesde bede

‘Leid ons niet in verzoeking.’ Matthéüs 6:13

Toen ik gisteren een christelijk boek doorbladerde dat bedoeld is voor jonge mensen, stuitte ik op de samenvatting van een verhandeling die ik echt een juweeltje vond. Ik zal haar aan u doorgeven. Het onderwerp is het gebed des Heeren en de uitleg is onderverdeeld in bijzonder leerzame thema’s. ‘Onze Vader Die in de hemelen zijt’: een kind ver van huis. ‘Uw Naam worde geheiligd’: een aanbidder. ‘Uw Koninkrijk kome’: een onderdaan. ‘Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde’: een dienstknecht. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’: een bedelaar. ‘En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’: een zondaar. ‘En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze’: een zondaar die gevaar loopt een nog groter zondaar te worden. De thema’s zijn in ieder geval heel goed gekozen en vatten het gebed op een juiste manier samen.

Als u aan deze samenvatting denkt, zult u opmerken dat het gebed een soort ladder is. De verschillende beden beginnen bovenaan en gaan naar beneden. ‘Onze Vader Die in de hemelen zijt’: een kind, een kind van de hemelse Vader. Een kind van God te zijn is de hoogste positie van de mens. ‘Zie, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden.’ Dat is wat Christus is: de Zoon van God – en ‘onze Vader’ is alleen maar een meervoudsvorm van de term die Hij gebruikt als Hij God aanspreekt, want Jezus zegt ‘Vader’. Het is een zeer hoge, genadige, verheven positie die we door het geloof durven in te nemen wanneer we weldoordacht zeggen: ‘Onze Vader Die in de hemelen zijt.’

Het is een stap lager naar de volgende bede: ‘Uw Naam worde geheiligd.’ Hier hebben we een aanbidder die met ootmoedige eerbied de driemaal heilige God aanbidt. Een aanbidder neemt een hoge plaats in, maar deze plaats is niet zo uitnemend als de positie van een kind. Engelen zijn ook aanbidders, hun onafgebroken lied heiligt de Naam van God, maar ze kunnen niet zeggen: ‘Onze Vader.’ ‘Want tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd (…): Gij zijt Mijn Zoon?’ Ze moeten er tevreden mee zijn om vlak bij het hoogste niveau te staan, maar het hoogste kunnen ze niet bereiken, want noch door aanneming en wedergeboorte, noch door vereniging met Christus zijn zij Gods kinderen. ‘Abba,Vader’ is voor mensen, niet voor engelen, en daarom is de aanbiddende zinsnede van het gebed één trede lager dan de opening ‘Onze Vader.’

De volgende bede is voor ons als onderdanen: ‘Uw Koninkrijk kome.’ De onderdaan staat lager dan degene die aanbidt, want aanbidding is een verheven bezigheid waarin de mens een priesterschap uitoefent en te zien is in een nederige maar eervolle toestand. Het kind aanbidt en belijdt dan het koningschap van de grote Vader.

De afdaling gaat verder en de volgende positie is die van een dienaar: ‘Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.’ Dat is een stap lager dan een onderdaan; want hare majesteit de koningin heeft veel onderdanen die niet haar dienaren zijn. Ze zijn niet verplicht haar in het paleis persoonlijk te dienen, hoewel ze erkennen dat zij hun geëerbiedigde vorstin is. Hertogen en andere adelijke personen zijn haar onderdanen, maar niet haar dienaren. De dienaar staat een niveau lager dan de onderdaan.

Iedereen zal toegeven dat de volgende positie nog veel lager is, want dat is die van een bedelaar: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ – een bedelaar om brood, een dagelijkse bedelaar, iemand die iedere dag aanspraak moet maken op liefdadigheid, zelfs voor zijn eerste levensbehoeften. Dit is een gepaste plaats voor ons, die alles te danken hebben aan de barmhartigheid van de hemel.

Maar er is een plaats die nog lager is dan die van de bedelaar en dat is die van de zondaar. ‘Vergeef’ is lager dan ‘geef’. ‘Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.’ Ook hier geldt dat wij allen deze positie kunnen innemen, want geen woord past beter op onze onwaardige lippen dan het gebed ‘vergeef.’ Zolang als we leven en zondigen, behoren we te wenen en te roepen: ‘Wees ons genadig, o Heere.’

En nu, onder aan de ladder, staat een zondaar die bang is voor nog grotere zonden, in uitzonderlijk groot gevaar en bang voor de toekomst. Hoor hem terwijl hij met trillende lippen zegt: ‘Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.’

En toch, lieve vrienden, hoewel ik het gebed zo beschreven heb als een neerwaartse beweging is het wat de genade betreft evenzeer een opgaande beweging, zoals we eenvoudig zouden kunnen laten zien als de tijd het toestond. In ieder geval zou het neergaande proces van het gebed evengoed de voortgang van het door God gewerkte leven in de ziel kunnen illustreren. De laatste zin van het gebed omvat een diepere innerlijke ervaring dan het eerste gedeelte ervan. Iedere gelovige is een kind van God, een aanbidder, een onderdaan, een dienaar, een bedelaar en een zondaar, maar niet ieder mens doorziet de verleidingen die hem omringen of zijn eigen geneigdheid om eraan toe te geven. Niet ieder kind van God, ook niet als hij op leeftijd gekomen is, kent de volle betekenis van het in verzoeking worden geleid; want sommigen volgen een eenvoudig pad en worden zelden gekweld. Anderen zijn zulke zwakke baby’s dat ze nauwelijks hun eigen verdorvenheden kennen.

Om onze tekst volledig te begrijpen, zou een mens zware slagen moeten hebben ontvangen in de strijd en een lange periode gestreden moeten hebben tegen de vijand in zijn ziel. Wie ternauwernood ontkomen is, begrijpt deze bede beter. De man die met het net van de vogelvanger te maken heeft gehad, de man die door de tegenstander aangevallen en bijna vernietigd is – hij bidt met een intens verlangen: ‘Leid ons niet in verzoeking.’

Ik probeer deze keer dit gebed bij u aan te bevelen en stel voor dat we in de eerste plaats opmerken de geestelijke gesteldheid die tot een dergelijk gebed leidt,in de tweede plaats de beproevingen die een dergelijk gebed probeert af te wenden,en in de derde plaats de lessen die het bevat.

Uit de plaats van deze zinsnede binnen het Onze Vader leid ik af dat het gebed ‘Leid ons niet in verzoeking’ allereerst wordt ingegeven door waakzaamheid.Deze bede volgt na de zin: ‘Vergeef ons onze schulden.’ Ik zal ervan uitgaan dat dit gebed verhoord is en dat de zonden van de mens vergeven zijn. Wat dan? Als u terugziet op uw eigen leven, zult u spoedig opmerken wat er in het algemeen gebeurt met een mens die vergeving heeft ontvangen, want ‘Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen de mens.’ De innerlijke ervaring van de ene gelovige komt overeen met die van de andere, en uw gevoelens zijn gelijk aan die van mij.

Heel snel nadat de boeteling vergeving ontvangen heeft en er in zijn ziel het besef van heeft gekregen, wordt hij verzocht door de duivel, want satan kan het niet hebben dat hij zijn onderdanen verliest, en als hij hen de grens over ziet gaan en uit zijn hand ontsnappen, dan verzamelt hij al zijn kracht en doet hij zijn uiterste best om hen zo mogelijk in één keer neer te vellen. Om deze bijzondere aanval af te slaan, maakt de Heere het hart waakzaam. Omdat hij de wreedheid en de doortraptheid van de verleidingen van satan waarneemt, roept de jonge gelovige -terwijl hij zich verheugt in de volkomen vergeving die hij ontvangen heeft- tot God: ‘Leid ons niet in verzoeking.’ Het is de angst om de vreugde van de vergeving der zonden te verliezen waardoor hij het zo uitschreeuwt tot de goede God. ‘Onze Vader, laat ons niet de verlossing verliezen die we nog maar zo onlangs ontvingen. Laat haar zelfs niet in gevaar komen. Sta satan niet toe om onze pas gevonden vrede te verstoren. We zijn maar pasgeleden ontsnapt, laat ons niet weer in de diepte storten. Naar het strand zwemmend, sommigen op planken en sommigen op wrakstukken van het schip, zijn we veilig aan land gekomen; laat ons niet opnieuw de onstuimige zee tarten. Werp ons niet weer in de ruwe golven. O God, we zien de vijand naderen. Als hij de kans krijgt, is hij zeer begerig om ons te ziften als de tarwe. Laat ons niet in zijn zeef terechtkomen, maar verlos ons, bidden wij.’

Het is een gebed van waakzaamheid. En merk op dat hoewel we gezegd hebben dat waakzaamheid noodzakelijk is aan het begin van het christenleven, zij even noodzakelijk is aan het eind ervan. De gelovige kan het zich geen uur permitteren om te sluimeren. Waak, bid ik u, als u alleen bent, want de verleiding, als een sluipmoordenaar, heeft een dolk die zeer gevaarlijk is voor eenzame harten. U moet de deur goed vergrendelen en barricaderen om de duivel buiten te kunnen houden. Waak over uzelf in het openbare leven, want talloze verleidingen komen op u af. Het beste gezelschap dat u kunt uitkiezen zal nog enige slechte invloed op u hebben tenzij u op uw hoede bent. Denk aan deze woorden van onze gezegende Heere: ‘Wat Ik u zeg, dat zeg Ik allen: Waakt’, en terwijl u waakt zal dit gebed vaak vanuit de grond van uw hart opkomen:

Bescherm mij tegen de donkere kracht van de verleiding,

Tegen de listen van de satan.

Verlos mij in het boze uur En leid mij ten einde toe.

Het is het gebed van waakzaamheid.

Vervolgens lijkt het me het natuurlijke gebed van heilige vrees hij alleen al de gedachte weer in zonden te vallen.Ik herinner me het verhaal van een mijnwerker die een grote godslasteraar was geweest, een man die een losbandig leven had geleid en die alles deed wat God verbood. Toen hij door goddelijke genade bekeerd werd, was hij vreselijk bang dat zijn oude vrienden hem weer naar zijn vorige leven zouden leiden. Hij wist van zichzelf dat hij sterke lusten had en dat hij heel gemakkelijk door anderen op het slechte pad werd gebracht, en daarom bad hij in zijn angst om tot zijn oude zonden getrokken te worden zeer vurig dat God hem eerder zou laten sterven dan dat hij zou terugkeren tot zijn vroegere leven. Op hetzelfde moment overleed hij.

Misschien was dat het beste antwoord op het beste gebed dat de arme man ooit kon hebben opgezonden. Ik weet zeker dat een mens die ooit een slecht leven heeft geleid, als de wonderlijke genade van God hem daaruit verlost heeft, zal toegeven dat het gebed van de mijnwerker op geen enkele manier dweperig was. Het zou beter voor ons zijn om meteen te sterven dan om in ons latere leven terug te keren tot onze vroegere toestand en de naam van Jezus Christus onze Heere oneer aan te doen.

Het gebed waarover we nu nadenken, komt voort uit het terugdeinzen van de ziel zodra de verleider dichterbij komt. De angstige bekeerling hoort de naderende voetstap van de vijand; hij trilt als een espenblad en roept uit: ‘Wat, komt hij opnieuw? En is het mogelijk dat ik opnieuw val? En kan ik deze klederen weer bezoedelen met die verachtelijke moordzuchtige zonde die mijn Heere aan het kruis bracht?’ ‘O mijn God’, lijkt het gebed te zeggen, ‘behoed mij voor zo’n verschrikkelijk kwaad. Leid me, bid ik, waarheen U wilt – al is het door de donkere vallei des doods, maar leid me niet in verzoeking, opdat ik niet ten val kom en U ontere.’

Het kind dat een brandwond heeft opgelopen, is bang voor het vuur. Wie ooit in een stalen klem is gestapt, draagt de littekens in zijn vlees en is vreselijk bang om opnieuw door de wrede tanden ervan te worden vastgehouden.

Het derde gevoel is ook heel duidelijk, namelijk wantrouwen van eigen kracht.De mens die zichzelf sterk genoeg voelt voor wat dan ook, durft de strijd aan en zoekt die zelfs op, want die strijd zal zijn kracht bewijzen. ‘O’, zegt hij, ‘ik maak me geen zorgen. Iedereen mag me omsingelen. Ik kan prima voor mezelf zorgen en standhouden tegenover welk aantal tegenstanders dan ook.’ Hij is klaar voor het gevecht; hij zoekt de strijd.

Zo niet de mens die door God geleerd is en die zijn eigen zwakheid heeft leren kennen. Hij wil niet op de proef gesteld worden, maar hij zoekt rustige plekken waar hij uit de buurt is van het gevaar. Laat hem de strijd aangaan en hij zal zich kranig weren, laat hem verzocht worden en u zult merken hoe standvastig hij is, maar hij vraagt niet om de strijd, wat volgens mij maar weinig soldaten doen die weten wat vechten betekent. Ongetwijfeld zijn alleen zij het die nooit de kruitdamp geroken hebben of stapels lijken gezien hebben die zo verlangen naar het strijdgewoel, maar een ervaren soldaat geniet meer van vredestijd.

Geen enkele ervaren gelovige verlangt ooit naar geestelijke strijd, hoewel sommige jonge rekruten deze zouden kunnen zoeken. De herinnering aan zijn vroegere zwakheid -de besluiten waarop hij terugkwam, zijn verbroken beloften- doen hem bidden dat hij in de toekomst niet zwaar beproefd zal worden. Hij durft zichzelf niet opnieuw te vertrouwen. Hij wil geen gevecht met de satan of met de wereld, maar hij vraagt om zo mogelijk gevrijwaard te blijven van moeizame confrontaties, en zijn gebed is: ‘Leid ons niet in verzoeking.’

De verstandige gelovige zoekt een geheiligd wantrouwen – nee, ik denk dat ik mag zeggen een volkomen wanhopen aan zichzelf. Ook al weet hij dat Gods kracht overal sterk genoeg voor is, toch drukt het besef van zijn zwakheid zo zwaar op hem dat hij smeekt om van te veel beproeving gevrijwaard te blijven. Vandaar dat hij bidt: ‘Leid ons niet in verzoeking.’

Ik denk dat ik de geestesgesteldheden waarvan deze bede blijk geeft nog steeds niet uitputtend heb behandeld, want hij lijkt ook enigszins voort te komen uit barmhartigheid.‘Barmhartigheid’, vraagt u. ‘Hoezo?’ Wel, de context moet altijd bekeken worden, en als we de voorafgaande zin verbinden met deze bede krijgen we de woorden: ‘zoals wij vergeven onze schuldenaren en leid ons niet in verzoeking.’ We moeten niet te streng zijn jegens mensen die ons hebben benadeeld en beledigd, maar bidden: ‘Hee- re, leid ons niet in verzoeking.’

Uw dienstmeisje, het arme kind, heeft een kleinigheidje van u gestolen. Ik verontschuldig haar diefstal niet, maar ik vraag u even na te denken voordat u haar karakter voor de rest van haar leven bederft. Vraag uzelf af: ‘Had ik niet hetzelfde kunnen doen als ik in haar positie was geweest? Hee- re, leid mij niet in verzoeking.’

Inderdaad was het heel verkeerd van die jongeman om zo oneerlijk met uw goederen om te gaan. Maar u weet dat hij onder grote druk stond en dat hij alleen maar toegaf omdat hij ertoe gedwongen werd. Wees niet al te streng. Zeg niet: ‘Ik zal de zaak doorzetten, ik zal hem laten veroordelen.’ Nee, maar wacht even. Laat het medelijden spreken. Laat de zilveren stem van de genade bij u pleiten. Heb acht op uzelf, opdat ook gij niet verzocht wordt, en bid: ‘Leid ons niet in verzoeking.’

Sommigen hebben zich slecht gedragen toen ze in verleiding werden gebracht, maar ik ben bang dat anderen onder ons nog iets slechters hadden gedaan als ze in dezelfde positie hadden verkeerd. Als het ook maar even kan vorm ik mezelf een mild oordeel over de misstap. Daarbij helpt het me om mezelf voor te stellen dat ik aan dezelfde beproevingen onderworpen ben als anderen en om de zaken vanuit hun positie te bekijken en mezelf voor te stellen dat ik in hun omstandigheden verkeer en niets van Gods genade zou bezitten om mij te helpen. Zou ik dan niet evenzeer gevallen zijn als zij of zou ik hen niet zelfs in kwaad overtroffen hebben?

Kan voor u die geen genade verleent de dag niet aanbreken waarop u anderen om genade moet vragen? Ik zei: ”Kandie dag niet aanbreken…’ Maar nee, die dag zaleens aanbreken. Wanneer u dit aardse leven achter u laat en veel ziet om over te treuren; waarop kunt u dan anders aanspraak maken dan op de genade van God? En als Hij u dan zou antwoorden: ‘Er werd aanspraak gemaakt op uw genade, en u betoonde haar niet. Zoals u anderen behandelde, zal Ik u behandelen’ – welk antwoord zou u hebben als God zo met u handelde? Zou het niet juist en rechtvaardig zijn als Hij zo deed? Behoren niet alle mensen met gelijke munt betaald te worden als zij voor de rechterstoel staan?

Daarom denk ik dat deze bede, ‘Leid ons niet verzoeking’, vaak in het hart zou moeten opkomen, vanuit een barmhartig gevoel jegens anderen die gedwaald hebben, die van gelijke bewegingen zijn als wijzelf. Nu, telkens als u de dronkaard door de straten ziet waggelen, verhef u dan niet boven hem, maar zeg: ‘Leid ons niet in verzoeking.’ Als u in de krant leest dat hooggeplaatste mensen zich hebben laten omkopen, veroordeel hun gedrag dan als u dat wilt, maar beroem u niet op uw eigen standvastigheid. Smeek liever in alle nederigheid: ‘Leid ons niet in verzoeking.’

Als een arm meisje dat aan lagerwal is geraakt op uw weg komt, bezie haar dan niet met de verachting die haar zou overgeven aan de vernietiging, maar zeg: ‘Leid ons niet in verzoeking.’ Als dit gebed even vaak in ons hart was als op onze lippen, dan zou ons dat leren milder en vriendelijker met zondige mensen om te gaan.

En verder, denkt u niet dat dit gebed een geest van vertrouwenademt, vertrouwen in God? ‘Hoezo?’ zegt iemand. ‘Ik zie dat niet.’ Ik weet niet of ik zal kunnen duidelijk maken wat ik bedoel, maar wat mij betreft omvat deze uitdrukking een mate van zeer tedere vertrouwelijkheid en heilige vrijmoedigheid.

Natuurlijk, God zal me leiden nu ik Zijn kind ben. Wat meer is, nu Hij mij vergeven heeft, weet ik dat Hij me niet zal leiden naar een plaats waar mij iets kan schaden. Dit behoort mijn geloof te weten en te geloven, en toch komt er om verschillende redenen de vrees in mij op dat Zijn voorzienigheid me naar een plaats zal leiden waar ik verzocht zal worden. Is die vrees goed of verkeerd? Hij belast mijn geest, mag ik ermee tot God gaan? Mag ik deze zielentwijfel in het gebed uiten? Mag ik deze bezorgdheid voor de grote, wijze, liefhebbende God neerleggen? Is dat niet brutaal? Nee, want Jezus legt mij de woorden in de mond en zegt: ‘Gij dan bidt aldus.’

U bent bang dat Hij u in verzoeking zal leiden, maar Hij zal dat niet doen. Als Hij het goed vindt om u te beproeven, zal Hij u ook kracht geven om tot het einde toe te volharden. In Zijn oneindige genade zal het Hem behagen om u te behoeden. Waar Hij leidt, zal het volkomen veilig voor u zijn om te volgen, want Zijn aanwezigheid zal de meest ongezonde lucht heilzaam maken. Maar aangezien u de onbestemde vrees hebt dat u naar een plaats geleid wordt waar het gevecht te zwaar zal zijn en de weg te moeilijk begaanbaar: vertel het uw Vader zonder terughoudendheid.

U weet dat als een kind thuis een geringe klacht tegen zijn vader heeft, het altijd beter voor hem is om het te vertellen. Als het denkt dat zijn vader hem gisteren vergeten is of als het ook maar half denkt dat de taak die zijn vader hem gegeven heeft te zwaar is, of als het zich inbeeldt dat zijn vader te veel van hem verwacht – als het er in zo’n geval helemaal niets over zegt, kan het gaan mokken en veel verliezen van de liefdevolle genegenheid die altijd in een kinderhart aanwezig behoort te zijn. Maar wanneer het kind ronduit zegt: ‘Vader, ik wil niet dat u denkt dat ik niet van u houd of dat ik u niet kan vertrouwen, maar ik heb een verontrustende gedachte en die wil ik zonder omwegen vertellen’, dan is dat de meest verstandige methode, en het toont een kinderlijk vertrouwen. Dat is de weg om liefde en vertrouwen in stand te houden.

Dus als u de denkt dat uw Vader u misschien met een verleiding confronteert die te sterk voor u is, vertel het Hem dan. Vertel het Hem, ook al lijkt het veel vrijmoedigheid te vergen. Ook al kan deze vrees het gevolg van ongeloof zijn, maak hem toch bekend aan de Heere, en houd hem niet somber voor uzelf. Onthoud dat het gebed des Heeren niet voor Hem is gemaakt, maar voor u, en daarom beziet het de zaken vanuit uw gezichtspunt en niet vanuit het Zijne. Het gebed des Heeren bestaat niet ten behoeve van onze Heere; het is voor ons. Zijn kinderen, en kinderen zeggen tegen hun vader zo veel dingen die ze welzeker mogen zeggen, maar die niet verstandig zijn of passen bij de kennis die ze van hun ouders hebben. Hun vader weet wat ze ten diepste bedoelen, en toch kan een flink deel van wat ze zeggen dwaas of onjuist zijn. Daarom beschouw ik dit gebed als een blijk van het gezegende kinderlijke vertrouwen dat tegenover een vader een vrees uitspreekt die het bedrukt, of die vrees nu terecht is of niet.

Geliefden, we hoeven hier de vraag niet te bespreken of God in verzoeking leidt of niet, of we van de genade kunnen vervallen of niet; het is genoeg dat we vrees hebben en dat we toestemming hebben om die onze Vader in de hemel te vertellen. Telkens als u bevreesd bent, op welke manier dan ook, haast u ermee naar Hem Die Zijn kleinen liefheeft en Die als een vader medelijden met hen heeft en hen zelfs troost als ze ten onrechte verschrikt zijn.

Zo heb ik u laten zien dat de geest waarvan deze bede blijk geeft die van waakzaamheid is, van heilige vrees bij alleen al de gedachte aan zondigen, van wantrouwen van onze eigen kracht, van barmhartigheid jegens anderen en van vertrouwen op God.

Wat zijn -ons tweede punt- de beproevingen waartegen deze bede zich richt? Ik denk niet dat deze bede God wil vragen om ervoor behoed te worden om tot ons nut te worden beproefd of om ons te behoeden voor lijden dat als een kastijding bedoeld is. Natuurlijk behoren we blij te zijn als we aan deze dingen ontkomen, maar de bede doelt op een andere vorm van beproeving en kan als volgt geparafraseerd worden: ‘Red mij, Heere, van de beproevingen en vormen van lijden die me tot zondigen kunnen brengen. Behoed me voor te grote beproevingen, opdat ik niet ten val kom doordat ze te sterk zijn voor mijn geduld, mijn geloof of mijn standvastigheid.’

Nu zal ik, zo kort mogelijk, laten zien hoe mensen door de hand van God in verzoeking geleid kunnen worden.

We kunnen allereerst in verzoeking worden geleid door de terugtrekking van goddelijke genade.Stel u voor -het is maar een veronderstelling- dat de Heere ons geheel zou verlaten, dan zouden we spoedig te gronde gaan.

Maar veronderstel nu -en dit is niet zomaar een veronderstelling- dat Hij Zijn kracht in zekere mate van ons zou nemen, zouden we dan niet in een ongunstige toestand verkeren? Stel u voor dat Hij ons geloof niet zou ondersteunen, hoeveel ongeloof zouden we dan niet laten zien? Stel u voor dat Hij weigerde ons te ondersteunen in tijden van beproeving zodat we niet langer onze oprechtheid zouden bewaren, wat zou er dan van ons worden? Ach, de meest oprechte mens zou niet lang oprecht blijven, noch zou de meest heilige langer heilig blijven.

Lieve vriend, u wandelt in het licht van Gods aangezicht en draagt het juk van het leven zo gemakkelijk omdat Hij u ondersteunt – maar veronderstel dat Zijn aanwezigheid van u werd teruggetrokken, wat zou uw deel dan zijn? We lijken op dit punt allemaal zo veel op Simson dat ik hem als voorbeeld moet aanvoeren, hoewel anderen dat al eerder hebben gedaan. Zolang de lokken van ons hoofd niet geschoren zijn, kunnen we alles aan – we kunnen leeuwen verscheuren, de poorten van Gaza dragen en de legers van de vijand vernietigen. Het is door het goddelijke, heiligende teken dat we krachtig zijn in de sterkte van Zijn macht. Als de Heere Zich echter eenmaal heeft teruggetrokken en we proberen het werk alleen te doen, dan zijn we zo zwak als het kleinste insect. Als de Heere van u geweken is, Simson, wat bent u dan meer dan een ander mens? Dan betekent de roep ‘De Filistijnen over u, Simson’, het einde van al uw heerlijkheid. Tevergeefs beweegt u die flinke ledematen van u. Nu zullen uw ogen worden uitgestoken en de Filistijnen zullen u bespotten.

Met een vergelijkbare ramp in het vooruitzicht is het heel begrijpelijk als we een gebedsstrijd hebben. Bid dan: ‘Heere, verlaat mij niet; leid mij niet in verzoeking door Uw Heilige Geest van mij te nemen.’

Behoud ons, Heere, behoud ons voor eeuwig.
IJdel is onze hoop als we door U verlaten zijn.
We zijn de Uwe, o verlaat ons nooit.
Totdat we Uw aangezicht in de hemel zien
Om U daar te prijzen
De hele stralende eeuwigheid lang.

Al onze kracht zou ons meteen ontvallen,
Als U, Heere, ons zou verlaten.
Niets kon dan ons helpen.
Onze ondergang zou zeker zijn.
Zij die ons haten
Zouden hun wens dan verkrijgen.

Een andere vorm van verleiding is te vinden in door de voorzienigheid bepaalde omstandigheden.De woorden van Agur, de zoon van Jake, vormen hier mijn illustratie. ‘Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels; opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en de Naam mijns Gods aantaste.’

Sommigen van ons hebben nooit daadwerkelijk gebrek ervaren, maar hebben van jongs af aan in gerieflijke omstandigheden geleefd. Lieve vrienden, als we zien hoe extreem arm sommige mensen zijn, hoe weten we dat we ons niet nog slechter gedragen hadden dan zij als we evenzeer verdrukt waren?

We mogen wel huiveren en zeggen: ‘Heere, als ik arme families in één kleine kamer samengepakt zie waar nauwelijks ruimte is om de normale zedelijkheid in acht te nemen, als ik zie dat er nauwelijks brood genoeg is om ervoor te zorgen dat kinderen niet van de honger huilen, als ik zie dat de kleren van de man versleten zijn op zijn rug en veel te dun zijn om hem tegen de kou te beschermen, dan bid ik U om me niet aan zo’n beproeving te onderwerpen, omdat ik als ik in zo’n toestand was mijn hand niet zou uitstrekken en stelen. Leid me niet in de verzoeking van pijnlijk gebrek.

En anderzijds, kijk naar de verleidingen van geld, wanneer mensen meer te besteden hebben dan ze ooit nodig kunnen hebben en er om hen heen een maatschappij is die hen verleidt met paardenrennen en gokken en ontucht en allerlei vormen van ongerechtigheid. De jongeman die een fortuin in handen heeft voordat hij de jaren des onderscheids bereikt en omringd is door vleiers en verleiders die erop azen om hem geld afhandig te maken – verbaast het u als hij tot losbandigheid gebracht en moreel geruïneerd wordt? Als een rijk beladen galjoen dat door piraten belaagd wordt, is hij nooit buiten gevaar; verbaast het u als hij nooit de veilige haven bereikt? Vrouwen proberen hem te verleiden, mannen vleien hem, sluwe boodschappers van de satan werpen zich op hem en de jonge dwaas volgt hen als een os naar de slachter of als een vogel die zich haast in het net en niet weet dat zijn leven ermee gemoeid is.

U mag de hemel wel danken dat u die verleiding nooit kende, want als ze op uw weg kwam zou ook u in groot gevaar verkeren. Als rijkdom en eer u verlokken, volg ze dan niet gretig na, maar bid: ‘Leid ons niet in verzoeking.’

Posities waarop mensen door Gods voorzienigheid zijn geplaatst, vormen vaak een beproeving. Er is een man die in zaken zwaar onder druk wordt gezet om met geld over de brug te komen; hoe zal hij daarin slagen? Als hij niet betaalt, stort hij zijn familie in het ongeluk. De handelsonderneming waarmee hij nu zijn geld verdient, zal failliet gaan. Iedereen zal zich voor hem schamen. Zijn kinderen zullen verschoppelingen zijn en hijzelf geruïneerd. Hij hoeft alleen maar een deel van het hem toevertrouwde geld te gebruiken. Weliswaar heeft hij het recht niet om ook maar één penny ervan op het spel te zetten, want het is zijn eigendom niet, maar door het tijdelijk te gebruiken zou hij de moeilijkheid misschien kunnen overwinnen. De duivel vertelt hem dat hij het in een week kan terugbetalen. Als hij dat geld gebruikt, zal hij oneerlijk handelen, maar dan zegt hij: ‘Niemand wordt erdoor benadeeld en het is een prachtige oplossing’, enzovoort.

Geeft hij toe aan de verleiding en het gaat goed, dan zijn er sommigen die zouden zeggen: ‘Nu, uiteindelijk school er weinig gevaar in, en het was een verstandige stap, want het behoedde hem voor de ondergang.’ Maar als het misgaat en hij wordt betrapt, dan zegt iedereen: ‘Het was een schandalige diefstal. Die man moet gestraft worden.’

Maar, broeders, de daad was in zichzelf verkeerd, en de gevolgen maken hem niet beter of slechter. Veroordeel niet op een bittere manier, maar bid telkens weer: ‘Leid ons niet in verzoeking. Leid ons niet in verzoeking.’ U ziet dat God mensen in Zijn voorzienigheid soms op posities stelt waarin ze zwaar beproefd worden. Het is voor hun bestwil dat ze beproefd worden, en als ze de beproeving kunnen doorstaan verheerlijken ze Zijn genade en worden het krachtiger mensen. De beproeving brengt zegeningen met zich mee als ze doorstaan wordt, en daarom vrijwaart God Zijn kinderen er niet altijd van.

Onze hemelse Vader heeft ons nooit willen vertroetelen en buiten het bereik van verzoekingen willen houden, want dat is geen onderdeel van het plan dat Hij wijs heeft uitgedacht om ons te vormen. Hij wil niet dat we heel ons leven baby’s zijn die in een kinderwagen worden rondgereden. Hij schiep Adam en Eva in de hof en Hij zette geen ijzeren palissade rond de boom der kennis en zei niet: ‘Je kunt er niet bij komen.’ Nee, Hij waarschuwde hen om de vrucht niet aan te raken, maar ze konden bij de boom komen als ze dat wilden. Het was Zijn bedoeling dat ze de mogelijkheid zouden hebben om de waardigheid van vrijwillige verbondenheid te krijgen als ze standvastig bleven, maar die mogelijkheid verloren ze door hun zonde.

In Zijn nieuwe schepping wil God Zijn volk niet beschermen voor iedere vorm van beproeving, want dat zou huichelaars kweken en ervoor zorgen dat zelfs de getrouwen zwak en klein zouden blijven. Soms plaatst de Heere de uitverkorenen in een positie waarop ze beproefd worden en we doen er goed aan om te bidden: ‘Leid ons niet in verzoeking.’

Ook zijn er verzoekingen die voortkomen uit lichamelijke omstandigheden.Sommige mensen hebben een moreel hoogstaand karakter omdat ze gezond zijn. Anderen zijn heel verdorven die, daar twijfel ik niet aan, enige clementie behoren te ontvangen vanwege de ongezonde toestand van hun gestel. Er zijn mensen wie het hoegenaamd geen inspanning kost om vrolijk en vriendelijk te zijn, terwijl anderen grote inspanningen moeten leveren om zichzelf te behoeden voor wanhoop en mensenhaat. Tegen zaken als een zieke lever, hartkloppingen en hersenaandoeningen is het moeilijk vechten.

Klaagt die arme oude dame? Ze heeft nog maar dertig jaar reuma en toch moppert ze nu en dan! Wat zou u doen als u haar pijn dertig minuten lang voelde? Ik heb gehoord van een man die tegen iedereen uitviel. Toen hij stierf, lichtten de dokters zijn schedel en ontdekten ze dat zijn hersenen bekneld hadden gezeten en aangetast waren. Verklaarde dat niet een groot deel van zijn harde woorden?

Ik noem deze dingen niet om de zonde te verontschuldigen, maar om u en mezelf zulke mensen zo vriendelijk mogelijk te laten behandelen, en te bidden: ‘Heere, geef me niet zo’n hersenaandoening, en laat me niet zulke reuma of dat soort pijnen krijgen, omdat ik in zulk lijden veel slechter zou kunnen zijn dan zij. Leid ons niet in verzoeking.’

Ook mentale omstandighedenzorgen vaak voor grote verleidingen. Als een mens depressief is, komt hij in verleiding. Degenen onder ons die vaak blij zijn, zijn dikwijls even vaak terneergeslagen, en als alles om ons heen er donker uitziet grijpt satan zeker de gelegenheid aan om tot wanhoop te verleiden. God verhoede dat we onszelf zouden verontschuldigen, maar, lieve broeder, bid dat u niet in deze verzoeking valt. Als u even vaak last had van nervositeit en zwaarmoedigheid als de vriend die u zijn somberheid kwalijk neemt, zou u misschien meer te verwijten vallen dan hij. Heb daarom liever medelijden dan dat u veroordeelt.

En anderzijds, als de geest opgewekt is en het hart dansen kan van vreugde, ligt de lichtzinnigheid op de loer en worden gemakkelijk verkeerde woorden gesproken. Bid de Heere dat Hij u niet zo’n hoge of juist zo’n lage plek geeft dat u ertoe gebracht wordt om te zondigen. ‘Leid ons niet in verzoeking’ moet ieder uur ons gebed zijn.

Bovendien zijn er ook verleidingen die voortkomen uit persoonlijk contact,die in Gods voorzienigheid tot ons komen. Het is onze plicht slecht gezelschap te mijden, maar er zijn gevallen waarin mensen, zonder zich ergens aan schuldig te maken, moeten omgaan met slechte types. Neem bijvoorbeeld het vrome kind wiens vader een vloeker is en de godzalige vrouw die onlangs bekeerd werd wier echtgenoot een vloeker blijft en de naam van Christus lastert. Hetzelfde geldt voor werklui die moeten werken in fabrieken waar ruwe kerels om de haverklap vloeken en schunnige taal gebruiken die ons iedere dag meer schokt. Ik denk dat de werklui in Londen smeriger taal uitslaan dan ze ooit eerder hebben gedaan; ik hoor er in ieder geval meer van als ik passeer of stilsta in de straat.

Wel, als mensen verplicht zijn in zulke fabrieken of bij zulke families te werken, dan kunnen er tijden komen waarin onder de stortvloed van spotternij en sarcasme het hart enigszins de moed verliest en de tong kan weigeren om het voor Christus op te nemen. Een dergelijke stilte en lafheid zijn niet te excuseren, maar bestraf toch uw broeder niet maar zeg: ‘Heere, leid mij niet in verzoeking.’ Hoe weet u dat u zelf dapperder zou zijn? Petrus beefde voor een praatgrage dienstmaagd en u kan schrik worden aangejaagd door een vrouwentong.

De moeilijkste verleiding voor een jonge christen die ik ken is om te gaan met een huichelaar, een man zo schijnbaar geheiligd en schijnbaar eerbaar dat het jonge hart, misleid door de buitenkant, hem volledig vertrouwt, terwijl de ellendeling een verdorven hart heeft en een slecht leven. En er zijn zulke ellendelingen die, terwijl ze zich heilig voordoen, daden verrichten waarover we tranen van bloed kunnen vergieten. Jongeren worden op schrikbarende wijze aan het wankelen gebracht en velen van hen worden voor het leven misvormd in hun geestelijk leven door met zulke personen om te gaan.

Ziet u fouten die uit zulke algemeen voorkomende maar verschrikkelijke oorzaken voortkomen, zeg dan tegen uzelf: ‘Heere, leid mij niet in verzoeking. Ik dank U voor godzalige ouders en voor christelijk gezelschap en voor godzalige voorbeelden, maar hoe had ik eraan toe kunnen zijn als ik was blootgesteld geweest aan het tegenovergestelde? Als ik onder slechte invloed geraakt was toen ik nog maar weinig gevormd was, had ik wellicht grotere tekortkomingen vertoond dan die ik nu in anderen zie.’

Zo zou ik, lieve vrienden, kunnen doorgaan met u aan te sporen om te bidden tegen verschillende verleidingen. Maar laat me alleen nog zeggen dat de Heere voor sommige mensen heel bijzondere beproevingen heeft, zoals te zien is in het geval van Abraham. Hij geeft hem een zoon in zijn ouderdom en zegt dan tegen hem: ‘Neem nu uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Izak, (…) en offer hem (…) tot een brandoffer.’

U mag wel bidden: ‘Heere, leid mij niet in zo’n verzoeking. Ik ben het niet waard zo beproefd te worden. O, doe dat niet.’ Ik ken christenen die zichzelf ernstig hebben afgevraagd of ze net als de aartsvader gehandeld zouden hebben. Dat is heel dwaas, lieve broeder. Als u ertoe geroepen bent om dat te doen, dan zult u er door Gods genade toe in staat worden gesteld om hetzelfde offer te brengen, maar als u er niet toe geroepen bent, waarom zou u dan de kracht ontvangen die ervoor nodig is? Zal Gods genade onbenut blijven? Uw kracht zal zijn als uw dagen, maar ze zal hen niet overtreffen. Vraag om van de zwaardere beproevingen gevrijwaard te blijven.

Een ander voorbeeld is te zien in Job. God gaf Job in zekere mate over aan satan, en u weet hoe satan hem kwelde en probeerde te overweldigen. Als iemand zou bidden: ‘Heere, behandel mij als Job’, dan zou dat een heel onverstandig gebed zijn. U bent een mens die zichzelf aan bitterheid zou overgeven en zijn God zou vervloeken. De mens die het meest in staat is om Jobs geduld te tonen, zal de eerste zijn om, overeenkomstig de wens van zijn Heere, vurig te bidden: ‘Leid ons niet in verzoeking.’

Lieve vrienden, we horen bereid te zijn de beproeving te verdragen als God haar ons wil zenden, maar we hoeven er niet naar te zoeken. We kunnen er beter tegen bidden, net zoals onze Heere Jezus, Die weliswaar bereid was de bittere beker te drinken maar Die toch uitriep: ‘Indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan.’ Beproevingen waarnaar gezocht wordt, heeft God niet beloofd te zegenen. Geen enkel oprecht kind vraagt om de roede.

Laat me om mijn mening duidelijk te maken het volgende verhaal vertellen: Ik heb gelezen dat twee mannen tot de marteldood veroordeeld waren in de tijd van koningin Mary. Een van hen pochte overluid tegenover zijn metgezel dat hij op de brandstapel zijn mannetje zou staan. Hij gaf niet om het lijden; hij was zo geworteld in het Evangelie dat hij wist dat hij het nooit zou verloochenen. Hij zei dat hij naar de noodlottige morgen verlangde zoals een bruid naar de bruiloft. Zijn metgezel in dezelfde cel was een arme bevende ziel die zijn Meester niet kon en wilde verloochenen, maar hij vertelde dat hij heel bang was voor het vuur. Hij zei dat hij altijd heel gevoelig was geweest voor pijn en hij was ontzettend bang dat als hij de hitte van het vuur zou voelen, de pijn hem zover zou brengen dat hij de waarheid zou verloochenen. Hij smeekte zijn vriend om voor hem te bidden, en hij besteedde veel van zijn tijd aan wenen over zijn zwakheid en tot God roepen om kracht. De ander bestrafte en bespotte hem voortdurend omdat hij zo ongelovig en zwak was.

Toen beiden bij de brandstapel kwamen, trok degene die zo dapper was geweest zich terug bij het zien van het vuur en werd op smadelijke wijze afvallig, terwijl de arme bevende man wiens gebed was geweest ‘Leid mij niet in verzoeking’ standvastig als een rots stond, en God loofde en prees terwijl hij tot as verbrand werd.

Zwakheid is onze kracht; onze kracht is zwakheid. Smeek God dat Hij u niet beproeft boven uw kracht, en bid in het diepe besef van uw zwakheid: ‘Leid ons niet in verzoeking.’ Als Hij u dan tot de strijd leidt, zal Zijn Heilige Geest u kracht geven en u zult dapper als een leeuw zijn tegenover de tegenstander. Hoewel u innerlijk beeft en ineenkrimpt voor de troon van God, zult u de duivel zelf en al de helse machten zonder een zweem van angst weerstaan. Het lijkt misschien vreemd, maar zo is het.

Onder de lessen die dit gebed leert -ons derde punt- is de eerste: Beroem u nooit op uw eigen kracht. Zegnooit: ‘Ik zal nooit tot zulke dwaasheden en zonden vervallen. Ze kunnen me beproeven, maar ik zal ertegen opgewassen zijn.’ Die zich aangordt beroeme zich niet als die zich losmaakt. Koester nooit een vleiende gedachte over uw eigen kracht. U hebt geen kracht van uzelf, u bent zo zwak als water. De duivel hoeft u alleen maar op de juiste plaats te raken en u zult doen wat hij wil. Laat een of twee losse stenen verwijderd worden en u zult spoedig zien dat het zwakke bouwwerk van uw natuurlijke deugd in hoog tempo instort. Lok de verleiding nooit uit door te pochen op uw eigen vermogens.

Vervolgens,verlang nooit naar beproeving.Zijn er mensen die dat ooit doen? Ja. Ik hoorde gisteren iemand zeggen dat God hem al jaren zo gezegend heeft dat hij bang was dat hij geen kind van God was, want hij merkte dat Gods kinderen gekastijd werden en daarom verlangde hij er bijna naar om verdrukt te worden. Lieve broeder, verlang daar niet naar; u zult spoedig genoeg moeite ontmoeten. Als ik een klein kind was, denk ik niet dat ik tegen mijn broer zou zeggen omdat hij slaag had gekregen: ‘Ik ben bang dat ik geen kind van mijn vader ben en ik vrees dat hij niet van me houdt, want ik lijd niet onder de roede. Ik wou dat hij me ook maar sloeg, alleen om me zijn liefde te laten voelen.’ Nee. Geen kind zou ooit zo dwaas zijn. We moeten er om geen enkele reden naar verlangen om verdrukt en beproefd te worden, maar we moeten bidden: ‘Leid ons niet in verzoeking.’

De volgende gedachte is: Zoek nooit verleidingen op.De mens die ‘Leid ons niet in verzoeking’ bidt en die vervolgens verleiding opzoekt is een leugenaar voor God. Wat een huichelaar moet het zijn die dit gebed uitspreekt en vervolgens naar het theater gaat! Hoe leugenachtig is hij die dit gebed opzendt en dan aan de bar staat en drinkt en praat met verdorven mannen en opgedirkte vrouwen. De bede ‘Leid ons niet in verzoeking’ is een schandalige godslastering wanneer hij komt van de lippen van mensen die vermaak zoeken op plekken waar een slechte moraal heerst.

‘O’, zegt u, ‘zeg dat soort dingen niet.’ Waarom niet? Sommigen van u vertonen dit soort gedrag en ik bestraf het kwaad vrijmoedig waar het gevonden wordt en dat zal ik doen zolang deze tong kan bewegen. Er is zo veel schijnheiligheid. Mensen gaan naar de kerk en zeggen: ‘Leid ons niet in verzoeking’, en dan weten ze waar de verzoeking te vinden is en gaan ze er rechtstreeks naartoe. U hoeft de Heere niet te vragen om u er niet heen te leiden; Hij heeft niets met u te maken. De duivel en u gaan al ver genoeg als u God nietbespot met uw hypocriete gebeden. Wie zichzelf vrijwillig met open ogen in zonden stort en dan zijn knieën buigt en op zondagmorgen in zijn kerk een keer of tien ‘Leid mij niet in verzoeking’ zegt, is een huichelaar zonder masker op. Laat hij dit ter harte nemen en geloven dat ik het tegen hem persoonlijk heb en tegen zulke onbeschaamde huichelaars als hij.

Het laatste wat ik zeggen wil is: Als u God bidt om uzelf niet in verzoeking te leiden, leid anderen er dan ook niet in.Sommigen lijken bijzonder vergeetachtig waar het gaat om de invloed van hun voorbeeld, want ze doen slechte dingen in aanwezigheid van hun kinderen en anderen die tegen hen opzien. Ik vraag u, bedenk dat u door een slecht voorbeeld te geven zowel anderen als uzelf te gronde richt. Doe niets, lieve broeder, waarover u zich hoort te schamen of waarvan u niet zou willen dat anderen uw voorbeeld volgden. Doe altijd het goede, en laat de satan van u geen middel maken waarmee hij de zielen van anderen te gronde richt.

Bidt u ‘Leid ons niet in verzoeking’? Leid uw kinderen er dan ook niet in. Als ze uitgenodigd worden voor een feestje waar niets zal bijdragen tot hun geestelijke groei, integendeel, of ook maar tot hun goede moraal, laat hen er dan niet heengaan. Houd voet bij stuk. Wees daar stellig over. Nadat u eenmaal gebeden hebt ‘Leid ons niet in verzoeking’, gedraag u dan niet huichelachtig door uw kinderen de vrijheid te geven om haar op te zoeken.

God zegene deze woorden. Mogen ze in onze zielen zinken, en als iemand van u voelt dat u gezondigd hebt, o, dat u dan nu vergeving mag vragen door het kostbare bloed van Christus en dat u haar mag vinden door geloof in Hem. Als u genade verkregen hebt, laat dan uw volgende verlangen zijn dat u in de toekomst voor uw vroegere zonden bewaard wordt, en bid daarom: ‘Leid ons niet in verzoeking.’ God zegene u.

Amen.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend