24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

De twee zonen

De twee zonen

“Maar wat dunkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot de eerste, zei: zoon! Ga heen, werk heden in mijn wijngaard. Doch hij antwoordde en zei: ik wil niet: en daarna berouw hebbende ging hij heen. En gaande tot de tweede, zei desgelijks; en deze antwoordde en zei: ik ga heer! En hij ging niet. Wie van deze twee heeft de wil van de vader gedaan? Zij zeiden tot hem: de eerste. Jezus zei tot hen: voorwaar Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het koninkrijk van God. Want Johannes is tot u gekomen in de weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.” Mattheus 21:28-32

Het gezicht van dit zo uitgestrekte gebouw en van de grote schare die hier vergaderd is, herinnert mij aan andere tonelen die in dagen, welke gelukkig reeds zeer lang voorbij zijn, in de amfitheaters van het oude Romeinse keizerrijk werden aanschouwd. In rij op rij zat de toegestroomde menigte met hun wrede ogen en ijzeren harten. En in het midden stond een eenzaam man wachtende tot de valluiken van de leeuwenkuil geopend werden, om dan als getuige voor Christus aan de dood prijs gegeven te worden. Het zou toen niet moeilijk zijn geweest bij die toeschouwers het kostelijke van het snode uit te trekken. De onnadenkendste reiziger die zulk een amfitheater binnentrad, zou terstond geweten hebben, wie de discipel van Christus was en wie de vijanden waren van de Gekruisigde. Daar staat de kloekmoedige kalme discipel. Hij is op het punt van te sterven. Doch geheel in het rond, op die onafzienbare rijen van het Colosseum, of van het amfitheater in de ene of andere provinciestad, zitten deftige vrouwen en edellieden, prinsen en boeren, plebejers en patriciërs, senatoren en soldaten, allen met dezelfde woeste, onmeedogende blik naar het strijdperk gericht, allen onstuimig ijverende voor hun heidense goden. En allen luidkeels juichende, terwijl zij de doodstrijd aanzien van de discipel van de gehate Galileër die ter slachtbank wordt gevoerd ten einde de Romeinen een feestdag te bereiden. Een ander toneel vertoont zich heden voor onze ogen. Een toneel, dat oneindig lieflijker is. Doch helaas! Het is heden tevens veel moeilijker het kaf van het koren, het kostelijke van het snode te scheiden dan in de dagen, toen de apostel te Efeze met wilde dieren heeft gestreden. Hier, in dit strijdperk zijn, naar ik hoop honderden, zo niet duizenden die bereid zouden zijn voor onze Heere Jezus te sterven. En in gindse dicht bezette zitplaatsen kunnen wij honderden tellen die de naam dragen van de Man van Nazaret. En zijn evangelie aannemen. En toch vrees ik dat hier ook vele vijanden zijn van de Zoon van God. Die zijn rechtmatige aanspraken voorbij zien, de koorden der liefde van zich werpen, welke hen moesten binden aan zijn troon. En zich nooit onderworpen hebben aan de machtige liefde die zich aan het kruis heeft geopenbaard. Mij voegt het niet die scheiding te maken. Gij moet te samen opgroeien tot aan de oogst. Een scheiding te maken onder u is een werk dat te dezer ure zelfs door geen engelen zou kunnen volbracht worden. Doch dat eenmaal zeer gemakkelijk door hen verricht zal worden, als op het woord van hun Meester de oogst ingezameld zal zijn. En zij eerst het onkruid zullen vergaderen om het te verbranden. En daarna de tarwe in Jehovah’s schuren zullen brengen. Ik zal die verdeling niet beproeven, doch ik zal aan een ieder van u vragen het voor zich zelf te doen. Ik zeg tot u, jongelingen en jonge dochters, tot u, grijsaards en vaders, onderzoekt heden u zelf of gij in het geloof bent. Laat niemand denken, dat hij een christen is, omdat hij met christenen hier te samen is gekomen. Laat niemand zijn naaste oordelen, maar dat een iegelijk zich zelf oordeelt. Tot een iegelijk van u zeg ik met diepe ernst, laat uw eigen consciëntie de verdeling maken; laat uw verstand scheiding maken tussen hem, die God vreest, en hem, die God niet vreest. Ofschoon geen man met linnen bekleed en een schrijvers inktkoker aan zijn lenden in het midden van u zal doorgaan, om een teken te tekenen op de voorhoofden van de lieden die zuchten en uitroepen over al die gruwelen die in de stad gedaan worden, zo laat de consciëntie de inktkoker nemen en in alle oprechtheid het teken tekenen. Of niet tekenen. En dat een iegelijk zich heden afvraagt: “Ben ik voor de Heere, ben ik voor Christus of voor zijn vijanden? Vergader ik met Hem, of verstrooi ik?” Maakt deze scheiding, gelijk er scheiding onder u gemaakt zal worden, ter rechter- en ter linkerhand op de grote dag, wanneer Christus de wereld zal oordelen in gerechtigheid. Maakt scheiding, gelijk er scheiding onder u gemaakt zal worden, wanneer de zaligheid des hemels of de rampzaligheid der hel uw eeuwig deel zal wezen.

Indien wij allen aldus in twee kampen verdeeld waren en indien wij konden zeggen: dezen hebben met God een verbond gemaakt met offerande. En dezen aan de overzijde zijn nog vijanden van God in de boze werken. Dan zullen wij op deze laatste klasse van mensen ziende, het toch nog nodig achten, bij wijze van persoonlijke toepassing, een scheiding onder hen te maken. Want, hoewel alle ongelovigen hierin aan elkaar gelijk zijn dat hun zonden niet zijn vergeven en hun ziel niet is verlost, is er toch een groot verschil in hun omstandigheden en in de uitwendige vormen van hun zonde. Zij zijn allen zonder Christus. En daarin zijn zij aan elkaar gelijk. Doch in hun zedelijke toestand verschillen zij van elkaar. Ik vertrouw dat de Geest van God mij heden geleid heeft in de keuze van mijn tekst, want dewijl die tekst mij aanleiding geeft om tot de gehele menigte der onbekeerden te spreken, geeft hij mij tegelijk ook de gelegenheid om tot ieders consciëntie te spreken door het grote gezelschap der onbekeerden te verdelen in twee onderscheidene klassen. Mocht er voor elk van deze klassen van ongelovigen heden een zegen weggelegd zijn.

Ik zal ten eerste spreken tot hen, die openlijk ongehoorzaam zijn aan God, ten tweede tot diegenen, welke zich in schijn aan Hem onderworpen.

I.

Wij hebben ten eerste een woord voor hen, DIE OPENLIJK ONGEHOORZAAM ZIJN AAN GOD. Er zijn hier velen van de zodanigen. God heeft tot u gezegd wat Hij zegt tot allen die het Evangelie horen: “Zoon, ga heen, werk heden in mijn wijngaard. En gij hebt geantwoord – misschien in oprechtheid, doch stellig met grote vermetelheid. Grote onvriendelijkheid en grote onrechtvaardigheid: “Ik wil niet.” Gij windt er geen doekjes om, doch weigert ronduit de aanspraken van uw Schepper te erkennen. Gij hebt onverholen uw mening gezegd, niet slechts in woorden, echter op een wijze die niet misverstaan kan worden. Want daden spreken luider dan woorden. Wederom en nog eens hebt gij door uw daden gezegd: “Ik wil God niet dienen. Ik wil zijn Zoon Jezus niet geloven.” Waarde vriend, het verheugt mij u heden te zien. En ik vertrouw, dat, eer gij dit gebouw verlaat, de zaken heel anders voor u zullen komen te staan. Doch voor het ogenblik hebt gij zelfs geen uitwendige gehoorzaamheid aan God bewezen. Op allerlei manieren hebt gij gezegd: “Ik wil niet.” Praktisch zei gij: “Ik wil God niet aanbidden, ik wil des Zondags niet naar de kerk gaan – het is mij een onuitstaanbare vermoeienis en verveling. Ik wil de lof van mijn Maker niet zingen – ik wil niet voorwenden dank te brengen aan de God die ik niet lief heb. Bij het openbaar gebed der gemeente zal ik mij niet voegen – ik heb er geen hart voor. Ik zal des morgens en des avonds geen gebed uitspreken in de eenzaamheid – waar zou het ook toe dienen? Ik wil in het geheel niet bidden; ik geloof niet in de kracht van het gebed. En ik wil mij niet zulk een huichelaar betonen om een praktijk te volgen, waarin ik hoegenaamd niet geloof. En wat men zonde noemt, dat heb ik lief en dat wil ik niet opgeven.” Gij bent er trots op, dat men u een eerlijk man noemt, want gij erkent de aanspraken, die uw medemensen op u hebben. Doch gij veracht het om voor godsdienstig gehouden te worden, want de rechten van uw Maker erkent gij niet. Aan de rechtmatige eisen van anderen wilt gij blijmoedig gehoorzamen. Doch de rechtvaardige en tedere eisen van God wijst gij beslist af. Zo duidelijk als daden kunnen spreken zegt gij door uw veronachtzamen van de Sabbat, door uw miskenning van het gebed, door uw niet lezen van de Bijbel, door uw volharden in hetgeen gij weet zonde te zijn en door geheel de strekking van uw leven: ik wil niet.” Evenals Faraö hebt gij gevraagd: “Wie is de HEERE, wiens stem ik gehoorzamen zou?” Gij bent van dezelfde gezindheid als zij die van ouds gezegd hebben: “Het is te vergeefs, God te dienen: want wat nuttigheid is het, dat wij zijn wacht waarnemen?”

En behalve dat, mijn vriend, hebt gij ook nog niet ingestemd met de leerstellingen van het Woord van God. Integendeel, verstandelijk, zowel als praktisch hebt gij geweigerd het gebod van God waar te nemen. Gij hebt het denkbeeld opgevat dat gij alles moet begrijpen eer gij er in wilt geloven. Laat mij u zeggen, dat dit een denkbeeld is dat gij nooit ten uitvoer zult kunnen brengen. Want uw eigen bestaan kunt gij niet begrijpen. En gij bent omringd van tien duizend zaken die gij nooit zult kunnen begrijpen, doch die gij zult moeten geloven, zo gij niet voor altijd een grote dwaas wilt blijven. Nog altijd maakt gij vittende aanmerkingen nu eens op deze en dan weer op die leerstelling. En smaalt gij op het evangeliestelsel in het algemeen. En zo men u vroeg, waarom gij niet opgaat naar het huis van God, gij zou wellicht antwoorden dat gij weg blijft, omdat u deze of gene leerstelling tegen de borst stuit. Laat mij u, voor zo veel mij aangaat, mogen zeggen, dat er mij zeer weinig aan gelegen is, of gij al of niet van mijn leerstellingen houdt. Doch om uwentwil is het mij een zielsverlangen dat gij de waarheid zult geloven gelijk zij is in Jezus Doch zo lang gij blijft leven in de zonde zal uw afkeer van een leerstelling mij hoogst waarschijnlijk slechts vaster overtuigd doen zijn dat zij waar is. En mij aansporen haar met nog meer geloof en met meer vurige ijver te prediken. Denkt gij, dat wij de waarheid van God moeten leren uit de liefde er voor, of uit de afkeer er van van diegenen die weigeren Hem te aanbidden en een voorwendsel zoeken om te kunnen zondigen? O onbekeerde mannen en vrouwen, het zal lang duren, eer wij tot u zullen komen om te vernemen, wat gij wenst, dat wij zullen prediken. En als wij zó diep zouden zinken om dit te doen dan zou gij zelf ons verachten. Hoe! Zal de geneesheer de zieke vragen, welke medicijn hij zich wenst voorgeschreven te zien? Dan behoeft die zieke geen geneesheer, want hij kan zich zelf geneesmiddelen voorschrijven. Waar is nu nog een dokter voor nodig? En waar is een leraar tot nut die toegeeft aan de verdorven smaak van de mensen of aan hun zondige lusten en zegt: hoe wenst gij dat ik voor u zal prediken? Wat aangename dingen zal ik u zeggen?” O mijne vrienden, wij streven naar een hoger doel dan om u te behagen. Wij zouden wensen u te redden door u onaangename waarheden te doen horen, want lieflijk klinkende leugens zullen u ten verderve voeren. De leer, waarin het vleselijk gezinde hart zich verlustigd is bedrieglijk en daarom dodelijk. Bij velen van u moet uw geloof en uw smaak en uw behagen anders worden. Of gij zult de hemel niet kunnen binnen gaan. Ik erken dat ik in zekere mate prijs stel op uw oprechtheid, waarmee gij ronduit zegt: “Ik wil God niet dienen”. Doch het is een oprechtheid die mij doet huiveren. Want zij verraadt een hart, zo hard als de onderste molensteen.

“Ik wil God niet dienen,” hebt gij gezegd. En het is wel mogelijk, dat gij er tot op dit ogenblik nooit berouw van hebt gevoeld, want de wegen der zonde zijn te lieflijk en uw hart is beslist en vast in zijn rebellie. Nooit hebt gij die overtuiging van zonde gevoeld welke de Heilige Geest in sommigen van ons heeft gewrocht. Want indien gij haar gevoeld had, gij zou wel spoedig dit “Ik wil niet” hebben afgeleerd. Indien gij maar eens door de kracht van Gods genade, van welke duizenden van ons kunnen getuigen dat het een even wezenlijke macht is als die, welke de sterren regelt in haar loop of aan de wind vleugels geeft – indien gij door de kracht van Gods genade, zeg ik, waart aangegrepen dan zou gij niet langer zeggen: “Dit of dat geloof ik niet.” Want even sidderend als zij die thans zo zeer door u worden geminacht, zou gij uitroepen: “Wat moet ik doen om zalig te worden?” Tot op deze huidige dag hebt gij die kracht nog nooit gevoeld. En daarom kan ik er mij niet over verwonderen dat gij haar niet erkent. Ofschoon het woord van eerlijke getuigen wel enig gewicht voor u moest hebben. In praktische en verstandelijke zin en naar uw openlijke belijdenis bent gij geen christen. Gij hebt noch u zelf, noch anderen ooit bedrogen door een belijdenis die gij niet eert. Doch gij bent voortgegaan op de weg die gij voor uzelf hebt gekozen. En in antwoord op elke roepstem van het evangelie hebt gij met meer of minder beslistheid gezegd: “Ik wil niet.”

Wij hebben zo even gezegd, dat het antwoord van de zoon aan zijn vader, gelijk het vermeld staat in onze tekst, zeer duidelijk was. Toch was het echter niet geheel oprecht. En het was ook geen antwoord, zoals zijn vader het van hem had mogen verwachten. “Zoon! Ga heen, werk heden in mijn wijngaard,” had de vader gezegd. En op ruwe wijze had de zoon geantwoord: “Ik wil niet.” En zonder een enkel woord van verontschuldiging of verklaring van zijn handelwijze ging hij zijn eigen weg. Niet waar? Dit is niet zoals het behoort. Evenzo, mijn vriend, kunt gij te haastig zijn geweest. En bijgevolg onrechtvaardig. Is het niet zeer mogelijk dat gij aan God en aan zijn Evangelie de eerbied hebt geweigerd die aan beiden met het volle recht toekwam? Gij hebt zeer duidelijk, maar tegelijk ook zeer onnadenkend en zeer ruw gesproken tot God. Die iets beters aan u had verdiend. Hebt gij de aanspraken van de Heere Jezus ooit rijpelijk bij u zelf overwogen? Hebt gij het Evangelie niet afgewezen met een smalend woord dat voor u geheel onwaardig was? Bent gij er niet voor teruggedeinsd om de zaken tussen God en uw ziel in het rechte licht te beschouwen? Ik geloof, dat dit het geval is met honderden die hier tegenwoordig zijn. Ik weet dat dit het geval is met duizenden en tien duizenden in Londen. Met grote beslistheid hebben zij gezegd: “Van uw godsdienst wil ik niets weten! Ik ben tot een overtuiging hieromtrent gekomen. En ik zal nooit veranderen. Ik heb er een afkeer van en ik wil er niet naar luisteren.” Is er geen zachte stem in hun binnenste die hun toefluistert dat dit niet billijk is. Niet billijk jegens hen zelf. Niet billijk tegenover God? Kan die zaak zo gemakkelijk beslist worden? Gesteld eens, dat de godsdienst van Jezus waar bleek te zijn, wat dan? Welk lot zal hen dan treffen die Hem hebben gesmaad? Mijn hoorder, de godsdienst van Jezus is waar. Ik bid u, denk er over na. En verbeuzel uw onsterfelijke ziel niet. Alzo zegt de HEERE: “Stel uw hart op uw wegen.”

Het is thans tijd dat ik de openbaar goddeloze zeg, wat zijn wezenlijke toestand is. Gij bent meer dan een weinig trots geweest op uw oprechtheid. En neerziende op sommige belijders van de godsdienst hebt gij gezegd: “O! Ik doe mij niet zo mooi voor als zij, ik ben echter eerlijk en oprecht.” Vriend, gij kunt geen groter afkeer hebben van huichelaars dan ik heb. Indien gij de gelegenheid hebt hen ten toon te stellen, ik bid u, doe het. Indien gij er kans toe ziet spelden te steken in hun windzakken, zodat het gas van hun belijdenis vervliegt, ik bid u, doe het. Ik tracht dit een weinig te doen op mijn manier. Doet gij hetzelfde. Gij en ik zijn het hierin eens, hoop ik, dat wij een hartelijke afkeer hebben van alles wat vals of nagemaakt is. Doch indien gij begint uw hoofd op te houden en u zelf ver verheven acht boven anderen, omdat gij geen belijdenis hebt gedaan, dan moet ik u een weinig van uw hoog standpunt naar beneden halen door u er aan te herinneren dat het een dief niet tot eer strekt dat hij niet voorwendt een eerlijk man te zijn. En evenmin wordt het als iets bijzonder eervol aangezien als iemand verklaart geen waarheid te spreken. Want als iemand niet betuigt eerlijk te zijn, dan verklaart hij hiermee een dief te wezen. En als iemand er geen aanspraak op maakt de waarheid te zeggen, dan is hij een erkend leugenaar. Terwijl gij dus aan het ene horen ontkomt, wordt gij geworpen op het andere horen. Gij mijdt de klip doch komt terecht in het drijfzand. Gij komt er openlijk voor uit dat gij om God niet geeft. Dat gij voor de grote zaligheid niet dan minachting koestert, dat gij in de Christus Gods niet gelooft. Als onze regering personen arresteert die verdacht worden van Fenianisme, dan ondervindt zij geen moeilijkheid met de heren, die het groene uniform dragen. En met de grote pluim pronken. “Gij moet mee,” zegt de politieagent, “gij bent de man die ik zoek, want gij draagt het kleed van de rebellen.” En wanneer de engel der gerechtigheid de vijanden des Heeren arresteert, dan zal het hem niet moeilijk vallen u te beschuldigen en aan te houden. Want, zijn hand op uw schouder leggend, zal hij zeggen: “Gij draagt het kleed van een vijand van God. Openlijk en schaamteloos komt gij er voor uit, dat gij God niet vreest en op zijn heil niet vertrouwt.” In de laatste grote dag zal het niet nodig zijn getuigen tegen u op te roepen. Gij zult daar staan, doch niet geheel en al zo roemend en trotserend als heden. Want als de hemel in vlam staat en de aarde heen en weer wordt bewogen en de grote witte wolk de gezichtskring vervult. En de ogen van de grote Rechter zullen branden als lampen van vuur, dan zult gij wel een andere houding aannemen dan die gij u tegenover de arme prediker van het evangelie veroorlooft. O mijn ongodvruchtige hoorder, voor een geval als het uwe zal het niet eens nodig zijn te oordelen, want uit uw eigen mond zult gij veroordeeld worden.

Doch ik ben hier niet gekomen om u alleen op uw zonden te wijzen, maar om u te helpen er aan te ontkomen. Zóveel moest gezegd worden. Dat was noodzakelijk, doch wij wenden ons thans tot iets, dat oneindig lieflijker is. Ik hoop, dat sommigen van u heden zullen willen luisteren naar dat woordje in mijn tekst: “daarna” Hij zei: “Ik wil niet, en daarna berouw hebbende, ging hij heen.” Het is een lange laan, waarin geen kromming is. Laat ons hopen dat wij thans aan de kromming, het keerpunt, gekomen zijn. Nog is er plaats voor berouw, al is het ook, dat gij een dronkaard bent geweest. Of een vloeker, of een onkuise. De teerling is nog niet uitgeworpen. Verandering is nog mogelijk. God geve, dat voor u het ogenblik is gekomen, wanneer van u gezegd zal worden: “Daarna berouw hebbende, kwam hij tot andere inzichten: hij geloofde in Jezus, gehoorzamende aan het woord des Heeren en ging heen.” Wellicht heeft de zoon in de gelijkenis er met wat meer kalmte over nagedacht. “Ik zal de zaak eens goed overwegen,” zei hij bij zich zelf; rijp nadenken voert dikwijls tot betere handelingen. Ik was zuur en onvriendelijk jegens mijn goede vader; ik heb hem ruw geantwoord. En ik zag, dat hem, de vriendelijke en liefdevolle man, de tranen in de ogen kwamen. Het doet mij leed, dat ik hem gegriefd heb. Die gedachte brengt mij tot inkeer. Ik heb tegen hem “neen” gezegd. Doch ik heb er toen niet bij nagedacht. Ik vergat, dat zo ik heenging en werkte in mijns vaders wijngaard, ik daarmee voor mij zelf zou werken. Want ik ben zijn oudste zoon. En alles wat hij heeft zal mij toebehoren. Zodat het heel dwaas van mij was te weigeren tot mijn eigen nut en voordeel te arbeiden. Thans zie ik dat mijn vader mijn eigen belangen wilde behartigen. Ik zal dus heengaan en doen wat hij mij gezegd heeft.” Zie, hij neemt zijn gereedschappen op en gaat heen, om uit alle macht te arbeiden. Hij zei: “Ik wil niet,” doch hij had er berouw van en ging. En het wordt door iedereen toegestemd, dat hij de wil van zijn vader gedaan heeft. O, ik hoop, dat menig man en menige vrouw die zich thans hier bevinden, heden nog zullen uitroepen: “Ik herroep wat ik heb gezegd. Ik zal tot mijn Vader gaan en tot Hem zeggen: “Ik wil doen, wat Gij mij bevolen hebt. Ik zal uw liefde niet kwetsen. Ik zal de gelegenheid niet voorbij laten gaan om de belangen van mijn ziel te bevorderen. Ik zal het gebod van het evangelie gehoorzamen.” Ik wil eens veronderstellen dat ik zodanig iemand voor mij zie. En ik zal tot hem spreken. Wellicht zei hij: “Ik wil niet,” omdat hij wezenlijk niet begreep wat godsdienst is. Hoe weinigen zijn er met dat al die weten wat de weg der zaligheid is, al gaan zij ook nog zo getrouw ter kerke. Zij hebben Gods plan van zondaren te begenadigen nog niet vernomen. Kent gij het plan der verlossing? Hoor het en leef er door. Gij hebt God beledigd. God moet de zonde straffen; het is een vaste wet, dat de zonde gestraft moet worden; hoe kan God u dan genadig zijn? Ach! Alleen op die wijze: Jezus Christus is van de hemel gekomen. En heeft geleden voor en in de plaats van allen, die op Hem vertrouwen. Hij heeft geleden, wat zij hadden moeten lijden, zodat God rechtvaardig is. En toch tegelijk in staat is door de verdienste van zijn geliefde Zoon ook aan de voornaamste der zondaars vergiffenis te schenken. Christus heeft, zo gij in Hem gelooft, uw schulden voor u betaald. Zo gij slechts komt en rust in Jezus, en in Jezus alleen, kan God u niet straffen voor uw zonden, want Hij heeft Jezus er voor gestraft. En het zou niet rechtvaardig in Hem zijn, zo Hij Christus gestraft hebbende, ook u nog ging straffen. Zo Hij eerst betaling eiste van de Borg, en daarna ook nog van de schuldenaar. Waarde hoorder, wie gij ook zijn mag, wat uw vroegere leven ook geweest zij, zo gij op Christus wilt betrouwen zult gij in een ogenblik zalig worden van al uw zonden. Geheel uw voorbijgegane leven zal uitgedelgd worden. Er zal in Gods boek geen enkele beschuldiging tegen uw ziel vermeld blijven, want Christus, die voor u gestorven is, zal uw schuld wegnemen. En u onbesmet en onbevlekt voor Gods aangezicht stellen. Lees het laatste vers van mijn tekst. En gij zult zien, dat het door het geloof was dat de mensen van ouds het koninkrijk Gods ingingen. En dat het ook heden nog door het geloof is, dat de mensen zalig worden. “Ziet het Lam Gods,” zei Johannes de Doper. En zo gij ziet op dit bloedend Lam zult gij leven. Verstaat gij dit? Is het niet eenvoudig? Is het niet geschikt voor u? Wilt gij nog weigerachtig blijven om er aan te gehoorzamen? Zegt gij niet terstond: “Het is zó eenvoudig! Ik zal op Jezus vertrouwen! Ik zal met Gods hulp heden morgen tot Hem komen, want eer de zon ten ondergang neigt, zou de dood mij kunnen overvallen. Ik wil op Christus betrouwen om mij te verlossen. Kostelijke, heerlijke weg der zaligheid! Waarom zou ik niet zalig worden?”

Het is ook mogelijk, dat gij gezegd hebt: “Ik wil niet,” omdat gij wezenlijk dacht, dat er voor u geen hoop meer was. O mijn vriend! Laat mij u verzekeren ach! Hoe verheugt het mij dat ik hiertoe in staat ben -dat er door het dierbaar bloed van Jezus hoop is, zelfs voor de snoodsten. Niemand kan zo ver gegaan zijn, dat de uitgestrekte arm van Christus hem niet zou kunnen bereiken. Christus verlustigt zich er in de grootste zondaren zalig te maken. “Predikt het evangelie aan alle creaturen,” zei hij tot zijn apostelen, “maar begint” – waar? “Van Jeruzalem. Daar wonen de ongelukkigen, die Mij in het aangezicht spogen. Daar wonen de wreedaards die de nagels door mijn handen dreven. Gaat heen, predikt het evangelie, aan hen het eerst. Zegt hun, dat Ik machtig ben, niet slechts kleine zondaren zalig te maken, maar ook de voornaamste der zondaren. Zegt hun op Mij te vertrouwen, zo zullen zij leven.” Waar bent gij wanhopende? Ik weet, dat de duivel zal trachten het geklank van het evangelie uit uw oren te houden. En daarom zou ik willen “roepen uit de keel en niet inhouden.” O gij wanhopende zondaren, er is aan deze zijde van de poorten der hel geen plaats voor wanhoop. Indien gij door de onreinste holen der ongerechtigheid bent heengegaan, kan toch geen enkele vlek bestand blijven tegen het reinigend bloed van Christus. O ik vertrouw, dat gij, nu gij weet dat er hoop voor u is, zeggen zult: “Ik zal terstond komen en op Jezus vertrouwen.

Terwijl ik u dus zou willen aanmoedigen om berouw te hebben van uw veronachtzamen van God, zo laat ik u mogen uitnodigen om tot Jezus te komen. En hierop bij vernieuwing bij u aan te dringen. Ach! Mijn vriend, weldra zal uw stervensuur daar zijn. En ofschoon sommige goddelozen in hun stompzinnige ongevoeligheid zeer kalm sterven. En zij, gelijk de psalmist zegt, niet in de moeite zijn als andere mensen. En met andere mensen niet worden geplaagd. En hun kracht fris is, zo is het toch -of zij dit bemerken of niet – iets vreselijks om te sterven, terwijl uw zonden nog niet vergeven zijn. Wat zal uw schuldige ziel doen, als zij uw lichaam verlaat? Denk hier eens een ogenblik over na. Het is een zaak die uw gedachten wel waardig is. Sommigen van u zullen naar alle waarschijnlijkheid nog deze week sterven. Het is niet waarschijnlijk dat zovele duizenden als hier vergaderd zijn nog een gehele week doorkomen. En bij het einde er van nog leven zullen. Welnu, daar sommigen van ons weldra kunnen sterven, en wij allen eerlang moeten sterven, zo laat ons voor ons uitzien en eens een weinig nadenken. Stelt u voor, dat uw ziel van het omhulsel van uw lichaam ontdaan is. Gij hebt het lichaam achter gelaten. En uw geest bevindt zich in een nieuwe wereld. O, het zal heerlijk wezen, indien deze van het lichaam ontdane geest Jezus zal zien die gij hebt lief gehad. En terstond naar Hem heen zal snellen om te rusten aan zijn hart. En voor eeuwig te drinken uit de kristal heldere fontein der eeuwige zaligheid. Maar het zal verschrikkelijk zijn, indien, in stede hiervan uw huiverende geest ontwaakt om zich zonder vrienden te zien. Zonder thuis, hulpeloos, hopeloos. Gekweld door naberouw, gepijnigd door wanhoop. Wat zou het zijn als hij voor eeuwig moest uitroepen: “Ik heb mijn plicht gekend, maar volbracht hem niet. Ik heb de weg der zaligheid gekend. Doch heb er niet op willen wandelen. Ik heb het evangelie gehoord, maar ik heb er mijn oren voor toegestopt. Ik heb geleefd en heb eindelijk de wereld verlaten, zonder Christus. En hier ben ik nu. De hoop is voorbij, voor berouw of bekering is het te laat. Thans geen geloven meer. En evenmin is er ontkoming, want genade en liefde heersen niet langer.” O mijn hoorder, ontferm u over u zelf. Ik heb medelijden met u. O! Indien mijn hand u kon wegrukken uit die vlam, hoe gaarne zou ik het doen! Zal ik met ontferming over u worden bewogen en zult gij geen medelijden hebben met u zelf? O, indien mijn pleiten bij u door Gods genade u kon bewegen om hedenmorgen op Christus te vertrouwen dan zou ik bij u blijven pleiten zo lang mijn stem mij niet begeeft. Mijn hart niet bezwijkt. En het leven nog in mij is! Maar ach! Heb medelijden met u zelf. Heb medelijden met die arme, naakte ziel, die zo spoedig sidderen zal onder de hevigste smart. Een smart die zij zich zelf veroorzaakt heeft. Een smart, waaraan zij niet heeft willen ontkomen. Een smart, waarvoor zij gewaarschuwd werd, doch die zij liever wilde verduren dan de zonde op te geven en zich onder de scepter der vrije genade te buigen.

Nu zou ik willen hopen, dat gij zegt: “Ik heb thans berouw en door Gods genade zal ik gaan.” Indien dit zo is, laat mij u dan zeggen, dat er zeer velen in de hemel zijn, die eenmaal, gelijk gij, gezegd hebben: “Ik wil niet”, maar daarna berouw hadden en zalig werden. Ik zal u een tafereel schetsen. Daar ginds zie ik een gezelschap van mensen te paard. En daar is er één, de fierste van allen, wie zij tot wacht strekken. Zij gaan naar Damaskus, opdat hij er de christenen in de gevangenis zou werpen en hen zou dwingen te lasteren. Saulus van Tarsen is de naam van die wrede, moorddadige vervolger. Toen Stefanus ter dood werd gebracht, heeft God tot deze man, deze Saulus gezegd: “Ga heen, werk heden in mijn wijngaard.” Doch Saulus zei zeer duidelijk: “Ik wil niet. En om zijn vijandschap te bewijzen heeft hij geholpen Stefanus ter dood te brengen. Daar rijdt hij nu in allerijl om zijn boos opgezet plan te volvoeren. Niemand heeft zich met een vastere wil tegen de Heere gesteld dan hij. Maar mijn Heere Jezus kan de leeuw temmen. En zelfs een lam van hem maken. Terwijl hij daar heen rijdt wordt er een schitterend licht gezien, schitterender dan de zon op de middag. Hij valt van zijn paard. En ligt sidderend ter aarde. En nu hoort hij een stem uit de hemel, zeggende: “Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?” En zijn ogen opheffende, ziet hij met verbazing dat hij onwetend de Zoon van God had vervolgd. Welk een verandering werd er door die ontdekking in hem teweeggebracht! Die stem: “Ik ben Jezus die gij vervolgt”, heeft zijn harde hart verbroken. En hem voor de zaak van Christus ingewonnen. Gij weet, hoe drie dagen daarna de eens zo hoogmoedige en dweepzieke man op de belijdenis van zijn geloof in Christus, die hij zo kort tevoren nog had vervolgd, gedoopt werd! En, indien gij een ernstig, vurig prediker wenst te zien, waar kunt gij een betere vinden dan de apostel Paulus, die, met zijn hart in vuur en vlam, telkens, en wederom, en nogmaals schrijft: “Het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus.” Ik hoop dat er een Saul hier is die heden ter aarde wordt geworpen. Heere! Werp Gij hem neer! Eeuwige Geest! Werp Gij hem thans neer! Gij hebt het wellicht niet geweten dat gij tegen God hebt gestreden. Gij dacht, dat de godsdienst van Jezus een dwaze dromerij was. Gij wist niet, dat gij de stervende Heiland hebt beledigd. Thans weet gij het. Mocht uw consciëntie getroffen zijn. En mocht gij van nu voortaan de Heere dienen.

Nog een enkel woord omtrent dit punt. Indien iemand hier is, die na lange weigering eindelijk vertederd wordt en bereid is door het geloof in Jezus Christus een dienstknecht Gods te worden, zo laat mij hem tot zijn bemoediging zeggen dat hij niet in het minste of geringste achter staat bij hen, die gedurende zo lange tijd Hem hebben beleden zonder trouw te zijn aan hun belijdenis, want de tekst zegt: “De tollenaars en de hoeren gaan in in het koninkrijk van God.” Doch wat meer? Zij gaan in vóór hen die beleden hebben God te dienen, doch niet trouw waren aan hun belijdenis. Gij, grote zondaars, zult in de hemel geen plaats achteraf hebben! Dáár zal voor u geen buitenste voorhof wezen. Gij, grote zondaars, zult even veel liefde ervaren als de besten, even veel blijdschap als de heerlijkste heiligen. Gij zult nabij Christus zijn. Gij zult met Hem zitten in zijn troon. Gij zult de eerkroon dragen. Uw vingers zullen de gouden harpen bespelen. Gij zult u verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Wilt gij niet komen. Christus vergeet uw slecht gedrag van vroeger en nodigt u te komen. “Komt” zegt Hij, “komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast bent; en ik zal u rust geven.” Dertig jaren van zonde zullen vergeven zijn. En er zullen geen dertig minuten nodig wezen om het te doen. Vijftig, zestig, zeventig jaren van ongerechtigheid zullen verdwijnen gelijk rijp voor de zon. Kom en betrouw op mijn Meester, daar gij schuilt in zijn bloedende wonden.

II.

Verleent mij nog een ogenblik uw aandacht terwijl ik zal spreken van hen, DIE ZICH SLECHTS IN SCHIJN ONDERWERPEN. Zij zijn overal in Engeland verreweg de talrijksten. En waarschijnlijk ook de talrijksten in deze vergadering. O gij, die u regelmatig onder mijn gehoor bevindt, gij, die mijn stem al dertien jaren lang gehoord hebt, velen uwer behoren tot deze klasse van mensen. Gij hebt tot de grote Vader gezegd: “Ik ga Heer!” Doch gij ging niet. Laat mij met droefheid uw beeld schetsen. Gij bent zeer regelmatig opgegaan naar het huis van het gebed. En gij zou er voor huiveren om een enkele Zondag te verspillen in uitstapjes naar buiten. Of in een andere manier van de Sabbat te schenden. Uitwendig hebt gij gezegd: “Ik ga heer.” Als de Psalm wordt opgegeven, dan zingt gij hem, maar gij zingt hem niet met uw hart. Als ik zeg: “Laat ons bidden, dan sluit gij de ogen, maar in werkelijkheid bidt gij niet. Beleefd en bescheiden zegt gij: “Ik ga heer”; maar gij gaat niet. Gij geeft een denkbeeldige instemming met het evangelie. Als ik een leerstelling zou noemen, dan zou gij zeggen: “Ja, dat is waar; dat geloof ik.” Maar uw hart gelooft niet. Gij gelooft het evangelie niet in het binnenste van uw wezen, want zo gij het deed, het zou uitwerking op u hebben. Iemand kan zeggen: “Ik geloof dat mijn huis in brand staat.” Doch als hij zich dan naar zijn legerstede begeeft en in slaap valt, dan ziet het er niet naar uit, alsof hij het geloofde. Want als iemands huis in brand staat, dan tracht hij er uit te ontkomen. Indien sommigen van u wezenlijk geloofden, dat er een hel is. En dat er een hemel is, gelijk gij andere dingen gelooft. Dan zou gij heel anders handelen dan gij nu handelt. Ik moet hier nog bijvoegen dat velen van u zeggen: “Ik ga heer,” in zeer ernstige en plechtige zin. Want als wij prediken dan stromen u de tranen uit de ogen. En gij begeeft u naar huis en gaat in uw binnenkamer. En gij bidt enige ogenblikken. En iedereen denkt dat de onrust van uw gemoed zal eindigen in bekering. Doch uw vroomheid is “als een morgenwolk en als een vroeg komende dauw die heengaat.” Gij bent als een mesthoop, die met sneeuw bedekt is: zo lang de sneeuw op u blijft liggen, bent gij wit en fraai om aan te zien, maar als de sneeuw smelt, dan blijft de mesthoop nog altijd een mesthoop. O hoe vele voor indrukken gevoelige harten gelijken hierop! Gij zondigt en toch komt gij in Gods huis. En siddert, terwijl het woord wordt verkondigd. Gij overtreedt en gij weent, en gij overtreedt opnieuw. In zekere mate gevoelt gij de kracht van het evangelie. En toch verzet gij er u al meer en meer tegen. Ach! Mijne vrienden, ik kan sommigen van u in het gelaat blikken en weten dat ik uw toestand nauwkeurig beschrijf. Al deze jaren hebt gij tegen God gelogen, zeggende: “Ik ga heer, terwijl gij niet gegaan bent. Gij weet, dat gij, om zalig te worden, in Jezus moet geloven, doch gij hebt niet geloofd. Gij weet, dat gij wederom geboren moet worden, doch aan die nieuwe geboorte bent gij nog vreemd. Gij bent zo godsdienstig als de zetel waarop gij neer zit, echter niet meer. En het is even waarschijnlijk voor u, dat gij naar de hemel gaat als het waarschijnlijk is voor deze banken. Maar hoegenaamd niet meer. Want gij bent dood in de zonde. En de dood kan de hemel niet binnen gaan. O mijn waarde hoorders, het smart mij dat ik zoiets zeggen moet en er niet nog meer door wordt ontroerd. En, wonder der wonderen, dat sommigen van u weten dat dit waar is. En er toch niet door verschrikt worden! Het is zeer gemakkelijk om op sommigen van u indruk te maken door een leerrede, doch ik vrees dat het bij die voorbijgaande indruk zal blijven. Gij bent als het water, waarop men slaat: de wond is spoedig genezen. Gij weet, en weet: gij gevoelt, en gevoelt, en gevoelt nogmaals. En toch doen uw zonden, uw eigen gerechtigheid, uw zorgeloosheid, of uw moedwillige goddeloosheid u, nadat gij gezegd had: “Ik ga, heer”, uw belofte vergeten. En Gode liegen.

Ik heb zeer rondborstig gesproken tot de andere klasse van mensen. En mijn woord aan u moet even duidelijk wezen. Ook gij beschuldigt u zelf. Ook voor u zal het niet nodig wezen getuigen op te roepen. Gij hebt erkend dat het evangelie waar is. Gij had niets tegen de leer van de toekomstige straf, of van de toekomstige heerlijkheid. Gij hebt de dienst in het huis van God bijgewoond. En gij hebt gezegd, dat God goed is en waardig om gediend te worden. Gij hebt erkend, dat gij Hem hulde en trouw verschuldigd bent. Gij knielde zelfs neer en zei in uw gebed: “Heere, ik verdien uw toorn.” De grote God behoeft zich slechts tot één van uw vormelijke gebeden te wenden, om er volkomen genoeg bewijzen in te vinden die u veroordelen. Uw morgengebeden, uw avondgebeden, allen zijn zij even geveinsd. En meer dan genoeg om u uit uw eigen mond te doen veroordelen. O zie toe! Ik bid u, zie toe, zo lang gij nog in het land der hope bent.

En gedurende al die tijd, dat gij onbekeerd bent gebleven hebt gij, gelijk mij door het 32ste vers herinnerd wordt, tollenaren en zondaren behouden zien worden door datzelfde evangelie dat op u geen kracht oefende. Weet gij het niet, jongeling? Ik bedoel u die de zoon bent van een godvruchtige moeder. Gij weet dat gij nog niet bekeert, niet verlost bent. Toch had gij een dronken werkman in de dienst van uw vader. En hij is in de laatste jaren een sober christelijk man geweest. Hij is verlost en behouden. En gij hebt wellicht de slechte gewoonten aangenomen die hij verzaakt heeft. Gij weet dat arme gevallen vrouwen van de straat opgenomen werden en tot de kennis van Christus zijn gebracht. En dat zij thans tot de schoonste, lieflijkste bloemen behoren in de hof van Christus. Ofschoon zij eens verworpelingen waren. En toch zijn sommigen van u, achtenswaardige lieden die nooit in uw leven in enige uitwendige ondeugd bent vervallen, nog onbekeerd. Nog altijd zegt gij tot Christus: “Ik ga, heer.” Doch gij bent niet gegaan. Nog altijd bent gij zonder God! Zonder Christus! Verloren! Verloren! Verloren! Toch zou men zich geen uitwendig schoner karakters kunnen denken. Ach! Ik zou over u kunnen schreien! O hoedt u, wacht u er voor als Sodomsappelen te zijn die een fraai aanzien hebben, maar van binnen niets dan as bevatten. Wacht u er voor om als Bunyan’s bomen te zijn die van buiten groen, maar inwendig vermolmd waren. En voor niets anders geschikt dan tonder voor des duivels tonderdoos te leveren. O wacht u van, gelijk sommigen van u, te zeggen: “Ik ga, heer,” terwijl gij niet gaat. Ik zie soms kranken die mij droefenis en schrik veroorzaken. “Mijn waarde vriend,” zeg ik tot hen, “gij gaat sterven. Hebt gij hoop op de hemel? Geen antwoord. “Hebt gij besef van uw verloren toestand?” “Ja, mijnheer.” “Christus is voor zondaren gestorven.” Ja, mijnheer.” “Door het geloof worden wij zijn genade deelachtig.” “Ja, mijnheer.” Het is immer “Ja, mijnheer.” Soms wenste ik wel van God dat zij mij tegen spraken, want indien zij slechts eerlijk genoeg waren om te zeggen: “Ik geloof er geen woord van” dan zou ik weten hoe met hen te handelen. Onbuigzame eiken worden neergeveld door de storm, doch zij die als de wilg, zich buigen voor iedere wind, waar is de wind die hen zal breken? O waarde broeders, wacht u er voor verhard te worden onder het evangelie. Of, wat op hetzelfde neerkomt, slechts voorbijgaand en tijdelijk te worden vertederd. Wacht u van een veelbelovend hoorder van het woord te zijn en niet verder te komen!

Ik wens mijn rede niet met deze schijnbaar zo harde woorden te eindigen, ofschoon die woorden, hoe hard zij ook schijnen, vol van liefde zijn voor uw ziel. Ook voor u heb ik een goed woord. Ik vertrouw dat de Heilige Geest, terwijl gij u nog hier in dit gebouw bevindt, een verandering in u zal werken. Want hoewel gij al deze jaren valse getuigenissen hebt afgelegd voor God, zo is er aan deze evangeliemaaltijd toch ook nog plaats voor u. Hebt gij wel gelet op de tekst? “De tollenaars en de hoeren zullen u voorgaan in het koninkrijk van God. Dus is het duidelijk dat gij na hen nog kunt komen. Want er zou niet gezegd zijn dat zij u voorgaan indien gij niet na hen zou komen. Indien de Heere uw hart verbreekt dan zult gij bereid zijn de Heere Jezus tot uw Alles in allen te nemen, juist op dezelfde wijze als een dronkaard dat doen moet, ofschoon gij geen dronkaard bent. Gij zult bereid zijn te rusten in de verdienste van Jezus, juist zoals een hoer dat doen moet, ofschoon gij dat nooit geweest bent. Nog is er plaats voor u, jonge lieden, ofschoon gij uw geloften hebt verbroken. En uw overtuiging geweld hebt aangedaan. Ja, en ook gij, ouden van dagen, kunt nog toegebracht worden. Ofschoon gij zó lang onder de uitwendige genademiddelen hebt geleefd, doch nooit uw hart aan de Heere Jezus hebt gegeven. O, komt toch! Mocht de Heere u nog heden toebrengen. Mocht de Heere u hier aan deze plaats er toe brengen om in stilte te zeggen: “Door Gods genade zal ik Hem niet langer slechts in schijn aanbidden en dienen. Ik zal mij overgeven in deze dierbare handen die voor mij doorboord werden. Aan dat dierbare hart dat voor mij werd doorstoken; heden zal ik mij aan Jezus onderwerpen.

De zaak is, mijne vrienden – en hiermede wens ik de overdenkingen van dat onderwerp te besluiten – dat hetzelfde evangelie gepredikt moet worden aan de ene klasse van mensen evenals aan alle andere klassen van mensen. Ik bid God, dat het nooit zal gebeuren dat wij in onze prediking spreken van de stand van de werklieden. En van de middenstanden en van de hogere standen. Ik ken onder u geen verschil. Als ik het evangelie predik bent gij allen voor mij gelijk. Of gij koningen en koninginnen of straatvegers bent. Satijn en katoen, laken en bombazijn. Voor het evangelie is het alles gelijk. Als gij pairs bent van het koninkrijk (de hoogst aanzienlijken in den lande) dan doen wij aan het evangelie niets af of toe, om het pasklaar voor u te maken. En als gij de diepst gezonkenen bent onder de dieven sluiten wij u niet uit van de roeping der genade. Het evangelie komt tot de mensen als zondaren, allen gelijkelijk gevallen in Adam, allen gelijkelijk in het verderf gestort door de zonde. Ik heb niet één evangelie voor Hare Majesteit, de koningin. En een ander evangelie voor de bedelares. Neen, er is slechts één weg der zaligheid, Slechts één fondament, slechts één verzoening, slechts één evangelie. Ziet op Christus’ kruis en leeft. Hoog opgericht was de koperen slang. En al wat Mozes zei, was: “Ziet.” Was er een vorst uit het huis van Juda gebeten, zo werd hem gezegd te zien. Zonder dat zien zou zijn leeuwenstandaard met zijn kostbaar blazoen hem niet hebben gebaat. Was er een arme, een onaanzienlijke gebeten, hij moest zien. En de kracht en uitwerking was voor hem hetzelfde als voor de grootste en machtigste in het leger. Ziet! O ziet op Jezus! Gelooft in de Zoon van God en leeft. Eén koperen slang voor geheel het leger, één Christus voor alle standen en rangen van mensen. Hoe heerlijk zou het wezen als wij heden allen in staat waren om op Christus te vertrouwen! Mijn broeders, waarom zou dit ook niet kunnen? Hij is ons aller vertrouwen waardig. De geest Gods is machtig het geloof in allen te werken. O zondaar, zie op hem! Waarde hoorders, wellicht zal ik nooit weer tot sommigen van u spreken. En daarom zou ik zeer bijzonder bij u op deze zaak willen aandringen. Bij de ure des doods, bij het plechtige en ontzaglijke der eeuwigheid smeek ik u. Neemt toch de enige medicijn aan tegen de zonde, welke God zelf de stervende mensenkinderen aanbiedt. De medicijn van een bloedende Plaatsbekleder voor u. En in uw plaats lijdende, geloofd en met het hart aangenomen. De weg der zaligheid bestaat uit niets anders dan dit: rust alleen en uitsluitend in Christus! Wees geheel en al van Hem afhankelijk. Men vroeg eens aan een neger wat hij deed. En hij antwoordde: “Ik val maar op de rots. En die op de rots is gevallen, kan niet lager vallen.” Werpt u op die rots, zondaar! Werp u op die Rots, de Rots der eeuwen. Lager kunt gij niet vallen. Ik zal besluiten met een welbekend voorbeeld. Uw toestand is die van een kind in een brandend huis. Dat kind had zich een weg weten te banen naar het venster, maar het bleef aan het kozijn hangen. De vlammen sloegen onder hem uit het raam. En de arme knaap zou spoedig verbrand zijn of te pletter zijn gevallen. En daarom klemde hij zich met de greep des doods aan die steunbalk vast. Hij durfde hem niet loslaten, totdat een sterk man beneden hem stond. En hem toeriep: “Laat u vallen, jongen, laat u vallen, ik zal u opvangen.” Het geloof nu, dat die man sterk was, bracht de knaap geen redding aan – dat was alleen maar een goede hulp voor hem om tot geloof te komen doch hij zou dat hebben kunnen weten en toch omkomen. Wèl was het geloof echter, toen de knaap het kozijn losliet en zich in de sterke armen van zijn vriend liet vallen. Zo is het met u, zondaar, hetzij gij u vastklemt aan uw zonden of aan uw goede werken. De Heiland roept: “Laat u vallen in mijne armen!” Het is geen doen, dat zalig maakt, geen doen van mensen. Het is geen werk, het is het betrouwen op het werk, dat Jezus reeds volbracht heeft. Vertrouwen! Dat is het woord, eenvoudig, vast, hartelijk, ernstig vertrouwen. Heb vertrouwen. En het zal geen uur duren, of gij bent verlost. Gij zou dit gebouw hebben kunnen binnentreden, zo zwart als de hel. Doch zo gij op Jezus vertrouwt bent gij volkomen begenadigd. In een oogwenk, sneller dan een bliksemstraal is de daad der genade geschied. O moge God, de Heilige Geest, het thans doen. Mocht Hij er u toe leiden om te betrouwen, opdat gij zalig mag worden. Amen.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend