24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

De Heere en de melaatse

De Heere en de melaatse

“En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zei tot hem: Ik wil word gereinigd! En als Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid terstond van hem, en hij werd gereinigd.” Markus 1:40-42

 Geliefden, wij zien uit het hoofdstuk, waarin onze tekst voorkomt, dat onze Heere Zich tot het gebed had afgezonderd. Hij was alleen gegaan aan de zijde van de berg om gemeenschap met God te hebben. Simon en de overigen zoeken naar Hem. En zij treffen Hem aan in de vroege morgen met de reuk van het veld aan Zich, van het veld, dat de Heere God gezegend had; Hij verschijnt onder het volk, aangedaan met kracht, welke Hij had ontvangen in de gemeenschapsoefening met de Vader. En nu mogen wij verwachten wonderen te zien. En wij zien ze, want de duivelen sidderen en vluchten, wanneer Hij het woord spreekt. En straks komt daar iemand tot Hem, een buitengewoon wezen, veroordeeld om afgezonderd van het overige mensdom te leven opdat hij geen besmetting in het rond verspreide. Een melaatse komt tot Hem, knielt voor Hem neer, en betuigt zijn geloof en vertrouwen in Hem, dat Hij hem gezond kan maken. Nu is de Zoon des mensen heerlijk in Zijn macht om te redden.

De Heere Jezus Christus heeft thans alle macht in hemel en op aarde. Hij is met een goddelijke kracht aangedaan om allen te zegenen, die tot Hem om genezing komen. O, dat wij op deze dag een groot wonder van Zijn macht en genade mogen aanschouwen! O, dat wij nu èn hier ook een van de dagen van de Zoon des mensen mogen hebben! Tot dat einde is het volstrekt noodzakelijk, dat er een geval aanwezig is, waarop Hij Zijn geestelijke macht kan doen werken. Is hier niet iemand, in wie Zijn genade haar almacht kan betonen? Gij niet, gij goeden, gij rechtvaardigen! Gij laat geen plaats voor Hem over om daarin te werken. Gij, die gezond zijt, hebt geen medicijnmeester nodig; in u bestaat geen gelegenheid voor Hem om Zijn wondermacht ten toon te spreiden. Maar ginder zijn de mensen, naar welke wij zoeken. Rampzalig, verloren, vol van het kwade, u zelf veroordelende. Gij zijt de personen die wij zoeken. Gij die een gevoel hebt alsof gij bezeten waart van boze geesten en gij die melaats zijt van de zonde, gij zijt de lieden in welke Jezus voldoende plaats en ruimte vindt voor de tentoonspreiding van Zijn heilige bekwaamheid. Van u zou ik kunnen zeggen gelijk Hij eens zei van de blindgeborene: gij zijt hier, opdat de werken Gods in u mogen geopenbaard worden. Gij met uw schuld en uw verdorvenheid, gij levert de ledige vaten, in welke Zijn genade kan worden uitgestort, de kranke zielen, aan welke Hij Zijn grenzeloze macht om te zegenen en zalig te maken kan betonen. Grijpt dan moed, gij, die vol van zonden zijt! Ziet deze morgen uit naar de nadering van de Heere en verwacht dat Hij ook in u grote wonderwerken zal verrichten. Deze melaatse zal een schilderij, ja, naar ik hoop een spiegel zijn in welke gij u zelf zult zien. Het is mijn bede, dat velen alhier, onderwijl ik de bijzonderheden van dit wonder naga, zich in de plaats van de melaatse mogen stellen, en hetzelfde mogen doen wat de melaatse deed, om, evenals de melaatse, reiniging uit de hand van Christus te ontvangen. O, Geest van de levende God, de duizenden van ons Israël smeken U nu om te werken, opdat Jezus, de Zoon van God, hier en thans verheerlijkt moge worden!

I.

Ik zal mijn behandeling van dit evangelische verhaal beginnen met in de eerste plaats op te merken, DAT HET GELOOF VAN DEZE MELAATSE HEM BEGERIG MAAKTE OM GENEZEN TE WORDEN. Hij was melaats; ik zal mij niet ophouden om u te beschrijven welke verschrikkelijkheden in dat enkele woord vervat zijn; maar Hij geloofde, dat Jezus hem kon reinigen, en zijn geloof wekte hem op tot een vurige begeerte om terstond genezen te worden.

Helaas! Wij hebben het te doen met geestelijk melaatsen, die verteerd worden door de vuile krankheid van de zonde; maar sommigen van hun geloven niet, dat zij ooit genezen kunnen worden. En het gevolg is, dat de wanhoop hen op de meest gruwelijke wijze doet zondigen. “Ik word even goed gehangen voor een schaap als voor een lam,” is de toon, die er in het hart van menige zondaar spreekt, wanneer hij vreest, dat er geen genade en geen hulp voor hem is. Omdat er geen hoop is, daarom duikelen zij al dieper en dieper in de poel van de ongerechtigheid. O, dat gij van dat valse denkbeeld mocht worden verlost! Genade is nog altijd te verkrijgen. Er is hoop, zolang Jezus Zijn evangelie tot u zendt en u tot boete en berouw uitnodigt. “Ik geloof in de vergeving van de zonden.” Dit is een lieflijk klinkende zin uit een ware geloofsbelijdenis. Ik geloof ook in de vernieuwing van ‘s mensen hart; want de Heere kan een nieuw hart en een rechte geest geven aan de snoden en de ondankbaren. Het is mijn begeerte, dat gij zulks gelooft, want zo gij dit doet, vertrouw ik, dat u dit zal aansporen om te zoeken, dat uw zonden mogen vergeven en dat uw geest vernieuwd mag worden. Gelooft gij het? Komt dan tot Jezus en ontvangt de zegeningen van de vrije genade.

Wij hebben een aantal melaatsen, welke zich hier in ons midden vertonen, wier kwaal op hun aangezicht te lezen staat en voor allen zichtbaar is, en toch zijn zij onverschillig; zij betreuren hun goddeloosheid niet, en wensen er ook niet van verlost te worden. Zij zitten neer te midden van het volk van God. Zij luisteren naar de leer van een nieuwe geboorte en de boodschap van schuldvergiffenis. En zij horen dat onderwijs aan, alsof zij er niets mee te maken hadden. Indien er nu en dan zo iets van een wens bij hen opkomt, dat de zaligheid ook hun deel moge worden, is die wens te flauw om stand te houden. Zij hebben nog geen zodanig gezicht gekregen van hun kwaal en van het gevaar, waarin zij verkeren, dat zij daardoor worden uitgedreven tot het gebed om daarvan bevrijd te worden. Zij slapen voort op het bed der traagheid, en bekommeren zich evenmin om de hemel als om de hel. Onverschilligheid ten aanzien van geestelijke zaken is de zonde van deze eeuw. Het mensdom blijft onbewogen van hart omtrent de eeuwige dingen, die de grootste werkelijkheid inhouden. Een akelige gevoelloosheid heerst er onder de menigte. De melaatse in onze tekst was niet zo dwaas als de mensen van onze tijd. Hij begeerde vurig verlost te worden van zijn verschrikkelijke krankheid; met hart en ziel smachtte hij er naar om gereinigd te worden van die afschuwelijke onreinheid. O, dat het ook met u zo ware! Moge de Heere u doen gevoelen, hoe verdorven uw hart is en hoezeer al de vermogens van uw ziel door de zonde zijn aangetast! Helaas, waarde vrienden, er zijn sommigen, die zelfs hun melaatsheid lief hebben! Is het niet treurig aldus te moeten spreken? Voorzeker, de dwaasheid heerst in het hart van de mensen. De mensen begeren niet verlost te worden van het doen van het kwade. Zij hebben de wegen en het loon der ongerechtigheid lief. Zij willen wel naar de hemel, maar onderweg moeten zij van hun dartele vermaken kunnen genieten. Zij zouden zeer gaarne van de hel bevrijd willen worden, maar niet van de zonde, welke de oorzaak er van is. Hun denkbeeld van de zaligheid is niet verlost te worden van de liefde tot het kwade, om hiervan gezuiverd en gereinigd te worden. Maar dat is wel Gods bedoeling, wanneer Hij spreekt van de zaligheid. Hoe kunnen zij hopen slaven van de zonde te zijn en toch tegelijkertijd vrij te wezen? Het eerste waaraan wij behoefte hebben is van het zondigen verlost te worden. Zelfs de naam van Jezus zegt ons dat: Hij is genaamd Jezus, omdat “Hij Zijn volk zalig zal maken van hun zonden.” Deze lieden hebben geen begeerte naar een zaligheid, welke zelfverloochening en het prijsgeven van ongoddelijke lusten zou insluiten. O, ellendige melaatsen, die hun melaatsheid voor schoonheid houden. En een behagen scheppen in de zonde, welke in het oog van God veel walgelijker is dan de ergste krankheid van het lichaam! O, dat Christus mocht komen om hun gezicht van die dingen zodanig te veranderen, dat zij van dezelfde gedachten zijn als God ten aanzien van de zonde; en gij weet, dat Hij ze een afschuwelijke zaak noemt, welke Hij haat. O, indien de mensen hun liefde tot het verkeerde konden beschouwen als een kwaal, walgelijker dan de melaatsheid, hoe gaarne zouden zij gezaligd, en wel terstond gezaligd worden! Heilige Geest, overtuig van zonde, opdat zondaars begeerte mogen gevoelen om gereinigd te worden

De melaatsen waren genoodzaakt zich met elkander op te houden; melaatsen gingen met melaatsen om en moeten wel een afzichtelijke broederschap gevormd hebben. Hoe blij zouden zij zijn geweest er aan te kunnen ontkomen! Maar ik ken geestelijk melaatsen, die het gezelschap liefhebben van hun broeders in de melaatsheid. Ja, en hoe meer melaats een mens wordt, hoe meer zij hem bewonderen. Een stout zondaar is menigmaal de afgod van zijn makkers. Schoon vuil in zijn wandel, hechten anderen zich juist om die reden aan hem. Zulke lieden houden er van een nieuw stuk goddeloosheid te leren kennen, zij zijn begerig ingewijd te worden in een nog donkerder vorm van onrein genot. O, hoe verlangen zij dat laatste onkuise lied te horen, die laatste onreine roman te lezen! Het schijnt de begeerte van velen te zijn om zoveel kwaad te weten te komen als zij maar kunnen. Zij scharen zich bij elkander, en hebben een ijselijk genot in gesprekken en handelingen, welke voor ieder rein gemoed tot een afschuw zijn. Vreemdsoortige melaatsen, die de melaatsheid als een schat ophopen! Zelfs zij, die zich niet aan gruwelijke openbare zonden schuldig maken, vinden nochtans een behagen in ongelovige denkbeelden en twijfelzieke gedachten, welke een afschuwelijke vorm van verstandelijke melaatsheid zijn. O afgrijselijke ziekte, welke de mensen doet twijfelen aan het woord van de levende God!

De melaatsen mochten niet met gezonde personen omgaan, anders dan onder gestrenge beperkingen. Aldus waren zij gescheiden van hun naaste en dierbaarste vrienden. Welk een ellende! Helaas! Ik ken personen, die aldus gescheiden zijn die niet met de godzaligen wensen om te gaan; voor hen is heilig gezelschap saai en vervelend. In zulk een omgeving gevoelen zij zich niet vrij en op hun gemak en daarom vermijden zij het gezelschap van de vromen zoveel als maar met de welvoeglijkheid is overeen te brengen. Hoe kunnen zij hopen voor altijd met de heiligen te zullen leven, wanneer zij hen nu als vervelende en dromerige lieden schuwen?

O, mijn hoorders, ik ben hier deze morgen gekomen in de hoop, dat God het woord moge zegenen aan de een of andere arme zondaar, die gevoelt, dat hij een zondaar is en gaarne gereinigd zou worden. Zodanig is de melaatse welke ik zoek met mijn ganse hart. Ik bid God, dat Hij het woord moge zegenen voor hen, die aan het boze gezelschap wensen te ontkomen, die niet langer wensen te zitten in de vergadering van de spotters, noch te wandelen op de paden van de onheiligen. Tot degenen, die afkerig geworden zijn van hun zondige metgezellen, die van hen wensen ontslagen te worden, opdat zij niet in bundelen met hen worden opgebonden om te branden in de laatste grote dag – tot de zodanigen spreek ik thans met een begeerte, die zich vol liefde uitstrekt tot hun zaligheid. Ik hoop, dat mijn woord met een toepassing van Gods wege tot het een of ander arme hart alhier zal komen, in hetwelk een toon gehoord wordt als deze: “Och, dat ik toch onder het volk van God geteld mocht worden. Dat ik slechts geschikt mocht wezen om een deurwachter te zijn in het huis des Heeren. O, dat mijn verschrikkelijke zondigheid overwonnen ware, zodat ik gemeenschap met de godzaligen kon hebben en zelf een van hen kon zijn!” Ik hoop, dat mijn Heere juist zulke verlorenen naar deze plaats heeft gebracht, opdat Hij ze moge vinden. Ik zie naar hen uit met ogen vol van tranen. Maar mijn zwakke ogen kunnen niet tot het inwendige doordringen. En het is goed, dat de liefhebbende Zaligmaker, Die de geheimen van alle harten onderscheidt en alle inwendige begeerten leest, van de wachttorens des hemels neerziet, opdat Hij moge ontdekken degenen, die tot Hem komen, al zijn ze dan ook op het heden nog een heel eind weg. O, dat zondaars nu mogen bidden en smeken om van hun zonden verlost te worden! Dat degenen die aan het kwade gewoon zijn geraakt, er naar mogen verlangen om hun kwade gewoonten af te breken! Gelukkig zal de prediker zijn, als hij zich omringd ziet door boetvaardigen, die hun zonden haten en schuldigen, die om vergiffenis roepen, die begeren zodanig veranderd te worden, dat zij heengaan en niet meer zondigen.

II.

Laat ons in de tweede plaats opmerken, DAT HET GELOOF VAN DEZE MELAATSE STERK GENOEG WAS OM HEM TE DOEN GELOVEN, DAT HIJ VAN ZIJN AFSCHUWELIJKE KWAAL KON WORDEN GENEZEN.

De melaatsheid was een onuitsprekelijke walgelijke kwaal. Daar zij nog bestaat, wordt zij door hen, die haar gezien hebben, beschreven op zulk een wijze, dat ik uw gevoel niet wil kwetsen door al de weerzinwekkende bijzonderheden te verhalen. De volgende aanhaling moge meer dan voldoende zijn. Dr. Thomson spreekt in zijn beroemd werk: “Het Land en het Boek” van de melaatsen in het Oosten en zegt: “Het haar valt uit het hoofd en uit de wenkbrauwen; de nagels raken los, verrotten en vallen af; het ene lid na het ander van de vingers en de tenen krimpt op en valt langzaam weg. Het tandvlees teert weg en de tanden verdwijnen. De neus, de ogen, de tong en het gehemelte verteren langzamerhand.” Deze kwaal verandert een mens in een walgelijk, afschuwwekkend wezen, een wandelende pesthoop. De melaatsheid is niets beter dan een afgrijselijke en langzame dood. De melaatse in het verhaal vóór ons had een treurige persoonlijke ondervinding hiervan. En toch geloofde hij, dat Jezus hem kon reinigen. Heerlijk geloof! O, dat gij die door een zedelijke en geestelijke melaatsheid zijt aangetast, op deze wijze kon geloven. Jezus Christus van Nazareth kan ook u genezen. Over het afschrikwekkende van de melaatsheid triomfeert het geloof. O, dat het in uw geval de verschrikkelijkheid van de zonde mocht overwinnen!

De melaatsheid stond voor ongeneeslijk bekend. Er was geen geval aan te wijzen van een mens, die door de ene of andere geneeskundige of heelkundige behandeling van werkelijke melaatsheid genezen was. Dit maakte de genezing van Naäman in vroeger eeuwen zo merkwaardig. Merkt bovendien op, dat onze Zaligmaker zelf, zo ver als ik zien kan, nog nimmer een melaatse genezen had tot op het ogenblik, dat dit arme, beklagenswaardige wezen voor Hem verscheen. Hij had de koorts genezen, Hij had duivelen uitgeworpen, maar de genezing van de melaatsheid was tot nu toe een zaak zonder voorbeeld in het leven van de Zaligmaker. Toch geloofde deze man, waar hij het een met het ander in verband bracht en iets van de natuur en de aard van de Heere Jezus Christus verstond, dat Hij hem van zijn ongeneeslijke kwaal kon genezen. Hij gevoelde dat, al had de grote Heere nog niet van de melaatsheid genezen, Hij zeker bij machte was zulk een grote daad te verrichten. En hij besloot daarom zich tot Hem te wenden. Was dit geen verheven geloof? O dat zulk een geloof te dezer ure onder mijn hoorders kon worden gevonden! Hoor naar mij, o bevende zondaar: al zijt gij deze morgen zo vol zonde als een ei vol voedsel is, Jezus kan het alles wegnemen. Al zijn ook uw genegenheden tot de zonde even ontembaar als de wilde beer van het woud, Jezus Christus, de Heere van alles, kan uw ongerechtigheden onderdrukken, en u tot een gehoorzame dienaar van Zijn liefde maken. Jezus kan de leeuw in een lam veranderen en dat kan Hij heden doen. Hij kan u overbrengen, daar waar gij neerzit. U op gindse bank, terwijl ik het woord spreek, zalig maken. Alle dingen zijn mogelijk voor God de Zaligmaker. En alle dingen zijn mogelijk degene, die gelooft. Ik zou willen, dat gij zulk een geloof had als deze melaatse, ofschoon, als het minder was het u ook nog van dienst zou kunnen zijn, aangezien gij niet met al zijn moeilijkheden hebt te strijden, aangezien Jezus reeds vele zondaars, gelijk gij zijt, heeft zalig gemaakt. En vele harten, even hard als het uwe, heeft veranderd. Indien Hij u wederbaart, zal Hij ten opzichte van u geen vreemde zaak doen, maar slechts een van de dagelijkse wonderen van Zijn genade. Hij heeft nu duizenden melaatsen, evenals gij zijt, genezen. Kunt gij niet geloven dat Hij de melaatsheid in u genezen kan?

Deze man had een wonderbaarlijk geloof, aldus te geloven, terwijl hij persoonlijk het slachtoffer van die dodelijke ziekte was. Het is heel iets anders een dokter te vertrouwen, wanneer gij gezond bent, dan uw vertrouwen op hem te stellen, wanneer uw lichaam wegrot. Dat een zondaar, die zich werkelijk schuldig gevoelt en zich zijn zonde bewust is, op de Zaligmaker vertrouwt, is geen geringe zaak. Wanneer gij hoopt, dat er nog iets goeds in u is, is het gemakkelijk om vol vertrouwen te zijn. Maar wanneer gij u bewust zijt, dat het geheel en al verkeerd staat en dan toch in het goddelijk geneesmiddel gelooft, dat is werkelijk geloof. In de zonneschijn te zien is bloot een natuurlijk gezicht; maar om in het duister te zien is er een oog des geloofs nodig. Te geloven dat Jezus u heeft zalig gemaakt, wanneer gij de tekenen daarvan ziet, is het uitvloeisel van het redenerend verstand. Maar op Hem te vertrouwen dat Hij u zal reinigen terwijl gij nog met de zonde besmet zijt, dat is het wezen van het zaligmakend geloof.

De melaatsheid had zich in deze man vastgezet en was in hem ten volle ontwikkeld. Lukas zegt, dat hij “vol melaatsheid” was: hij had zoveel van het vergif in zich als één armzalig lichaam kon bevatten. De kwaal was bij hem op het ergst. En toch geloofde hij, dat Jezus van Nazareth hem kon reinigen. Heerlijk vertrouwen! O, mijn hoorder, als gij vol zonde zijt, als uw genegenheden en uw gewoonten zo slecht zijn geworden als zich maar denken laat, is het mijn bede, dat de Heilige Geest u in staat stelt om te geloven, dat de Zoon van God u vergiffenis kan schenken en u kan vernieuwen en dat Hij dit terstond kan doen. Met één woord van Zijn mond kan Jezus uw dood in leven uw bederf in bevalligheid veranderen. Veranderingen, welke wij niet in anderen, en nog veel minder in ons zelf tot stand kunnen brengen, kan Jezus, door Zijn onoverwinlijke Geest, in de harten van de goddelozen werken. Uit deze stenen kan Hij Abraham kinderen verwekken. Zijn zedelijke en geestelijke wonderen worden dikwijls verricht in gevallen, welke buiten alle hoop schijnen. Gevallen, welke het medelijden zelf tracht te vergeten, omdat zijn pogingen zolang vergeefs geweest zijn.

Wat mij het meest aantrekt ten aanzien van het geloof van deze man is het feit dat hij niet slechts geloofde dat Jezus Christus een melaatse kon reinigen, maar dat Hij hem kon reinigen! Hij zei: “Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Het is zeer gemakkelijk voor andere mensen te geloven. Er is in werkelijkheid geen geloof in zulk een onpersoonlijk vertrouwen, waar wij zelf buiten staan. Het ware geloof gelooft eerst voor zich zelf en dan voor anderen. O, ik weet het, hoe sommigen van u zeggen: “Ik geloof, dat Jezus mijn broeder kan zalig maken. Ik geloof, dat Hij de snoodste onder de snoden kan zalig maken. Als ik hoorde, dat Hij de grootste dronkaard uit de hele buurt had zalig gemaakt, het zou mij niet verwonderen.” Kunt gij dit alles geloven, en toch vrezen, dat Hij u niet kan zalig maken? Dat is een zonderlinge tegenstrijdigheid. Als Hij de melaatsheid van een ander geneest, kan Hij uw melaatsheid dan niet genezen? Als de ene dronkaard gered wordt, waarom de ander dan niet? Als in de ene mens een hartstochtelijk temperament ten onder gebracht wordt, waarom dan niet in de andere? Als de wellust, de begeerlijkheid, het liegen en de hoogmoed in vele mensen genezen zijn, waarom dan niet in u? Zelfs als gij. een godslasteraar zijt, de godslastering is genezen, waarom zou het met u niet gebeuren? Hij kan u genezen van die bijzondere vorm van de zonde, welke zich van u heeft meester gemaakt tot welk een hoge mate haar macht ook gestegen is; want niets is voor de Heere te moeilijk. Jezus kan u heden veranderen en reinigen. In een ogenblik kan Hij een nieuw leven mededelen en u een nieuwe natuur instorten. Kunt gij dit geloven? Dit is het geloof, hetwelk Jezus verheerlijkt en deze melaatse genezing aanbracht; en het is ook het geloof, hetwelk u terstond zal behouden, indien gij het heden in beoefening brengt. O, Geest van de levende God, werk dit geloof in de harten van mijn geliefde hoorders, opdat zij aldus de pleitzaak bij de Heere Jezus mogen winnen en van de plaag der zonde genezen hun weg mogen gaan!

III.

Merkt nu in de derde plaats op, dat het geloof, van deze man OP JEZUS CHRISTUS ALLEEN GEVESTIGD WAS. Laat mij u de woorden van de man nogmaals voorlezen. Hij zei tot Jezus: “Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Legt de nadruk op de voornaamwoorden. Ziet hem knielen voor de Heere Jezus en hoort hem zeggen: “Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Hij denkt er niet aan om het van de discipelen te verwachten; neen, niet van een van hen, en ook niet een van hen allen te samen. Er was geen sprake van, dat hij op enigerlei wijze zijn vertrouwen stelde op de artsenijen, welke de geneesmeesters hem zouden willen voorschrijven. Dat is alles weg. Geen zweem van andere hoop blijft er over; maar met het oog strak gericht op de gezegende Wonderwerker van Nazareth, roept hij: “Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Op zich zelf had hij geen zweem van vertrouwen; alles wat hij zich mocht hebben voorgespiegeld was door een wrede ervaring, met zijn kwaal opgedaan, voor goed verbannen. Hij wist, dat niemand op aarde hem kon verlossen, en dat Hij door geen inwendige kracht van zijn gestel het vergif kon uitwerpen; doch hij geloofde met een volkomen vertrouwen, dat de Zoon van God door Zich zelf de genezing kon bewerken. Dit was het door God bewerkte geloof, het geloof van Gods uitverkorenen. En Jezus was het uitsluitend voorwerp daarvan.

Hoe kwam deze man aan zulk een geloof? Ik kan u het uitwendige middel niet mededelen, maar ik geloof, dat wij, zonder ons te veel aan te matigen, het wel kunnen gissen. Had hij onze Heere niet horen prediken? Mattheüs plaats dit verhaal onmiddellijk na de bergrede en zegt: “Toen Hij nu van de berg afgeklommen was, zijn Hem vele scharen gevolgd. En zie, een melaatse kwam, en aanhad Hem, zeggende: Heere! Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Was deze man er in geslaagd een plaats te krijgen aan de buitenkant van de schare en Jezus aldaar te horen spreken en hadden die wondervolle woorden hem overtuigd, dat de grote Leraar meer was dan mens? Heeft hij, lettende op de stijl, en de wijze, en de inhoud van die merkwaardige rede, bij zich zelf gezegd: “Nooit heeft een mens alzo gesproken gelijk deze mens. Voorwaar, Hij is de Zoon van God. Ik geloof in Hem. Ik vertrouw Hem. Hij kan mij reinigen?” Moge God de prediking van de gekruisigde Christus zegenen aan u, die mij heden hoort! Wordt deze niet door de Heere gebruikt als een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft?

Wellicht had deze man de wonderen van de Heere gezien. Ik gevoel mij er zeker van, dat hij ze gezien had. Hij had gezien, dat de duivelen uitgeworpen werden; Hij had gehoord van de moeder van Petrus’ vrouw, die ziek gelegen had aan de koorts en in een ogenblik genezen was. De melaatse had alle reden om aldus te redeneren: Om dit te doen is er een almachtige kracht nodig; en nu alzo blijkt, dat de almacht aan het werk is, kan die almacht even goed de melaatsheid als de koorts onder handen nemen. Redeneerde hij niet zuiver, wanneer hij aldus bij zich zelf overlegde: Wat de Heere gedaan heeft, kan Hij wederom doen; als Hij in het ene geval Zijn almachtige kracht heeft tentoongespreid, kan Hij diezelfde kracht ook in een ander geval openbaar doen worden? Aldus zouden de handelingen van de Heere met Zijn woorden samenwerken en een vaste grondslag leveren voor de hoop van de melaatse. Mijn hoorder, hebt gij niet gezien, dat anderen door Jezus gered werden? Hebt gij ten minste niet van Zijn wonderen der genade gelezen? Gelooft Hem dan om Zijner werken wil en zegt tot Hem: “Heere! Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.”

Daarenboven heeft deze man mogelijk wel iets gehoord van het gerucht aangaande Christus en kan hij wel bekend zijn geweest met de Oudtestamentische profetieën omtrent de Messias. De een of andere discipel heeft hem mogelijk wel het getuigenis van Johannes aangaande de Christus meegedeeld en tot hem gesproken over de tekenen en wonderen, welke dat getuigenis tot steun dienden. Hij kan aldus in de Zoon des mensen de Messias Gods, de vlees geworden godheid ontdekt hebben. In ieder geval, daar de kennis er moet zijn vóór het geloof, had hij kennis genoeg ontvangen om te gevoelen, dat hij deze heerlijke Persoon kon vertrouwen. En te geloven, dat Jezus, indien Hij wilde, hem kon reinigen. O, waarde hoorders, kunt gij de Heere Jezus Christus niet op deze wijze uw vertrouwen schenken? Gelooft gij niet ik hoop, dat gij dit doet – dat Hij de Zoon van God is? En zo ja, waarom Hem dan niet te vertrouwen? Hij, Die te Bethlehem uit Maria geboren werd, was God boven alles, gezegend tot in eeuwigheid! Gelooft gij dit niet? Wel, verlaat gij u dan niet op God in onze natuur? Gij gelooft in Zijn overgegeven leven, Zijn lijden en dood, Zijn opstanding, Zijn hemelvaart, Zijn zitten in macht aan de rechterhand des Vaders; waarom vertrouwt gij Hem dan niet? God heeft Hem hoog verheven en gemaakt, dat alle volheid in Hem woont. Hij kan volkomen zalig maken. Waarom komt gij niet tot Hem? Gelooft, dat Hij het kan. En met al uw zonden vóór u, rood als scharlaken, met al uw zondige gewoonten en uw boze genegenheden, u inklevend als de vlekken van de luipaard, gelooft, dat de Zaligmaker der mensen u ineens witter kan maken dan sneeuw ten aanzien van de verleden schuld en vrij kan maken van de tegenwoordige en toekomstige heerschappij van het kwade. Een goddelijke Zaligmaker moet u van alle zonde kunnen reinigen. Alleen Jezus kan het doen, maar Hij kàn het doen; Hij kan het zelf alleen doen. Hij kan het nu doen. Hij kan het doen in u, Hij kan het doen met één woord. Indien Jezus het wil, dat is alles wat er geëist wordt; want Zijn wil is de wil van de almachtige Heere. Zegt: “Heere! Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Het geloof moet alleen op Jezus gericht zijn. Geen andere naam is er onder de mensen gegeven, waardoor wij zalig moeten worden. Het is mijn bede tot de Heere, dat Hij deze morgen dat geloof aan al mijn dierbare vrienden alhier moge geven, die alsnog geen reiniging uit de handen van de Heere hebben ontvangen. Jezus is ons van God tot volkomen zaligheid geschonken; Hij is de enige hoop voor de schuldigen zowel ten aanzien van de schuldvergiffenis als van de vernieuwing van het hart. Neemt Hem als zodanig aan en dat wel heden.

IV.

Laat mij nu nog een stap verder gaan: HET GELOOF VAN DEZE MAN HAD HET OOG OP EEN WERKELIJKE, ZAKELIJKE GENEZING. Hij beschouwde de Heere Jezus Christus niet als een priester, die zekere ceremoniën over hem zou volvoeren en voor de vorm zou zeggen: “Gij zijt rein;” want dat zou niet het ware geweest zijn. Hij verlangde in werkelijkheid van de melaatsheid te worden bevrijd, zodat die droge korsten, waarin zijn huid onophoudelijk veranderde, alle werden weggenomen en zijn vlees gelijk werd aan het vlees van een klein kind; hij verlangde, dat de verrotting, die zijn lichaam verteerde, gestuit werd en dat de gezondheid hem metterdaad werd teruggegeven. Vrienden, het is gemakkelijk genoeg te geloven in een bloot priesterlijke absolutie of vrijspreking, indien gij maar lichtgelovigheid genoeg bezit; maar wij hebben meer nodig dan dat. Het is zeer gemakkelijk te geloven in de wederbaring door de doop, maar wat is het nut er van? Welk praktisch resultaat brengt dit voort? Een kind blijft, nadat het de wederbaring door de doop heeft ontvangen, dezelfde, die het vroeger was en het groeit op om het te bewijzen. Het is gemakkelijk te geloven in de kracht van het sacrament als zodanig, alleen op zich zelf beschouwd, als gij dwaas genoeg daartoe zijt. Maar er steekt niets in, wanneer gij daarin gelooft. Geen geheiligde kracht komt er met de uitwendige ceremoniën in en van zich zelf ook niet. Te geloven, dat de Heere Jezus Christus kan maken, dat wij liefhebben de goede dingen, welke wij eens verachtten, en schuwen die boze dingen, in welke wij eens behagen schepten – dat is inderdaad en in waarheid in Hem te geloven. Jezus kan de natuur gans en al veranderen, en een zondaar tot een heilige maken. Dat is geloof van een praktische soort. Dat is een geloof, hetwelk de moeite waard is om het te bezitten.

Niemand van ons zou zich verbeelden, dat deze melaatse bedoelde, dat de Heere Jezus hem een gevoel van rust en bevrediging kon schenken wanneer hij melaats bleef. Sommigen schijnen zich te verbeelden, dat Jezus gekomen is om ons met een gerust geweten in onze zonden te laten voortgaan; maar daar is niets van aan. Zijn zalig maken is reiniging van de zonde, en als wij de zonde liefhebben zijn wij er niet van zalig gemaakt. Wij kunnen de rechtvaardigmaking niet deelachtig worden zonder de heiligmaking. Het geeft niets om zich daaromtrent met woordenspel of spitsvondigheden op te houden; er moet een verandering zijn, een verandering in de levenswortel, een verandering van het hart, anders zijn wij niet zalig gemaakt. Ik stel u de vraag nu zo: “Begeert gij een zedelijke en een geestelijke verandering, een verandering van leven, gedachte en beweegreden? Dit is het wat Jezus geeft. Juist zoals deze melaatse een volkomen lichamelijke verandering nodig had, zo hebt gij een volkomen vernieuwing van uw geestelijke natuur nodig, zodat gij een nieuw schepsel wordt in Jezus Christus. O, dat velen alhier dit mochten begeren, want dit zou een moedgevend teken wezen. De mens, die rein begeert te worden, begint rein te worden; de mens, die in oprechtheid verlangt de zonde te overwinnen, heeft reeds de eerste slag toegebracht. De macht van de zonde is aan het wankelen gebracht in die mens, die om bevrijding daarvan zich naar Jezus wendt. De mens, die onder het juk van de zonde in verzet komt, zal er niet lang een slaaf van zijn. Indien hij kan geloven dat Jezus Christus in staat is hem in vrijheid te stellen, zal hij zijn slavenboeien spoedig verbreken. Sommige zonden, welke ingeroest en tot gewoonten geworden zijn, verdwijnen nochtans in een ogenblik, wanneer Jezus Christus op een mens in liefde neerziet. Mij zijn vele voorbeelden bekend van personen, die jaren lang niet konden spreken zonder te vloeken of vuile taal uit te slaan en van wie, nadat zij bekeerd waren, nooit weer zulk een taal gehoord werd, en die ook bijna nooit weer in verzoeking kwamen om zich aan dergelijke zonden schuldig te maken. Dit is een van de zonden, welke bij het eerste schot dood schijnen neer te vallen. En dat dit zo is, is iets zeer wonderlijks. Anderen heb ik gekend, die opeens zo geheel en al veranderd werden, dat juist die neiging, welke in hen het sterkst was, hen naderhand het minst kwelde: er kwam bij hen zulk een omkering in de werkzaamheden van hun geest, dat terwijl andere zonden hen jaren achtereen benauwden, en zij een nauwlettende wacht daartegen moesten plaatsen, hun geliefkoosde en heersende zonde evenwel nimmer weer de geringste invloed op hen heeft gehad, tenzij dan om een uitbarsting van afschrik en diep berouw op te wekken. O, dat gij het geloof in Jezus mocht bezitten, dat Hij aldus uw heersende zonden kan neerwerpen en uitwerpen! Gelooft in de overwinnende arm van de Heere Jezus en Hij zal het doen. De bekering is het voortdurend wonder in het midden der gemeente. Waar zij van de echte stempel is, is zij even duidelijk een bewijs van de met het evangelie gepaard gaande goddelijke macht als het uitwerpen van de duivelen of zelfs het opwekken van de doden in de dagen des Heeren. Wij aanschouwen nog steeds deze bekeringen. En hebben het bewijs, dat Jezus bij machte is om ook nu nog grote wonderen op zedelijk gebied te verrichten. O, mijn hoorder, waar zijt gij? Kunt gij niet geloven, dat Jezus bij machte is om een nieuwe mens van u te maken? O broeders, die gered zijt, ik smeek u heden een gebed op te zenden voor hen, die nog niet gereinigd zijn van de vuile kwaal der zonde. Bidt, dat zij genade mogen ontvangen om in de Heere Jezus te geloven ter reiniging van het hart, ter vergiffenis van de zonde en ter inplanting van het eeuwige leven. Dan wanneer het geloof geschonken is, zal de Heere Jezus hun heiligmaking bewerken, en niets of niemand zal hun in de weg staan. Laat ons in stilte enige ogenblikken bidden. (Hier was een pauze en ging een stil gebed opwaarts naar de hemel.)

V.

En nu willen wij weer een stap verder doen: HET GELOOF VAN DEZE MAN GING GEPAARD MET IETS, DAT OP EEN WEIFELING GELIJKT. Maar nadat ik er vrij wat over nagedacht heb, gevoel ik weinig neiging het als zulk een weifeling te beschouwen, waarvoor velen het hebben aangezien. Hij zei: “Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Er was een “indien” in zijn woorden, en dat “indien” heeft de argwaan van vele predikers opgewekt. Volgens sommigen ligt daarin de veronderstelling, dat hij de gewilligheid van de Heere in twijfel trok. Ik denk, dat zulk een uitlegging zich nauwelijks laat rechtvaardigen. Wat hij bedoelde, zal wel dit geweest zijn: “Heere! Het is mij niet bekend, dat Gij gezonden bent ook om de melaatsen te genezen; ik heb nog niet gezien, dat Gij zulks gedaan hebt; maar toch, als het binnen de grenzen van Uw opdracht ligt, geloof ik, dat Gij het wilt doen. En voorzeker kunt Gij het doen, indien Gij wilt. Gij kunt niet slechts sommige melaatsen, maar mij in ‘t bijzonder genezen; Gij kunt mij reinigen.” Het komt mij voor, dat het ook verstandig van hem geredeneerd was, daar hij nog geen melaatse had zien genezen, om zo te spreken: “Indien het binnen de grenzen van Uw opdracht ligt, geloof ik, dat Gij mij gezond kunt maken.”

Daarenboven bewonder ik in deze tekst het ontzag, hetwelk de melaatse betoont aan de soevereiniteit van Christus’ wil ten opzichte van het uitdelen van Zijn gaven. “Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen” – daarmede zegt hij zoveel als: “Ik weet, dat Gij het recht hebt om die grote gunsten juist zo uit te delen als het U behaagt. Ik kan geen aanspraken op U doen gelden; ik kan niet zeggen, dat Gij verplicht zijt mij rein te maken; ik beroep mij op Uw mededogen en Uw vrije gunst. De zaak hangt af van Uw wil.” De man had nooit de tekst gelezen, welke aldus luidt: “Zo is het dan noch desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods,” want deze was nog niet geschreven; maar in zijn gemoed was de nederige geest aanwezig, welke door die grote waarheid wordt aangewezen. Hij erkende de genade als een vrije gave van Gods welbehagen, toen hij zei: “Heere! Indien Gij wilt.” Geliefden, wij behoeven nooit te vragen of de Heere gewillig is om genade te verlenen, als wij maar de wil hebben om ze te ontvangen. Maar toch dient ieder zondaar wel te gevoelen, dat hij geen aanspraak op God kan doen gelden ten opzichte van enig ding. O zondaar, zo de Heere u aan u zelf mocht overgeven, zoals Hij deed met de heidenen die beschreven worden in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen, dan verdient gij het. Zo Hij nooit met een oog van liefde op u mocht neerzien, wat zou gij dan nog tegen Zijn rechtvaardig oordeel kunnen inbrengen? Gij hebt willens en wetens gezondigd, en gij verdient in uw zonde te blijven. Dit alles belijdende, houden wij nochtans vast aan ons onwrikbaar geloof in de macht der genade, en roepen: “Heere! indien Gij wilt, Gij kunt.” Wij beroepen ons op de medelijdende liefde van onze Zaligmaker, waar wij ons op Zijn grenzeloze macht verlaten.

Ziet ook hoe de melaatse, volgens mijn gevoelen, werkelijk zonder enige weifeling spreekt, als gij hem maar goed verstaat. Hij zegt niet: “Heere! Indien Gij Uw hand uitstrekt, Gij kunt mij reinigen;” nog ook: “Heere! indien Gij spreekt, Gij kunt mij reinigen;” maar alleen: “Heere! Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Uw wil alleen kan het doen. O, schitterend geloof! Indien gij geneigd zijt daarin nog een kleine mankheid op te merken, vorder ik toch van u, dat gij het zult bewonderen, omdat het zo goed loopt met een lamme voet. Indien er in dit geloof ergens nog een zwakheid lag, was het toch zo sterk, dat de zwakheid slechts zijn sterkte in het licht stelt. Zondaar, zo is het – en ik bid God, dat uw hart het moge grijpen – indien de Heere wil, Hij kan u reinigen. Gelooft gij dit? Zo ja, voer dan praktisch uit wat uw geloof u aan de hand doet, namelijk, dat gij tot Jezus komt, bij Hem pleit, en van Hem de reiniging ontvangt, welke gij nodig hebt. Tot dat einde hoop ik u te leiden, waartoe de Heilige Geest mij in staat mag stellen.

VI.

Merkt in de zesde plaats op, DAT ER UIT HET GELOOF VAN DEZE MAN EEN KRACHTIGE HANDELING VOORTVLOEIDE. Gelovende, dat indien Jezus wilde, Hij hem kon reinigen, wat deed de melaatse nu? Hij kwam terstond tot Jezus. Ik weet niet van welk een afstand, maar hij kwam zo dicht bij Jezus als hij maar kon. Vervolgens lezen wij, dat hij Hem bad; dat wil zeggen, dat hij bij Hem pleitte. En wel, dat hij onophoudelijk pleitte. Hij riep: “Heere! Reinig mij Heere! Genees mijn melaatsheid!” En dit was nog niet alles: hij viel op zijn knieën en aanbad Jezus; “vallende voor Hem op de knieën,” lezen wij. Hij knielde niet slechts, hij knielde voor Jezus. Hij had er geen moeite mee om Hem goddelijke eer te bewijzen. Hij aanbad de Heere Christus, Hem eerbiedig hulde toebrengende. Hij ging daarna voort met Hem te eren door een openlijke erkenning van Zijn macht, Zijn wondervolle macht, Zijn oneindige macht, door te zeggen: “Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Het zou mij niet verwonderen of sommigen van degenen die daarbij stonden begonnen te glimlachen om wat zij beschouwden als de dweepzieke lichtgelovigheid van de arme man. Zij zullen wel gemompeld hebben: “Wat een arme dwaas is toch die melaatse, naardien hij meent, dat Jezus van Nazareth hem van zijn melaatsheid kan genezen.” Zulk een belijdenis van het geloof was er zelden gehoord. Maar wat ook beoordelaars en twijfelzuchtige lieden mochten denken, deze moedige man verklaarde stoutweg: “Heere! dit is mijn geloofsbelijdenis: Ik geloof, dat, indien Gij wilt, gij mij kunt reinigen.” Welnu dan, arme ziel, gij, die vol schuld en in de zonde verhard, maar nochtans begerig zijt om genezen te worden, zie rechtstreeks naar de Heere Jezus Christus. Hij is hier nu. In de prediking van het evangelie is Hij altijd bij ons. Aanschouw Hem met de ogen van uw gemoed, want Hij aanschouwt u. Gij weet, dat Hij leeft, al ziet gij Hem ook niet. Geloof in deze levende Jezus, geloof tot volkomen reiniging. Roep tot Hem, aanbid Hem, vereer Hem, vertrouw Hem. Hij is waarlijk God; buig u voor Hem en werp u neer op Zijn genade. Ga huiswaarts en zeg, terwijl gij voor Hem zijt neergeknield: “Heere! Ik geloof, dat Gij mij kunt reinigen.” Hij zal uw geroep horen en u redden. Er zal geen tussenruimte zijn tussen uw gebed en het genadeloon van het geloof, waarover ik nu zal spreken.

VII.

Tenslotte, ZIJN GELOOF ONTVING ZIJN BELONING. Hebt slechts een ogenblik geduld met mij. Het loon van het geloof van deze man was, in de eerste plaats, dat de eigen woorden van hem werden opgetekend. Mattheüs, Markus, Lukas, alle drie vermelden zij nauwkeurig de woorden, welke deze man gesproken heeft: “Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” Klaarblijkelijk hadden zij er niet zoveel op aan te merken als sommigen; integendeel, zij beschouwden ze als juwelen, die in hun evangelie een plaats moesten ontvangen. Tot driemaal toe vinden wij ze vermeld, omdat zij zulk een heerlijke geloofsbelijdenis bevatten voor een arme, ellendige, door de melaatsheid aangetaste man. Ik geloof, dat God evenzeer verheerlijkt wordt door die ene zin van de melaatse als door het lied van de Cherubim en Serafim, waar zij aanhoudend hun geroep doen horen: “Heilig, heilig, heilig, Heere God van Sebaôth!” De lippen van een zondaar, van welke de betuiging komt van zijn geloofsvertrouwen in Gods eigen Zoon, kunnen Gode lofzangen opzenden, lieflijker dan die van de hemelse koren. De eerste uitingen van het geloof van deze man worden opgevouwen in het schone linnen van drie evangelisten en in de schatkamer van het huis des Heeren neergelegd. God stelt de taal van een ootmoedig vertrouwen op hoge prijs.

Zijn verdere beloning was, dat Jezus een echo gaf op zijn woorden. Hij zei: “Heere! Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen;” en Jezus zei: “Ik wil, wordt gereinigd! Gelijk een echo antwoordt op de stem, zo beantwoordde Jezus Zijn smekeling. De Heere Jezus vond zulk een groot behagen in de woorden van deze man, dat Hij ze, terwijl ze zijn mond ontvloeiden, opving en ze zelf gebruikte, zeggende: “Ik wil, word gereinigd!” Indien gij het dus maar zover kunt brengen als de belijdenis van deze melaatse, geloof ik, dat onze Heere Jezus van Zijn troon daarboven op uw gebed zal antwoorden.

Zo machtig waren de woorden van deze melaatse, dat zij op zeer wonderlijke wijze onze Heere bewogen. Leest het een en veertigste vers: “En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde.” Het Griekse woord, dat hier gebruikt wordt, heeft een betekenis, welke hier nog maar ten halve wordt uitgedrukt. Het geeft een aandoening van de gehele mens te kennen, een beweging in al de inwendige delen. Het hart en al de levensdelen van de mens zijn in werkzame beweging. De Zaligmaker was grotelijks bewogen. Gij hebt wel eens een mens bewogen gezien, niet waar? Wanneer een sterke man niet in staat is zich langer in te houden en genoodzaakt is aan zijn gevoel lucht te geven, ziet gij hem beven over zijn gehele lichaam. En dan kan het gebeuren, wanneer de uitbarsting komt, dat hij zo maar ineenzinkt. Zo was het met de Zaligmaker: Zijn medelijden bewoog Hem, Zijn welgevallen in het geloof van de melaatse overmeesterde Hem. Toen Hij de man met zulk een vertrouwen over Hem hoorde spreken, werd de Zaligmaker door een heilige hartstocht, een heilig medelijden bewogen, hier aangeduid met de naam van barmhartigheid. Welk een gedachte dat een arme, melaatse man zulk een macht heeft over den Zoon van God! Doch ook gij, mijn hoorder, zo gij in Jezus kunt geloven, kunt met al uw zonde en ellende het hart van uw gezegende Zaligmaker bewegen. Ja, ook nu strekt Zijn medelijden zich tot u uit.

 

Niet zodra was onze Heere Jezus aldus bewogen, of Hij strekte Zijn hand uit, raakte de man aan en genas hem onmiddellijk. Er was geen lange tijd nodig voor het bewerken van de genezing: het bloed van de melaatse werd in een enkele seconde afgekoeld en gereinigd. Onze Heere kon dit wonder tot stand brengen en in die man alle dingen nieuw maken; want “alle dingen zijn door Hetzelve (Woord) gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.” Hij herstelde het arme, verterende, verrottende lichaam van deze man. En op eenmaal was hij gereinigd. Om hem volle zekerheid te geven, dat hij gereinigd was, beval de Heere Jezus hem naar de priester te gaan ten einde een getuigenis van volkomen gezondheid te verkrijgen. Hij was zo rein, dat hij door de met gezag beklede personen, die aangewezen waren om op de gezondheid toe te zien, kon worden onderzocht. En dezen zouden moeten verklaren, dat er niets verdachts aan hem was te vinden. De genezing, welke hij had ontvangen, was een wezenlijke en grondige. En daarom kon hij terstond heengaan en het getuigenis daarvan deelachtig worden. Indien onze bekeerlingen geen praktische toetsing kunnen doorstaan, zijn zij niets waard; laten zelfs onze vijanden oordelen of zij geen betere mannen en vrouwen zijn, sedert Jezus hen heeft vernieuwd. Indien Jezus een zondaar zalig maakt, kunnen gerust alle mensen de verandering, die er heeft plaats gevonden, onderzoeken. Jezus zoekt geen vertoon, maar wat Hij zoekt, is een onderzoek door degenen, die tot oordelen in staat zijn. Onze bekeerlingen kunnen de toets doorstaan. Komt herwaarts, gij engelen! Komt herwaarts, gij reine geesten, die in staat zijt de mensen in het verborgen gade te slaan! Hier ziet gij een ellendige zondaar, die deze morgen herwaarts kwam. Hij scheen nauw verwant aan de duivel; maar de Heere Jezus Christus heeft hem veranderd en bekeerd. Ziet nu naar hem, gij engelen; ziet naar hem thuis in zijn binnenkamer. Bespiedt hem in zijn verborgen leven. Wij kunnen uw uitspraak lezen. “Er is blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert ;” dat bewijst wat uw oordeel is. Het is zulk een wondervolle verandering. En de engelen zijn er zo zeker van, dat zij terstond hun getuigenis uitspreken. Op welke wijze leggen zij getuigenis af? Wel, ieder hunner openbaart zijn blijdschap, wanneer hij de zondaar van zijn zondige wegen ziet afkeren. O, dat de engelen deze morgen werk van dien aard mogen hebben! Waarde hoorder, mocht gij één zijn van degenen, over wie zij zich verheugen! Indien gij gelooft in Jezus Christus, indien gij volkomen en met geheel uw ziel u aan Hem vertrouwt, als de van God Gezondene, zal Hij u reinigen. Aanschouw Hem aan het kruis en zie de zonde weggedaan. Aanschouw Hem van de doden opgestaan en zie het nieuwe leven geschonken. Aanschouw Hem met macht bekleed op Zijn troon, en zie het kwade overwonnen. Ik ben bereid voor mijn Heere in te staan, de verzekering van Hem te geven, dat als gij, mijn hoorder, tot Hem wilt komen, Hij u zal reinigen. Geloof uw Zaligmaker en uw genezing is volbracht. God helpe u, om Jezus Christus’ wil. AMEN.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend