Kenmerken van het geloof
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Een preek uitgesproken op zondagmorgen 27 mei 1860 door C. H. Spurgeon in Exeter Hall te Londen.
Alle hulpmiddelen waarmee een waar geloof herkend kan worden, zijn van bijzondere waarde, vooral voor onervaren of twijfelende christenen. Deze preek brengt eenvoudige, praktische kenmerken en voorbeelden van het geloof op bewonderenswaardige wijze bij elkaar. De preek werd gehouden in Exeter Hall op 27 mei 1860, en de stenograaf zei van deze en nog een paar preken: “Zij hebben allemaal geklonken als de zilveren vreugdetrompet in de oren van failliete zondaren.”
Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven. Johannes 4:48
U zult zich herinneren dat Lukas in zijn brief aan Theofilus spreekt over alles wat Jezus begonnen heeft te doen en te leren, alsof er een verband bestond tussen Zijn daden en Zijn onderwijs. Dat verband was er ook, en het was een heel innig verband. Zijn onderwijs was de uitleg van Zijn daden, en Zijn daden waren de bevestiging van Zijn onderwijs. Jezus Christus had nooit reden om te zeggen: “Doe wat Ik zeg, maar niet wat Ik doe.” Zijn woorden en Zijn daden waren volmaakt met elkaar in overeenstemming. U kon er zeker van zijn dat Hij oprecht was in wat Hij zei, want wat Hij deed, drong die overtuiging aan u op. Bovendien ging u inzien dat wat Hij u leerde, waar moest zijn, want Hij sprak met gezag: een gezag dat bewezen en aangetoond werd door de wonderen die Hij deed.
O, broeders in Christus, als eens aan het einde onze levensbeschrijvingen geschreven worden, geve God dan dat het niet alleen over onze woorden zal gaan, maar dat het een geschiedenis zal zijn van ons spreken en ons doen! En moge de goede Geest zo in ons wonen dat dan aan het einde zal blijken dat onze daden niet in strijd waren met onze woorden! Het is één ding om te preken, maar iets anders om het gepreekte in praktijk te brengen.
En als prediking en praktijk niet samengaan, is de prediker zelf veroordeeld, en kan zijn verkeerde levenswandel ertoe leiden dat velen veroordeeld worden, doordat hij hen op een dwaalweg brengt. Belijdt u een dienstknecht van God te zijn, leef dan ook naar die belijdenis. En als u het nodig vindt anderen tot deugd te vermanen, zorg er dan voor dat u zelf het voorbeeld geeft. U hebt geen recht om te onderwijzen als u zelf niet de les geleerd hebt die u anderen wilt leren.
Dit als voorwoord; en nu over het onderwerp zelf.
De geschiedenis die voor ons ligt, lijkt mij drie punten aan te reiken, en elk van die punten valt weer in drieën uiteen. Ik zal in deze geschiedenis eerst letten op de drie stadia van het geloof, in de tweede plaats op de drie ziekten waaraan het geloof onderhevig is, en in de derde plaats wil ik u drie vragen stellen over uw geloof.
1. Om dan met het eerste punt te beginnen: wij hebben hier, lijkt mij, het geloof in drie van zijn stadia.
Ongetwijfeld zou men de geschiedenis van het geloof met evenveel recht en even nauwkeurig in vijf of zes verschillende groeistadia kunnen verdelen, maar ons verhaal suggereert een verdeling in drieën, en daarom houden wij ons daar vanmorgen aan. Er woont een koninklijk hoveling in Kapernaüm. Hem bereikt het gerucht dat een gevierd profeet en prediker voortdurend door de steden van Galilea en Judea trekt. Hij hoort dat deze machtige prediker niet alleen elke toehoorder boeit door Zijn welsprekendheid, maar ook de harten van mensen wint door bijzonder weldadige wonderen, die Hij doet als bevestiging van Zijn zending. Hij bewaart deze berichten in zijn hart, zonder te denken dat zij ooit van praktisch nut voor hem zullen zijn. Dan gebeurt het op een dag dat zijn zoon ziek wordt, misschien zijn enige zoon, een zoon die zijn vaderhart heel dierbaar is. De ziekte neemt niet af, maar wordt geleidelijk erger.
Koorts blaast haar hete adem over het kind, lijkt alle vocht uit zijn lichaam te verdrogen en de blos van zijn wangen te doen verwelken. De vader raadpleegt elke arts die hij maar bereiken kan. Zij bekijken het kind en verklaren eerlijk dat het een hopeloos geval is. Genezing is niet mogelijk. Het kind ligt op sterven. De pijl van de dood is al bijna in zijn vlees gedrongen en heeft zijn hart al bijna doorboord. Hij is niet slechts dicht bij de dood, maar staat op het randje ervan; de ziekte heeft hem tegen de scherpe pijlen van die onverzadigbare boogschutter gedreven. Nu bezint de vader zich en haalt hij zich de verhalen voor de geest die hij gehoord heeft over de genezingen die Jezus van Nazareth gedaan heeft. Er is een beetje geloof in zijn ziel. Het is maar weinig, maar toch genoeg om alles in het werk te stellen om te toetsen of wat hij gehoord heeft, waar is.
Jezus Christus is weer naar Kana gekomen; dat is zo’n vijftien of twintig mijl. De vader reist er in allerijl heen en komt aan op de plek waar Jezus is. Zijn geloof heeft zo’n stadium bereikt dat hij, zodra hij de Meester ziet, begint te roepen: “Heere, kom af, eer mijn kind sterft.” In plaats van hem een troostend antwoord te geven, bestraft de Meester hem om zijn kleingelovigheid en zegt tegen hem: “Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.” De man let echter nauwelijks op die bestraffing, want er is één verlangen dat al de krachten van zijn ziel in beslag neemt. Zijn gemoed wordt zo overweldigd door die ene zorg, dat hij al het andere vergeet.
“Heere,” zegt hij, “kom af, eer mijn kind sterft.” Zijn geloof heeft nu het stadium bereikt waarin hij in gebed pleit en de Heere dringend smeekt te komen en zijn zoon te genezen. De Meester ziet hem aan met een blik van onuitsprekelijke goedheid en zegt tegen hem: “Ga heen, uw zoon leeft.” De vader gaat blijmoedig, vlug en tevreden heen, vertrouwend op het woord dat nog door geen enkel bewijs bevestigd is. Nu heeft hij het tweede stadium van zijn geloof bereikt: hij is uit het stadium van zoeken in het stadium van vertrouwen gekomen. Hij roept en pleit niet langer om iets wat hij niet heeft; hij vertrouwt en gelooft dat het hem gegeven is, ook al heeft hij het geschenk nog niet gezien.
Op weg naar huis komen zijn knechten hem in blijde haast tegemoet en zeggen: “Uw kind leeft!” Hij vraagt meteen op welk uur de koorts hem verlaten heeft. Hij krijgt als antwoord dat de koorts rond het zevende uur afnam, ja, dat zij toen tot staan kwam. Dan bereikt hij het derde stadium. Hij gaat naar huis en ziet zijn kind volkomen hersteld. Het kind springt in zijn armen en overdekt hem met kussen. En als hij het kind keer op keer omhoog heeft gehouden om te zien of het werkelijk het kleintje is dat daar zo uitgeteerd, bleek en ziek lag, triomfeert hij in nog hogere zin. Zijn geloof is opgeklommen van vertrouwen naar volle verzekering, en toen geloofde ook zijn hele huis, net als hij.
Ik heb u alleen deze hoofdlijnen van het verhaal geschetst, zodat u de drie stadia van het geloof kunt zien. Laten wij nu elk stadium nauwkeuriger bekijken. Wanneer het geloof in de ziel begint, is het niet meer dan een mosterdzaadje. Gods kinderen worden niet als reuzen geboren. Eerst zijn zij zuigelingen, en zoals zij zuigelingen in de genade zijn, zo verkeren ook hun genadegaven als het ware nog in de kinderschoenen. Het geloof is maar een klein kind wanneer God het voor het eerst geeft. Of, om een ander beeld te gebruiken: het is geen vuur, maar een vonk, een vonk die lijkt te zullen uitdoven, maar die toch wordt aangewakkerd en levend gehouden totdat zij een vlam wordt, gelijk aan de verzengende hitte van de oven van Nebukadnezar.
Toen de arme man in het verhaal geloof ontving, had hij het maar in heel geringe mate. Het was zoekend geloof. Dat is het eerste stadium van het geloof. Let er nu op dat dit zoekende geloof hem in beweging bracht. Zodra God een mens het zoekende geloof geeft, is hij niet langer laks in de godsdienst. Hij slaat zijn armen niet over elkaar zoals de goddeloze antinomiaan, die roept: “Als ik zalig moet worden, dan word ik zalig, en ik blijf stilzitten; want als ik verdoemd moet worden, dan word ik verdoemd.” Hij is niet meer zo zorgeloos en onverschillig als vroeger over de vraag of hij naar het huis van God zal gaan of niet. Hij heeft het zoekende geloof ontvangen, en dat geloof brengt hem ertoe de genademiddelen te gebruiken.
Het brengt hem ertoe het Woord te onderzoeken en ijverig gebruik te maken van elk middel dat God verordend heeft tot zegen voor de ziel. Is er een preek te horen, dan maakt het niet uit dat hij er vijf mijl voor moet lopen: het zoekende geloof geeft zijn voeten vleugels. Is er een gemeente waar God zielen zegent, dan zal de man, als hij binnenkomt, waarschijnlijk in de menigte moeten staan. Maar dat doet er niet toe, het zoekende geloof geeft hem de kracht om het ongemak van zijn plaats te verdragen, want: “O,” zegt hij, “als ik het Woord maar mag horen!” Zie hoe hij naar voren buigt om geen lettergreep te missen, want “misschien,” zegt hij, “is de zin die ik mis, juist de zin die ik nodig heb.” Hij verlangt er vurig naar niet slechts nu en dan in het huis van God te zijn, maar heel vaak. Hij wordt een van de vurigste toehoorders, een van de ernstigste mensen die dat bedehuis bezoeken. Het zoekende geloof brengt een mens in beweging.
Meer nog: het zoekende geloof, hoe zwak het in sommige opzichten ook is, geeft een mens grote kracht in het gebed. Hoe ernstig was deze hoveling: “Heere, kom af, eer mijn kind sterft.” Ja, wanneer het zoekende geloof in de ziel komt, doet het een mens bidden. Hij is nu niet meer tevreden met het mompelen van een paar woorden als hij ’s morgens opstaat, om dan ’s avonds, half in slaap, hetzelfde deuntje af te draaien als hij naar bed gaat. Hij trekt zich terug; als het kan, ontsteelt hij een kwartier aan zijn zaken om in het verborgene tot God te roepen.
Hij heeft nog niet het geloof dat hem doet zeggen: “Mijn zonden zijn vergeven,” maar hij heeft genoeg geloof om te weten dat Christus zijn zonden kan vergeven. Wat hij verlangt, is te mogen weten dat zijn zonden werkelijk achter de rug van Jehova geworpen zijn. Soms heeft deze man geen geschikte plaats om te bidden, maar het zoekende geloof zal hem doen bidden op een zolder, op een hooizolder, in een zaagkuil, achter een heg of zelfs lopend over straat. Satan mag duizend moeilijkheden opwerpen, het zoekende geloof dwingt een mens toch aan te kloppen aan de deur van de genade. Het geloof dat u ontvangen hebt, geeft u nu nog geen vrede en brengt u nog niet daar waar geen verdoemenis is. Toch is het zo’n geloof dat het, als het groeit, daar wel zal komen. Het moet alleen gevoed, gekoesterd en geoefend worden, en het kleine zal machtig worden. Het zoekende geloof zal een hogere graad van ontwikkeling bereiken, en u die aan de poort van de genade geklopt hebt, zult binnengaan en welkom zijn aan de tafel van Jezus.
Ik wil dat u verder opmerkt dat het zoekende geloof deze man niet alleen ernstig maakte in het gebed, maar ook aanhoudend. Hij vroeg één keer, en het enige antwoord dat hij kreeg, leek een afwijzing. Hij draaide zich niet beledigd om met de woorden: “Hij bestraft mij.” Nee. “Heere,” zegt hij, “kom af, eer mijn kind sterft.” Ik kan u niet zeggen hoe hij het zei, maar ik twijfel er niet aan dat hij het zei op een toon die de ziel ontroert, met tranen in zijn ogen en met de handen smekend gevouwen. Hij leek te zeggen: “Ik kan U niet laten gaan, tenzij U komt en mijn kind redt. O, kom toch!
Is er iets wat ik kan zeggen om U over te halen? Laat de liefde van een vader mijn sterkste argument zijn, en als mijn lippen niet welsprekend zijn, laten de tranen uit mijn ogen dan de plaats innemen van de woorden van mijn tong. Kom af, eer mijn kind sterft.” En o, wat een krachtige gebeden doet het zoekende geloof een mens bidden! Ik heb weleens een zoekende met God horen pleiten met al de kracht die Jakob ooit bij de beek Jabbok gehad kan hebben. Ik heb een zondaar in zielennood de pilaren van de poort van de genade zien vastgrijpen en heen en weer zien schudden, alsof hij ze nog liever uit hun diepe fundamenten zou trekken dan weg te gaan zonder binnen te komen.
Ik heb hem zien trekken en rukken, zwoegen, vechten en worstelen, alles liever dan het Koninkrijk der hemelen niet binnen te gaan, want hij wist dat het Koninkrijk der hemelen geweld wordt aangedaan en dat de geweldigers het met geweld nemen. Geen wonder dat u geen vrede hebt, als u God niet meer dan koude gebeden hebt gebracht. Verhit ze tot ze roodgloeiend zijn in de oven van het verlangen, anders hoeft u niet te denken dat zij zich ooit brandend een weg naar de hemel zullen banen. U die alleen in de kille vorm van de rechtzinnigheid zegt: “O God! wees mij zondaar genadig!”, zult nooit genade vinden.
Het is de man die roept in de brandende angst van diepgevoelde ontroering: “O God! wees mij zondaar genadig! Red mij, of ik verga,” die verhoring krijgt. Wie zijn ziel in elk woord legt en heel de kracht van zijn wezen in elke zin werpt, baant zich een weg door de poorten van de hemel. Als het zoekende geloof eenmaal gegeven is, kan het een mens dit doen doen. Ongetwijfeld zijn hier mensen die al zover gekomen zijn. Ik meende zojuist in vele ogen tranen te zien opwellen, die haastig werden weggeveegd. Maar ik zag het als een teken dat sommigen in hun ziel zeiden: “Ja, ik weet wat dat betekent, en ik vertrouw dat God mij zover gebracht heeft.”
Hier moet ik nog iets zeggen over de zwakheid van dit zoekende geloof. Het zoekende geloof kan veel, maar het maakt veel fouten. De fout van het zoekende geloof is dat het te weinig weet, want u ziet dat deze arme man zei: “Heere, kom af, kom af.” Maar Hij hoefde helemaal niet af te komen; de Heere kan het wonder doen zonder af te komen. Toch dacht onze arme vriend dat de Meester zijn zoon niet kon redden tenzij Hij kwam, naar hem keek, Zijn hand op hem legde en Zich misschien over hem uitstrekte, zoals Elia deed. “O, kom af,” zegt hij.
Zo is het ook met u. U hebt God voorgeschreven hoe Hij u moet redden. U wilt dat Hij u eerst de een of andere verschrikkelijke overtuiging van zonde stuurt, en dan denkt u te kunnen geloven. Of u wilt een droom of een visioen hebben, of een stem tot u horen spreken die zegt: “Zoon, uw zonden zijn u vergeven.” Ziet u, dat is uw fout. Uw zoekende geloof is sterk genoeg om u te doen bidden, maar het is niet sterk genoeg om uw eigen dwaze verbeelding uit uw gedachten te bannen. U wilt tekenen en wonderen zien, anders wilt u niet geloven.
O hoveling, als het Jezus behaagt het woord te spreken en uw zoon is genezen, is dat dan niet even goed voor u als dat Hij afkomt? “O,” zegt hij, “daaraan heb ik nooit gedacht!” En zo ook, arme zondaar: als het Jezus behaagt u vanmorgen in deze zaal vrede te geven, is dat dan niet even goed voor u als een maand onder de zweep van de wet te liggen? Als het u gegeven wordt om bij het verlaten van deze zaal eenvoudig op Christus te vertrouwen en zo vrede te vinden, is dat dan niet even goed een verlossing als wanneer u door vuur en water zou moeten gaan en al uw zonden over uw hoofd zouden rijden? Hier ligt dan de zwakheid van uw geloof. Er is veel voortreffelijks in, omdat het u doet bidden, maar er zit ook iets verkeerds in, omdat het u ertoe brengt de Almachtige onverstandig voor te schrijven hoe Hij u moet zegenen. Zo tast u in feite Zijn soevereiniteit aan, en in uw onwetendheid schrijft u Hem voor in welke vorm de beloofde gave moet komen.
Wij gaan nu over tot het tweede stadium van het geloof. De Meester strekte Zijn hand uit en zei: “Ga heen, uw zoon leeft.” Ziet u het gezicht van die hoveling? De rimpels die erin stonden, zijn in een ogenblik gladgestreken, helemaal verdwenen. Zijn ogen staan vol tranen, maar nu van een andere soort: het zijn tranen van vreugde. Hij klapt in zijn handen en trekt zich stil terug, zijn hart barstensvol dankbaarheid, zijn hele ziel vol vertrouwen. “Waarom bent u zo blij, meneer?” “Wel, mijn kind is genezen,” zegt hij. “Maar u hebt hem nog niet genezen gezien.” “Nee, maar mijn Heere zei dat hij genezen is, en ik geloof Hem.” “Maar het kan zijn dat u bij thuiskomst merkt dat uw geloof een begoocheling was en dat uw kind gestorven is.” “Nee,” zegt hij, “ik geloof in die Man. Eerst geloofde ik Hem en zocht ik Hem, nu geloof ik Hem en heb ik Hem gevonden.”
“Maar u hebt helemaal geen bewijs dat uw kind genezen is.” “Nee,” zegt hij, “ik heb er ook geen nodig. Het woord van die goddelijke Profeet alleen is mij genoeg. Hij heeft het gesproken, en ik weet dat het waar is. Hij zei mij heen te gaan, mijn zoon leefde; ik ga heen en ben volkomen in vrede en gerust.” Let wel: wanneer uw geloof het tweede stadium bereikt, waarin u Christus op Zijn woord kunt geloven, dan begint u het geluk van het geloven te kennen, en dan redt uw geloof uw ziel. Geloof Christus op Zijn woord, arme zondaar. Wie in de Heere Jezus Christus gelooft, zal zalig worden. “Maar,” zegt iemand, “ik bespeur geen bewijs.” Geloof het des te meer. “Maar,” zegt een ander, “ik voel geen vreugde in mijn hart.” Geloof het, al is uw hart nog zo somber: die vreugde komt later. Het is een heldhaftig geloof dat Christus gelooft tegen duizend tegenstrijdigheden in.
Wanneer de Heere u dat geloof geeft, kunt u zeggen: “Ik ga niet te rade met vlees en bloed. Hij Die tegen mij zei: ‘Geloof en word zalig,’ gaf mij genade om te geloven, en daarom ben ik er zeker van dat ik gered ben. Heb ik mijn ziel eenmaal, of ik nu zink of zwem, op de liefde, het bloed en de kracht van Christus geworpen, dan is het mijn taak mijn Meester te eren door Zijn woord te geloven, ook al getuigt mijn geweten niets in mijn ziel, ook al kwellen mij twijfels en plagen mij angsten. Ik geloof Hem, ook al is het in strijd met wat ik waarneem, ook al komt mijn verstand ertegen in opstand en durft mijn gevoel van het ogenblik het tegen te spreken.” O, het is een eervolle zaak wanneer iemand een volgeling heeft die hem onvoorwaardelijk gelooft. Die man verkondigt een opvatting die ingaat tegen wat de hele wereld als waar aanneemt. Hij staat op en richt zich ermee tot het volk, en zij fluiten, joelen en spotten met hem. Maar die man heeft één discipel, die zegt: “Ik geloof mijn meester; wat hij gezegd heeft, geloof ik dat waar is.”
Er is iets edels in de man die zulk een eerbetoon ontvangt. Hij lijkt te zeggen: “Nu ben ik toch tenminste meester over één hart.” En wanneer u, ondanks alles wat ertegenin gaat, Christus trouw blijft en Zijn woorden gelooft, bewijst u Hem grotere eer dan de cherubs en serafs voor de troon. Waag het te geloven; vertrouw op Christus, zeg ik, en u bent gered.
In dit stadium van het geloof begint iemand rust en vrede in zijn gemoed te genieten. Ik weet niet precies hoeveel mijl het is tussen Kana en Kapernaüm, maar verscheidene uitnemende uitleggers zeggen dat het er vijftien zijn, en sommigen zeggen twintig. Ik neem aan dat de mijlen de laatste tijd van lengte veranderd zijn. Hoe dan ook, het hoefde deze goede man niet veel tijd te kosten om thuis te komen bij zijn zoon. Het was op het zevende uur dat de Meester zei: “Uw zoon leeft.” Uit de tekst blijkt dat hij zijn knechten pas de volgende dag ontmoette, want zij zeggen: “Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts.” Wat leidt u daaruit af? Wel, ik trek deze conclusie: de hoveling was er zo zeker van dat zijn kind leefde en gezond was, dat hij helemaal geen grote haast had om terug te keren. Hij ging niet onmiddellijk naar huis, alsof hij op tijd moest zijn om nog een andere arts te halen als het Christus niet gelukt was.
Hij ging kalm en rustig zijns weegs, vol vertrouwen in de waarheid van wat Jezus tegen hem gezegd had. Terecht zegt een oude kerkvader: “Wie gelooft, die zal niet haasten.” In dit geval was dat waar. De man nam de tijd. Hij deed er misschien twaalf uur of langer over om thuis te komen, terwijl hij waarschijnlijk maar vijftien mijl hoefde te reizen. Wie het naakte woord van Christus tot grondslag van zijn hoop neemt, staat op een rots, terwijl alle andere grond wegzinkend zand is. Mijn broeders en zusters, sommigen van u zijn al zover gekomen. U gelooft Christus nu op Zijn woord. Het zal niet lang meer duren of u komt in het derde en beste stadium van het geloof.
Maar al zou het nog zo lang duren, blijf hier staan, blijf uw Heere en Meester geloven, blijf Hem vertrouwen. Als Hij u niet in Zijn wijnhuis brengt, vertrouw Hem toch. Ja, als Hij u opsluit in de burcht of in de kerker, vertrouw Hem toch. Zeg: “Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?” Als Hij de pijlen van de verdrukking vast in uw vlees laat steken, vertrouw Hem toch. Als Hij u met Zijn rechterhand verbrijzelt, vertrouw Hem toch. En straks zal uw gerechtigheid voortkomen als het licht, en uw heerlijkheid als een fakkel die brandt.
Wij moeten nu snel doorgaan naar het derde en beste stadium van het geloof. De knechten komen de hoveling tegemoet: zijn zoon is genezen. Hij komt thuis, sluit zijn kind in de armen en ziet dat hij volkomen hersteld is. En dan zegt het verhaal: “En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis.” Toch zult u opgemerkt hebben dat er in het vijftigste vers al staat dat hij geloofde: “En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide.” Sommige uitleggers hebben daar erg mee in hun maag gezeten, want zij wisten niet wanneer deze man nu geloofde. De goede Calvijn, wiens opmerkingen altijd van gewicht en altijd uitstekend zijn, zegt het volgende. (Ik aarzel niet te zeggen dat Calvijn de grootste uitlegger is die ooit getracht heeft het Woord van God duidelijk te maken. In zijn commentaar heb ik hem dikwijls zijn eigen Institutie aan stukken zien snijden, omdat hij niet probeerde aan een tekst een calvinistische betekenis te geven, maar altijd Gods Woord wilde uitleggen zoals hij het aantrof.) Calvijn zegt dat deze man eerst alleen een geloof had dat voor één zaak op Christus vertrouwde. Hij geloofde het woord dat Christus gesproken had.
Daarna had hij een geloof dat Christus in zijn ziel opnam, zodat hij Zijn discipel werd en Hem als de Messias vertrouwde. Ik denk dat ik het niet mis heb als ik dit gebruik als een voorbeeld van het geloof in zijn hoogste stadium. Hij vond zijn zoon genezen op precies het uur waarop Jezus had gezegd dat hij zou genezen. “En nu,” zegt hij, “geloof ik”; dat wil zeggen: hij geloofde met volle verzekering van het geloof. Zijn gemoed was van al zijn twijfels bevrijd. Hij geloofde in Jezus van Nazareth als de Christus van God, en hij wist zeker dat Hij een Profeet was, van God gezonden. Twijfels en bedenkingen hadden geen plaats meer in zijn ziel. Ach, ik ken veel arme zielen die graag tot dit stadium zouden opklimmen, maar zij willen er meteen in één keer komen. Zij zijn als iemand die een ladder op wil zonder de onderste sporten te betreden.
“O,” zeggen zij, “als ik de volle verzekering van het geloof maar had, dan zou ik geloven dat ik een kind van God ben.” Nee, nee: geloof, vertrouw op het naakte woord van Christus, en dan zult u daarna in uw ziel het getuigenis van de Geest ervaren dat u uit God geboren bent. De verzekering is een bloem. Eerst moet u de bol planten, de naakte en misschien onooglijke bol van het geloof; plant hem in de grond, en mettertijd zult u de bloem krijgen. Het verschrompelde zaad van een klein geloof schiet op, en dan hebt u het rijpe koren in de aar van de volle verzekering van het geloof. Maar ik wil dat u hier opmerkt dat, toen deze man tot volle verzekering van het geloof kwam, er gezegd wordt dat ook zijn huis geloofde.
Er is een tekst die dikwijls wordt aangehaald, en ik geloof niet dat ik hem ooit al juist heb horen aanhalen. Tussen haakjes: er zijn mensen die van schrijvers niet meer kennen dan wat zij eruit horen citeren, en er zijn er ook die van de Bijbel niet meer kennen dan wat zij eruit hebben horen aanhalen. Nu is er die tekst: “Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.” Wat hebben de laatste vier woorden misdaan dat zij afgesneden worden? “Gij en uw huis!” Deze vier woorden lijken mij net zo kostbaar als de eerste. “Geloof, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.”
Redt het geloof van de vader dan het hele gezin? Ja! Nee! Ja, dat doet het in zekere zin, namelijk doordat het geloof van de vader hem voor zijn gezin doet bidden; God verhoort zijn gebed, en het gezin wordt gered. Nee, het geloof van de vader kan niet in de plaats komen van het geloof van de kinderen; zij moeten ook zelf geloven. In beide betekenissen zeg ik dus “ja” of “nee”. Wanneer iemand gelooft, is er hoop dat zijn kinderen gered zullen worden. Nee, meer nog: er is een belofte, en de vader behoort niet tevreden te rusten voordat hij al zijn kinderen gered ziet. Doet hij dat wel, dan heeft hij nog niet goed geloofd. Er zijn veel mensen die alleen voor zichzelf geloven. Als ik een belofte krijg, wil ik die geloven zo breed als zij is. Waarom zou mijn geloof niet zo breed zijn als de belofte?
Nu, zo staat het er: “Geloof, en gij zult zalig worden, gij en uw huis!” Ik heb een aanspraak op God voor mijn kinderen. Als ik in gebed voor God kom, kan ik pleiten: “Heere, ik geloof, en U hebt gezegd dat ik zalig zal worden, ik en mijn huis. U hebt mij gered, maar U hebt Uw belofte niet vervuld zolang U niet ook mijn huis gered hebt.” Ik weet dat men soms denkt dat wij, die geloven dat de kinderdoop een dwaling is en dat er geen enkele Schrifttekst is die hem ook maar indirect steunt, onze kinderen verwaarlozen. Maar kan er een grotere laster bestaan? Integendeel, wij menen dat wij onze kinderen de grootst mogelijke dienst bewijzen wanneer wij hun leren dat zij geen leden van Christus’ kerk zijn. Wij leren hun dat zij geen christenen geworden zijn op de dag dat zij gedoopt werden, dat zij wederom geboren moeten worden, en dat die nieuwe geboorte iets moet zijn wat zij bewust beleven.
Het is niet iets wat wij voor hen kunnen doen in hun babytijd, als zij nog in hun lange doopjurk liggen, door een handvol water in hun gezicht te sprenkelen. Wij menen dat zij veel meer kans hebben om bekeerd te worden dan zij die opgroeien in de misleidende gedachte die hun geleerd wordt in die uitdrukking uit de catechismus, een uiterst goddeloze, godslasterlijke en valse uitdrukking: “In mijn doop, waarin ik een lid van Christus gemaakt ben, een kind van God, een erfgenaam van het koninkrijk der hemelen.” De paus van Rome heeft nooit een onheiliger zin uitgesproken dan deze, nooit een woord gezegd dat meer in strijd is met de hele strekking van Gods Woord. Kinderen worden niet gered door de doop, en volwassenen evenmin.
“Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden,” maar de doop gaat niet aan het geloof vooraf. Ook werkt hij niet mee aan onze zaligheid, want de zaligheid is een werk van genade, dat gegrepen wordt door het geloof en door het geloof alleen. Gedoopt of ongedoopt: als u niet gelooft, bent u verloren; maar ook ongedoopt bent u gered als u gelooft. En onze kinderen die als zuigeling sterven zonder enige onheilige of bijgelovige plechtigheid, zijn niettemin gered.
2. Nu komen wij tot het tweede deel van ons onderwerp: de drie ziekten waaraan het geloof zeer onderhevig is, en deze drie ziekten breken in verschillende stadia uit.
Eerst met betrekking tot het zoekende geloof. De kracht van het zoekende geloof ligt hierin dat het een mens tot gebed drijft. En hier ligt ook de ziekte, want wanneer wij beginnen te zoeken, zijn wij zeer geneigd het gebed te laten verslappen. Hoe vaak fluistert de duivel iemand in het oor: “Bid niet, het heeft geen zin. U weet toch dat u buiten de hemel gesloten zult worden!” Of, wanneer iemand meent een gebedsverhoring ontvangen te hebben, zegt satan: “U hoeft niet meer te bidden, u hebt gekregen waar u om vroeg.” Of als iemand na een maand roepen een zegen ontvangen heeft, fluistert satan:
“Dwaas die u bent om bij de poort van de genade te blijven wachten! Ga weg! Ga weg! Die poort is gesloten en stevig gegrendeld, en u zult nooit gehoord worden.” O, mijn vrienden, wanneer u aan deze ziekte lijdt terwijl u Christus zoekt, dan zeg ik u: roep ertegen en strijd ertegen; houd nooit op met bidden. Een mens kan nooit wegzinken in de rivier van de toorn zolang hij nog roepen kan. Zolang u tot God om genade kunt roepen, zal de genade zich nooit van u terugtrekken. O, laat satan u niet terugduwen van de deur van uw binnenkamer, maar dring naar binnen, of hij wil of niet. Geef het gebed op, en u bezegelt uw eigen verdoemenis; laat het verborgen smeken varen, en u laat Christus en de hemel varen. Volhard in het gebed, en al blijft de zegen uit, hij zal komen; op Gods eigen tijd zal hij u verschijnen.
De ziekte die het meest waarschijnlijk hen treft die in het tweede stadium verkeren, namelijk zij die onvoorwaardelijk op Christus vertrouwen, is de ziekte dat men tekenen en wonderen wil zien, anders wil men niet geloven. In het begin van mijn bediening, te midden van een plattelandsbevolking, ontmoette ik voortdurend mensen die meenden dat zij christenen waren omdat zij, naar zij dachten, tekenen en wonderen hadden gezien. Sindsdien hebben ernstige en oprechte mensen mij de meest belachelijke verhalen verteld als redenen waarom zij meenden gered te zijn.
Ik heb een verhaal gehoord dat ongeveer zo luidde: “Ik geloof dat mijn zonden weggedaan zijn.” “Waarom?” “Wel, dominee, ik was achter in de tuin en ik zag een grote wolk. Ik dacht: God kan die wolk laten wegtrekken als Hij wil. En de wolk trok weg, en ik dacht dat de wolk en mijn zonden allebei weg waren, en sindsdien heb ik er niet meer aan getwijfeld.” Ik dacht: wel, u hebt alle reden om eraan te twijfelen, want dat is volkomen ongerijmd. Als ik u alle grillen en fantasieën zou vertellen die sommige mensen in hun hoofd krijgen, zou u misschien glimlachen, en dat zou u misschien geen goed doen.
Het is zeker dat mensen elk onzinnig verhaal en elke vreemde inval aangrijpen om zichzelf te laten denken dat zij nu op Christus mogen vertrouwen. O, mijn lieve vrienden, als u geen betere reden hebt om te geloven dat u in Christus bent dan een droom of een visioen, dan wordt het tijd dat u opnieuw begint. Ik geef toe dat er mensen geweest zijn die door vreemde sprongen van hun verbeelding verschrikt, overtuigd en misschien zelfs bekeerd zijn. Maar als u daarop steunt als op een onderpand van God, als u het beschouwt als bewijs dat u gered bent, dan zeg ik u dat u rust op een droom, een waanbeeld. U kunt dan net zo goed proberen een kasteel in de lucht te bouwen, of een huis op het zand.
Nee, wie Christus gelooft, gelooft Christus omdat Hij het zegt en omdat het hier in het Woord geschreven staat. Hij gelooft het niet omdat hij het gedroomd heeft, of omdat hij een stem gehoord heeft die waarschijnlijk niet meer was dan een zingende merel. Hij gelooft het ook niet omdat hij meende een engel in de lucht te zien, wat net zo goed een vreemd gevormde nevel kan zijn geweest als iets anders. Nee, wij moeten af van dit verlangen om tekenen en wonderen te zien.
Als zij komen, wees er dan dankbaar voor. Als zij niet komen, vertrouw dan eenvoudig op het Woord dat zegt: “Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden.” Ik zeg dit niet om een teer geweten te kwetsen, dat misschien enige troost heeft geput uit zulke bijzondere wonderen. Ik zeg het alleen eerlijk, opdat niemand van u bedrogen uitkomt. Ik waarschuw u met nadruk geen enkel vertrouwen te stellen in iets wat u meent gezien, gedroomd of gehoord te hebben. Dit Boek is het zekere woord van het getuigenis, en u doet wel als u daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats. Vertrouw op de Heere; wacht geduldig op Hem. Leg al uw vertrouwen daar waar Hij al uw zonden heeft gelegd, namelijk op Christus Jezus alleen, en u zult gered worden, met of zonder zulke tekenen en wonderen.
Ik vrees dat sommige christenen in Londen in dezelfde fout vervallen zijn: dat zij tekenen en wonderen willen zien. Zij zijn bijeengekomen in bijzondere gebedsbijeenkomsten om een opwekking af te smeken. En omdat de mensen niet flauwvallend op de grond zijn gevallen en niet geschreeuwd en lawaai gemaakt hebben, hebben zij misschien gedacht dat de opwekking niet gekomen is. O, hadden wij toch ogen om Gods gaven te zien op de wijze waarop God ze verkiest te geven! Wij verlangen niet naar de opwekking van Noord-Ierland in die bijzondere vorm; wij verlangen naar de opwekking in haar goedheid. Als de Heere haar in een andere vorm zendt, zullen wij des te blijer zijn dat wij die uitzonderlijke verschijnselen in het vlees moeten missen. Waar de Geest in de ziel werkt, zijn wij altijd blij ware bekering te zien, en als Hij in Londen ook in het lichaam verkiest te werken, zullen wij blij zijn dat te zien.
Maar als de harten van mensen vernieuwd worden, wat maakt het dan uit dat zij het niet uitschreeuwen? Als hun geweten levend gemaakt wordt, wat maakt het dan uit dat zij geen aanval krijgen? Als zij Christus maar vinden, wie zal het dan betreuren dat zij niet vijf of zes weken roerloos en buiten bewustzijn liggen? Neem de zegen aan zonder de tekenen en wonderen. Wat mij betreft: ik verlang er niet naar. Laat mij Gods werk gedaan zien op Gods eigen wijze, een ware en grondige opwekking. Maar de tekenen en wonderen kunnen wij gerust missen, want de gelovigen vragen er zeker niet om, en voor de ongelovigen zullen zij alleen een voorwerp van spot zijn.
Nu ik over deze twee ziekten gesproken heb, wil ik de andere alleen nog kort noemen. Er is dan een derde ziekte, die ons in de weg staat om de hoogste graad van het geloof, namelijk de volle verzekering, te bereiken. Die ziekte is gebrek aan opmerkzaamheid. De hoveling uit onze tekst deed zorgvuldig navraag naar de dag en het uur waarop zijn zoon genezen was. Daardoor verkreeg hij zijn verzekering. Maar wij letten niet zo op Gods hand als wij zouden moeten doen. Onze goede puriteinse voorvaders zeiden, als het regende, dat God de flessen van de hemel had ontkurkt. Als het tegenwoordig regent, denken wij dat de wolken zijn gecondenseerd. Als zij hooi op het veld hadden liggen, smeekten zij de Heere de zon te laten schijnen. Wij zijn misschien wijzer, denken wij, en wij vinden het nauwelijks de moeite waard om voor zulke zaken te bidden, omdat wij menen dat zij door de loop van de natuur wel komen.
Zij geloofden dat God in elke storm was, ja, in elke stofwolk. Zij spraken over een tegenwoordige God in alles, maar wij spreken over zulke zaken als natuurwetten, alsof wetten ooit iets zouden zijn zonder Iemand Die ze uitvoert en zonder een verborgen kracht die de hele machine in beweging zet. Wij verkrijgen geen verzekering omdat wij niet genoeg opletten. Als u dag aan dag op Gods goedheid in Zijn voorzienigheid lette, als u acht sloeg op de verhoringen van uw gebeden, als u Gods voortdurende goedertierenheden jegens u ergens in het boek van uw herinnering opschreef, dan denk ik werkelijk dat u zou worden als deze vader. Hij werd tot de volle verzekering van het geloof geleid, omdat hij opmerkte dat precies het uur waarop Jezus sprak, ook het uur was waarop de genezing kwam. Wees waakzaam, christen. Wie uitziet naar de voorzienigheden van God, zal nooit gebrek hebben aan een voorzienigheid om naar te kijken.
Pas dan op voor deze drie ziekten: ophouden met bidden, wachten op tekenen en wonderen en nalaten op de zichtbare hand van God te letten.
3. Nu kom ik tot mijn derde en laatste hoofdpunt, waarbij ik ernstig, maar kort drie vragen aan u moet stellen over uw geloof.
Eerst dan: u zegt: “Ik heb geloof.” Het zij zo. Er zijn veel mensen die zeggen dat zij goud hebben, terwijl zij het niet hebben; er zijn er velen die menen dat zij rijk en verrijkt zijn, terwijl zij naakt, arm en ellendig zijn. Ik vraag u daarom in de eerste plaats: doet uw geloof u bidden? Niet het bidden van iemand die als een papegaai de gebeden opzegt die hij geleerd heeft, maar roept u de roep van een levend kind? Vertelt u God uw noden en uw verlangens? En zoekt u Zijn aangezicht en vraagt u om Zijn genade?
Mens, als u zonder gebed gelooft, bent u een ziel zonder Christus. Uw geloof is een waanidee, en het vertrouwen dat eruit voortkomt, is een droom die u in het verderf zal storten. Word wakker uit uw doodse sluimer, want zolang u stom bent in het gebed, kan God u niet antwoorden. U zult niet voor God leven als u niet in de binnenkamer leeft. Wie op aarde nooit op zijn knieën ligt, zal in de hemel nooit op zijn voeten staan. Wie hier beneden nooit met de Engel worstelt, zal door die Engel daarboven nooit in de hemel worden toegelaten.
Ik weet dat ik vandaag tot sommigen spreek die zonder gebed leven. U hebt tijd genoeg voor uw kantoor, maar geen tijd voor uw binnenkamer. Huisgodsdienst hebt u nooit gehad, maar daarover zal ik nu niet spreken. Het persoonlijk gebed hebt u verwaarloosd. Staat u ’s morgens niet soms zo laat op, zo kort voor de tijd van uw afspraken, dat u wel knielt, dat is waar, maar waar blijft dan het gebed? En wat bijzondere tijden van smeking betreft: die gunt u zichzelf nooit. Het gebed is voor u een soort weelde, te kostbaar om er vaak van te genieten. Ach, maar wie waar geloof in zijn hart heeft, bidt de hele dag door. Ik bedoel niet dat hij steeds op zijn knieën ligt, maar dikwijls, terwijl hij onderhandelt, terwijl hij in zijn winkel of op zijn kantoor is, vindt zijn hart even een kleine opening.
Dan springt het op naar de boezem van zijn God en komt het weer terug, verkwikt om verder te gaan met zijn bezigheden en de mensen onder ogen te komen. O, die schietgebeden! Niet alleen ’s morgens het wierookvat met reukwerk vullen, maar er de hele dag door kleine stukjes kaneel en wierook in werpen, zodat het altijd fris blijft: zo moet men leven, en dat is het leven van een ware, oprechte gelovige. Als uw geloof u niet doet bidden, wil er dan niets mee te maken hebben. Doe het weg, en God helpe u om opnieuw te beginnen.
Maar u zegt: “Ik heb geloof.” Dan stel ik u een tweede vraag. Maakt dat geloof u gehoorzaam? Jezus zei tegen de hoveling: “Ga heen,” en hij ging zonder een woord te zeggen. Hoe graag hij ook was gebleven om naar de Meester te luisteren, hij gehoorzaamde. Maakt uw geloof u gehoorzaam? Tegenwoordig zien wij christenen van het allertreurigste soort, mensen die niet eens gewone eerlijkheid bezitten. Ik heb handelaren horen opmerken dat zij veel mensen kennen die God niet vrezen en toch in hun zaken zeer rechtvaardig en oprecht zijn. Aan de andere kant kennen zij sommige belijdende christenen die niet ronduit oneerlijk zijn, maar wel een beetje draaien en uitvluchten zoeken. Zij zijn geen paarden die weigeren te lopen, maar zo nu en dan blijven zij koppig staan. Moeten zij een rekening betalen, dan lijken zij zich niet aan de termijn te houden; zij zijn niet stipt en niet nauwkeurig. Ja, soms betrapt u christenen op laaghartige daden, en belijders van de godsdienst die zich bezoedelen met daden die zelfs louter wereldse mensen zouden verachten.
En wie zal verbergen wat waar is? Nu, mijne heren, ik leg vanmorgen mijn getuigenis af als dienaar van God, te eerlijk om ook maar één woord te veranderen om wie dan ook te behagen: u bent geen christen als u in uw zaken kunt handelen beneden de waardigheid van een eerlijk mens. Als God u niet eerlijk gemaakt heeft, dan heeft Hij uw ziel niet gered. Wees ervan verzekerd: als u ongehoorzaam aan de zedelijke wetten van God kunt doorleven, als uw leven inconsequent en losbandig is, als uw gesprekken vermengd zijn met zaken die zelfs een wereldling zou afwijzen, dan is de liefde van God niet in u. Ik pleit niet voor volmaaktheid, maar ik pleit wel voor eerlijkheid. Als uw godsdienst u niet zorgvuldig en biddend gemaakt heeft in het gewone leven, als u niet werkelijk een nieuw schepsel in Christus Jezus geworden bent, dan is uw geloof slechts een lege naam, als een klinkend metaal of een luidende schel.
Ik zal u nog één vraag stellen over uw geloof, en dan ben ik klaar. U zegt: “Ik heb geloof.” Heeft uw geloof u ertoe gebracht uw gezin tot zegen te zijn? De goede Rowland Hill zei eens op zijn eigen eigenaardige manier dat, wanneer iemand christen werd, zelfs zijn hond en zijn kat daar beter van moesten worden. En ik meen dat het Mr. Jay was die altijd zei dat iemand die christen werd, in elke verhouding beter werd. Hij werd een betere echtgenoot, een betere meester en een betere vader dan hij voorheen was, anders was zijn godsdienst niet echt. Nu, mijn lieve christelijke broeders en zusters, hebt u er ooit over nagedacht hoe u uw gezin tot zegen kunt zijn?
Hoor ik iemand zeggen: “Ik houd mijn godsdienst voor mijzelf”? Wees dan niet bang dat hij ooit gestolen zal worden. U hoeft hem niet achter slot en grendel te bewaren, want er is niet genoeg van om zelfs de duivel te verleiden hem van u af te komen nemen. Iemand die zijn godzaligheid voor zichzelf kan houden, heeft er zo weinig van, dat die hem, vrees ik, geen eer zal aandoen en voor anderen geen zegen zal zijn. Toch ontmoet u soms, hoe vreemd het ook is, vaders die zich niet meer lijken te bekommeren om de zaligheid van hun kinderen dan om die van de arme kinderen in de achterbuurten van St. Giles. Zij zouden graag zien dat de jongen een goede plaats krijgt en dat het meisje behoorlijk trouwt, maar over hun bekering lijken zij zich niet het hoofd te breken. Het is waar dat de vader zijn plaats inneemt in een bedehuis en dat hij met een gemeenschap van christenen samenkomt, en hij hoopt dat zijn kinderen goed terechtkomen.
Zij hebben het voordeel van zijn hoop, zeker een zeer grote erfenis. Ongetwijfeld zal hij hun bij zijn sterven zijn beste wensen nalaten, en mogen zij daar maar rijk van worden! Maar hij lijkt zich nooit in zijn ziel bezorgd te hebben gemaakt over de vraag of zij gered zullen worden of niet. Weg met zo’n godsdienst! Werp hem op de mesthoop, smijt hem voor de honden; laat hem begraven worden als Chonia, met een ezelsbegrafenis. Werp hem buiten de legerplaats als iets onreins. Het is niet de godsdienst van God. Wie niet voor zijn eigen huisgenoten zorgt, is erger dan een heiden en een tollenaar.
Wees nooit tevreden, mijn broeders in Christus, voordat al uw kinderen gered zijn. Leg de belofte aan uw God voor. U komt de belofte toe, en uw kinderen. Het Griekse woord ziet niet op zuigelingen, maar op kinderen, kleinkinderen en alle nakomelingen die u maar hebt, of zij nu volwassen zijn of niet. Houd niet op met pleiten voordat niet alleen uw kinderen, maar ook uw achterkleinkinderen, als u die hebt, gered zijn. Ik sta hier vandaag als een bewijs dat God Zijn belofte niet ontrouw is. Ik kan vier of vijf geslachten terugkijken en zie dat het God behaagd heeft de gebeden te verhoren van de grootvader van onze grootvader. Hij smeekte God dat zijn kinderen voor Hem zouden leven tot het laatste geslacht.
En God heeft het huis nooit verlaten, maar heeft het Hem behaagd eerst de een en daarna de ander ertoe te brengen Zijn Naam te vrezen en lief te hebben. Zo moge het ook met u zijn. En als u dit vraagt, vraagt u niet meer dan God u verplicht is te geven. Hij kan het niet weigeren, tenzij Hij op Zijn belofte terugkomt. Hij kan niet weigeren u zowel uw eigen ziel als de zielen van uw kinderen te geven als antwoord op het gebed van uw geloof. “Ach,” zegt iemand, “maar u weet niet wat voor kinderen ik heb.” Nee, mijn lieve vriend, maar ik weet dat het, als u een christen bent, kinderen zijn die God beloofd heeft te zegenen. “O, maar het zijn zulke onhandelbare kinderen, zij breken mijn hart.” Bid God dan dat Hij hun hart breekt, en zij zullen uw hart niet meer breken. “Maar zij zullen mijn grauwe haren met droefenis ten grave doen nederdalen.” Bid God dan dat Hij hun ogen met droefenis tot gebed, tot smeking en tot het kruis brengt, en dan zullen zij u niet in het graf brengen. “Maar,” zegt u, “mijn kinderen hebben zulke harde harten.”
Kijk naar uw eigen hart. U denkt dat zij niet gered kunnen worden? Kijk naar uzelf: Hij Die u gered heeft, kan ook hen redden. Ga in gebed naar Hem toe en zeg: “Heere, ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.” En als uw kind op sterven ligt en, naar u denkt, vanwege de zonde op de rand van de verdoemenis staat, pleit dan toch als de hoveling: “Heere, kom af, eer mijn kind verloren gaat, en red mij om Uw barmhartigheid.” En o, U Die in de hoogste hemelen woont, U zult Uw volk nooit afwijzen. Het zij verre van ons te denken dat U Uw belofte zult vergeten. In de naam van heel Uw volk leggen wij heel ernstig onze hand op Uw Woord en houden U aan Uw verbond. U hebt gezegd dat Uw goedertierenheid is over de kindskinderen van hen die U vrezen en Uw geboden bewaren. U hebt gezegd dat de belofte ons toekomt en onze kinderen. Heere, U zult niet terugkomen op Uw eigen verbond. Wij houden U vanmorgen in heilig geloof aan Uw woord: “Doe, gelijk als Gij gesproken hebt.”
Amen.
Preek nr. 317 · Gehouden in Exeter Hall, Londen, zondagmorgen 27 mei 1860, New Park Street Pulpit deel 6. Oorspronkelijke titel: “Characteristics of Faith”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
