24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Zij, zulks niet achtende

Zij, zulks niet achtende

“Maar zij, zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot Zijne koopmanschap.Mattheus 22:5

De mens is, sedert de dagen van Adam, niet veel veranderd. In zijn lichaamsgestalte schijnt hij volkomen dezelfde gebleven te zijn, want geraamten, honderden jaren oud zijnde, zijn de volmaakte evenbeelden van de onze; en hetgeen in de geschiedenis vermeld staat als eeuwen te voren door mensen te zijn geschied, zou heden wederom geschreven kunnen worden, want “er is niets nieuws onder de zon.” Dezelfde soort van mensen kunnen ook heden nog gevonden worden (al zijn zij wellicht verschillend gekleed) als die in lang vervlogen eeuwen geleefd hebben. Nog altijd zijn er mensen, wier karakter overeenkomt met het karakter, dat door onze Heiland in zijn dagen aan anderen werd toegeschreven. Zij gaan heen, “deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap”, de hoogheerlijke dingen van het Evangelie “niet achtende.” Ik ben er van overtuigd, dat ik velen van de zodanigen heden onder mijn gehoor heb, en ik bid de Heere, dat het mij gegeven worde zeer ernstig en op de man af tot hen te spreken. En ik moet u allen, die de hemelse kunst van bidden verstaat, vragen, God te bidden, dat het Hem moge behagen, ieder woord, elk denkbeeld te doen doordringen tot het hart, waarvoor Hij het bestemd heeft, opdat het een vreedzame vrucht der gerechtigheid voortbrenge in de behoudenis van vele zielen. Zij, zulks niet achtende”. Dat is: zij hebben het gering geacht, en dat doen velen ook nog in onze dagen; en dat zullen ook zeer velen doen van hen, die mij heden horen. Ik geloof, dat Christus licht te achten, zonde is; en op het gevaar af van door hen, die wijs willen zijn boven hetgeen geschreven is, ten onrechte voor een wettisch gezinde, of een voorstander van de vrije wil van de mens gehouden te worden, zal ik u dit als zodanig voorhouden, want ik hoop nooit te zullen behoren tot die soort van Calvinisten, die het werk van de duivel doen door de zondaars te verontschuldigen in hunne zonden.

Wij zullen in de eerste plaats enige woorden tot u spreken over wat het is, dat de zondaar gering acht; ten tweede, op wat wijze hij het gering acht; en ten derde, waarom hij het gering acht. Daarna zullen wij hier enkele opmerkingen aan toevoegen.

I.

WAT IS HET, DAT DE ZONDAAR GERING ACHT? De persoon, van wie in de gelijkenis gesproken wordt, betoonde die geringschatting voor een bruiloftsmaal, dat door een koning was aangericht, een feestmaal, dat uit allerlei kostelijke gerechten bestond, waaraan zij genodigd waren, en waarvan zij moedwillig weg bleven. De geestelijke betekenis hiervan is gemakkelijk te ontdekken. Zondaars, die Christus gering achten, geven hun minachting te kennen voor het heerlijk feestmaal, dat God bereid heeft bij het huwelijk van zijn Zoon. Dit is heilig land om te betreden. O, moge de Heilige Geest ons onderwijzen.

Deze gelijkenis tot onderwerp nemende voor onze overdenking, zullen wij in de eerste plaats opmerken, dat de zondaar de bode gering acht, die hem het bericht brengt, dat het bruiloftsmaal bereid is. Deze mensen weigerden te komen; zij gingen heen “deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap,” zij hebben dus geen acht geslagen op de bode. En ieder zondaar, die de grote zaligheid van Jezus Christus veronachtzaamt, betoont geringschatting van de evangeliedienaar, hetgeen in Gods oog geen geringe belediging is. Het wordt door onze hooghartige natie nooit voor een onbeduidende belediging aangezien, als onze gezant met onverschilligheid wordt bejegend; en gelooft het vrij, het is allesbehalve een kleine zaak voor God, indien gij minachting betoont voor de gezanten, die Hij tot u zendt. Vergelijkenderwijs gesproken, betekent dit echter weinig. Die gezanten zijn mensen, gelijk gij zelf, en zij kunnen het wel dragen gesmaad te worden, indien dit nu alles was. Ja, wij zouden u dit zeer gaarne vergeven, indien dit in onze macht was, en indien hierin alleen uw zonde bestond.

Maar deze lieden versmaadden de maaltijd. Sommigen van hen verbeeldden zich, dat de gemeste beesten en de overige spijzen, die op de tafel zouden komen, niet beter waren dan zij zelf in eigen huis hadden. Zij dachten, dat dit koninklijk gastmaal niet der moeite waard was om er een dag van hun koopmanschap voor op te offeren, of er zelfs één enkel uur van hun akker om weg te blijven. Zij verachtten dit bruiloftsmaal; ten minste, dit schijnt zo, daar zij er niet heen gingen. O zondaar, als gij op de grote zaligheid geen acht slaat, zo weet goed, wat gij versmaadt. Als gij Gods Evangelie gering acht, dan betoont gij geringschatting voor de rechtvaardigmaking door het geloof, voor het gewassen zijn in Jezus’ bloed, voor de Heilige Geest, voor de weg naar de hemel. Gij betoont dan ook geringschatting voor geloof, en hoop, en liefde; gij slaat geen acht op de beloften van het eeuwig verbond en al de heerlijkheid, die God weggelegd heeft voor hen, die Hem liefhebben; en op alles dat Hij in zijn Woord heeft geopenbaard als de beloofde gave aan hen, die tot Hem komen. Het is ontzettend het Evangelie gering te achten, want in dat woord Evangelie – blijde boodschap – ligt alles opgesloten, wat de menselijke natuur nodig heeft, alles, wat zelfs de heiligen in de eeuwige gelukzaligheid kunnen ontvangen. Het Evangelie van de gezegende van God te verachten, O! hoe waanzinnig is dit! Hoe veel erger dan dwaas! Veracht de sterren, en gij zijt een dwaas; veracht Gods aarde met haar heerlijke bergen, met haar stromende rivieren, met hare liefelijke beemden, en gij zijt een waanzinnige; maar veracht Gods Evangelie, en gij zijt tien duizend maal waanzinnig. Sla daar geen acht op, en gij zijt oneindig meer dwaas dan hij, die in de zon geen licht ziet, geen schoonheid vindt in de maan en geen schittering in de sterrenhemel. Vertreed, zo het u gelust, zijn lagere werken onder uw voeten, maar O! Gedenk, als gij het Evangelie versmaadt, dat gij het Meesterstuk van uw grote Schepper gering acht – datgene, hetwelk Hem meer gekost heeft dan myriaden werelden te scheppen – het bloedig offer van de doodsbenauwdheid en smart van onze Heiland.

En wederom: deze lieden gaven minachting te kennen voor de Zoon van de Koning. Het was zijn huwelijksfeest, en voor zover zij er niet op verschenen, hebben zij de Hoogheerlijke gesmaad, tot wiens eer het avondmaal bereid was. Zij minachtten Hem, die de Vader liefhad. O! Zondaar, als gij het Evangelie gering acht, dan betoont gij die geringschatting voor Christus – voor die Christus, voor wie de heerlijke cherubim zich neerbuigen – voor die Christus, aan wiens voeten de hoge aartsengel het zaligheid acht zijn kroon neer te werpen. Gij betoont geringschatting voor Hem, van wiens lof het gewelf van de hemel weerklinkt, voor Hem, die door God op zeer hoge prijs wordt gesteld, want door Hem werd Hij genoemd “God, boven allen te prijzen tot in der eeuwigheid.” O, het is ontzettend om Christus te smaden. Veracht een prins, en gij zult er weinig eer om ontvangen van de koning; maar veracht de Zoon van God, en de Vader zal zijn geminachte Zoon aan u te wreken. O, mijn geliefde vrienden, het schijnt mij toe zonde te zijn, geen onvergeeflijke zonde, maar een zonde, die toch ontzettend snood is, dat de mensen op mijn gezegende Heere Jezus Christus geen acht slaan en Hem met wrede minachting bejegenen. U geringschatten, U, dierbare Jezus! 0! Als ik U zie, worstelende in Gethsémané, bedekt met bloedig zweet, dan buig ik mij voor U neer, en zeg: O Verlosser, bloedende voor de zonde van de mensen, is er een zondaar, die U gering kan achten? Als ik Hem aanschouw terwijl het bloed Hem van de schouders stroomt onder de gevloekte geseling van Pilatus, dan vraag ik: “Kan een zondaar zulk een zaligheid gering achten?” Als ik Hem gadesla, bedekt met zijn eigen bloed, vastgenageld aan het kruis, daar Hij onder hevige folteringen zijn ziel uitstort, uitroepende: “Eli, Eli, lama sabachtani”, dan vraag ik mij af: “Kan dit door iemand licht geacht worden?” En zó zij het doen, dan zou die zonde groot genoeg zijn om hen te verdoemen, al zouden zij ook geen andere zonden hebben, dat zij de Vredevorst gering geacht hebben, die zo hoogheerlijk is. O, mijn vriend, indien gij Christus gering acht, dan hebt gij de Enige beledigd, die u kan zalig maken; de Enige, die u over de doodsrivier veilig heen kan heenvoeren; de Enige, die de poorten van de hemel kan ontsluiten, en er u welkom kan doen wezen. Laat geen prediker van “zachte dingen” u iets wijs maken, dat dit geen misdaad is. O, zondaar, denk aan uw zonde, als gij hem gering acht, want het is de enige Zoon van de Koning, die gij “niet acht.”

En wederom: deze lieden betoonden ook geringschatting voor de Koning, die het feestmaal bereid had. Ach! Weinig vermoedt gij, o zondaar, als gij beuzelt met het Evangelie, dat gij daarmee God beledigt. Ik heb sommigen horen zeggen: “Ik geloof niet in Christus, maar wel tracht ik God te eren. Om het Evangelie bekommer ik mij niet; ik verlang niet gewassen te worden in het bloed van Jezus, noch zalig te worden uit vrije genade; maar God veracht ik niet; ik ben een voorstander van de natuurlijke godsdienst!” Ach mijn vriend, het is maar al te zeker, dat gij de Almachtige beledigt, voor zover gij zijn Zoon loochent. Betoon minachting voor iemands kroost, en gij hebt de man zelf beledigd. Verwerp de eengeboren Zoon van God, en gij hebt de Eeuwige zelf verworpen. Buiten Christus bestaat er geen wezenlijke natuurlijke godsdienst. Het is een leugen; het is de uitvlucht van een mens, die niet kloekmoedig genoeg is om te zeggen, dat hij God haat. Het is dan ook niets dan een uitvlucht, een toevlucht van de leugens, want wie Christus verloochent, heeft in die daad God beledigd, en de poorten van de hemel voor zichzelf toegesloten. Wij kunnen de Vader niet liefhebben dan in en door zijn Zoon; en er is geen welbehaaglijke aanbidding van de Vader, dan door de grote Hogepriester en Middelaar, Jezus Christus. O, mijn vriend, gedenk dat gij niet slechts het Evangelie hebt veracht, maar ook de God van het Evangelie. Als gij lacht om de leerstellingen van de openbaring, dan lacht gij om God. Als gij de waarheid van het Evangelie versmaadt, dan versmaadt gij God zelf. Gij hebt de Eeuwige in het aangezicht weerstaan. O, gedenkt, gij, die met de boodschap van Christus spot, en u afkeert van de prediking van de waarheid! Gedenkt, dat God almachtig is, en dat Hij u zeer zwaar kan straffen! God is een ijverig God. O! Hoe gestreng zal Hij straffen! God gering achten, zondaar? Ach, dit is meer dan iets anders een doemwaardige zonde; en die zonde bedrijvende, zoudt gij wel een van deze dagen uw eigen doodvonnis kunnen ondertekenen; want God, Christus en zijn heilig Evangelie niet te achten, dat is zijn eigen ziel te verderven. O, rampzalige zielen, hoe ongelukkig moet gij wezen, zo gij leeft en sterft zonder acht te geven op Christus en boven de schatten van het Evangelie de voorkeur geeft aan uw akkers en uw koopmanschap.

En wederom: bedenk mijn arme, deerniswaardige vriend, bedenk, dat gij, door al de dingen, die ik genoemd heb, gering te achten, ook de grote, ontzagwekkende dingen van de eeuwigheid geringschat. De mens, die geen acht slaat op het Evangelie, slaat ook geen acht op de hel. Hij denkt, dat het vuur van de hel niet heet is, dat de vlammen van de hel niet zijn, zoals Christus ze beschreven heeft. Hij slaat geen acht op de brandende tranen van het wanhopig naberouw, hij slaat geen acht op het zuchten en kermen van de zielen, die verloren gaan. Ach! Het is niet wijs, niet verstandig, de hel gering te achten.

Gij slaat dan ook evenmin acht op de hemel, de plaats waar de verlosten wensen heen te gaan, waar de heerlijkheid heerst zonder wolken, en de zaligheid zonder zuchten. Gij werpt de kroon van het eeuwige leven onder uw voeten; gij vertreedt met uw onheilige voet de palmtakken van de overwinning, en acht het een kleine zaak, verlost te zijn en verheerlijkt te worden. Ach! Ongelukkige, als gij eens in de hel zijt, en de ijzeren sleutel voor altijd in het slot van uw onvermijdelijke bestemming is omgedraaid, dan zult gij bevinden, dat de hel geen zaak is om gering te achten. En als gij de hemel en de zaligheid hebt verloren, en alleen in de verte de nagalm kunt horen van het lied der gezaligden, zodat door de tegenstelling met hun vreugde uw rampzaligheid nog groter wordt, dan zult gij bevinden, dat het geen kleine zaak is de hemel te minachten. Een iegelijk, die de godsdienst gering acht, acht ook deze dingen gering. Hij miskent de waardij van zijn eigen ziel, en het gewicht van haar toestand in de eeuwigheid.

Dat is het, hetwelk de mensen geringschatten. “O, leraar,” zegt iemand, “maar ik spreek nooit woorden, die vijandschap uitdrukken tegen Gods waarheid. Ik bespot de evangeliedienaar niet, en betoon geen geringschatting voor de Sabbat.” Mijn vriend, van dit alles zal ik u vrijspreken; en toch handhaaf ik mijn ernstige beschuldiging, dat gij de grote zonde bedrijft, van het Evangelie gering te achten. Luister!

II.

HOE, OP WAT WIJZE BETONEN DE MENSEN HUN GERINGSCHATTING VAN DIE DINGEN?

Het is, in de eerste plaats, een geringschatting van het Evangelie en van het geheel der heerlijke dingen van God, als men gaat om te horen, terwijl men er toch geen acht op slaat. Hoe velen gaan naar de kerk om er te slapen! Denk het eens in, welk een ontzettende belediging dit is voor de Koning van de hemel! Zou iemand het paleis van Hare Majesteit binnen treden, een audiëntie aanvragen, en dan in haar tegenwoordigheid gaan slapen? Toch zou de zonde van in tegenwoordigheid van de koningin te slapen, niet zo groot zijn, zelfs niet tegen haar eigen wetten, als de zonde van moedwillig in Gods heiligdom te gaan slapen. Hoe velen gaan naar onze bedehuizen, wel niet om te slapen, maar die toch zo weinig aandachtig zijn, alsof zij luisteren naar iemand, die niet in staat is een opwekkende melodie op een goed instrument te spelen. Wat het ene oor ingaat, gaat het andere oor uit. Hetgeen in de hersenen komt, gaat er ook weer uit zonder ooit het hart te treffen. O! mijn hoorders, gij maakt u schuldig aan Gods Evangelie gering te achten, als gij onder de prediking er van neerzit, zonder er acht op te slaan. O, wat zouden zij, wier zielen verloren zijn gegaan, er niet voor geven, zo zij nog eens een evangelieverkondiging konden aanhoren! Wat zou de ongelukkige, die de dood nabij is, niet geven voor nog één enkele sabbat! En wat zult gij niet willen geven één van deze dagen, als gij de oever van de doodsrivier nadert, om nog één enkele maal gewaarschuwd te worden, nog eens te kunnen luisteren naar de vriendelijk lokkende stem van de dienstknecht van God. Wij achten het Evangelie gering, als wij er naar luisteren, zonder er onze ernstige aandacht aan te wijden.

Maar sommigen zeggen, dat zij er goed hun aandacht aan wijden. Men kan luisteren naar het Evangelie en het dan toch gering achten. Ik heb mensen zien wenen onder een krachtige evangelieprediking; ik heb gezien hoe hun de tranen over de wangen stroomden – zalige tranen, die van innerlijke zielsontroering getuigden. Soms zei ik bij mij zelf: het is verwonderlijk te zien hoe de mensen wenen op het horen van een zieldoordringend Woord van God, dat hen verschrikt, alsof de donder van Sinaï hun in de oren klonk. Maar is er iets, dat nog verwonderlijker is dan het wenen van de mensen onder het gehoor van het Woord. Dat is het feit, dat zij zeer spoedig, ach! maar al te spoedig! hun tranen afwissen. O, mijn hoorder, herinner u, dat, zo gij deze dingen hoort, en de ontzagijke indruk, die er door teweeg wordt gebracht, afschudt, gij hiermede God gering acht en zijn waarheid niet telt. O, zie toe, dat niet uw eigen klederen rood zijn van het bloed van uw ziel, en er gezegd wordt “0 Israël, gij hebt u zelf verdorven!” (Hoséa 13: 9 naar de Engelse overzetting.)

Maar er zijn anderen, die het geringschatten op nog een geheel andere wijze. Zij horen het Woord, en geven er acht op; maar helaas! zij geven ook tegelijk acht op iets anders. 0! mijn hoorder, gij acht Christus gering, indien gij Hem ergens anders dan in het middenpunt van uw hart stelt. Hij, die aan Christus slechts een weinig van zijn genegenheid geeft, acht Christus gering, want Christus wil het gehele hart hebben, of niets. Wie één deel geeft aan Christus, en een ander deel aan de wereld, veracht Christus, want hij schijnt te denken, dat Christus het gehele hart niet waardig is. En voor zover hij dit zegt, of denkt, koestert hij lage, onheilige gedachten van Christus. O, gij vleselijke mens, die half godsdienstig en half wereldsgezind zijt, die somtijds ernstig, maar even dikwijls lichtzinnig zijt, die soms vroom schijnt, maar zo dikwijls onheilig zijt, gij acht Christus gering. En gij, die Zondags weent, maar ‘s maandags weer in uw oude zonden terug valt; gij, die de wereld en haar genietingen boven Christus stelt; gij denkt geringer over Hem, dan Hij verdient; en wat is dat anders dan Hem te minachten? O, ik bid u, mijn hoorder, vraag u zelf af, of gij niet de man zijt? Zijt gij het niet zelf, die Christus gering acht? De eigengerechtige, die met Christus gelijkelijk wil delen in de eer van de verlossing, is, niettegenstaande al zijne voddige goede werken, zó zeer de eerste en voornaamste onder de verachters, dat ik hem in het midden van hen allen aan de schandpaal zou willen stellen; en allen zou ik willen toeroepen te sidderen, opdat ook zij niet onder de versmaders van Jezus worden gevonden.

En wederom: die mens acht Christus gering, die de godsdienst belijdt, maar er niet naar leeft. O, gij leden van de gemeente, er moet een grote schifting onder u plaats hebben. Er is thans een zeer grote hoeveelheid kaf gemengd onder het koren; en soms denk ik, dat wij nog iets ergers hebben. Er zijn er in onze gemeente, die niet eens zo goed zijn als kaf, want zij schijnen volstrekt niet in de nabijheid van het koren geweest te zijn; zij zijn niets dan onkruid. Zij komen in onze gemeente, zoals zij in een handelsvereniging komen, omdat zij denken. dat dit hun zaken zal verbeteren. Het zet achtenswaardigheid bij hun naam, als zij naar de kerk gaan en deel nemen aan het Avondmaal. Het verwerft hun achting als zij zich laten dopen, of lid worden van de gemeente; en aldus komen zij in menigte, om de wil van de broden en vissen, maar niet om des Heeren Jezus Christus wil. O, geveinsde! Gij acht Christus gering, als gij denkt, dat gij Hem als middel kunt gebruiken om rijkdom te verkrijgen. Indien gij denkt, dat Hij u zal heenvoeren naar de schatten van de aarde, dan vergist gij u grotelijks, want Hij is nooit tot iets anders bestemd geweest, dan om de mensen in de hemel te brengen. Indien gij denkt, dat de godsdienst bestemd is om uw huis te versieren, en uw beurs te vullen, dan verkeert gij in een grote dwaling. De godsdienst is bestemd om nuttig te zijn voor uwe ziel, en hij, die de godsdienst meent te kunnen gebruiken tot zijn persoonlijk werelds voordeel, betoont hiermee geringschatting voor Christus; en ten laatsten dage zal hem die misdaad ten laste worden gelegd, en dan zal de Koning zijn krijgsheiren zenden en hem vernielen met degenen, die Zijn Majesteit hebben gesmaad en zijn wetten niet wilden gehoorzamen.

III. Ik zal u thans zeggen, WAAROM ZIJ “ZULKS NIET GEACHT HEBBEN.” Het was om verschillende redenen.

Sommigen hebben er geen acht op gegeven, omdat zij onwetend waren. Zij wisten niet hoe kostelijk het feestmaal was; zij wisten niet hoe goed en vriendelijk de koning, hoe schoon de prins was, want, indien zij het wisten, zij zouden er anders over gedacht hebben. Nu geloof ik, dat hier hedenavond zeer velen tegenwoordig zijn, die geen acht geven op het Evangelie, omdat zij het niet verstaan. Ik heb dikwijls mensen met de godsdienst horen spotten, maar vraagt gij hun wat godsdienst is, dan weten zij er niet meer van dan een paard, ja erger, want zij geloven er onwaarheid van; en dat doet een paard niet. Zij spotten er mee, omdat zij er niets van begrijpen; het is iets dat hun verstand te boven gaat. Wij hebben van een man gehoord, die, als hij iemand een Latijns woord hoorde zeggen, er om lachte, omdat hij dacht, dat het scherts was, of dat het in alle geval een zeer vreemde manier van spreken was; en daarom lachte hij. Zo is het ook met velen, als zij het Evangelie horen; zij weten niet wat het is, en daarom lachen zij. “O!” zeggen zij, “die man is waanzinnig.” Maar waarom is hij waanzinnig? Omdat gij hem niet begrijpt? Zijt gij dan zo verwaand om te denken dat alle wijsheid en alle geleerdheid bij u schuilt? Mij dunkt, de waanzin is niet daar, waar gij hem veronderstelt te zijn. En indien gij van hem zoudt zeggen: “De groote geleerdheid brengt u tot razernij,” wij zouden u antwoorden: Het is even gemakkelijk tot razernij gebracht te worden zonder geleerdheid.” En zij, die niet geleerd zijn, en bovenal zij, die niets weten van Christus, zullen de eersten zijn, die Hem minachten. 0! mijne vrienden, indien gij slechts wist, wat een gezegende Meester Christus is; indien gij wist welk een gezegende zaak het Evangelie is; indien gij er slechts toe gebracht kon worden te geloven, welk een heerlijke God onze God is, indien gij slechts voor een enkel uur het genot kon smaken, wat het deel is van de christenen; indien gij slechts een enkele belofte kon toepassen op uw eigen hart, dan zoudt gij het Evangelie wel nooit meer geringschatten. Gij zegt, dat gij er niet van houdt! Maar gij hebt het nooit beproefd! Zou iemand wijn verachten, die hij nooit heeft geproefd? Hij kan zoeter wezen, dan hij denkt. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; en zo zeker als gij smaakt, zo zeker zult gij zien, dat Hij goed is. Ik verstout mij nogmaals te zeggen, dat velen het Evangelie geringschatten uit blote onwetendheid; en indien dat zo is, dan kan ik de hoop koesteren, dat, wanneer zij, enigszins verlicht zullen zijn door het Woord te horen, het de Heere zal behagen hen tot zich te brengen; en dan weet ik, dat zij Christus nooit meer gering zullen schatten. O, weest toch niet onwetend, want “de ziel zonder wetenschap is niet goed.” Zoek Hem te kennen, dien te kennen het eeuwige leven is; en als gij Hem recht kent, dan zult gij Hem nooit meer gering achten.

Anderen achten Hem gering uit hoogmoed. “Waartoe dient het,” zei zo iemand, “mij deze uitnodiging te brengen? Treed eens bij mij binnen, vriend, en ik zal u een feestmaal tonen, even kostelijk als waarvan gij mij weet te verhalen. Zie hier! Mijn tafel is even goed voorzien als die van ieder ander; de koning zelf kan geen betere maaltijd aanrichten; en ik zie niet in, waarom ik mij de moeite zou geven uit te gaan voor iets, dat niet beter is dan ik het in mijn eigen huis kan hebben.” Zo wilde hij dus niet gaan uit hoogmoed. Evenzo is het met sommigen van u. Gij zoudt er behoefte aan hebben gewassen te worden! Neen, niet waar, want gij waart nooit onrein. Gij zoudt behoefte hebben aan vergeving! O neen, daar zijt gij toch eigenlijk te braaf voor. Wel! Gij zijt zo buitengewoon vroom in uw eigen schatting, dat, indien het alles waar was, gij de engel Gabriël zoudt doen blozen, als hij aan u denkt. Gij vindt zelfs dat een engel niet in uw schaduw kan staan. Hoe! Gij zoudt om genade smeken! Het denkbeeld is beledigend voor u. “Ga heen,” zegt gij,” “ga heen en spreek aldus tot de diep gevallen vrouw: maar ik ben een achtenswaardig man, ik verzuim nooit de kerk; ik ben een goed mens. Ik mag nu en dan eens wat uitgelaten pret hebben; maar dat maak ik later altijd weer goed. Ik ben nu en dan wel eens wat traag en kom niet veel vooruit op de weg naar de hemel; maar later haal ik die schade wel in, en zo zal ik even spoedig als ieder ander in de hemel zijn.” Wel, mijn vriend, het verwondert mij niet, dat gij het Evangelie veracht, want het Evangelie zegt u ronduit, dat gij geheel en al verloren zijt. Het zegt u, dat zelfs deze uwe gerechtigheid vol is van zonde. En wat uw hoop aangaat om er door behouden te worden, gij zoudt even goed op een dor blad de oceaan kunnen oversteken om naar Amerika te gaan, als door uw gerechtigheid in de hemel trachten te komen. Dit kleed van uw gerechtigheid is evenmin geschikt om u te bedekken, als een spinneweb geschikt zou zijn om er in naar het hof te gaan en er in te verschijnen voor de koningin. Ach! mijne hoorders, ik weet, waarom gij Christus veracht, het is vanwege uw duivelse hoogmoed. Moge de Heere die hoogmoed wegrukken uit uw hart, want zo Hij het niet doet, dan zal die hoogmoed de brandstof leveren van het vuur, dat gij in de hel zult hebben te verduren. Wacht u voor hoogmoed! Door hoogmoed zijn de engelen gevallen; hoe kunnen die mensen, ofschoon zij het beeld zijn van hun Maker, hopen, er door te zullen winnen? Mijd, vlied de hoogmoed, want even gewis als gij hoogmoedig zijt, even zeker zult gij de schuld op u laden van Christus gering te achten.

En er waren wellicht even veel personen, die de blijde boodschap gering achtten, omdat zij de bode niet geloofden. “0!” zeiden zij, wacht eens even. Hoe! Een maaltijd, waaraan ik zou kunnen deelnemen? Ik geloof het niet. Hoe! De jonge prins zal in het huwelijk treden? Vertel dat aan dwazen, wij geloven het niet. Hoe! Wij allen zijn genodigd? Wij geloven er geen woord van, het is ongelooflijk.” De arme boodschapper ging naar huis en berichtte zijn Meester, dat zij hem niet wilden geloven. Dat is wederom een reden waarom velen het Evangelie gering achten, zij geloven het niet.

“Hoe!” zeggen zij, Jezus Christus gestorven om de mensen van hun zonden te reinigen? Wij geloven het niet. Hoe! wat! een hemel? Wie heeft hem ooit gezien? Een hel! Wie heeft er ooit het gekerm van gehoord? Wat! De eeuwigheid! Wie is ooit van die laatste hoop en toevlucht van elke geest teruggekeerd? Wat! Zaligheid in de godsdienst? Wij geloven het niet – de godsdienst is een sombere, akelige dromerij, Wat! Liefelijkheid in beloften? Neen, die is er niet. Wij geloven, dat er liefelijkheid is in de wereld; maar wij geloven niet in de zoetheid van enige bron, die door de Heere gegraven is.” En aldus verachten zij het Evangelie omdat zij het niet geloven. Maar ik ben er zeker van, dat, wanneer de mens het Evangelie gelooft, hij het nooit meer verachten zal. Laat mij eens de plechtige overtuiging hebben, door de Heilige Geest in mijn hart gewrocht, dat, zo ik niet verlost ben, er een gapende afgrond is, die mij zal verzwelgen; en denkt gij, dat ik zou kunnen rusten; dat ik niet zou sidderen van ontroering? Laat mij eens geloven, dat er voor hen, die in Christus geloven, een hemel bereid is; en denkt gij dat ik mijn ogen slaap, of mijn oogleden sluimering zou geven, tot ik had geweend, daar die hemel mij toebehoort? Ik geloof het niet. Maar het doemwaardig ongeloof verderft de mens, want het wil hem niet laten geloven; en daarom kan hij niet gevoelen, wijl hij niet gelooft. O, mijne vrienden, het is ongeloof, dat de mensen Christus gering doet achten; maar de ure komt, wanneer het ongeloof dat niet zal doen. Er zijn ongelovigen naar de hel gegaan, maar dáár geloven zij. Er zijn velen, die hier op aarde niet geloofd hebben, maar het vuur van de hel is te heet, dan dat zij thans aan het bestaan er van kunnen twijfelen. Het is voor de mens, die “in de pijn is”, moeilijk om aan de wezenlijkheid van die pijn niet te geloven. Het zou voor een mens, die voor de brandende ogen van God staat, moeilijk zijn aan het bestaan van God te twijfelen. O, ongelovigen, bekeert u, of liever, moge de Heere u bekeren van uw ongeloof, want dat is het, hetwelk u Christus gering doet schatten, dit is het dat u het leven ontneemt, en uw zielen verderft.

En wederom een andere groep van mensen hebben dit feestmaal geminacht, omdat zij werelds gezind waren. Zij hadden zo veel te doen! Ik heb gehoord van een rijk koopman, die eens een bezoek kreeg van een godvruchtig christen, die tot hem zeide: “Wel mijnheer, hoe staat het met uw ziel?” “Ziel!” zei de koopman, ik heb geen tijd om voor mijn ziel te zorgen; ik heb genoeg aan de zorgen voor mijn schepen.” Ongeveer een week daarna gebeurde het, dat die koopman tijd had om te sterven, want God nam hem weg. Wij vrezen, dat God tot hem zei: Gij dwaas! In deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, voor wie zal het zijn? Gij, kooplieden van Londen, er zijn velen van u, die veel meer lezen in uw grootboeken dan in uw Bijbels. Wellicht zijt gij hiertoe verplicht, maar gij leest elke dag in uw grootboek; en in uw Bijbel leest gij nooit. Men zegt, dat in Amerika de almachtige dollar wordt aangebeden; ik geloof, dat er in Londen zeer velen zijn, die het almachtige pond sterling aanbidden; zij hebben de grootst mogelijke eerbied voor een almachtige banknoot; dat is de god, die door zeer veel mensen wordt aangebeden. Het boek, dat zij met godsdienstige eerbied in de hand houden, is hun kasboek. Daar ginds is een man, die, terwijl het regende, de gehele Zondagmorgen thuis bleef, en rekeningen schreef; hij dacht, dat zijn meesterknecht het niet wist en nu komt hij vanavond hier, want hij is een vroom man, O! Een buitengewoon vroom man. Hij zou des Zondags de parken willen sluiten; hij zou, omdat hij zo vroom is, geen sterveling op Zondag een weinig frisse lucht laten hebben, maar hij zelf mag wel de halve Zondag in zijn kantoor zitten; en het geen zonde vinden. Maar velen hebben het te druk om aan deze dingen te denken. “Bidden!” zeggen zij, daar heb ik geen tijd voor, ik moet gaan betalen. Wat! In de Bijbel lezen? Neen, dat kan ik niet. Ik heb dit en dat moeten nazien, en de marktprijzen moeten noteren. Ik heb wel tijd om de krant te lezen, maar voor Bijbellezen, neen! Daar heb ik geen tijd voor.” Het zal voor sommigen van u bitter ongelukkig zijn, dat gij het leven korter zult vinden, dan gij het hebt verwacht. Indien gij vanaf heden nog tachtig jaar te leven hadt, gij zoudt wellicht dwaas genoeg zijn er vier en veertig van door te brengen in de zonde. Daar de duur van uw leven echter niet afhangt van u zelf, en gij ieder ogenblik kunt sterven, zou het het toppunt van dwaasheid zijn, om voor niets anders dan het geld en goed van deze wereld te leven, en niet voor de dingen van de eeuwigheid. Wereldsgezindheid is een demon, die menige ziel ten verderve heeft gevoerd. God verhoede het, dat wij omkomen door onze wereldsgezindheid.

Er is nog een andere klasse van mensen, die ik niet anders kan omschrijven, dan door te zeggen, dat zij volkomen gedachteloos zijn. Vraagt gij hun iets omtrent de godsdienst, dan bemerkt gij, dat zij er geen opinie, geen mening over hebben. Zij zullen de godsdienst niet bepaald haten of verachten; ook zullen zij er niet mee spotten; maar zij denken er niet over. Zij zijn voornemens er binnenkort eens over na te gaan denken. Zij leiden een soort van vlinder-leven; zij gaan altijd heen en weer; en zullen nooit voor hen zelf, noch voor anderen iets doen. En dat zijn zeer beminnelijke mensen, die altijd bereid zijn hun beurs te openen als hun voor het een of andere werk van barmhartigheid iets gevraagd wordt. Nooit weigeren zij iets; maar zij zouden hun geld even bereidwillig geven voor het houden van wedrennen, als voor de kerk. Indien ik nu gedwongen was naar de wereld terug te gaan, en mijn karakter mocht kiezen, dan zou de positie die mij het minst begeerlijk zou schijnen, die wezen van een gedachteloos man. Ik geloof, dat van alle mensen, de gedachteloze het meest in gevaar is van om te komen. Ik heb wel eens gaarne een stoutmoedig, rondborstig hater van het Evangelie onder het gehoor van het Woord, want zijn hart is als een keisteen; en als daarop geslagen wordt met de hamer van het Evangelie, dan wordt die keisteen in een ogenblik vergruisd. Maar die gedachteloze mensen hebben een hart van gutta percha – gij slaat hen en zij wijken terug, gij slaat hen nogmaals en wederom wijken zij terug. Zijn zij krank, en bezoekt gij hen, zij zeggen “ja” op alles wat gij aanvoert. Gij spreekt met hen over de noodzakelijkheid van aan de hel te ontkomen en de hemel binnen te gaan, en zij zeggen “ja.”. Gij predikt voor hen na hun herstel, gij herinnert hen aan hun geloften, die zij in hun krankheid hebben gedaan, en zij zeggen: “Zo is het.” En dit herhalen zij bij alles wat gij zegt. Zij zijn altijd hoogst beleefd, maar op uw woord slaan zij geen acht. Als gij met hen begint te spreken over dronkaards; o! Dronkaards zijn zij niet. Zij mogen bij toeval als bij ongeluk eens dronken geweest zijn, maar dat was iets buitengewoons. En zo gaat het met iedere zonde, die gij hun onder het oog brengt; het helpt niet of gij de vinger al op de wond legt, want (naar de mens gesproken) worden zij niet half zo gemakkelijk verbroken als de stoutmoedige hater van het Evangelie. Daar is een zeeman, een matroos, die vloekend en zwerend van zee naar huis komt. Hij treedt een kerk binnen en schier het eerste woord dat hij hoort, wordt door Gods Geest toegepast op zijn hart, zodat het verbroken wordt. Een ander jongmens zegt: “Ik weet alles wat een dominee mij kan zeggen, want mijn eigen moeder heeft mij onderwezen, en mijn grijze vader placht mij voor te lezen uit de Bijbel; en ik ken het alles van buiten. Uit eerbied voor zijn nagedachtenis ga ik naar de kerk. Dat is heel goed voor oude lieden, uitnemend voor oude vrouwen, en voor stervenden; en in tijden van cholera. Voor dezen en voor zulk een tijd is dat alles heel goed, maar op dit ogenblik geef ik er niet om.” Welaan, gij zorgelozen, ik zeg u met hoge, plechtige ernst, dat gij de lijfwacht van de duivel zijt; gij vormt zijn reserve. Hij houdt u altijd terug uit de strijd. Hij zendt u niet uit zoals hij een godslasteraar uitzendt, want hij vreest, dat gij door het een of ander schot getroffen zult worden, waardoor gij verlost en behouden wordt. Maar hij zegt: “Blijft gij hier achteraf staan, en zo gij vooruit moet treden, zal ik u een ondoordringbaar ijzeren harnas geven.” De pijlen glijden op u af. Zij treffen u; maar helaas! geen enkele dringt door tot uw hart, want dat is ergens anders. Als gij in Gods huis komt, en zijn Woord wordt gepredikt, dan slaat gij er geen acht op, omdat het uw gewoonte is omtrent alle dingen gedachteloos daarheen te leven.

Ik moet nog een enkel woord zeggen over een ander geval. Gij kunt het Evangelie geringschatten uit blote vermetelheid. Dezen zijn gelijk de “slechten”, “zij gaan henen door en worden gestraft,” niet gelijk de “kloekzinnige”, die het “kwaad ziet en zich verbergt.” Zij gaan henen door; die stap is veilig – zij doen hem. Hun voet zweeft over een afgrond van duisternis, maar zij willen een stap beproeven; en daar deze veilig is, denken zij nu ook de volgende te doen; en daar de laatste stap veilig was, en daar zij gedurende vele jaren veilig waren, wanen zij altoos veilig te zijn; en daar zij nog niet gestorven zijn, denken zij, dat zij nooit zullen sterven. En zo gaan zij uit loutere vermetelheid voort; en terwijl zij “alle mensen sterfelijk achten, behalve zich zelf,” gaan ze voort met Christus gering te achten. Beeft, gij vermetelen, gij zult niet altijd in staat zijn dit te doen.

Eindelijk, ik vrees, dat velen Christus gering achten vanwege het algemene van het Evangelie. Het wordt overal gepredikt, en daarom slaat gij er geen acht op. Gij kunt het horen aan alle hoeken van de straten; gij kunt het lezen in de Bijbel, die alom verspreid is; omdat het Evangelie zo algemeen is, geeft gij er niet om. Ach! mijn vrienden, indien er slechts één Evangeliedienaar in Londen was, die u de waarheid bekend kon maken; indien er slechts één Bijbel in Londen was, dan geloof ik, dat gij u zoudt haasten om die Bijbel te horen lezen; en de man, aan wie dat werk opgedragen was, zou geen lichte taak hebben. Hij zou van de morgen tot de avond moeten werken om u zijn boodschap mee te delen. Maar omdat gij nu zo vele Bijbels hebt, vergeet gij hem te lezen; omdat gij zo vele traktaatjes in handen krijgt, gebruikt gij ze voor scheurpapier; omdat gij zo vele leerredenen kunt horen, telt gij ze niet. Maar waarom? Acht gij er de zon minder om, wijl zij haar stralen overal uitzendt? Acht gij er het brood minder om, terwijl het de spijs is die God geeft aan al zijn kinderen? Hebt gij een minderwaardig denkbeeld van water, als gij dorstig zijt, omdat elk beekje het u aanbiedt? Neen, indien gij dorstte naar Christus, gij zoudt er Hem des te meer om liefhebben, dat Hij overal verkondigd wordt, maar gij zoudt er Hem niet gering om achten.

 

Zij gaven er geen acht op! Ik vraag nog eens: hoeveel van mijn hoorders zijn er hedenavond, die geen acht geven op Christus. Zeer velen, ongetwijfeld. Ik heb nog één woord van waarschuwing voor u. Zondaar, acht Christus gering, en ik zeg u nogmaals dat het u zal berouwen, als uw stervensuur komt. Gij zult het hard te verantwoorden hebben, als de ijzeren hand van de dood u aangrijpt. Gij zult het hard te verantwoorden hebben, als uw ogen breken, en het doodszweet op uw voorhoofd parelt. Herinner u uw laatste krankheid, herinner u, hoe gij sidderde op uw legerstede, als gij door uw venster de flikkering zaagt van de bliksem en de ratelende donderslagen hoorde. O, zondaar, nog veel heftiger siddering zal u bevangen, als de dood zelf u aangrijnst. Gij zult het hard te verantwoorden hebben, als gij dan geen Christus hebt, bij wie gij kunt schuilen, geen bloed, waarin uw ziel kan worden gewassen. En na de dood komt het oordeel. Gij zult het hard te verantwoorden hebben, als gij Christus hebt veracht; en als Christus-verachter sterft. Ziet deze vliegende engel. Zijn vleugels zijn een vlamme vuurs, en in zijn hand houdt hij een tweesnijdend scherp zwaard. O engel, waarom haast gij u zo in uw vlucht? “Luister,” zegt hij, “deze bazuin zal het u zeggen,” en hij blaast op zijn bazuin, en er komen klanken uit voort vol van wee en ellende. Zie! De doden staan op uit hun graven. De wolkenwagen wordt voortgestuwd door de hand van de cherubim. Zie! Daar zit de koning – de Prins op zijn troon. O engel, wat zal er in die vreselijke dag worden van de mens, die Christus gering heeft geacht? Zie, daar ontbloot hij zijn zwaard. “Dit zwaard,” zegt hij, “zal hem doorsteken. Dit lemmet zal, gelijk een sikkel, elk onkruid van de tarwe wegsnijden; en deze sterke arm zal dat onkruid als een bundel samenbinden om verbrand te worden; en mijn arm zal hem grijpen en slingeren naar de diepte, waar het vuur voor eeuwig brandt.” Dan zult gij het hard te verantwoorden hebben. Gij kunt heden wel heengaan en lachen, maar ik zeg u nogmaals, het zal ontzettend voor u wezen, als Christus komt ten oordeel, en gij Hem gering geacht hebt; of erger nog, als gij voor eeuwig in de kerker van de wanhoop zult zijn opgesloten, daar u de stem in de oren klinkt: “Gaat weg, gij vervloekten,” als gij ooit uw onzettende kreten vermengt met het akelig geween van de verlorenen, en de bodemloze afgrond ziet met zijn muren van vuur. Het zal ontzettend voor u wezen u daar te bevinden en te weten, dat gij daar nooit uit kunt komen. Zondaar, heden avond predik ik u het Evangelie. Hoor het, geloof het, moge God u de genade geven om het aan te nemen; en gij zijt behouden. “Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Maar wie niet zal geloofd hebben,” zegt de Schrift “zal verdoemd worden.” Geloven, dat is te betrouwen op Christus. Gedoopt te worden, dat is in de naam van de Heere Jezus ingedompeld te worden in water, als een belijdenis, dat gij reeds zalig gemaakt zijt, en dat gij Christus lief hebt. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. O mocht gij nimmer de betekenis kennen van dat laatste woord. Amen.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend