24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Waar zijn de negen?

Waar zijn de negen?

“En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stem God verheerlijkende. En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan; en Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? en waar zijn de negen? En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling? En hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.” Lukas 17:15-19

Gij hebt de melaatsheid dikwijls horen beschrijven; het was een zeer verschrikkelijke ziekte, de ergste zou ik denken, waaraan het vlees onderworpen is. Wij dienden veel dankbaarder te zijn dan wij zijn, dat deze huidziekte in ons rijk gezegend land nauwelijks bekend is. Gij hebt er ook wel van gehoord, welk een leerrijk zinnebeeld zij is in het menselijk vlees van wat de zonde is in de menselijke ziel, hoe zij verontreinigt, welk een verwoesting zij teweegbrengt. Ik behoef over dat treurig onderwerp niet uit te weiden. Maar welk een gezicht had de Zaligmaker hier: tien mensen, die melaats waren! Inderdaad, een wereld van ellende! Welke gezichten ziet onze Heere nog elke dag in deze door de zonde besmette wereld ! Niet tien mensen die zondaars zijn; noch zelfs tien miljoen slechts worden er gevonden over de gehele wereld, maar op deze aarde zijn wel duizend miljoen mensen, wier ziel krank is. Het is een wonder van neerbuigende goedheid, dat de Zoon van God Zijn voet in zulk een ziekenhuis wilde zetten.

Merkt evenwel de triomferende genade van onzen Heere Jezus op ten aanzien van de tien melaatsen. Iemand zou zijn fortuin er mee maken, hij zou zijn leven lang met roem en eer gekroond zijn, wanneer hij één melaatse genas; maar onze Heere genas tien melaatsen in een keer. Zulk een volle fontein van genade is Hij, zo vrijelijk bewijst Hij Zijn gunst, dat tot de tien gezegd wordt heen te gaan en zich aan de priesters te vertonen, omdat zij genezen zijn; en op hun weg naar de priesters bevinden zij, dat dit zo is. Niemand van ons kan zich de blijdschap voorstellen, welke zij gevoelden, toen zij bemerkten, dat zij genezen waren. O, het moet een soort van nieuwe geboorte voor hen geweest zijn, daar zij ondervonden, dat hun vlees weer fris was als dat van een klein kind! Het zou niet te verwonderen geweest zijn, indien alle tien teruggesneld waren, zich aan de voeten van Jezus hadden geworpen, en hun stem hadden verheven, in een tienvoudige lofpsalm. Het treurige omtrent de zaak is, dat negen van hen, ofschoon zij genezen waren, hun weg naar de priesters zo koel mogelijk vervolgden: wij horen in het geheel niet meer van hun terugkeer, zij verdwijnen zo maar uit de geschiedenis. Zij hebben een zegen ontvangen, zij gaan huns weegs, en daar is het mee uit.

Slechts één van hen, een Samaritaan, keerde terug om zijn dank te betuigen. De ellende brengt de mensen tot elkaar, en zo hielden de negen melaatsen van het zaad van Israël zich op met een uitgeworpen Samaritaan; en deze, het was wel zonderling, was de enige, die, door een plotselinge aandrift van dankbaarheid aangegrepen, zich op weg begaf naar zijn Weldoener, aan Diens voeten neerviel, en God begon te verheerlijken.

Als gij in de wereld om u heen blikt; zult gij onder al de uitgezochte specerijen dat kruid, hetwelk de naam van dankbaarheid draagt, maar zelden aantreffen. Het behoorde even algemeen voor te komen als de dauwdroppen, die des morgens aan de hagen hangen; maar helaas ! De wereld is droog van dankbaarheid jegens God. Dankbaarheid jegens Christus was in Zijn dagen schaars genoeg, Ik had bijna gezegd: het was tien tegen één, dat niemand Hem ging prijzen; maar ik moet dat een weinig veranderen en zeggen: het was negen tegen één. Eén dag van de zeven is voor de dienst van de Heere; en maar één mens van de tien is tot Zijn lof genegen. Ons onderwerp is: dankbaarheid jegens de Heere Jezus Christus.

I.

Ik begin met het punt, hetwelk ik reeds heb aangeroerd, namelijk, HET ZELDZAME VAN DE DANKBAARHEID.

Merkt dienaangaande op: er zijn er meer, die weldaden ontvangen, dan er ooit lof voor toebrengen. Negen personen genezen, één persoon God verheerlijkende; negen personen genezen van de melaatsheid, let daar wel op, en slechts één persoon aan Jezus’ voeten neerknielende en Hem daarvoor dankende ! Indien voor deze buitengewoon grote weldaad, welke de stemmen bijna aan het zingen zou kunnen brengen, de mensen de Heere slechts dank toebrengen in verhouding van één tot negen, wat zullen wij dan zeggen van wat wij noemen Gods gewone goedertierenheden – gewoon alleen, omdat Hij er zo mild mee is, want ieder daarvan is van onschatbare waarde? Het leven, de gezondheid, het gezicht van de ogen, het gehoor van de oren, de liefde in het huisgezin, de banden van de vriendschap – het is mij niet mogelijk een lijst op te maken van de weldaden, die wij iedere dag ontvangen; en is er nog wel één van de negen, die God daarvoor de lof doen toekomen? Een koud “Goddank!” is menigmaal alles wat men te horen krijgt. Anderen onder ons loven Hem werkelijk voor deze weldaden, maar welk een armzalige lof! Dr. Watt’s uitspraak is, treurig genoeg, maar al te waar:

Hosanna klinkt er uit de mond,

Maar ‘t hart is niet daarbij.

Wij loven de Heere niet zoals het behoort, niet naar verhouding, niet met een warm en innig gevoel. Wij ontvangen een vasteland van goedertierenheden, en zenden slechts een eiland van lofzegging terug. Hij geeft ons zegeningen, die iedere morgen nieuw en iedere avond vers zijn; Zijn trouw is groot; en toch laten wij de jaren voortrollen, en nemen zelden een dag van lofzegging waar. Treurig is het God te zien, niets dan goedheid, en de mens niets dan ondankbaarheid! De stam, die weldaden ontvangt, kan zeggen: “Mijn naam is legio;” maar degenen, die God loven, vormen zulk een klein getal, dat een kind ze zou kunnen opschrijven.

Maar er is iets nog opmerkelijker dan dit: het getal van hen, die bidden, is groter dan het getal van hen, die lofzingen. Want deze tien melaatsen baden allen. Zwak en nietig als hun stem door de kwaal was geworden, verhieven zij ze nochtans in het gebed, en verenigden zij zich in het geroep: “Jezus, Meester, ontferm U onzer!” Zij stemden allen in met de bede: “Heere, ontferm U over ons! O Christus, wees ons genadig!” Maar toen zij aan de lofzang toekwamen, aan het grootmaken en verheerlijken van God, was er maar één onder hen, die zijn stem liet horen. Men zou gedacht hebben, dat allen, die baden, ook hun lofzangen zouden opzenden; maar dat is niet zo. Er zijn gevallen geweest, dat de ganse bemanning van een schip in een tijd van nood gebeden heeft, en nochtans niemand van die bemanning de lof van God heeft gezongen, toen de storm bedaard was. Ontelbaar velen van onze medeburgers bidden, wanneer zij ziek en nabij de dood gekomen zijn; maar wanneer zij weer beter worden, worden hun lofzangen krank tot stervens toe. De engel der genade, aan hun deur luisterende, heeft geen gezang van de liefde, geen lied van de dankbaarheid gehoord. Helaas! Het is een maar al te treurige waarheid, dat er meer bidden dan lofzingen.

Ik giet dit in een anderen vorm voor u, die het volk Gods zijt; de meesten van ons bidden meer dan dat wij lofzingen. Gij bidt zeker genoeg, denk ik; maar de lof, waar is die? Aan onze huisaltaren bidden wij altijd; maar zelden wordt de toon van de lof gehoord. In onze binnenkamers bidden wij voortdurend; maar wordt er ook menigmaal een lofzang opgezonden? Het gebed is niet zulk een hemelse oefening als de lofzang; het gebed is voor de tijd, maar de lofzang is voor de eeuwigheid. De lofzang verdient daarom de eerste en hoogste plaats, niet waar? Laat ons hier beginnen met de werkzaamheid, welke de hemelbewoners bezighoudt. Het gebed is voor een bedelaar; maar mij dunkt, het is een ellendige bedelaar, die nimmer een woord van lof en dank spreekt, wanneer hij een aalmoes ontvangt. De lof behoort van nature het gebed op de hielen te volgen, en zelfs, wanneer het geen volgen is, door de goddelijke genade, er aan vooraf te gaan. Indien gij in droefenis terneer zit, indien gij geld verliest, indien gij in armoede vervalt, indien uw kind ziek is, indien de kastijding u in allerlei vormen bezoekt, begint gij te bidden, en dat keur ik niet in u af; maar moet het al bidden en geen loven zijn? Moet ons leven zoveel zout en zo weinig zoet in zich bevatten? Moeten wij voor ons zelf zo dikwijls een teug ontvangen uit de rots van de zegeningen, en zelden een drankoffer uitgieten voor de allerhoogste God? Komt, laat ons onszelf bestraffen, waar wij erkennen, dat wij zoveel meer gebed dan lof opzenden!

Laat mij, omtrent ditzelfde punt, nog de opmerking maken, dat er meer gehoorzamen ten aanzien van het uitwendige dan er ooit Christus loven. Toen Jezus zei: “Gaat heen, en vertoont u zelf aan de priester,” gingen zij heen, alle tien; niet één bleef achter. Doch slechts één kwam terug om een persoonlijke Zaligmaker te aanschouwen, en Zijn naam te prijzen. Zo gaat het heden ten dage: gij gaat naar de kerk, gij woont de samenkomsten bij, gij leest een boek, gij verricht uitwendig godsdienstige handelingen; maar hoe weinig wordt het loven van God gezien, het liggen aan Zijn voeten; hoe weinig zijn wij doordrongen van een gevoel van dankbaarheid, zodat wij zonder ophouden zouden kunnen zingen tot eer van Hem, Die zulke grote dingen voor ons gedaan heeft! Uitwendig godsdienstige handelingen zijn gemakkelijk genoeg, en ook algemeen genoeg; maar het inwendige, de uitstorting van het hart in dankbare liefde, hoe schaars wordt dat gevonden! Negen gehoorzamen naar het uitwendige, waar slechts één de Heere looft.

Nog merk ik op, en dat betreft ons nog meer persoonlijk: er zijn er meer, die geloven, dan er zijn, die lofzingen; want deze tien mannen geloofden, maar slechts één loofde de Heere Jezus. Hun geloof betrof de melaatsheid; en naar hun geloof, alzo geschiedde hun. Dit geloof, ofschoon het slechts betrekking had op hun melaatsheid, was nochtans een zeer wonderlijk geloof. Het is wel opmerkelijk, dat zij de Heere Jezus geloofden; ofschoon Hij niet eens zei: “Wordt genezen,” zelfs geen woord van die strekking tot hun sprak, maar eenvoudig dit: Gaat heen, en vertoont u zelf aan de priester.” Met een opgedroogde huid en de dood als het ware in de ledematen, gingen zij er moedig van door in het vertrouwen, dat het de bedoeling van Jezus moest zijn hen te zegenen. Het was een bewonderenswaardig geloof: en toch kwam niet één van de negen, die aldus geloofden, terug om Christus voor het ontvangen gunstbewijs te loven. Ik ben bevreesd, dat er veel geloof is, beter geloof dan het hunne, hetwelk betrekking heeft op geestelijke dingen, dat nog moet opbloeien in praktische dankbaarheid. Misschien bloeit het laat in het jaar, gelijk sommige bloemen; maar het heeft gewis niet gebloeid in de voorjaarstijd, gelijk de sleutelbloem en het madeliefje. Het is een geloof, hetwelk weinig bloesems van lof draagt. Ik bestraf mij zelf somtijds, dat ik met God in den gebede heb geworsteld gelijk Elia op de Karmel, maar de naam van de Heere niet heb grootgemaakt gelijk Maria van Nazareth. Wij roemen en prijzen onze Heere niet in verhouding tot de ontvangen weldaden. Gods schatkist zou overvloeien, indien de inkomsten van de dank eerlijker inkwamen. Het zou niet nodig zijn voor de zending te pleiten en het volk Gods tot zelfverloochening aan te sporen, indien er een dankbaarheid betoond werd alleen maar in verhouding tot ons geloof. Ons geloof strekt zich uit tot de hemel en de eeuwigheid; en toch maken wij God niet groot zoals het behoort voor de aarde en de tijd. Het is het waarachtige geloof, dat vertrouw ik – het staat niet aan mij het te beoordelen; maar het is gebrekkig in de uitkomst. Het geloof was alleen waarachtig bij deze melaatsen voor zover het hun melaatsheid betrof: zij geloofden niet in de godheid van onze Heere, zij geloofden ook niet tot het eeuwige leven. Zo is het ook onder ons: er zijn mensen die weldaden van Christus ontvangen, die zelfs zalig hopen te worden; maar ze prijzen Hem niet. Hun leven wordt doorgebracht in het onderzoeken van hun huid om te zien of hun melaatsheid verdwenen is. Hun godsdienstig leven openbaart zich in een voortdurend onderzoeken van zich zelf om te zien of zij werkelijk genezen zijn. Het is een armzalige manier van doen om daar zijn krachten aan te verspillen. Deze man wist, dat hij genezen was; hij had volle verzekerdheid op dat punt; en de eerste aandrang van zijn geest was, zich terug te spoeden tot waar Hij stond, Die zijn glorierijke Geneesmeester was geweest, aan Zijn voeten neer te vallen, en Hem met luider stem, God verheerlijkende, te prijzen. O dat al mijn schroomvallige, twijfelzieke hoorders hetzelfde mogen doen!

Ik heb, naar ik meen, nu genoeg gezegd aangaande de schaarsheid van lof en dank. Laat ons nog eenmaal de punten noemen. Meer ontvangen weldaden dan God er voor prijzen; meer bidden dan loven; meer gehoorzaam naar het uitwendige dan dat zij God prijzen met het hart; en meer geloven, en ontvangen weldaden door het geloof, dan er op de rechte wijze de Gever van die weldaden prijzen.

II.

Ik heb zeer veel te zeggen, en weinig tijd, die ik daaraan wijden kan; laat ons daarom kortelijks DE KARAKTERTREKKEN VAN DE WARE DANKBAARHE[D opmerken. De eenvoudige handeling van deze man moge het karakter van de lof vertonen. Deze neemt bij iedereen niet dezelfde vorm aan. De liefde tot Christus, gelijk levende bloemen, openbaart zich onder verschillende vormen; slechts kunstbloemen zijn allen aan elkaar gelijk. De levende lof wordt gekenmerkt door het persoonlijke. Deze man was één van de tien; toen hij nog melaats was; hij was geheel alleen, toen hij weerkeerde om God te verheerlijken. Gij kunt zondigen in gezelschap, gij kunt ter helle varen in gezelschap; maar wanneer gij de zaligheid verkrijgt, zult gij geheel alleen tot Jezus komen; en wanneer gij behouden zijt, zo zult gij, ofschoon gij er behagen in schept God met anderen te prijzen, indien zij met u willen instemmen; nochtans, indien zij dit niet doen, er vermaak in vinden om een solo van dankbaarheid te zingen. Deze man verlaat het gezelschap van de andere negen, en komt tot Jezus. Indien Christus u gered heeft en uw hart recht is, zult gij zeggen: “Ik moet Hem prijzen; ik moet Hem liefhebben.” Gij zult niet teruggehouden worden door de kille staat van negen van de tien van uw oude makkers, noch door de wereldsgezindheid van uw familieleden, noch ook door het kille van de kerk. Uw persoonlijke liefde tot Jezus zal u doen spreken, al zouden ook hemel, en aarde, en zee, in stilzwijgen verzonken zijn.

Gij hebt een hart -brandende van aanbiddende liefde, en gij bezit een gevoel alsof het het enige hart onder de hemel was, dat liefde tot Christus heeft; en daarom moet gij voedsel geven aan de hemelse vlam. Gij moet aan zijn begeerten toegeven, gij moet zijn verlangen uitdrukken; het vuur is in uw beenderen, en gij moet lucht hebben. Welaan dan, broeders in Christus, laat ons, dewijl het persoonlijke in de ware lof tot zijn recht moet komen, ieder op zijn wijze God verheerlijken!

Dat ieder zich in U verblijdt,
En U zijn Koning noem,
Dat elk Uw lof en eer verbreid,
Uw grote deugden roem.

De volgende karaktertrek van de dankbaarheid van deze man was het haastige. Hij was bijna onmiddellijk bij Christus terug; want ik kan niet veronderstellen, dat de Zaligmaker die dag uren achtereen aan de poort van het vlek vertoefde. Hij had het te druk om lang op één plek te zijn: de Meester ging het land door goed doende. De man was spoedig terug; en wanneer gij gered zijt, hoe spoediger gij dan uw dankbaarheid kunt uiten, hoe beter. Zich nog eens goed bedenken, is een beste zaak, wordt er gezegd; maar dit is niet het geval, wanneer het hart vol is van liefde tot Christus. Brengt uw eerste gedachten ten uitvoer; wacht niet op de volgende, tenzij dan dat uw hart zodanig door een hemels gevoel van overgevendheid wordt aangegrepen, dat de volgende gedachten de eerste verslinden. Gaat terstond en prijst de Zaligmaker. Welke grote plannen hebben sommigen van u voor de toekomst gevormd ten aanzien van de dienst van God! En welke geringe uitkomsten zijn er op gevolgd! Het is beter vandaag één steen te leggen, dan zich voor te stellen het volgend jaar een paleis te bouwen! Maakt de Heere groot in het heden voor de zaligheid, die heden uw deel is. Waarom zouden uw lofzangen gelijk zijn aan aloë’s, welke een eeuw nodig hebben om te bloeien? Waarom zou de lof aan de deur blijven staan wachten, al was het dan maar voor één nacht? Het manna kwam vers in de morgenstond; laat alzo uw lof in deze tijd opstijgen. Het looft dubbel, die terstond zijn lof opzendt; maar hij, die niet terstond zijn lof opzendt, looft nooit.

De volgende hoedanigheid van de lof van deze man was het geestelijke. Wij bemerken dit uit het feit, dat hij terugkeerde op zijn weg naar de priesters. Het was zijn plicht naar de priesters te gaan; hij had het bevel ontvangen om dit te doen; maar er is een evenredigheid in alle dingen, en sommige plichten zijn gewichtiger dan andere. Hij dacht bij zich zelf: lk heb het bevel ontvangen om tot de priesters te gaan; maar ik ben genezen, en deze nieuwe omstandigheid heeft invloed gehad op de volgorde van mijn plichten: het eerste wat ik dien te doen is, terug te gaan, getuigenis te geven voor het volk, God te midden van al die mensen te verheerlijken en aan Christus’ voeten neer te vallen. Het is goed de heilige wet der evenredigheid in acht te nemen. Vleselijk gezinde gemoederen nemen de plicht, die betrekking heeft op de uitwendige vorm, het eerst; datgene, hetwelk uitwendig is; legt bij hen meer gewicht in de schaal dan wat geestelijk is. Maar de liefde bemerkt spoedig, dat het wezen kostelijker is dan de schaduw, en dat het neerbuigen aan de voeten van de grote Hogepriester een plicht van meer gewicht moet zijn dan het gaan naar de mindere priesters. Zo ging dan de genezen melaatse het eerst tot Jezus. In hem had het geestelijke de overhand boven het ceremoniële. Hij gevoelde, dat het zijn voornaamste plicht was persoonlijk de goddelijke Persoon te aanbidden, Die hem van zijn huidziekte verlost had. Laat ons het eerst tot Jezus gaan. Laat ons in de geest ons voor Hem buigen. O ja! Komt tot onze vergaderplaatsen, neemt geregeld de diensten mede waar; als gij de Heere liefhebt, zult gij nog iets anders begeren; gij zult er naar verlangen om naar Jezus zelf te gaan en Hem te zeggen hoezeer gij Hem liefhebt. Gij zult er naar uitzien om alleen iets voor Hem te doen, waardoor gij de dankbaarheid van uw hart jegens de Christus Gods kunt betonen.

De ware dankbaarheid openbaart zich ook in het innige. Innigheid is in dit geval merkbaar: hij keerde terug en verheerlijkte God met een luide stem. Hij had op een meer kalme wijze zijn lof kunnen uitbrengen, niet waar? Ja, maar wanneer gij pas van de melaatsheid genezen zijt en uw eens zo zwakke stem u is hergeven, kunt gij uw lof niet fluisterend doen horen. Broeders, gij weet dat het onmogelijk zou zijn koel en afgemeten te wezen, wanneer gij pas behouden zijt. Deze man verheerlijkte God met luider stem; en ook gij voelt u genoopt uit te roepen:

‘k Mocht blijde zingen tot mijn stem
Door aardí en hemel klonk.

Sommige van onze bekeerlingen zijn bij tijden zeer luidruchtig, zij worden buitensporig. Valt hen niet hard. Waarom hen niet hun gang laten gaan? Het zal u geen schade toebrengen. Wij zijn allen zo bijzonder netjes en ordelijk, dat het wel lijden kan zo er nu en dan iemand onder ons eens wat buitensporig is. O, mocht God meer van die soort zenden- om de kerk op te wekken, opdat ook wij allen mochten beginnen met hart en stem, met ziel en zinnen, uit alle macht God te prijzen! Halleluja! Mijn hart gevoelt de aandrift.

In de ware dankbaarheid valt ook het nederige op te merken. Deze man viel neer aan Jezus’ voeten: hij gevoelde zich niet volkomen op zijn plaats, voordat hij daar lag. “Ik ben niemand, Heere,” scheen hij te zeggen, en daarom viel hij op zijn aangezicht. Maar de plaats waar hij neerlag was aan Jezus’ voeten. Ik zou liever niemand willen zijn aan de voeten van Christus dan iemand ergens elders! Er is geen plaats zo eervol als onder aan de voeten van Jezus. Welk een genieting, daar steeds te liggen, Hem geheel en al lief te hebben, het eigen ik te laten sterven, waarbij dan Christus boven u staat als de enige figuur, die uw leven overschaduwt van nu aan tot in eeuwigheid! De ware dankbaarheid ligt laag voor de Heere.

Laat ons daarbij ook nog letten op het verheerlijkende. Hij viel neer aan Jezus’ voeten, God verheerlijkende en Hem de dank toebrengende. Laat ons onze Zaligmaker verheerlijken. Laat anderen denken omtrent Jezus zoals zij willen, maar wij willen onze vinger leggen in het teken van de nagelen en zeggen: “Mijn Heere en mijn God!” Indien er een God is, is Hij God in Christus Jezus voor ons. Wij zullen nooit ophouden Hem te aanbidden, Die Zijn Godheid heeft bewezen door ons van de melaatsheid van de zonde te bevrijden. Alle eer en heerlijkheid zij Zijn verheven majesteit!

Nog één zaak omtrent deze man wens ik op te merken ten aanzien van zijn dankbaarheid, en die is, zijn stilzwijgen waar het betreft het bestraffen van anderen. Toen de Zaligmaker zei: “Waar zijn de negen?” merk ik op, dat deze man niet antwoordde. De Meester zei: “Waar zijn de negen? zijn er geen gevonden die wederkeren, om God eer te geven, dan deze vreemdeling?” Maar de aanbiddende vreemdeling stond niet op om te zeggen: “0 Heere, zij zijn allen heengegaan naar de priesters; ik verwonder mij over hen, dat zij niet weergekeerd zijn om U te loven.” O broeders, wij hebben genoeg te doen om ons met onze eigen zaken te bemoeien, wanneer wij de genade van God in ons eigen hart gevoelen! Als ik slechts mijn werk in het toebrengen van lof en dank kan volbrengen, zal ik geen lust hebben om sommigen van u, die ondankbaar zijn, te beschuldigen. De Meester zegt: “Waar zijn de negen?” maar de arme genezen man aan Zijn voeten heeft geen woord in te brengen tegen dat wrede negental; hij is te zeer bezet met zijn persoonlijke aanbidding.

III.

Ik ben nog niet half ten einde, en toch kunt gij met geen mogelijkheid langer blijven dan het vastgestelde sluitingsuur; daarom moet ik de stof voor mijn derde deel zo kort samenvatten als mij maar mogelijk is – laat ons dan HET GEZEGENDE VAN DE DANKBAARHEID beschouwen. Deze man werd in veel groter mate gezegend dan de negen. Zij werden genezen, maar zij werden niet gezegend zoals hij. Er ligt een grote zegen in de dankbaarheid.

In de eerste plaats, omdat zij onbetamelijk is. Zou Christus niet geprezen worden? Deze man deed wat hij kon; en er ontstaat altijd een verlichting van de consciëntie en een rust van het gemoed, wanneer men gevoelt, dat men in een rechte zaak gedaan heeft wat men kon, al schiet men dan ook veel te kort in zijn verwachting of begeerte. Maakt dan, mijn broederen, op dit oogenblik de Heere groot.

Komt, laat ons zingen God ter eer,
Hem roemen te aller tijd,
Geloofd zij aller heren Heer,
Nu en in eeuwigheid.

Stemt in, stemt in met blijde klank,
Wij hebben rijke stof;
Drie-enig God, U zij de dank,
De eer, de prijs, de lof.

Verder ligt er deze zegen in de dankbaarheid, dat zij een openbaring is van persoonlijke liefde. Ik heb de leerstukken van de genade lief, ik heb de kerk van God lief, ik heb de sabbat lief, ik heb de ordinantiën lief; maar ik heb de meeste liefde tot Jezus. Mijn hart komt nooit tot rust, voordat ik God persoonlijk kan verheerlijken en de Christus persoonlijk dank kan toebrengen. Het toegeven aan de persoonlijke liefde tot Christus is een van de zoetste genietingen onder de hemel; en gij kunt aan die persoonlijke liefde niet beter toegeven dan door persoonlijke dankbaarheid met mond en hart, met woorden en met daden.

Er ligt nog een andere zegen in de dankbaarheid: dat zij scherp en helder doet zien. Het dankbare oog ziet ver en diep. De man, die van melaatsheid genezen was, bracht Jezus zijn dank toe, voor hij verder ging met God te verheerlijken. Indien hij Jezus gedankt had en het daarbij gebleven was, zou ik zeggen, dat zijn ogen niet goed geopend waren geweest; maar toen hij God in Christus zag, en daarom God verheerlijkte, voor wat Christus gedaan had, toonde hij een diep inzicht in de geestelijke waarheid. Hij was de mysteries begonnen te ontdekken van de goddelijke en menselijke persoon van de gezegende Heere. Wij leren veel door het gebed. Was het Luther niet, die zei: “Goed te hebben gebeden is goed te hebben gestudeerd?” Ik waag het, iets soortgelijks toe te voegen aan hetgeen Luther zo op de snede gezegd heeft: “Goed te hebben gedankt is beter te hebben gestudeerd.” De lof is een grote onderrichter. Gebed en lofzegging zijn de riemen, waardoor een mens zijn boot in de diepe wateren van de kennis van Christus kan roeien.

Een andere zegen omtrent de lof is, dat hij Christus welbehaaglijk is. De Heere Jezus was klaarblijkelijk aangenaam aangedaan; Hij was geërgerd, wanneer Hij er aan dacht, dat de andere negen niet terugkwamen; maar Hij was verheugd over deze ene man, dat die wel weerkeerde. De vraag: “Waar zijn de negen?” sluit een aanprijzing van de ene in zich. Wat Christus aangenaam is, moet zorgvuldig door ons worden aangekweekt. Indien de lof Hem welgevallig is, laat ons dan voortdurend Zijn naam grootmaken. Het gebed is de strohalm van het tarwegraan, maar de lof is de aar. Jezus ziet gaarne de halm opgroeien, maar Hij houdt er nog meer van de gouden aren te plukken, wanneer de oogst van de lof rijp is.

Merkt in de volgende plaats op, dat het gezegende van de dankbaarheid is, dat zij de grootste zegen ontvangt; want de Zaligmaker zei tot deze man, wat Hij niet tot de anderen gezegd had; “Uw geloof heeft u behouden.” Indien gij het hogere leven wilt genieten, moet gij veel bezig zijn in het loven van God. Sommigen van u zijn nog in de laagste staat, evenals deze man, want hij was een Samaritaan; maar door het loven van God steeg hij op, totdat hij een zanger werd eerder dan een vreemdeling. Hoe dikwijls heb ik opgemerkt, hoe de grootste zondaar de grootste lofzanger wordt! Degenen, die het verst af waren van Christus, en de hoop en de reinheid gevoelen, wanneer zij behouden worden, dat zij de meeste reden tot dank hebben, en daarom hebben zij het meest lief. Moge het de eerzucht dan een iegelijk van ons zijn, zelfs al waren wij oorspronkelijk niet onder de snoodsten van de snoden, toch te gevoelen, dat wij Jezus het meest verschuldigd zijn, en dat wij Hem daarom het meest willen prijzen. Aldus zullen wij de rijkste zegeningen uit zijn handen ontvangen.

Ik heb nog drie zaken op te merken. Laat ons uit dit alles leren, aan de lof een hoge plaats toe te kennen. Laat ons samenkomsten houden om uiting te geven aan onze lof. Laat ons het als een even grote zonde beschouwen, de lof achterwege te houden als het gebed na te laten.

In de tweede plaats, laat ons onze lof toebrengen aan Christus zelf Hetzij wij tot de priesters gaan of niet, laat ons tot Hem gaan. Laat ons Hem persoonlijk en met kracht loven. Persoonlijke lof aan een persoonlijke Zaligmaker moet het doel van ons leven zijn.

Tenslotte, als wij voor Jezus werken, en wij zien bekeerden, die zich niet zodanig gedragen als wij wel zouden verwacht hebben, laat ons daarom niet terneergeslagen zijn. Indien anderen onze Heere niet loven, laat ons dat een reden tot droefheid, maar niet tot teleurstelling zijn. De Zaligmaker moest zeggen: “Waar zijn de negen?” Tien melaatsen werden genezen, maar slechts één loofde Hem. Wij hebben vele bekeerlingen, die zich niet bij de kerk voegen; er zijn tal van personen, die bekeerd zijn en niet tot de doop of tot des Heeren avondmaal komen. Tal van mensen ontvangen een zegen, maar gevoelen geen liefde genoeg om het te erkennen. Degenen onder ons, die er op uit zijn om zielen te winnen, blijven van loon verstoken door de lafhartige geesten, die hun geloof verborgen houden. Ik dank God, dat er in de laatste tijd velen geweest zijn, die hun bekering hebben geopenbaard; maar als de andere negen wilden komen, zouden wij wel negen zulke kerkgebouwen nodig hebben. Helaas, die velen, die teruggegaan zijn na hun geloof te hebben beleden! Waar zijn de negen?

Gij alzo, die samenkomsten houdt in de geringe buurten; gij, die met traktaatjes rondgaat; gij doet meer goed dan u ooit ter ore zal komen. Gij weet niet waar de negen zijn; maar al zoudt gij dan ook maar voor één uit de tien tot een zegen zijn, zo zult gij nog reden hebben om God te danken.

“Ach,” zegt er iemand, “ik heb zo weinig zegen op mijn werk gehad: er is maar één ziel gered!” Dat is meer dan gij verdient. Als ik een gehele week viste, en maar één vis ving, zou ik dat wel treurig vinden; maar als dat nu eens een steur was, een royale vis, zou ik gevoelen, dat de hoedanigheid goedmaakte wat er aan de hoeveelheid ontbrak. Wanneer gij een ziel wint, is dat een grote prijs. Één ziel tot Christus gebracht – kunt gij de waarde daarvan schatten? Indien er één behouden is, moet gij dankbaar jegens uw Heere zijn en volhouden. Ofschoon gij gaarne meer bekeringen zou zien, zo zult gij niet wanhopen zolang er dan maar weinigen behouden worden; en bovenal, gij zult niet verstoord zijn, als sommigen van hen u niet persoonlijk bedanken, nog in kerkelijke gemeenschap met u gaan leven. De ondankbaarheid is een gewone zaak tegenover hen, die zielen winnen. Hoe vaak heeft een leraar in zijn vroegere jaren zondaars tot Christus gebracht en de kudde geweid; maar nu de oude man zwak wordt, verlangt men er naar om van hem af te komen, en wil men gaarne eens de proef nemen met een nieuwe bezem of die ook schoner veegt. “Die arme oude heer, hij staat geheel en al buiten zijn tijd,” wordt er gezegd, en zo maken zij, dat zij hem kwijtraken evenals de Zigeuners een oud paard op de weide gooien om daar zijn leven te rekken of van honger om te komen, dat moet het dier zelf maar weten. Indien iemand dankbaarheid verwacht, zou ik hem willen herinneren aan de woorden: “Zalig zijn zij die niets verwachten, want zij zullen niet teleurgesteld worden. Zelfs onze Meester ontving geen lof van de negen: verwondert u daarom niet, als gij anderen zegent, en anderen u niet zegenen. O, dat de een of andere arme ziel hedenavond tot Christus mocht komen, de een of andere melaatse, om genezen te worden van de krankheid van zijn zonde! Indien hij genezing vindt, laat hem te voorschijn komen, en met luider stem de Heere grootmaken, die zo genadig met hem gehandeld heeft. AMEN.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend