24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Klein geloof en groot geloof

Klein geloof en groot geloof

“Gij kleingelovige! Waarom hebt gij gewankeld?” Mattheus 14:31

“O vrouw! Groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt.” Mattheus 15:28

Tussen de allerlaagste trap van het geloof en een staat van ongeloof gaapt een wijde kloof. Een onmetelijke afgrond bevindt zich tussen de man, die ook maar het geringste geloof in Christus bezit, en de man, die dit in het geheel niet deelachtig is. De een is een levende, schoon zwak; de andere is dood in de zonden en misdaden; de een is een gerechtvaardigde, de andere is alreeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God. De zwakste gelovige is op de weg naar de hemel; de andere die geen geloof bezit, spoedt zich voorwaarts langs een hellend vlak, en zijn deel zal ten laatste zijn met de ongelovigen; een verschrikkelijk deel inderdaad.

Alhoewel wij dus van de gelovigen spreken als allen tot één gezelschap behorende, zo bestaat er toch een grote afstand tussen zwak geloof en sterk geloof. Gode zij dank, het is een afstand op de enige veilige weg: de heirweg van de grote Koning. Geen kloof scheidt klein geloof van groot geloof; integendeel, klein geloof heeft slechts de koninklijke weg verder te vervolgen, en het zal zijn sterkere broeder inhalen, en zelf sterk worden in de Heere en in de sterkte van Zijn macht. Ik wens sommigen van de meer trage reizigers op de geheiligde weg op te wekken en aan te vuren. Het zal mijn streven zijn om de twijfelingen neer te vellen en het geloof te verlevendigen. Het is mij er deze morgen om te doen de kleinmoedigen, de vreesachtigen, de wanhopigen, en de gehele menigte van de kleinen in het geloof, hoop en moed te doen vatten en op te merken, dat zij nog niet alles hebben genoten, wat de Heere voor hen bereid heeft. Ofschoon een klein geloof de zaligheid met zich brengt, is er meer geloof te verkrijgen: het geloof, hetwelk versterkt, verblijdt, tot eer strekt en tot nut doet zijn is een zeer begeerlijke genadegave. Er staat geschreven: “Hij geeft meerdere genade,” en derhalve heeft God meer voor ons in gereedheid. Klein geloof kan buitengewoon toenemen, totdat het rijpt tot de volle zekerheid met al haar zoetheid en tederheid.

Er zijn drie dingen, waarop ik de aandacht zal vestigen. In de eerste plaats op klein geloof zachtjes berispt: “Gij kleingelovige! Waarom hebt gij gewankeld?” In de tweede plaats op klein geloof teer aanbevolen; want het is geen gering gunstbewijs geloof te bezitten, al moet het dan ook klein genoemd worden. En in de derde plaats zal ik besluiten met te spreken over groot geloof als veel meer aan te bevelen. In deze laatste zaak zal ik handelen over de genadige woorden van onze Heere: “O vrouw! Groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt.”

Het is merkwaardig, dat de voorvallen, waarvan in het veertiende en het vijftiende hoofdstuk van het evangelie van Mattheüs melding gemaakt wordt, zo dicht bij elkaar komen, wanneer wij in aanmerking nemen, dat daarin klein geloof en groot geloof wordt voorgesteld. Wij willen aannemen, dat het verhaal van Petrus en dat van de Kananese vrouw u helder voor de geest staat. Mocht de Geest van God bij de overdenking daarvan uw hart openen, opdat gij het woord, dat wij u zullen prediken, op de rechte wijze mocht verstaan!

I.

Laat ons dan in de eerste plaats letten op KLEIN GELOOF ZACHTJES BERISPT.

Wat zal ik daarvan, om een begin te maken, anders zeggen dan dit: dat het menigmaal gevonden wordt waar wij groter dingen zouden verwachten. De man, die hier om zijn klein geloof berispt wordt, is Petrus. Petrus, aan wie de Heere een zeer duidelijke kennis van Hem zelf had meegedeeld; Petrus, de voorman onder de twaalven; Petrus, in later dagen de grote prediker op het Pinksterfeest; Petrus, die door sommigen verheven is tot hoofd en overste van de apostolische kerk, ofschoon hij op een dergelijke rang geen aanspraak maakte. Petrus is dit, een echt stuk steen van de rots, die tot grondslag diende. Petrus, aan wie de Meester de sleutels overgaf, en aan wie Hij de opdracht verstrekte: “Hoed Mijn lammeren,” en “weid Mijn schapen.” Het is Petrus, tot wie Jezus zegt: “Gij kleingelovige!” En, waarde broeder of zuster, kan het niet waar zijn, dat gij grote genade verkregen, hoge voorrechten genoten, een genadige bescherming ontvangen hebt, en in uitnemende mate door de gemeenschap met Christus, zeer innig en zeer dierbaar, begunstigd zijt? Gij behoort dus wel sterk te zijn in het geloof. En toch zijt gij het niet. Gij zult spoedig thuis zijn; uw grijze haren hebben reeds de zilverkleur van het licht van het land van Immanuël; gij kunt bijna het gezang horen van de heiligen aan de overzijde van de smalle stroom. Op uw leeftijd, zolang door God onderwezen, zo diep ervaren in de zaken van Christus, moest gij vaders zijn in het geloof, terwijl gij nog kinderen zijt; gij moest moeders in Israël zijn, en gij zijt nog maar zuigelingen. Is het niet zo! Waarom is dit treurige feit te loochenen? Salomo sprak van de ceder op de Libanon en van de hysop aan de wand; doch ik heb maar al te dikwijls een hysop op de Libanon gezien. En soms heb ik ook wel eens een ceder gezien aan de wand Ik bedoel dit, dat ik wel eens grote genade gezien heb, waar niets aanwezig scheen te zijn om haar tot steun te dienen. En ook heb ik wel eens weinig genade gezien, waar alles er op scheen aangelegd om haar groei te bevorderen. Deze dingen behoorden niet zo te zijn. Gij en ik, die nu geen kinderen meer zijn; gij en ik, die nu geen vreemdelingen meer zijn voor onze Heere, want de Koning heeft ons dikwijls in het wijnhuis gebracht, en Zijn banier over ons was liefde; wij behoren ons te schamen, als wij nog hebben te klagen over ons klein geloof. Het is een zwakheid, waarop wij ons niet kunnen beroemen, want het ongeloof is in hoge mate zondig. Wel mocht de Meester de vinger opheffen tegen sommigen, die hier deze morgen op de kerkbanken neerzitten, en één voor één tot ons zeggen: “O gij kleingelovige! Waarom hebt gij gewankeld ?

Verder over onze zeer zachte berisping handelende, merken wij op, dat klein geloof veel te begerig is naar tekenen. Ik denk niet, dat Petrus’ geloof plotseling klein werd. Het was altijd klein. En het gezicht van de onstuimige wind bracht de kleinheid aan het licht. Toen hij zei: “Heere, indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water,” was zijn geloof zwak. Waarom wenste hij op het water te wandelen? Waarom zocht hij zulk een wonder? Het was, omdat zijn geloof klein was. Sterk geloof is tevreden zonder tekenen, zonder bijzonderheden, zonder wonderen. Het gelooft God enkel op Zijn woord en vraagt niet om een wonder tot bevestiging; zijn vertrouwen op Christus is zodanig, dat het niet vraagt om een teken in de hemelen boven of in de zeeën beneden. Klein geloof met zijn: “Indien Gij het zijt,” moet tekenen en wonderen hebben, of het geeft zich aan twijfelzucht over. Heuglijke overpeinzingen, merkwaardige dromen, zonderlinge beschikkingen, treffende antwoorden op het gebed, bijzondere gemeenschapsoefeningen – klein geloof moet iets hebben, dat van het gewone afwijkt, of het zakt in. Het voortdurend geroep van klein geloof is: “Toon mij een teken ten goede.” Klein geloof is niet voldaan met de boog, welke God in de wolken gesteld heeft, maar zou het gehele uitspansel wel met hemelse kleuren beschilderd willen zien. Het is niet voldaan met het gewone deel van de heiligen, maar moet meer hebben, meer doen en meer gevoelen dan de overige discipelen. Waarom kon Petrus niet in het schip gebleven zijn evenals de overigen onder zijn broederen? Maar neen, omdat zijn geloof zwak was, moet hij het dek met de diepte verwisselen. Hij kan niet denken, dat het werkelijk zijn Meester is, Die daar op de zee wandelt, tenzij hij met Hem wandelt. Hoe durft hij vragen om te doen wat zijn goddelijke Heere deed? Laat hem tevreden zijn, wanneer hij deel heeft aan de vernedering van zijn Heere. Hij waagt het ver, wanneer hij vraagt om te delen in een wonder van de almacht. Moet ik twijfelen, wanneer ik geen wonderen kan doen gelijk aan die van mijn Heere? Maar dit is een van de zwakheden en gebreken van zwak geloof: het is niet tevreden om uit Zijn beker te drinken en met Zijn doop gedoopt te worden, het wil Zijn macht delen en met Hem zitten in Zijn troon.

Zwak geloof is geneigd om een te hoge schatting te hebben van zijn eigen macht. “O neen,” zegt er iemand, “dat hebt gij toch zeker mis. Is het niet de dwaling van zwak geloof een te lage gedachte te hebben van zijn eigen bekwaamheid?” Broeders, geen mens kan een te lage gedachte hebben van zijn eigen macht, omdat hij in het geheel geen macht heeft. De Heere Jezus Christus zei: “Zonder Mij kunt gij niets doen;” en Zijn getuigenis is waar. Als wij sterk geloof bezitten, zullen wij roemen in onze machteloosheid, omdat de macht van Christus op ons rust. Als wij zwak geloof bezitten, zullen wij ons vertrouwen op Jezus verminderen en in plaats daarvan in ons hart tal van maatregelen tot vertrouwen op ons zelf toelaten. Juist naarmate het geloof in onze Heere verzwakt, zal onze gedachte van ons zelf versterkt worden. “Maar ik dacht,” zegt nu iemand, “dat een mens, die een sterk zelfvertrouwen bezit een mens met een groot geloof was.” Hij is iemand, die in het geheel geen geloof bezit; want zelfvertrouwen en vertrouwen op Christus kunnen niet in hetzelfde hart wonen. Petrus heeft de gedachte, dat hij over het water naar zijn Meester kan gaan; hij is niet zo zeker van de anderen, maar wel is het hem duidelijk aangaande zich zelf. Jacobus, en Johannes en Andreas, en al de anderen, zijn in het schip; het komt niet bij Petrus op, dat één van hen de golven kan betreden; maar hij roept wel: “Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.” Een hoge gedachte van zich zelf is geen teken van geloof, het is een nest voor twijfeling. Had hij zichzelf gekend, dan zou hij misschien gezegd hebben: “Heere! Gebied Johannes tot U te komen op het water; ik ben zulk een hoge gunst onwaardig.” Maar neen; daar hij zwak in het geloof was, was hij sterk in zijn oordeel over zich zelf. En plaatste hij zich als gewoonlijk vooraan. Met haast begaf hij zich op een weg, die voor zijn bevende voet geheel en al ongeschikt was. En het duurde maar kort of zijn dwaling trad aan het licht. Het is zwak geloof, dat hoge gedachten aangaande zich zelf toelaat. Groot geloof verbergt het eigen ik onder zijn machtige vleugelen.

Merkt een ander punt aangaande zwak geloof op: het staat te veel onder de invloed van zijn omgeving. Het ging met Petrus nog vrij goed, totdat hij bemerkte, dat de wind de golven geweldig deed opbruisen. En toen werd hij bevreesd. Zijn niet vele christenen maar al te zeer geneigd om te leven bij hetgeen zij zien en gevoelen? Horen wij een pas beginnende niet maar al te dikwijls zeggen: “Ik weet, dat ik bekeerd ben, want ik gevoel mij zo gelukkig?” Maar weet gij wel, dat een nieuw kleed menig meisje gelukkig maakt, en dat menig jongeling zich blij en gelukkig gevoelt, als hij enig geld op zak heeft? Is dit het beste bewijs, dat gij kunt bij brengen? Nu, als gij zeer ongerust zijt, kon dit wel eens een beter teken van bekering wezen dan dat gij u gelukkig gevoelt. Het is goed over de zonde te treuren, daartegen te strijden en te trachten ze te overwinnen; dit is een zeker teken van genade, een veel zekerder teken dan overvloedige blijdschap. O gelovige! Gij zult gelukkig zijn in de hoogste en beste zin, als gij op Jezus vertrouwt. Maar gij zult spoedig uw geluk verliezen, als het geluk de grond wordt van uw vertrouwen. Het geluk is iets, dat afhangt van de wijze waarop de dingen lopen. Het is maar al te dikwijls iets veranderlijks, iets afwisselends. Maar het geloof rust in Christus, wat er ook mocht gebeuren. En is alzo gelukkig bij smart en ellende, omdat het zich geheel en al op God verlaat. Het geloof rust op het getrouw woord van de Heere en op zijn belofte, wat er ook gebeurt. “Ach,” zegt een ander, “ik gevoel mij zo traag en lusteloos. Ik blijf onbewogen zelfs wanneer ik tracht te bidden; ik kan niet bidden zoals ik wel graag zou willen.” Gij twijfelt alzo om die reden aan uw zaligheid? Hangt uw zaligheid af van de hartelijkheid van uw gebeden? Het is het kenmerk van een zwak geloof, als het nu eens in de hoogte en dan weer in de laagte gaat. Als wij bij het gevoel leven, broeders, zullen wij een zeer ellendig leven hebben; wij zullen niet wonen in het huis van de Vader, maar een soort van Zigeuners zijn, wier tenten niet in staat zijn een beschutting op te leveren tegen het weer. God beware ons er voor om gelijk te zijn aan de barometer, die soms op mooi weer staat; maar mooi weer duurt niet lang op de barometer. Het loopt spoedig weer terug naar regen. En er valt zelfs al wel veel regen, voor wij weten waar wij aan toe zijn. Sterk geloof weet waar het staat en daar het van de onbeweeglijkheid van zijn standplaats overtuigd is, komt het tot het besluit, dat zijn grondslag de ene dag even goed is als de andere; want het staat en rust in Christus. Daar de belofte, waarop sterk geloof leunt, geen veranderlijke grootheid is, maar altijd dezelfde blijft, zo blijft ook de rust steeds dezelfde. Onze getrouwe God maakt zalig al degenen, die hun vertrouwen op Hem stellen; en daar hebt gij nu het bovenste en het onderste, wij behoeven niet verder te gaan. Maar het armzalige zwak geloof is altijd op de uitkijk om te zien of de wind in het oosten is. En als dat zo is, dan zeilt het uit. Is de wind kalm? Petrus wandelt op de golven. Huilt de windt? Petrus begint te zinken. Zo is het altijd met zwak geloof. Het hecht ons vast aan onze omgeving. God helpe ons om er aan te ontkomen!

Zwak geloof, in de volgende plaats, is vergeetachtig ten aanzien van het aanhoudend gevaar, en heeft niet geleerd te geloven, wanneer het zich vertoont. Toen Petrus op de golven wandelde, verkeerde hij in even groot gevaar als toen hij begon te zinken. Praktisch verkeerde hij helemaal niet in gevaar; want Jezus, Die hem in staat stelde om de zee te betreden, was onder alles steeds even nabij. Toen hij op het water stond, kon hij geen stap verder gedaan hebben, als de Meester hem niet ondersteund had ; en toen hij begon te zinken, was zijn Meester nog wel in staat om hem voor verdrinken te behoeden. Zou zijn Meester de goddelijke kracht onttrekken, en toelaten, dat Zijn arme dienaar omkwam? Petrus’ kracht is weg; maar zal zijn Meester nu ook de goddelijke kracht wegnemen en hem aan de ondergang prijsgeven? Zwak geloof begaat deze vergissing menigmaal ; het weet niet, dat het ten alle tijde in een buitengewoon groot gevaar is, waar het ook mag zijn, wanneer het op zich zelf ziet. En dat het nooit in enig gevaar verkeert, waar het ook mag wezen, als het op zijn Heere ziet. Indien uw vertrouwen door wolken en nevelen omhuld is, en gij begint te vertrouwen, niet op Christus zonder meer, maar op Christus Jezus zoals gij Hem geniet, op Christus zoals gij een gestalte in Hem hebt, of op Christus en u zelf zoals gij door Hem geleerd zijt. Indien gij uw vertrouwen gemakkelijk laat beïnvloeden, zal het blijken geen vast en onwrikbaar vertrouwen te zijn. En wanneer een gevoel van gevaar uw gemoed terneer drukt, zult gij niet weten waar u te wenden tot nieuwe bevestiging van uw vertrouwen. Sterk geloof neemt Jezus alleen als grondslag; maar zwak geloof tracht daaraan het een en ander toe te voegen. Zwak geloof, geliefden, tracht het gemis van vertrouwen op de Heere Jezus Christus goed te maken door een onbestemd vertrouwen op zich zelf, op zijn werken, of gebeden, of op iets anders. Indien Petrus geheel en alleen op Jezus vertrouwd had, hetzij hij op de baren wandelde of in de golven zonk, had hij gedaan, wat zijn Meester hem gebood, en dan zou de oorzaak van zijn veiligheid geen de minste invloed van de wind hebben ondervonden. Indien hij zich alleen op Jezus verlaten had, was de grond van zijn vertrouwen aan geen twijfel onderhevig geweest. Het is mijn bede, dat wij ons mogen verheffen boven dat zwakke geloof, hetwelk rijst en daalt met de voorbijgaande gebeurtenissen van dit aardse leven.

Wanneer zwak geloof zich van het gevaar, waarin het verkeert, bewust wordt, geraakt het als een slinger in het tegenovergestelde uiterste, en overdrijft ogenblikkelijk dat gevaar. Het ene ogenblik wandelt Petrus op de zee; het volgende ogenblik is hij op het punt om te verdrinken. Het is vreemd, dat hij er in het geheel niet aan dacht om te zwemmen. Wanneer de ziel op Christus vertrouwt, is het uit met het vertrouwen op zich zelf. Wanneer een mens maar eerst bekend geworden is met de weg om boven op het water te wandelen, vergeet hij zijn bekwaamheid om er in te zwemmen. Het zelfvertrouwen wijkt, wanneer het vertrouwen op Christus binnentreedt. Het was de wil van de Heere, dat Petrus zijn zwakheid zou kennen; dat hij op de duidelijkste wijze zou zien, dat zijn staan afhing van zijn geloof, en dat het geloof al zijn sterkte vond in de Heere Jezus. Petrus gaat naar beneden; en nu is het: “Heere! behoed mij.” Hij is ten einde raad. Petrus is op het punt om te verdrinken, te verdrinken waar de Meester bij staat. Hij zal sterven terwijl Jezus leeft. Zal dat gebeuren? Hij zal omkomen, waar hij doet wat Jezus hem gebood? Denkt gij dat? Het is duidelijk, dat die vreze hem bekruipt. Ik ben ook wel eens zoo dwaas geweest om toe te geven aan het gevoel alsof ik zou wegzinken onder angst en smart. Het is dwaasheid. Wanneer in helderder dagen ons vertrouwen gemengd is, en er dan donkere dagen komen, is een groot deel van ons vertrouwen weg. En wij vrezen, dat wij zullen omkomen. Hebben niet sommigen van u, die geloven in de leer van de volharding der heiligen, nochtans gezegd: “Ik zal nog eens door de hand van de vijand worden neergeveld?” Gij weet, dat Christus beloofd heeft u te zullen bewaren. En toch, omdat gij u zelf niet zo goed bewaart als het wel behoorde, droomt gij er van, dat Hij u niet bewaren zal. Gij weet, dat Hij u nooit zal opgeven, en toch zijt gij bijna gereed om het zelf alles op te geven en te zeggen: “Ik zal tenslotte nog een afvallige blijken te zijn.” Op deze wijze vergeet klein geloof zijn Heere. Op de ene dag is het te stout en op de andere dag te vreesachtig, en dat alleen omdat het zijn vertrouwen dooreen mengt.

Klein geloof spreekt onredelijk. Merkt op, hoe onze Heere het uitdrukt: Gij kleingelovige! Waarom hebt gij gewankeld?” Geloof is geestelijk gezond verstand; ongeloof is onredelijk. Want ziet, als Christus het vertrouwen waard was; en Petrus had, door zich in de zee te werpen om tot Hem te komen, getoond, dat hij aldus oordeelde. Dan was Hij het vertrouwen ook ten volle waard. Gij kunt niet van iemand zeggen: ” Hij is een betrouwbaar persoon, want gij kunt u bij tijden op zijn woord verlaten.” Met die bijvoeging: bij tijden, werpt gij een smet op zijn karakter. Tenzij men zich ten allen tijde op hem kan verlaten, is hij geen eerlijk, waarheidlievend man. En als gij van Gods beloften zegt: “Ik kan sommige er van geloven, en daarom verwacht ik., dat Hij mij onder zekere moeilijkheden helpen zal,” zijt gij bezig de Heere van ontrouw te beschuldigen. O vriend, gij graaft de grondslag weg van het weinige geloof, dat gij hebt. Uw Heere zou u kunnen vragen: “Waarom gelooft gij zoveel als gij gelooft? Nu gij zover gegaan zijt, waarom gaat gij nu niet voort tot het einde? De reden, welke u doet geloven zoveel als gij gelooft, moest u doen geloven in een nog grotere mate. O, gij kleingelovige! Waarom hebt gij gewankeld? Als gij geloof hebt, waarom twijfelt gij dan nog? Als er nog twijfel is, waarom dan geloof?” Die twee dingen laten zich niet met elkaar verenigen. Gij neemt geen logische positie in, wanneer gij een zwak gelovige in een sterke Christus zijt. Waarom een wankelend geloof in een onwankelbare belofte? Waarom een zwak geloof in een machtige Zaligmaker? Laat uw geloof de kleur aannemen van Hem, op Wie het rust. En van het Woord, dat gij gelooft. En dan zult gij staan op een goede, vaste en redelijke grond, welke zich laat rechtvaardigen voor het geweten en voor het verstand.

Nog een enkel woord over ons vrezen en beven. Zwak geloof krijgt dikwijls een nat pak. Ofschoon Petrus niet verdronk, zo kunt gij er nochtans zeker van zijn, dat hij tot op zijn huid doornat was van het water. Als gij sterk geloof bezit, zult gij dikwijls ontkomen aan een zee van moeiten, waar zwak geloof in wegzinkt. Zwak geloof is een grote vervaardiger van verschrikkingen. Ik ken vrienden, die op hun erf een fabriek van moeite en onrust hebben, waar zij steeds bezig zijn roeden te maken voor hun eigen rug. Zij wantrouwen God omtrent onderscheiden dingen. En daar komt het vandaan, dat zij steeds gemelijk en klagende zijn en doornat worden van moeite en angst. Ik heb wel eens horen zeggen, dat eigen gemaakte kleren zeer zelden passen. En voorzeker, eigen gemaakte moeiten zijn zeer zwaar om te dragen. Ik heb ook wel eens gehoord, dat een eigen gemaakt pak langer duurt dan andere kleren; en ik geloof, dat eigen gemaakte moeiten ons veel langer aankleven dan die, welke God voor ons aanwijst. Sluit die fabriek van angsten en maak er liederen voor in de plaats! Als God u enigerlei moeite toezendt, dan komt ze u niet te onpas. Maar wie maakte Petrus doornat, wie deed hem verzinken in de diepte? Wie anders dan Petrus zelf? Petrus, de beangstigde Petrus! Als hij een sterk geloof bezeten had zou hij zijn kleren wel droog gehouden hebben. Zijn Meester zorgde er wel voor, dat de wateren hem niet verzwolgen; maar Hij liet toch toe, dat ze het hem zeer onaangenaam maakten. Indien gij een zwak geloof hebt, zal uw blijdschap verbroken worden en gij zult veel onaangenaamheden ondervinden.

Zo heb ik dan het zwakke geloof zeer zachtjes berispt. Het was er mij niet om te doen een haar van zijn hoofd te krenken. Het is een wenselijke zaak, dit klein geloof – niet zijn kleinheid, maar het geloof zelf. Als ik de zwakheid kon vernietigen, en het geloof kon verlevendigen. Als de kleinheid kon worden verwijderd en het geloof kon worden vermeerderd, hoe zou mij dat tot blijdschap strekken!

II.

Nu ZAL KLEIN GELOOF TEER WORDEN AANBEVOLEN. Ik zal het prijzen, niet omdat het klein is, maar omdat het geloof is. Klein geloof eist een tere behandeling, en dan zal het blijken een kostelijke zaak te zijn.

In de allereerste plaats, het is waar geloof. Geloof, dat met Jezus begint en eindigt, is waar geloof. Het minste geloof in Jezus is Gods gave; en het is een even dierbaar geloof, ofschoon het niet een even sterk geloof is. Indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, kunt gij wonderen doen. Al is uw geloof zo klein, dat gij scherp moet toezien om het te ontdekken, als het er is, is het van dezelfde aard als het sterkste geloof. Een klein geldstukje is even goed echt metaal als een groot geldstuk en vertoont ook het zelfde merkteken van het muntstempel. Een waterdroppel is van dezelfde aard als het water van de zee; een sprank vuur is even zeker als de vlammen van de Vesuvius. Niemand weet wat er uit een sprank van het geloof voortkomen kan: ziet, het steekt duizenden zielen in brand!

Klein geloof is waar geloof; want heeft onze Heere niet tot Petrus gezegd: “Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona; want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is?” Petrus had waar geloof; en toch was het klein geloof. O toehoorder : “Zo gij gelooft, dat Jezus is de Christus, zo zijt gij uit God geboren.” Indien gij u bevende werpt op Christus’ volbrachte werk, verandert uw zwakheid in die daad van vertrouwen niets aan het feit, dat gij in sterke handen terecht gekomen zijt, die u zeker zullen redden. Jezus zegt: “Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden.” En al is dan de blik, waarmee gij u tot Hem wendt, zeer onvast, en al is het, dat tranen van smart uw ogen verdonkeren, zodat gij Hem niet kunt zien gelijk Hij is, zo heeft nochtans uw zien op Hem u behouden. Klein geloof is van boven geboren en behoort tot de geslachten van de gezaligden. Het zwakste geloof is wezenlijk geloof.

Merkt verder op, dat klein geloof het voorschrift gehoorzaamt, en zonder dat geen stap verder wil gaan. Klein geloof roept: “Heere, indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.” “En Hij zei: “Kom.” En Petrus klom neer van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.” Als Jezus zegt: “Kom,” antwoordt klein geloof: “Zie, ik kom!” Ofschoon zijn gang waggelend is en zijn knieën knikken, toch komt het, waar Jezus het roept, al is het ook door vloed of vlam. Ik ken enige kinderen van de Heere, die zeer zelden veel genieting hebben. En toch benijd ik hen bijna vanwege hun teerheid van consciëntie. Hun afschrik van de minste aanraking met de zonde, hun nauwgezetheid om de weg van des Heeren geboden te lopen zijn bewonderenswaardige trekken in hun karakter. Een sierlijke wandel is, als het er op aankomt, toch van meer waarde dan een aangenaam gevoel. Hoe zou ik u hard kunnen vallen, arm klein geloof, wanneer ik zie dat gij bang bent om de ene voet voor de andere te zetten, uit vrees dat gij op zij zult stappen? Het is mij aangenamer u met al uw schroomvalligheid zo nauwgezet en gehoorzaam te zien, dan u luid te horen spreken over uw groot geloof en dan te zien, dat gij een soort van bondgenootschap aangaat met de zonde en de dwaasheid en u aanstelt, waar gij zo grotelijks dwaalt, alsof dit een zaak is van weinig betekenis. Waar teerheid van consciëntie en klein geloof naast elkaar bloeien, aanschouwen wij twee leliën van lieflijke schoonheid.

Petrus’ klein geloof beproefde niet om op het water te wandelen voordat Jezus het woord van toestemming gaf. Petrus vroeg: “Gebied mij te komen.” Menigmaal heb ik kennis gemaakt met mannen en vrouwen, die zeer wanhopig waren en grotelijks door angst gekweld werden, maar toch voor niets ter wereld iets wilden doen vóór zij de stem achter zich hoorden, zeggende: “Dit is de weg, wandelt in dezelve.” Zij aarzelen zolang zij het Woord niet hebben geraadpleegd. Zij durven niet op goed geluk uitzeilen, maar knielen neer en vragen om leiding, want zij zijn bevreesd zelfs een enkele stap te doen buiten de wil van hun Meester. Er is bij hen een heilige vrees voor het lopen op eigen gekozen wegen. Klein geloof, als dit uw aard en karakter is, dan prijzen wij u zeer!

Wat daarbij komt, klein geloof worstelt om tot Jezus te komen. Petrus verliet het schip niet bloot om op het water te wandelen, maar hij waagde zich op de golven om bij Jezus te kunnen komen. Wat hij zocht, was geen wandeling op de golven, maar de tegenwoordigheid en het gezelschap van zijn Heere. “En Petrus klom neer van het schip en wandelde op het water om tot Jezus te komen.” Dat was de enige zaak, waarbij hij het op aanlegde – tot Jezus te komen.” Sommigen van u, dat weet ik, hebben maar weinig geloof. Maar gij verlangt er naar om dichter bij Jezus te komen. Uw dagelijkse verzuchting is: “Heere! openbaar U aan mij, openbaar U in mij, en maak mij meer aan U gelijk.” Hij, die Jezus zoekt, heeft zijn gelaat in de juiste richting gekeerd. Ofschoon uw knieën wankelen en uw armen slap neerhangen, zo is het er u toch om te doen om tot Jezus te komen; het is uw streven Hem te dienen, Hem te vereren, is het niet zo? Al zijn de winden tegen, het is er u om begonnen om aan land te komen. Welnu dan, al is uw geloof klein, zo verblijdt het mij nochtans, dat gij, niettegenstaande uw zwakheid, worstelt om uw Heere te bereiken. Worstelt voort, want Jezus komt om u te ontmoeten. En wanneer gij, door wantrouwen, begint te zinken, zal Hij u opvangen en u weer overeind zetten. Houdt daarom goede moed!

Klein geloof dient ook te worden geprezen, in zo verre het zich voor een tijd op verheven wijze openbaart. Ofschoon Petrus weinig geloof had, zo wandelde hij toch, op een zeldzame manier, van de ene golf naar de andere. Ik stel mij hem voor, nadat hij uit het schip geklauterd was, verbaasd, dat hij op de wateren kon staan, die als een vaste spiegel beneden hem lagen. Nu doet hij een stap, evenals een kind, dat begint te lopen, en met toenemend vertrouwen verzet hij zijn voet opnieuw. Ofschoon de golven onder zijn voeten voortrollen, zo staat hij er nochtans, voor een tijd stevig op. Klein geloof kan zich een tijd lang mannelijk gedragen. Toen Jaël de nagel nam en Sisera doodde, werd de schuchtere vrouw een heldin in de strijd, daar zij de vijand van Israël versloeg. Menigmaal hebben de lammen en de zwakken, die doorgaans geen hand konden opheffen in de heilige krijg, zich plotseling aangegrepen gevoeld en voor een korte tijd een ware heldenmoed aan de dag gelegd. Klein geloof, gelijk de slinger van David, heeft de reus verslagen. Gelijk het zwaard in de linkerhand van Ehud, heeft klein geloof verlossing gewrocht. Alzo prijs ik u, klein geloof; want gij hebt uw hoogtijden en feestdagen. En ook gij kunt uw overwinningen tellen, in de naam van Jezus behaald. Als het altijd met u zo was als het bij tijden met u is, dan zou gij inderdaad iets heerlijks zijn! Ook nu kunt gij bergen verzetten en bomen ontwortelen.

Klein geloof moet ik verder nog prijzen en aanbevelen, omdat het, waar het zich in moeiten bevindt, zich tot het gebed begeeft. Petrus begint te zinken. Wat doet Petrus nu? Petrus bidt: “Heere, behoud mij!” Klein geloof weet waar zijn sterkte ligt. Wanneer het zich in moeitevolle omstandigheden bevindt, wendt het zijn gezicht niet naar menselijke hulp of natuurlijke middelen, maar begeeft het zich onmiddellijk in het gebed. Klein geloof stort zijn hart uit voor de Heere. Ik zie het gaarne, dat een mens, in het uur van grote nood, terstond begint te bidden, even natuurlijk als opgeschrikte vogels gebruik maken van hun vleugels. Sommigen van u lopen naar de buren, of gaan te rade met zich zelf; maar het is nooit gebleken, dat dit een profijtelijke weg was. Laat ons een zekerder weg inslaan. In plaats van met overleg al de bestaande hulpbronnen, die wij bezitten, na te gaan, laat ons terstond ons tot Jezus wenden om nieuwe hulp. Helaas! Wij gaan niet naar Jezus, vóór wij eerst bij iedere andere deur hebben aangeklopt; en dan is het een grote genade, dat Hij ons niet van Zijn poort wegzendt. Petrus nam de proef niet met een natuurlijke toevlucht door te gaan zwemmen. Hij begon te bidden: “Heere, behoud mij!” O, klein geloof, gij zijt groot door uw pleiten in het gebed. Wellicht drijft juist uw zwakheid u des te menigvuldiger op de knieën. Gij zijt niet zo veel vermogend in het gebed als sterk geloof; maar gij zijt daarin even overvloedig. Ik zie u bevende en zwak; dan roept gij tot de Heere om kracht. En Hij helpt u. Dit roepen is een bewijs dat er geestelijk leven bij u is, gelijk het geval was met hem, van wie geschreven staat: “Ziet, hij bidt.”

Zwak geloof heeft ook nog deze aanbeveling: het is altijd veilig, omdat Jezus nabij is. Petrus was veilig op het water, omdat Christus Zich op het water bevond. Zijn geloof was zwak en hij werd niet behouden door de kracht van zijn geloof; hij werd behouden door de kracht van die genadige hand, welke uitgestrekt werd om hem te vatten, toen hij in de vloed neerzonk. Indien gij met uw ganse hart in Christus gelooft, indien Hij de eerste en de laatste is van uw vertrouwen, dan zal Jezus, al zijt gij ook vol vrees en onrust, u nimmer laten omkomen. Als gij u op Hem verlaat, en op Hem alleen, is het niet mogelijk, dat Hij uw geloof gering zou schatten en u aan de dood prijs zou geven. Dat zij verre, dat wij onze Heere zo zwaar zouden beledigen om te durven veronderstellen, dat Hij een gelovige zou laten verzinken, hoe zwak zijn geloof dan ook mocht zijn. Aangezien Christus leeft, hoe kunnen wij dan sterven? Aangezien Christus op de wateren staat, hoe kunnen wij daarin dan verzinken? Zijn wij niet één met Hem?

Iets anders kan ik nog aanvoeren tot aanprijzing van het zwakke geloof, en dat is, dat Jezus zelf het als geloof erkent. Hij zei tot Petrus: “Gij kleingelovige!” Hij bestrafte hem, omdat zijn geloof klein was: maar Hij glimlachte hem toe, omdat hij geloof bezat. Het is mij aangenaam te gevoelen, dat de Heilige Geest de Schepper is, niet van de kleinheid van ons geloof, maar van ons geloof, al is het nog zo klein. Onze Heere erkent datgene voor geloof, waarvan wij vermoeden, dat het weinig beter is dan ongeloof. “Ik geloof, Heere; kom mijn ongelovigheid te hulp!” is een bewonderenswaardig gebed voor velen van ons. Christus vergeeft het ongeloof, maar Hij neemt het geloof zeer genadiglijk aan, niettegenstaande zijn zwakheid. Hij kan het geloof ontdekken, wanneer het, als een eenzame sprank, bijna versmeuld is onder een hoop vuil en as.

Andermaal prijs ik klein geloof aan, omdat het, schoon het somtijds mocht zinken, zich herstelt en zijn vroegere wonderen nog eens weer overdoet. Petrus is op het punt om te zinken; maar wat ziet gij, nadat zijn Meester hem gegrepen heeft? Er wandelt nu niet één persoon op het water; er zijn er twee. Christus is daar, en Petrus ook. Wel Petrus, gij wandelt op de zee als iemand, die dat van jongs af gewoon geweest is! O ja, zijn klein geloof heeft geleerd, door een aanraking van de Heere, om te doen wat hij het eerst deed: hij bewandelde voor het eerst de golven, en nu doet hij het weer. Ziet! Daar komt hij met zijn Heere in het schip. Gij, die goede tijden gehad hebt, en op dit ogenblik met een diepgaand leed daarop terugziet, kunt weer van die tijden krijgen. Gij, die wanhopig en zeer treurig geworden zijt, schept weer moed; gij zult uw feestdagen weer hebben, en veel heerlijker dan de eerste. “Maar o, ik heb zoveel tijd verkwist,” zegt er iemand, “door dit mijn zwak geloof.” Wel, dat is erg jammer; maar er bestaat een belofte welke ik voor uw geloof aanbeveel: “Ik zal u de jaren vergelden, die de sprinkhaan heeft opgegeten.” De sprinkhaan heeft onze oogsten opgegeten – deze sprinkhaan van zwakheid heeft onze aangename vruchten verslonden; doch onze Heere Jezus Christus kan ons die verspilde jaren vergelden; Hij kan tien jaren van nuttigheid in één samenpakken; Hij kan zeven dagen van blijdschap in één dag samenvoegen, en zo het verloren verleden voor ons weer goedmaken. De Heere kan maken, dat gij de schande van uw jeugd vergeet. En de schaamte van uw weduwschap niet meer gedenkt. Schep moed, klein geloof! Gij behoort tot een goed geslacht, ofschoon gij nog maar een zuigeling zijt. Nog eens: klein geloof, grijp moed! Gij mocht ziek zijn aan boord van het schip; maar het schip, waarin gij hebt plaats genomen, is niettegenstaande dat veilig. En gij zult aan land komen even zeker als sterk geloof. Stel uw vertrouwen op de Heere, en wacht rustig op Hem, zo zal de morgenzon gewis te rechter tijd voor u oprijzen. Aldus heb ik klein geloof zachtjes berispt en vriendelijk aanbevolen.

III

Maar nu wens ik aan het slot hier nog enige woorden bij te voegen, en wel onder dit motto: GROOT GELOOF WORDT VEEL MEER AANBEVOLEN.

Het wordt soms gevonden waar wij dit het minst zouden verwachten. Onze Heere aanschouwde het, niet in de mannelijke Petrus, maar in de tedere vrouw, die voor haar kind pleitte. Zij was een vrouw; maar zij had een geloof, dat de mannen beschaamd deed staan. Zij was een Kananese vrouw, van een geslacht, aangaande hetwelk er gezegd was: “Vervloekt zij Kanaän.” En toch had zij sterker geloof dan de Israëlitische Petrus, die van jongsaf de Schriften geweten had. Zij was een vrouw, die thuis een groten last had; want de duivel was daar, haar dochter kwellende. Het is een vreselijke zaak als de duivel, wanneer gij naar huis gaat, in uw man, of wanneer er een duivel in uw dochter is. En menige christenvrouw heeft dit te dragen. Niettegenstaande deze zware beproeving en ofschoon er thuis niets was om haar te troosten en te verkwikken was zij een vrouw met een groot geloof. En waarom zouden wij aan haar niet gelijk zijn? Mijn broeder, ofschoon uw toestand en uw omstandigheden de wasdom in de genade zeer tegenstaan, waarom zou gij desniettegenstaande niet tot de volle mannelijke kracht in Christus opwassen? De Heere Jezus kan dit bewerken. Ofschoon het u toeschijnt, dat gij in uw groei moet worden gestuit door de gure wind en de schrale bodem, welke u omgeven, zo kan nochtans de grote Landman u zo koesteren, dat gij een planting van naam wordt. God kan de tegenwerkende omstandigheden in middelen van wasdom veranderen. Door de heilige scheikunde van Zijn genade kan Hij het goede uit het kwade doen voortkomen. Ik beveel groot geloof met bijzondere nadruk aan, wanneer ik het zie, waar zijn gehele omgeving er vijandig tegenover staat.

Verder is groot geloof aan te bevelen, omdat het volhardt in het zoeken van de Heere. Deze vrouw kwam tot Jezus, opdat haar dochter mocht worden genezen; en in het eerst antwoordde Hij haar geen woord. Het is iets, zo in gespannen verwachting te moeten verkeren! Eindelijk spreekt Hij op koele toon van haar tot Zijn discipelen. Maar zij houdt vol. Zij is gekomen om een gunstbewijs, en zij gelooft zodanig in de Heere, de Zone Davids, dat zij van geen afwijzend antwoord wil weten; het is haar er om te doen verhoring te ontvangen. En daarom dringt zij haar verzoek met onstuimigheid aan, tot het einde toe. Hoe begeerlijk, zulk een sterk, zulk een volhardend geloof. Broeders, hebt gij het ontvangen? Gij mannen, gebruikt gij het? Hier ziet gij een vrouw, die het bezat, en het in werking bracht tot zij haar doel bereikte. Mogen wij het in overvloedige mate bezitten!

Groot geloof ziet ook licht in de dikste duisternis. Ik denk niet, dat Petrus half zo beproefd werd als de Kananese. Wat was het, dat Petrus schrik aanjoeg? De wind. Wat had haar met schrik kunnen vervullen? Wel, de stuurse woorden van Jezus zelf. Wie is bang voor de wind? Wie zou niet bevreesd zijn voor een verwerpende Christus, harde woorden sprekende? “Het is niet betamelijk het brood van de kinderen te nemen, en de hondekens voor te werpen.” Wel, als de Heere zo tot één van ons gesproken had, wij hadden nooit weer durven bidden. Wij zouden gezegd hebben: “Neen, die harde uitspraak sluit mij ten enenmale uit.” Niet alzo het sterke geloof. “Neen,” zegt zij, “Hij noemde mij een hond. Honden hebben een plaats in de maatschappij; de kleine honden worden als het etenstijd is door hun kleine meesters binnen de deuren gehouden, opdat zij een korstje of een kruimeltje krijgen. Heere, ik wil dan wel een hond zijn en mijn kruimeltje ontvangen: het is slechts een kruimeltje voor U om het te geven, ofschoon het voor mij alles zou zijn om het te ontvangen.” Zo pleit zij bij Hem even gezwind alsof Hij haar een belofte had gegeven, in plaats van iets, dat op een afwijzing geleek. Groot geloof kan de zon te middernacht zien; groot geloof kan oogsten binnenhalen midden in de winter; op hoge plaatsen weet het rivieren te ontdekken. Groot geloof is niet afhankelijk van het zonlicht: het ziet datgene, hetwelk onzichtbaar is bij ander licht. Groot geloof rust op de zekerheid, dat het een of ander zo is, omdat God het gezegd heeft en het is voldaan enkel en alleen met Zijn woord. Als het niets ziet, of hoort, of voelt, om het goddelijk getuigenis te bevestigen en te versterken, dan gelooft het God om Zijns zelfs wil, en het is er alles even goed om. O broeders, ik hoop, dat gij nog eens tot deze toestand komt, dat gij in God gelooft, al is het ook, dat uw gevoel Gods belofte logenstraft en ook de omstandigheden tegen die belofte in verzet komen. Al is het, dat al uw vrienden en metgezellen de Heere tot een leugenaar zouden willen maken, mocht gij er toe komen om te zeggen: Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig. Twijfelen aan wat God gezegd heeft, durven wij niet en willen wij niet. Zijn gewisse belofte moet standhouden. Zulk een geloof als dit verdient te worden aangeprezen, en onze Heere zelf prijst het, waar Hij zegt: “O vrouw! Groot is uw geloof.”

Groot geloof bidt en verkrijgt de overhand. Op welk een schitterende wijze verkreeg zij de overhand! Haar dochter werd gezond, en zij verkreeg de toezegging, dat haar ten volle naar haar wil geschieden zou. “U geschiede, gelijk gij wilt.” Ik zou willen, dat wij dit machtige geloof in vereniging met het gebed bezaten. Eén mens, die gelovig bidt, zal meer van God verkrijgen dan tien mensen; of, wat dat aangaat, tienduizend mensen, die onvast en ongelovig zijn. Gelooft mij, er is een wijze van bidden, waarbij gij van God kunt verkrijgen wat gij wilt. Gij kunt naar uw binnenkamer gaan om te vragen en te ontvangen, zodat gij uw bidvertrek weer verlaat, zeggende: “Het is in mijn bezit.” Zelfs al bezit gij het dan nog niet om het op het tegenwoordige ogenblik te genieten, zo heeft toch uw geloof het gegrepen, is het voor uw geloof werkelijkheid geworden, is het daarvoor als bestaande, zodat gij onmiddellijk bezit daarvan hebt genomen. Kwam Luther niet dikwijls in zijn moeilijkste tijden van zijn kamer, roepende: “Ik heb overwonnen?” Hij worstelde met God in het gebed, en dan gevoelde hij, dat al het andere, waarmee hij te worstelen had, niets te betekenen had; als hij de hemel door het gebed had overwonnen, kon hij ook de aarde, de dood en de hel overwinnen. Sterk geloof doet dit alles, en gaat voort om meer te doen.

Het heeft een buitengewone eerbied voor God, maar toch ook een verwonderlijke gemeenzaamheid met Hem. Indien gij zou kunnen horen wat sterk geloof wel eens tot God heeft durven zeggen, zou gij het heiligschennis achten; en heiligschennis zou het zijn, als het van andere lippen kwam. Maar wanneer God het vergunt de verborgenheden des Heeren te weten, welke zijn over degenen, die Hem vrezen, en wanneer Hij zegt: “Vraag wat gij wilt, en het zal u geschieden,” heeft het een zalige vrijheid bij God, welke te prijzen en niet verboden is. Indien de Zoon u in het gebed vrijmaakt, zo zult gij waarlijk vrij zijn. Sterk geloof is altijd aan de winnende hand. Het draagt de sleutels van de hemel aan zijn gordel. De Heere kan niets ontzeggen aan de pleitredenen van een onwankelbaar geloof.

Ik prijs sterk geloof aan, omdat Jezus, onze Heere, Zich er over verblijdde. Welk een muziek klonk er in Zijn woorden: “O, vrouw! groot is uw geloof.” Er lag geen glimlach op Zijn gelaat, toen Hij tot Petrus zei: ” Gij kleingelovige !” Het griefde Hem, dat Zijn volgeling zo weinig geloof in Hem bezat. Maar nu verblijdde het Hem, dat deze arme vrouw in het bezit was van zulk een heerlijk geloof. Hij beziet haar geloof, gelijk juweliers de een of andere beroemde steen, die meer waard is dan zij kunnen zeggen. “O vrouw!” zei Hij, “groot is uw geloof. Ik word bekoord door uw geloof. Ik sta verbaasd over uw geloof. Ik ben verrukt vanwege uw geloof.” Welaan, broeders, gij en ik verlangen er naar iets te doen om onze Verlosser welbehaaglijk te zijn. Ik weet, dat wij dikwijls hebben geroepen: “O, wat zal ik doen tot lof van mijn Zaligmaker?” Gelooft Hem dan. Gelooft Zijn belofte zonder te twijfelen. Gelooft Hem grotelijks. Gelooft Hem onwankelbaar. Gelooft Hem ten volle, en gaat voort op de weg van het geloof, totdat er verder niets schijnt te zijn om te geloven. Gelooft nu en voortaan in Christus Jezus.

Hoezeer werd deze vrouw verrijkt! Zij had aan haar Heere behaagd, en nu deed haar Heere haar haar behagen: “U geschiede, gelijk gij wilt.” Zij ging vandaar als de gelukkigste vrouw onder de hemel. God had haar haar begeerte gegeven, en zij was meer dan blij en voortdurend blij.

Welke weldaden zouden wij aan anderen bewijzen, indien wij een sterk geloof hadden! Haar dochter werd gezond. Moeder, als gij meer geloof had, zou uw kind spoedig tot Jezus worden gebracht. Vader, als gij meer geloof had, zou uw zoon niet zulk een plaag voor u zijn als hij nu is. Hebt meer geloof in uw God; en wanneer gij uw Vader beter behandelt, zullen uw kinderen u beter behandelen. Als gij uw God wilt onteren door twijfel jegens Hem te koesteren, verwondert gij u dan, dat uw kinderen u onteren door u ongehoorzaam te zijn? O prediker, als gij meer geloof had, zouden er meer onder u bekeerd worden. Onderwijzer op de Zondagsschool, als gij meer geloof had, zouden er meer kinderen uit uw klas tot de Zaligmaker worden gebracht. “Heere! vermeerder ons het geloof.” Ik hoop, dat in het hart van een ieder van ons op dit ogenblik die bede opklimt.

Ten besluite wend ik mij tot u met de vraag: Bestaat er geen overvloedige reden waarom ons geloof in Christus sterk behoorde te zijn? Is er niet alle reden toe waarom wij het sterkste geloof in Hem moesten hebben? Ik heb u nog onlangs verteld van één van onze gemeenteleden, die op zijn sterfbed lag. Iemand zei tot hem: “Kunt gij uw ziel nu aan Christus toevertrouwen?” Hij antwoordde: “Ik zou Hem tienduizend zielen toevertrouwen, als ik ze had.” Wij kunnen zelfs verder gaan dan dat. Indien al de zonden, die de mensen hebben bedreven sedert de wereld gemaakt werd en de tijd een aanvang nam, op het hoofd van één arme zondaar werden gelegd, zou die zondaar gerechtvaardigd worden door te geloven, dat Christus die zonden zou kunnen wegnemen. Wie gij ook zijt en wat gij ook zijt, neemt uw last en legt die aan Zijn voeten neer; werpt al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u. En dat Hij van nu aan nimmer reden mocht hebben om tot u te zeggen: “Gij kleingelovige! Waarom hebt gij gewankeld?” O, mocht Hij dikwijls met blijdschap over u uitroepen: “O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt.” Mocht de Heilige Geest deze eenvoudige woorden zegenen tot de opbouw van u allen! AMEN.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend