24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Jongeling, is dit voor u?

Jongeling, is dit voor u?

“En het geschiedde op de volgende dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Naïn, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote schare. En als Hij de poort van de stad genaakte, ziet daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon van zijn moeder was, en zij was weduwe, en een grote schare van de stad was met haar. En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zei tot haar: Ween niet. En hij ging toe en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zei: Jongeling, Ik zeg u, sta op! En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder. En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht. En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land.” Lukas 7:11-17

Aanschouwt, waarde broederen, de overvloeiende, altijd vloeiende macht van onze Heere Jezus Christus. Hij had een groot werk verricht aan de dienstknecht van de hoofdman over honderd. En nu, slechts één dag later, wekt Hij een dode op. “Het geschiedde op de volgende dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Naïn.” De dag aan de dag stort sprake uit aangaande Zijn daden van liefde en ontferming. Heeft Hij uw vriend gisteren gered? Zijn volheid is dezelfde. Indien gij Hem zoekt, zullen Zijn liefde en genade u heden toevloeien. Hij zegent deze dag, en Hij zegent de volgende dag. Nooit is onze goddelijke Heere gedwongen om rust te nemen totdat Zijn hulpbronnen weer zijn aangevuld; maar steeds gaat er kracht van Hem uit. Deze duizenden van jaren hebben de overvloed van Zijn macht om te zegenen niet verminderd.

Aanschouwt eveneens de bereidheid en de natuurlijkheid van de werkingen van Zijn levengevende macht. Onze Zaligmaker was reizende en Hij werkt wonderen onderweg: “Hij ging naar een stad, genaamd Naïn.” Het gebeurde zo onder de hand, sommigen zouden zeggen toevallig, dat Hij de lijkstoet ontmoette. Maar dadelijk riep Hij deze dode jongeling in het leven terug. Onze gezegende Heere stond niet stil, als iemand, die vanwege zijn beroep ingeroepen wordt; het schijnt niet, dat Hij op iemands verzoek naar Naïn gekomen is om Zijn liefde ten toon te spreiden; maar Hij ging door de poort in de stad, om de een of andere reden, welke niet vermeld wordt. Ziet, mijne broederen, hoe de Heere Jezus altijd bereid is om te behouden! Hij genas de vrouw, die Hem in het gedrang aanraakte, toen Hij onderweg was naar het huis van een heel ander persoon. De uitstortingen en afdruppelingen van des Heeren beker van genade zijn wonderbaarlijk. Hier geeft Hij het leven aan de doden, wanneer Hij zich op de weg bevindt. Aan de kant van de weg strooit Hij Zijn weldaden uit, en overal en alom druipen Zijn voetstappen van vettigheid. Geen tijd,. geen plaats kan Jezus onwillig of onmachtig vinden. Wanneer Baäl op reis is of slaapt, kunnen zijn misleide aanbidders niet op zijn hulp hopen; maar wanneer Jezus reist of slaapt, vindt een woord Hem gereed om de dood te overwinnen en de storm te doen bedaren.

Het was een merkwaardig voorval, deze ontmoeting van de twee scharen van mensen bij de poorten van Naïn. Indien iemand met een schitterende verbeelding die gebeurtenis ging schilderen, welk een gelegenheid zou hij dan hebben om zijn dichterlijk talent te ontwikkelen! Ik waag mij aan zulk een poging niet. Ginder daalt een schare uit de stad af. Onze geestelijke ogen zien de dood op het vale paard met grote opgetogenheid uit de stadspoort te voorschijn komen. Hij voert weer een gevangene mee. Aanschouw op die baar de buit van de geduchte overwinnaar. Rouwdragers doen door hun tranen bekentenis van de overwinning van de dood. Gelijk een veldheer, die in triomf naar de Romeinse hoofdstad rijdt, alzo voert de dood zijn buit naar het graf. Wat zal hem verhinderen? Plotseling wordt de stoet tot stilstand gebracht door een andere mensenmassa: een gezelschap van discipelen en een grote schare komen de heuvel op. Wij behoeven niet naar het gezelschap te zien, maar wij mogen onze blik vestigen op Één, Die in het midden staat, een Man, in Wie de nederigheid steeds zichtbaar was, doch van Wie ook altijd de majesteit afstraalde. Het is de levende Heere, Hij, Die alleen onsterfelijkheid heeft. En in Hem heeft de dood nu zijn verslinder gevonden. De strijd is kort en beslissend. Geen slagen worden er uitgedeeld, want de dood heeft alreeds gedaan wat in zijn vermogen was. Met een vingerwijzing wordt het voertuig des doods tot staan gebracht; met één woord wordt de machtige de gevangene ontnomen en de gevangene in vrijheid gesteld. De dood vlucht verslagen van de poorten van de stad, terwijl Tabor en Hermon, die beide op het toneel neerzagen, juichen in de naam des Heeren. Dit was op kleine schaal een voorspel van hetgeen eens zal geschieden, wanneer zij, die in de graven zijn, de stem zullen horen van de Zoon van God en zullen leven; dan zal de laatste vijand te niet gedaan worden. Laat de dood slechts in aanraking komen met Hem, Die ons leven is, en hij wordt genoodzaakt zijn prooi los te laten, welke ook de buit zijn mag, die hij heeft behaald. Spoedig zal onze Heere in Zijn heerlijkheid verschijnen, en dan zullen wij voor de poorten van het nieuwe Jeruzalem het wonder bij de poorten van Naïn miljoenen malen vermenigvuldigd zien.

Aldus ziet gij, dat ons onderwerp ons op natuurlijke wijze voert tot de leer van de opstanding der doden, welke een van de hoekstenen is van ons allerheiligst geloof. Die grote waarheid heb ik menigmaal voor u verklaard en ik wens dat nog herhaaldelijk te doen; maar thans heb ik mijn tekst uitgekozen voor een zeer praktisch doel, hetwelk de zielen betreft van sommigen, over wie ik grotelijks bezorgd ben. Het verhaal, dat vóór ons ligt, vermeldt een feit, een sprekend feit, maar de vermelding kan gebruikt worden voor geestelijke onderrichting. Al de wonderen van onze Heere moesten dienen voor gelijkenissen; zij hadden de bedoeling zowel om onderricht te geven als om indruk te maken: het waren leerredenen voor het oog, juist zoals Zijn gesproken reden leerredenen waren voor het oor. Wij zien hier hoe Jezus kan handelen met de geestelijke dood. En hoe Hij naar welgevallen het geestelijk leven kan mededelen. O, dat wij dit deze morgen mogen zien geschieden te midden van deze grote menigte!

I.

Ik nodig u in de eerste plaats uit, waarde vrienden, te overwegen, DAT DE GEESTELIJK DODEN GROTE SMART VEROORZAKEN AAN HUN VERWANTEN, DIE MET DE GENADE BEGIFTIGD ZIJN. Indien een mens zonder God het voorrecht heeft, dat er onder zijn bloedverwanten christenen zijn, veroorzaakt hij deze grote bekommernis. Als een natuurlijke zaak deed deze dode jongeling, die naar zijn laatste rustplaats zou worden gevoerd, het hart van zijn moeder barsten van smart. Zij toonde door haar tranen, dat haar hart overvloeide van verdriet. De Zaligmaker zei tot haar: “Ween niet,” omdat Hij zag, hoe diep zij was aangedaan. Velen van mijn geliefde jonge vrienden mogen ten hoogste dankbaar zijn, dat zij bloedverwanten hebben, die leed over hen dragen. Wel is het een treurige zaak, dat uw gedrag hen grieft; maar het is toch een hoopvolle omstandigheid voor u, dat er om u heen nog zodanigen zijn, die smart over u gevoelen. Indien allen uw boze wegen goedkeurden, zou gij, daar is geen twijfel aan, daarin volharden en haastig het verderf tegemoet snellen. Maar het is een zegen, dat er waarschuwende stemmen zijn, die u ten minste een weinig hinderen. Daarbij kan het nog gebeuren, dat onze Heere luistert naar de zwijgende welsprekendheid van de tranen van uw moeder. En dat Hij u deze morgen zegent om harentwil. Ziet hoe de evangelist het beschrijft: “En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zei tot haar: “Ween niet.” En daarop zei Hij tot de jongeling: “Sta op!”

Vele jongelieden, die in sommige opzichten beminnelijk en veelbelovend zijn, veroorzaken nochtans, wijl zij geestelijk dood zijn, veel verdriet aan degenen, die hen het meest liefhebben. Eerlijkheidshalve zou men misschien moeten zeggen, dat het hun bedoeling niet is al dit verdriet te berokkenen. Inderdaad, zij vinden dat leed dragen geheel onnodig. En toch zijn zij een dagelijkse last voor degenen, die zij liefhebben. Hun gedrag is zodanig, dat wanneer dit door hun moeder in de eenzaamheid in haar kamer overdacht wordt, zij niet kan nalaten te wenen. Haar zoon ging, toen hij nog een jongen was, met haar naar het huis Gods, maar nu vindt hij zijn vermaak op geheel andere plaatsen. Daar hij nu niet meer onder opzicht staat, verkiest de jongeling niet met zijn moeder mee te gaan. Zij zou hem niet van zijn vrijheid willen beroven, maar zij bejammert zich er over, dat hij op zo onverstandige wijze van die vrijheid gebruik maakt; zij treurt er over, dat hij er niet toe genegen is om het Woord des Heeren te horen en een dienaar te worden van zijn moeders God. Zij had hoop gehad, dat hij in de voetstappen van zijn vader zou wandelen en zich bij het volk van God zou voegen; maar hij gaat juist de tegenovergestelde kant uit. Zij heeft in de laatste tijd heel wat van hem gezien, dat haar onrust heeft vermeerderd. Hij houdt zich met kameraden op en verkeert in gezelschappen, die glad verkeerd voor hem zijn. Hij heeft in het geheel geen smaak in huiselijke genoegens. En hij heeft zich aan zijn moeder geopenbaard in een geest, die haar wondt. Het kan wel zijn, dat hetgeen hij gezegd en gedaan heeft, niet de bedoeling had om verdriet te veroorzaken; maar het is toch zeer smartelijk voor het hart, dat zo teer over hem waakt. Zij ziet een toenemende onverschilligheid voor alles wat goed is, en een kwalijk verholen voornemen om de afzichtelijke kant van het leven te zien. Zij weet iets, en vreest meer, aangaande zijn tegenwoordige toestand. En is er bezorgd over, dat hij van de ene zonde in de andere zal vervallen, tot hij zich voor dit leven en het toekomende te gronde richt. O vrienden, het is voor een hart, dat genade kent, een zeer grote smart een onbekeerd kind te hebben. En vooral als dat kind de lieveling van zijn moeder is, haar enige zoon, en zij een eenzame vrouw, wier echtgenoot van haar zijde is weggerukt. De geestelijke dood steeds duidelijker waar te nemen in iemand, die ons zo dierbaar is, is een diepe smart, welke menige moeder in het verborgen doet treuren en haar ziel doet uitstorten voor God. Menige Hanna is een vrouw geworden, bezwaard van geest door haar enigst kind. Hoe treurig, dat Hij, die haar tot de meest blijde onder de vrouwen diende te hebben gemaakt, haar leven met bitterheid heeft vervuld. Menig moeder heeft zoveel leed over haar zoon gedragen, dat zij bijna gedrongen werd om uit te roepen: “Gave God, dat hij nooit geboren was!” Duizenden van zulke gevallen bestaan er. Als dat ook met u het geval is, mijn vriend, neem dan mijn woorden ter harte en denk er over na.

De oorzaak van de smart ligt hier: Wij treuren er over, dat zij in zulk een toestand verkeren. In dit verhaal, dat vóór ons ligt, weende de moeder, omdat haar zoon dood was. En wij gevoelen smart, omdat onze jonge vrienden geestelijk dood zijn. Er is een leven, oneindig hoger dan het leven, hetwelk ons stoffelijk deel bezielt. En o, dat gij dat allen kende! Gij, die onvernieuwd zijt, weet niets aangaande dit ware leven. O, hoezeer wensen wij, dat dit wel het geval mocht zijn! Het schijnt ons een verschrikkelijke zaak toe, dat gij dood zijt voor God, dood voor Christus, dood voor de Heilige Geest. Het is inderdaad treurig, dat gij dood zijt voor die goddelijke waarheden, welke het vermaak en de sterkte van onze ziel zijn; dood voor die heilige beweegredenen, welke ons terughouden van het kwade en ons aansporen tot de deugd; dood voor die geheiligde blijdschap, welke ons dikwijls zeer nabij de poorten van de hemel brengt. Wij kunnen niet naar een dode zien en dan blijdschap gevoelen, wie het ook mag zijn; een lijk, hoe fijn ook aangekleed, is een treurig gezicht. Wij kunnen niet op u zien, gij arme, dode zielen, zonder uit te roepen: “o God, zal het altijd zo zijn? Zullen niet de dorre doodsbeenderen leven? Zult Gij hun geen leven instorten?” De apostel spreekt van een die haar wellusten volgde. En hij zegt van haar: “Zij is levende gestorven.” Tal van personen zijn dood in betrekking tot alles, wat het meest waar, het meest edel, het meest goddelijk is; en toch zijn zij in andere opzichten vol leven en bedrijvigheid. O welk een gedachte, dat zij dood zijn voor God, en toch zo vol vrolijkheid en levenslust! Verwondert u er niet over, dat wij leed over hen dragen.

Wij treuren ook, omdat wij de hulp en de troost missen, welke zij ons dienden te verschaffen. Deze moeder, weduwe tegelijk, droeg ongetwijfeld rouw over haar zoon, niet alleen omdat hij gestorven was, maar ook omdat zij in hem haar aardse steun verloren had. Zij moet hem beschouwd hebben als de staf van haar ouderdom en haar troost in haar eenzaamheid. “Zij was weduwe.” Ik betwijfel of iemand anders dan een weduwe de volle smart verstaat, die in dit woord opgesloten ligt. Wij kunnen ons door medegevoel in de plaats stellen van een, die haar wederhelft, haar levensgezel verloren heeft; maar het teerste medegevoel kan niet ten volle de ontstane breuk en het gevoel van verlatenheid vanwege het gemis van de geliefde beseffen. “Zij was weduwe” – de zin luidt als een doodsklok. Doch, was de zon van haar leven ondergegaan, een ster scheen er nog. Zij had een zoon, een lieve zoon, die voor haar de belofte was van rijke vertroosting. Hij zou ongetwijfeld in haar behoeften voorzien, haar in haar eenzaamheid opvrolijken. En in hem zou haar echtgenoot herleven. En zijn naam zou blijven bestaan onder de levenden in Israël. Zij kon op hem leunen als zij naar de synagoge ging; des avonds zou zij hem bij zich hebben als hij van zijn werk terug was en zo zou het kleine huisgezin bijeenblijven en niet alle vrolijkheid geweken zijn. Helaas! Die ster is in de donkerheid verzwolgen. Hij is gestorven, en vandaag wordt hij naar het kerkhof gebracht. Geestelijk is het met ons evenzo in betrekking tot onze onbekeerde verwanten. Met betrekking tot u, die dood zijt in de zonde, gevoelen wij, dat wij de hulp en de troost missen, welke wij van u behoorden te ontvangen in ons dienen van de levende God. Wij hebben op allerlei plaatsen jeugdige arbeiders nodig – in ons zondagsschoolwerk, onze zending onder de massa’s en in allerlei dienst voor de Heere, waaraan ons hart hangt. Het is een reusachtige last, die wij dragen. En wij verlangen er naar, dat onze zonen hun schouders er onder zetten. Wij zagen er naar uit, dat gij opgroeide in de vreze Gods en zij aan zij naast ons kwam te staan in de grote strijd tegen het kwade en in heilige arbeid voor de Heere Jezus. Maar gij kunt ons niet helpen, want gij staat zelf aan de verkeerde kant. Helaas, helaas! Gij staat ons in de weg, daar gij oorzaak zijt, dat de wereld zegt: “Ziet eens aan hoe die jongelieden te werk gaan !” Wij moeten onze gedachten, onze gebeden en onze pogingen aan u ten koste leggen, die misschien nuttig aan anderen besteed waren. Onze zorg voor gindse grote, donkere wereld, die overal om ons heen ligt, is zeer drukkend. Maar gij deelt die niet met ons. De mensen komen om door gebrek aan kennis, en gij helpt ons niet om te trachten hun het nodige onderricht te geven.

Een andere smart is, dat wij geen gemeenschap met hen kunnen hebben. De moeder te Naïn kon geen gemeenschap met haar geliefde zoon hebben, nu hij gestorven was, want de doden weten van niets. Hij kan nooit tot haar spreken en zij niet tot hem, want hij ligt op de baar: “een dode werd uitgedragen. O, mijn vrienden, sommigen van u hebben dierbare betrekkingen, die gij lief hebt en die u lief hebben; maar zij kunnen in ‘t geheel geen geestelijke gemeenschap met u houden, noch hij met hen. Gij buigt nimmer gezamelijk uw knieën in het huiselijk gebed; nooit stemmen uw harten samen om in het geloof u te wenden tot God ter voorziening in de noden van uw huis. O jongeling, wanneer het hart van uw moeder opspringt van vreugde, omdat de liefde van Christus in haar ziel wordt uitgestort, kunt gij haar blijdschap niet verstaan. Wat zij gevoelt is voor u een geheimenis. Indien gij een zoon zijt, die zijn plicht kent, zegt gij niets oneerbiedigs aangaande haar godsdienst; maar toch kunt gij in haar droefheid of in haar blijdschap niet met haar meegevoelen. Tussen uw moeder en u bestaat er ten aanzien van het allerbeste een kloof, even wijd alsof gij werkelijk dood op de baar lag en zij wenende bij uw lijk stond. Ik herinner mij, hoe ik in het uur van overweldigende angst, toen ik vreesde, dat mijn geliefde vrouw spoedig van mijn zijde zou worden weggenomen, vertroost werd door de liefdevolle gebeden van mijn twee lieve zoons: wij hadden gemeenschap niet slechts in onze smart, maar ook in ons vertrouwen op de levende God. Wij knielden gezamenlijk en stortten onze harten uit voor God, en wij werden vertroost. Hoe heb ik God gedankt, dat ik in mijn kinderen zulk een zoete steun had! Maar neem u eens aan, dat het goddeloze jongelingen geweest waren! Ik zou tevergeefs naar heilige gemeenschap en naar hulp bij de troon der genade hebben uitgezien. Helaas! In menige huishouding kan de moeder geen gemeenschap hebben met haar zoon of dochter op dat punt, hetwelk van het hoogste belang en de grootste betekenis is, omdat zij geestelijk dood zijn, terwijl zij in nieuwigheid des levens wandelt door de werking van de Heilige Geest.

Bovendien, de geestelijke dood brengt spoedig zichtbare oorzaken van smart voort. In het verhaal dat vóór ons ligt, was de tijd gekomen, dat het lichaam van haar zoon begraven moest worden. Zij kon niet wensen dat dode lichaam langer bij zich in huis te hebben. Het is voor ons een teken van de verschrikkelijke macht van de dood, dat hij de liefde met betrekking tot het lichaam overwint. Abraham beminde zijn Sara; maar na een ogenblik tijd moest hij tot de kinderen Heths zeggen: “Geeft mij bij u een begraafplaats in bezit, opdat ik daar mijn dode begrave.” Het gebeurt in sommige treurige gevallen, dat het karakter zo slecht wordt, dat er geen genoegen in het leven kan gesmaakt worden, zolang de afgedwaalde binnen de huiselijke kring is. Wij hebben ouders gekend, die gevoelden, dat zij hun zoon niet bij zich in huis konden hebben, zo dronken, zo losbandig was hij geworden. Niet altijd verstandig, maar soms bijna van nood, wordt het plan gevormd de onverbeterlijke jongeling naar een verafgelegen kolonie te sturen, in de hoop, dat het beter met hem wordt, wanneer hij niet meer onder verderfelijke invloeden staat. Hoe zelden heeft zulk een jammerlijke proefneming de gewenste uitslag! Ik heb moeders gekend, die niet aan haar zoons konden denken, zonder weeën te gevoelen veel bitterder dan die zij bij hun geboorte ondervonden. Wee, wee hem, die oorzaak is van zulk een verbreking van het hart Welk een jammerlijke zaak is het, wanneer de schoonste hoop van de liefde langzamerhand in wanhoop wegsterft, wanneer liefdevolle begeerten ten laatste het rouwkleed aantrekken en van gebeden der hoop in tranen van spijt veranderen! Woorden van vermaning roepen zulk een hartstochtelijkheid en godslastering te voorschijn, dat er uit voorzichtigheid dikwijls maar gezwegen wordt. Dan hebben wij de dode jongeling vóór ons, die naar zijn graf gebracht wordt. Een smartelijke stem zucht: “Hij is aan de afgoden overgegeven, laat hem varen.” Richt ik thans het woord tot iemand, wiens leven het tedere hart verkankert van haar, die hem het aanzijn gaf? Spreek ik tot iemand, wiens uitwendig gedrag ten laatste zo afschuwelijk goddeloos geworden is, dat hij een dagelijkse dood is voor hen, die hem het leven schonken? O jongeling, kunt gij het verdragen daaraan te denken? Zijt gij dan in steen veranderd? Ik kan nog niet geloven, dat gij zonder een bitter pijnlijk gevoel de gebrokenheid van het hart van uw ouders aanschouwt. God verhoede, dat het ooit zover komt!

Wij treuren ook vanwege de toekomst van mensen, die dood zijn in de zonde. De moeder, van welke de zoon reeds in die mate een prooi van de dood was, dat hij begraven en uit het gezicht gebracht moest worden, was er zich verder zeer wel van bewust, dat in het graf, waarheen hij gevoerd werd, iets ergers zou geschieden. Het was onmogelijk voor haar kalm te denken aan het verderf, hetwelk zonder ontwijken de dood op de hielen volgt. Wanneer wij er aan denken, wat er van u zal worden, die de Heere Christus weigert aan te nemen, worden wij met angst en schrik vervuld. “Na de dood het oordeel.” Wij zouden gemakkelijker in bijzonderheden kunnen afdalen ten aanzien van een verrottend lichaam, dan nauwkeurig de toestand te beschrijven van een ziel, die voor eeuwig verloren is. Wij durven niet vertoeven aan de mond van de hel; maar wij zijn genoodzaakt u te herinneren, dat er een plaats is, “waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.” Er is een plaats, waar zij moeten verkeren, die van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid van Zijn sterkte verdreven zijn. Het is een onuitstaanbare gedachte, dat gij zou worden geworpen “in den poel des vuurs, welke is de tweede dood.” Het verwondert mij niet, dat zij, die niet eerlijk met u omgaan, bevreesd zijn u dit te zeggen, en dat gij zelf tracht zulks in twijfel te trekken; maar met de Bijbel in de hand en een consciëntie in de boezem kunt gij niet anders dan het ergste vrezen, indien gij blijft buiten Jezus en het leven, dat Hij om niet geeft. Indien gij blijft zoals gij zijt, en in uw zonde en ongeloof tot het einde van uw leven volhardt, dan kan het niet anders of gij moet veroordeeld worden in de dag van het gericht. De meest plechtige verklaringen van het Woord van God verzekeren u, dat “die niet gelooft, verdoemd zal worden.” Het hart breekt ons, wanneer wij er aan denken, dat dit met iemand van u het geval kan zijn. Gij hebt op de knie van uw moeder gespeeld en haar met onstuimige liefde op de wangen gekust; en wilt gij dan nu gaarne voor altijd van haar gescheiden zijn? Uw vader had hoop, dat gij zijn plaats in de kerk van God zou innemen; hoe het komt, dat gij er u zelfs niet over bekommert of gij hem naar de hemel volgt? Denk er aan, de dag komt, wanneer “de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.” Ziet gij af van alle hoop om te zijn bij uw vrouw, uw zuster, uw moeder aan de rechterhand Gods? Gij kunt niet wensen, dat zij met u ter helle varen; gij hebt dan geen begeerte om met haar naar de hemel te gaan? “Komt, gij gezegenden,” zal de stem van Jezus zijn tot degenen, die hun genadige Zaligmaker navolgden. En “gaat weg van mij, gij vervloekten in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is,” moet het vonnis zijn over allen, die weigeren aan de Heere te worden gelijk gemaakt. Waarom wilt gij, dat uw deel zal zijn met de vervloekten?

Ik weet niet of gij het gemakkelijk vindt mij deze morgen te horen. Ik vind het zeer moeilijk tot u te spreken, omdat mijn lippen niet in staat zijn het gevoel van mijn hart uit te drukken. O dat ik de machtige zeggingskracht had van een Jesaja of de hartstochtelijke klaagliederen kon doen horen van een Jeremia, om daarmee uw aandoeningen en uw vreze op te wekken! Doch de Heilige Geest kan ook mij gebruiken. En ik smeek Hem, dat Hij het doen zal. Het is genoeg. Ik ben er zeker van, dat gij inziet, dat de geestelijke doden grote smart veroorzaken aan degenen onder hun familieleden, die geestelijk levend zijn.

II.

Laat mij nu tot opbeuring het tweede deel van mijn verhandeling bij u inleiden, hetwelk tot onderwerp heeft: VOOR ZULK EEN SMART IS ER SLECHTS ÉÉN HELPER, MAAR EEN HELPER IS ER DAN TOCH.

Deze jongeling wordt uitgedragen om begraven te worden; maar onze Heere Jezus Christus ontmoette de begrafenisstoet. Let nauwkeurig op de “samenloop van omstandigheden,” zoals twijfelzuchtige lieden dat noemen, maar wij noemen het, naar de Schrift, het bestuur van de goddelijke voorzienigheid. Dit is een prachtig onderwerp voor een anderen keer. Neemt dit ene geval. Hoe kwam het, dat de jongeling juist toen stierf? Hoe kwam het, dat juist dit uur uitgekozen was voor zijn begrafenis? Misschien omdat het avond was; maar zelfs dat kon het juiste ogenblik nog niet vaststellen. Waarom schikte de Zaligmaker het die dag zo, dat Hij vijf en twintig mijlen reisde, zodat Hij des avonds te Naïn aankwam? Hoe was dat zo, dat Hij juist toen van een kant kwam, welke Hem er op natuurlijke wijze toe leidde door die bijzondere poort binnen te gaan, door welke de dode zou worden uitgedragen? Ziet, Hij stijgt de heuvel op naar het stadje op hetzelfde ogenblik, dat het hoofd van de stoet uit de poort komt. Hij ontmoet de dode voor de plaats van de begrafenis bereikt is. Een weinig later en hij zou begraven zijn; een weinig vroeger en hij zou thuis geweest zijn, liggende in het donkere vertrek. En wellicht had niemand de aandacht van de Heere op hem gevestigd. De Heere weet hoe alle dingen te schikken; Zijn bestel komt op uit het tikken van de klok. Ik hoop, dat er deze morgen een groot doel bereikt moet worden. Ik weet niet, waarom gij, mijn vriend, hier gekomen zijt op een dag, dat ik juist over dit onderwerp handel. Het was misschien eerst uw plan niet om hierheen te gaan, maar ge zijt er dan toch. En Jezus is hier ook; Hij is hier met opzet gekomen om u te ontmoeten en u levend te maken, opdat gij in nieuwigheid des levens zou wandelen. Dat alles is geen toeval; eeuwige besluiten hebben het alles zo beschikt. En wij zullen spoedig zien, dat het zo is. Waar gij geestelijk dood zijt, ontsmet Hij u, in Wie het eeuwige leven is.

De gezegende Zaligmaker zag alles met een oogopslag. Uit die stoet koos Hij haar uit, die het zwaarste leed droeg en las tot in het binnenste van haar hart. Hij was altijd teder tegenover moeders. Hij vestigde Zijn oog op die weduwe; want Hij wist, dat zij dit was zonder dat men Hem met dit feit had bekendgemaakt. De dode is haar enige zoon: Hij merkt alle bijzonderheden op en heeft er een diep en innig gevoel van. O jongeling, Jezus weet alles aangaande u. Niets is voor Zijn oneindig verstand verborgen. Het hart van uw moeder en uw eigen hart zijn beide voor hem geopend. Jezus, Die deze morgen onzichtbaar tegenwoordig is, richt op dit ogenblik Zijn ogen op u. Hij heeft de tranen gezien van degenen, die om u geweend hebben. Hij ziet, dat sommigen van hen aan u wanhopen en in hun grote bekommering handelen als rouwdragers bij uw begrafenis.

Jezus zag dit alles, en wat meer was, drong daarin door. O, hoe moesten wij onze Heere liefhebben, dat Hij zulk een aandacht wijdt aan onze bekommernissen, en voornamelijk aan onze geestelijke bekommernissen omtrent de zielen van anderen! Gij, waarde onderwijzer, wenst, dat uw klas behouden wordt: Jezus stemt met u in. Gij, waarde vriend, zijt zeer naarstig geweest om zielen te winnen. Weet, dat gij in dit alles medearbeiders Gods zijt. Jezus weet alles aangaande onze arbeid in het belang van de zielen, en Hij is het daarin met ons eens. Onze arbeid is niets anders dan Zijn eigen arbeid in ons herhaald naar de geringe mate van onze krachten. Wanneer Jezus in ons werk doordringt, kan het niet feilen. Dring, o Heere, op dit uur in mijn werk door en zegen dit zwakke woord voor mijn hoorders! Dit is mijn bede. Ik weet, dat honderden gelovigen daarop amen zeggen. Hoe mij dit verheugt!

Onze Heere toonde hoezeer Hij doordrong in de smartelijke stand van zaken door eerst tot de weduwe te zeggen: “Ween niet.” Op dit ogenblik zegt hij tot u, die biddende en worstelende zijt in het belang van de zielen: “Wanhoopt niet! Treurt niet als degenen, die geen hoop hebben! Het is Mijn bedoeling u te zegenen. Gij zult u nog verheugen over het leven, dat aan de daden geschonken wordt.” Laat ons moed grijpen en alle ongelovige vreze verbannen.

Onze Heere ging daarop naar de baar, legde maar even Zijn vinger daarop, en de dragers stonden uit eigen beweging stil. Onze Heere weet zonder een woord te spreken dragers te doen stilstaan. Misschien wordt heden gindse jongeling verder in de zonde gedragen door de vier dragers: zijn natuurlijke hartstochten zijn ongelovigheid, zijn slecht gezelschap en zijn liefde tot de sterke drank. Het is mogelijk. dat genotzucht en hoogmoed, eigenwilligheid en godvergetenheid de vier hoeken van de baar dragen; maar onze Heere kan door Zijn geheimzinnige macht de dragers doen stilstaan. Boze invloeden zijn machteloos geworden, de mens weet niet hoe.

Toen zij geheel stilstonden kwam er beweging. De discipelen stonden rondom de Heere, de rouwdragers omringden de weduwe, en de twee scharen zagen elkander aan. Er was een kleine tussenruimte, en Jezus en de dode bevonden zich in het midden. De weduwe schoof haar sluier weg, en door haar tranen heen blikkend, wachtte zij in verwondering af wat er komen zou. De Joden, die uit de stad kwamen, hielden halt, gelijk ook de dragers gedaan hadden. Stil! Stil! Wat zal Hij doen? In die diepe stilte hoorde de Heere de onuitgesproken gebeden van die weduwvrouw. Ik twijfel er niet aan of haar ziel begon te fluisteren, half in hope en half in vreze: “O, dat Hij mijn zoon mocht opwekken!” In ieder geval, Jezus hoorde het klapwieken van de vleugelen der begeerte, indien niet van het geloof. Voorzeker, er lag een sprake in haar ogen, terwijl zij op Jezus staarde, Die zo plotseling verschenen was. Laat ons hier even stil zijn als het toneel, dat ons bezighoudt. Laat ons enkele minuten ophouden en God bidden om thans dode zielen op te wekken. (Hier volgde een pauze, veel stil gebed en vele tranen.)

III.

Die beweging duurde niet lang, want spoedig begon de Grote Levendmaker met Zijn genadig werk. Dit is ons derde punt: JEZUS KAN HET WONDER VAN HET SCHENKEN VAN HET LEVEN WERKEN. Jezus Christus heeft het leven in Zich zelf. En Hij maakt levend die Hij wil. Joh. 5 : 21. Zulk een leven is er in Hem, dat “die leeft en in Hem gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.” Onze gezegende Heere ging onmiddellijk op naar de baar. Wat lag daar vóór Hem? Het was een lijk. Hij kon van die levenloze klomp geen hulp ontvangen. De toeschouwers waren er zeker van dat hij gestorven was, want zij droegen hem uit om hem te begraven. Geen bedrog was er mogelijk want zijn eigen moeder geloofde, dat hij dood was, en gij kunt er zeker van zijn, dat als er nog een sprankje leven in hem was geweest, zij hem niet zou hebben overgegeven aan de kaken van het graf. Er was alzo geen hoop geen hoop van de dode, geen hoop van één uit de schare, hetzij onder de dragers of onder de discipelen. Zij waren allen in dezelfde mate machteloos. Evenzo kunt ook gij, o zondaar, u zelf niet redden, niemand van ons kan het, wij allen te samen kunnen het niet.

Er is geen hulp voor u, dode zondaar, onder de hemel. Geen hulp in u zelf of in hen, die u het meest beminnen. Maar ziet, de Heere heeft hulp besteld bij de Machtige. Indien Jezus ook maar de minste hulp nodig heeft, gij kunt ze niet verstrekken, want gij zijt dood in de zonden. Daar ligt gij dood op de baar, en niets anders dan de souvereine macht van het goddelijk alvermogen kan u hemels leven instorten. Uw hulp moet van boven komen. Terwijl de baar stilstond, sprak Jezus tot de dode jongeling, sprak Hij tot hem persoonlijk: “Jongeling, Ik zeg u: Sta op!” O Meester, spreek deze morgen persoonlijk tot een jongeling, of, als Gij wilt, tot een oude man, of tot een vrouw; maar spreek zodanig, dat hun hart geraakt wordt. Het doet er voor ons niet toe waar de stem van de Heere neervalt. O, dat zij nu degenen, die rondom mij zijn, mocht roepen, want ik gevoel, dat er, het ganse gebouw door, doden zijn. Ik sta met baren om mij heen en doden er op. Heere Jezus, zijt Gij hier niet? Wat wij nodig hebben, is Uw persoonlijke roeping. Spreek, Heere, wij smeken het u.

“Jongeling,” zei Hij, “sta op!” en Hij sprak alsof de man levend was geweest. Dit is de weg van het evangelie. Hij wachtte niet tot Hij tekenen van leven zag, voor Hij hem beval op te staan; maar tot de dode zei Hij: “Sta op!” Dit is het voorbeeld van het prediken van het evangelie; in de naam van de Heere Jezus spreken Zijn uitgezonden dienstknechten tot de doden alsof zij levend waren. Sommigen van mijn broederen maken daar aanmerking op, en zeggen, dat dit ongerijmd en dwaas is; maar het gehele Nieuwe Testament door wordt alzo gehandeld. Daar lezen wij: “Staat op van de doden, en Christus zal over u lichten.” Ik doe geen pogingen om dit met elkaar overeen te brengen; het is meer dan genoeg voor mij, dat ik zo het Woord van God lees. Wij moeten de mensen uitnodigen om te geloven in de Heere Jezus Christus, ofschoon wij zeer wel weten, dat zij dood zijn in de zonde en dat het geloof het werk is van de Geest van God. Ons geloof stelt ons in staat in Gods naam aan dode mensen te bevelen, dat zij moeten leven, en zij leven werkelijk. Wij zeggen tot ongelovige mensen, dat zij moeten geloven in Jezus, het woord gaat met kracht vergezeld, en Gods uitverkorenen geloven. Het is door dit woord van het geloof, hetwelk wij prediken, dat de stem van Jezus door de mensen gehoord wordt.

De jongeling, die niet kon opstaan, want hij was dood, stond nochtans op, toen Jezus het hem gelastte. Evenzo wordt, wanneer de Heere door Zijn dienaren spreekt, het bevel van het evangelie: “Gelooft en gij zult leven,” gehoorzaamd, en de mensen leven. Maar de Zaligmaker, zoals gij opmerkt, sprak met Zijn eigen gezag: “Jongeling, Ik zeg u, sta op!” Noch Elia, noch Elisa konden aldus uitgesproken hebben; maar Hij, Die aldus sprak, was waarlijk God uit God. Ofschoon in het menselijk vlees gehuld en met nederigheid bekleed, was Hij diezelfde God, Die zei: “Er zij licht,” en daar was licht. Indien iemand van ons door het geloof kan zeggen; “Jongeling sta op!” kunnen wij het alleen zeggen in Zijn naam. Wij hebben geen gezag dan wat wij aan Hem ontlenen. Jongeling, de stem van Jezus kan doen wat uw moeder niet kan. Hoe dikwijls heeft haar zoete stem u vriendelijk uitgelokt om tot Jezus te komen, maar tevergeefs. O dat de Heere Jezus inwendig tot u mocht spreken! O dat Hij mocht zeggen: “Jongeling, sta op!” Ik vertrouw, dat terwijl ik spreek, de Heere in stilte in uw hart spreekt door Zijn Heilige Geest. Ik gevoel mij er zeker van, dat dit zo is. Indien het zo is, doet een zachte beweging van de Geest u overhellen tot berouw en wordt gij over gebogen om uw hart aan Jezus te geven. Deze dag zal een gezegende dag zijn voor de geestelijk dode jongeling, indien hij nu zijn Zaligmaker aanneemt en zich overgeeft om door genade vernieuwd te worden. Neen, mijn arme broeder, zij zullen u niet begraven! Ik weet dat gij zeer slecht geweest zijt en er is wel reden om aan u te wanhopen, maar zolang Jezus leeft, kunnen wij u niet opgeven.

Het wonder werd in eens verricht; want deze jongeling zat, tot verbazing van allen die hem omringden, overeind. Het was een wanhopig geval, maar de dood werd overwonnen, want hij zat overeind. Hij was teruggeroepen van de binnenste kerker van de dood, van de mond van het graf; maar hij zat overeind, toen Jezus hem riep. Er was geen maand of een week, zelfs geen uur, neen niet eens vijf minuten voor nodig. Jezus zei: “Jongeling, sta op!” En hij, die dood geweest was, zat overeind en begon te spreken. In een ogenblik kan de Heere een zondaar redden. Eer de woorden, die ik spreek, ternauwernood uw oor kunnen hebben bereikt, kan de goddelijke lichtstraal, welke u het eeuwige leven geeft, uw borst hebben doorboord en gij zult een nieuw schepsel zijn in Jezus Christus, dat van dit uur af in nieuwigheid des levens begint te wandelen, om u niet meer geestelijk dood te gevoelen of tot uw vroegere verdorvenheid terug te keren. Een nieuw leven, een nieuw gevoel, nieuwe liefde, nieuwe hoop, nieuw gezelschap zal uw deel zijn, omdat gij van de dood zijt overgegaan in het leven. Bidt God, dat het alzo moge geschieden, want Hij zal ons horen.

IV.

Onze tijd spoedt heen en ofschoon wij een uitgebreid onderwerp hebben, mogen wij ons niet langer ophouden. Ik moet sluiten met op te merken, DAT DIT ZEER GROTE GEVOLGEN ZAL OPLEVEREN. Het leven te geven aan de doden is geen kleinigheid.

De grote gevolgen waren openbaar. In de eerste plaats in de jongeling. Zou gij hem gaarne willen zien gelijk hij was? Zou ik het wagen het doodslaken voor zijn aangezicht weg te trekken? Ziet daar wat de dood gedaan heeft. Hij was een schoon jongeling. Voor het oog van zijn moeder was hij de spiegel van de mannelijkheid. Welk een bleekheid is er op dat gelaat! Hoe diep zijn de ogen weggezonken! Uw gevoel wordt onaangenaam aangedaan. Ik zie, dat gij het gezicht niet kunt verdragen. Komt, blikt in dit graf, waar het bederf verder gegaan is in zijn werk. Bedekt hem voor het gezicht! Wij kunnen het niet verdragen naar het verterende lichaam te zien. Maar wanneer Jezus Christus gezegd heeft: “Sta op!” welk een verandering heeft er dan plaats! Nu mag ge hem aanzien. Zijn blauw oog heeft het licht van de hemel in zich; zijn lippen hebben een gezonde, rode kleur; zijn voorhoofd is helder en sprekend. Let op zijn gezonde gelaatskleur, in welke de roos en de lelie lieflijk om het meesterschap kampen. Welk een frisheid is er aan hem, als van de dauw van de morgen! Hij is dood geweest, maar nu leeft hij. En geen spoor van de dood is bij hem aanwezig. Terwijl gij naar hem ziet, begint hij te spreken. Welk een muziek voor het oor van zijn moeder! Wat heeft hij gezegd? Wel, dat kan ik u niet zeggen. Spreekt zelf als een pas levend gemaakte, en dan zal ik horen wat gij zegt. Ik weet wat ik gezegd heb. Ik geloof, dat het eerste woord, dat ik gezegd heb, toen ik levend gemaakt werd, was: “Halleluja!” Daarna ging ik naar huis, naar mijn moeder, en vertelde haar, dat de Heere mij ontmoet had. De woorden worden hier niet weergegeven. Het doet er weinig toe welke die woorden waren, want ieder woord was er een bewijs van, dat hij levend was. Indien gij de Heere kent, geloof ik, dat gij zult spreken van hemelse dingen. Ik geloof niet, dat onze Heere Jezus een stom kind in Zijn huis heeft: zij allen spreken tot Hem en de meesten onder hen spreken van Hem. De nieuwe geboorte openbaart zich zelf in belijdenis van Christus en lof van Christus. Ik sta er u borg voor, dat zijn moeder, toen zij hem hoorde spreken, geen aanmerkingen maakte op hetgeen hij zei. Zij zei niet: “Die zin komt niet overeen met de regels van de spraakkunst.” Zij was maar al te blij, dat zij hem hoorde spreken, zodat zij niet al de uitdrukkingen, welke hij gebruikte, nauwkeurig onderzocht. Pas gezaligde zielen spreken dikwijls op een wijze, welke zich na verloop van jaren en na een zekere ervaring niet laat rechtvaardigen. Gij hoort dikwijls van een opwekkingssamenkomst zeggen, dat er heel wat opwinding was en dat sommigen van de pas bekeerden buitensporig redeneerden. Dat is zeer waarschijnlijk; maar indien er waarachtige genade in hun ziel was, en zij getuigenis aflegden van de Heere Jezus, zou ik voor mij niet gaarne een streng oordeel over hen vellen. Verblijdt u, indien gij maar enig bewijs kunt zien, dat zij wedergeboren zijn en let wel op hun verdere leven. Voor de jongeling zelf was een nieuw leven begonnen – het leven uit de doden.

Er was ook een nieuw leven begonnen in betrekking tot zijn moeder. Welk een grote uitkomst was voor haar de opwekking van haar gestorven zoon! Vanaf nu zou hij dubbel dierbaar zijn. Jezus hielp hem van de baar af naar beneden, en gaf hem over aan zijn moeder. De woorden, die Hij gebruikte, worden ons niet vermeld; maar wij zijn er zeker van, dat de aanbieding op de bekoorlijkste wijze plaats had, en dat Hij de zoon aan de moeder teruggaf gelijk men een kostelijke gave aanbiedt. Met een majestueus welgevallen, hetwelk steeds met Zijn neerbuigende goedheid gepaard gaat, zag Hij op die gelukkige vrouw. En Zijn blik was helderder voor haar dan het licht des morgens, terwijl Hij tot haar zei: “Ontvang uw zoon.” De vreugdevolle aandoening van haar hart was zodanig, dat zij dit nooit zou vergeten. Merkt nauwkeurig op, dat onze Heere, wanneer Hij aan jonge mensen het nieuwe leven instort, niet verlangt hen met Zich mee te nemen van het huis, waar hun eerste plicht rust. Hier en daar wordt er een geroepen om apostel of gezant te zijn; maar gewoonlijk verlangt Hij, dat zij huiswaarts gaan naar hun vrienden, en hun ouders zegenen, en hun familieleden gelukkig en heilig maken. Hij biedt de jongeling niet aan de priester aan, maar Hij geeft hem over aan zijn moeder. Zegt niet: “Ik ben bekeerd, en daarom kan ik mij in het geheel niet meer met mijn zaak bemoeien, of trachten door mijn bedrijf mijn moeder te ondersteunen.” Dat zou het bewijs leveren, dat gij volstrekt niet tot bekering gekomen waart. Gij kunt misschien wel in een paar jaar tijd zendeling worden als gij daar geschikt voor zijt; maar gij moet niet met onstuimig geweld u willen begeven tot iets, waarvoor gij geen opleiding hebt ontvangen. Gaat vooreerst maar eens naar huis, naar uw moeder. Maak uw huisgenoten gelukkig, vervrolijk het hart van uw vader en wees een zegen voor uw broers en zusters; laat hen blij zijn, want “deze was dood, en hij is weer levend geworden; hij was verloren, en is gevonden”.

Wat was verder het gevolg? Dit, dat al de buren God vreesden en verheerlijkten. Indien gindse jongeling, die gisteravond nog op het concert en bal was en een nacht of wat geleden zo goed als dronken thuis kwam; indien die jongeling wedergeboren wordt, zullen allen om hem heen zich daarover verwonderen. Indien die jongeling, die door drank en spel of door andere verkeerde handelingen zijn betrekking is kwijtgeraakt, gered wordt, zullen wij allen gevoelen, dat God zeer nabij ons is. Indien die jongeling, die begonnen is zich met slechte vrouwen af te geven en in andere verkeerde dingen te vervallen, er toe geleid wordt om rein van gemoed en aantrekkelijk te zijn, zal dit de harten van hen, die hem omringen, met ontzag vervullen. Hij heeft vele anderen op de verkeerde weg gebracht, en als de Heere hem nu terugbrengt, zal dat een grote opschudding geven. De mensen zullen vragen wat toch de reden is van die verandering, en ze zullen inzien, dat er per slot van rekening in de godsdienst dan toch maar een macht ligt. Bekeringen zijn wonderen, die nooit ophouden. Deze buitengewone machtsopenbaringen in de zedelijke wereld zijn in niets minder merkwaardig dan opvallende veranderingen in de stoffelijke wereld. Wij hebben behoefte aan bekering, zo praktisch, zo wezenlijk, zo Goddelijk, dat zij, die twijfelen, niet in staat zullen zijn te twijfelen, omdat zij er de hand Gods in zien.

Merkt tenslotte op, dat deze gebeurtenis niet alleen de buren verbaasd deed staan en indruk op hen maakte, maar dat het gerucht daarvan zich alom verspreidde. Wie weet wat er gebeurt indien er deze morgen een bekeerling gemaakt wordt. Kunnen de gevolgen van die bekering gedurende duizenden van jaren gevoeld worden? Als de wereld zo lang staat, ja, zij zullen gevoeld worden, wanneer duizend maal duizend jaren voorbijgegaan zijn, tot in aller eeuwen eeuwigheid. Bevende heb ik deze morgen een gladde steen in de beek laten vallen. Hij is gevallen uit een zwakke hand, maar met een welmenend hart. Uw tranen hebben doen zien, dat de wateren bewogen zijn. Ik merk het eerste kringetje op de oppervlakte. Andere en wijdere kringen zullen er volgen, wanneer de leerrede besproken en gelezen wordt. Wanneer gij naar huis gaat en vertelt wat God aan uw ziel gedaan heeft, zal er een wijder kring zijn. En indien het mocht gebeuren, dat de Heere de mond ging openen van een van de bekeerlingen van dezen morgen om Zijn Woord te prediken, dan kan niemand zeggen hoe wijd de kring worden zal. Kring op kring zal het woord zelf verspreiden, totdat de grenzenloze oceaan der eeuwigheid de invloed zal gevoelen van het woord van deze morgen. Neen, het is geen droom van mij. Ons zal geschieden naar ons geloof. Genade, op deze dag door de Heere aan een enkele ziel geschonken, kan voor het gehele mensdom van onberekenbaar gewicht zijn. God verlene Zijn zegen, en het leven tot in eeuwigheid. Bidt veel om een zegen. Waarde vrienden, ik smeek u, om Jezus Christus’ wil, bidt veel voor mij. AMEN.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend