24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Jezus wist wat Hij doen zou

Jezus wist wat Hij doen zou

“Doch dit zeide Hij, hem beproevende, want Hij wist zelf wat Hij doen zou.” Johannes 6:6

Merkt op, waarde vrienden, hoe zorgvuldig de Heilige Geest er voor waakt, dat wij aangaande onze Heere Jezus Christus niet op een dwaalspoor geraken. Hij wist, dat de mens er vatbaar voor is om te lage gedachten van de eeuwig gezegende Zoon van God te koesteren. En dat sommigen die zich christenen noemen, desondanks de godheid van Christus loochenen. En steeds gereed staan om uit alles wat Zijn macht of Zijn kennis schijnt te beperken een bewijsgrond tegen de wezenlijke en werkelijke godheid van de Zaligmaker te smeden. Wij hebben hier een voorbeeld van de zorg van de Geest om te verhinderen, dat wij tot een geheel verkeerde gevolgtrekking vervallen. Onze Heere houdt raad met Filippus. En zegt tot deze discipel: “Van waar zullen wij broden kopen, opdat dezen eten mogen?” Nu zou het kunnen zijn, dat sommigen hieruit gingen afleiden, dat Jezus niet wist wat Hij doen zou. En Zich in verlegenheid bevond. Hieruit zouden zij dan verder de gevolgtrekkingen kunnen maken, dat Jezus niet de almachtige God kan zijn, aangezien onweerlegbaar verlegenheid met almacht niet bestaanbaar is. Waarom zou Jezus Filippus raadplegen, zo Hij alle dingen weet? Nu wil de Heilige Geest er ons voor behoeden om tot lage gedachten van onze grote Heere en Verlosser te komen. En voornamelijk er voor waken dat wij toch niet zover van de waarheid afwijken om te denken dat Hij geen God is. Daarom zegt Hij nadrukkelijk: “Doch dit zei Hij, hem (Filippus) beproevende. Want Hij wist zelf wat Hij doen zou.” Jezus was dus niet bezig bij Filippus inlichtingen in te winnen of hem om raad te vragen, omdat Hij in twijfel stond aangaande de gedragslijn die Hij zou volgen. Of omdat Hij de hulp van Zijn discipel nodig had. Het was er Hem niet om te doen, dat Filippus het brood zou vermenigvuldigen. Hij begeerde echter de vermenigvuldiging van Filippus’ geloof. Wees dus wel op uw hoede, waarde vrienden, dat gij nooit geringe gedachten aangaande de Zaligmaker koestert. Of een van Zijn handelingen toeschrijft aan beweegredenen die aan Zijn eer te kort zouden doen.

Leert hieruit meteen, hoe wij er dagelijks behoefte aan hebben dat de Geest Gods ons ten opzichte van Christus onderricht, aangezien wij zo bijzonder vatbaar zijn voor dwalingen aangaande Christus. Jezus doet eenvoudig aan Filippus de vraag: “Van waar zullen wij broden kopen?” En wij zijn terstond in gevaar om een verkeerd besluit te trekken. Daarom is het, dat de Heilige Geest ons meer aangaande Christus meedeelt, opdat wij aan dit gevaar zouden ontkomen. Doordat Hij ons een beter inzicht geeft in de beweegredenen van onze Heere, verhoedt Hij dat wij Zijn handelingen verkeerd beoordelen. De Geest Gods moet bij ons zijn, of wij zullen Christus zelf niet kennen. Alleen door haar eigen licht zien we de zon. Evenzo zien wij Jezus alleen door Zijn eigen Geest. Heeft Hij niet zelf gezegd: “Hij zal het uit het Mijne nemen en zal het u verkondigen?” Niemand kan Jezus de Heere noemen dan door de Heilige Geest. De Geest moet tot ieder persoonlijk komen. En de Zoon van God aan hem en in hem openbaren. Laat ons daarom niet de Bijbel opnemen en van de gedachte uitgaan, dat wij die terstond zullen verstaan gelijk het geval is met een ander boek. Laat ons integendeel de bede opzenden dat de grote Auteur van zijn inhoud ons de genade schenkt om in de geest daarvan door te dringen, zodat wij de betekenis er van leren verstaan en de kracht er van gevoelen. Zelfs met het onfeilbare woord vóór u zult gij de weg niet kunnen vinden en in schromelijke dwalingen vervallen, tenzij gij van God geleerd zijt. Welk een genade, dat er geschreven staat: “Al uw kinderen zullen van de Heere geleerd zijn.” En wederom: “Gij hebt de zalving van de Heilige. En gij weet alle dingen.” Zonder die zalving en buiten dat goddelijk onderwijs blijven wij van alle kennis ontbloot. Welk een afhankelijke schepselen zijn wij, dat wij zelfs omtrent Jezus Christus zelf op een dwaalspoor geraken, tenzij het de Geest van God behaagt ons aangaande Hem te onderrichten! Wil Gij ons steeds geleiden, o Licht van God!

Een andere zaak die wij uit onze tekst leren voor wij daarin dieper afdalen, is, dat onze Goddelijke Heere steeds een reden heeft voor alles wat Hij doet. Zelfs de reden voor het doen van een vraag kan bij Hem worden nagespoord. Of, zo wij die niet kunnen ontdekken, kunnen wij er toch volkomen zeker van zijn, dat er reden van betekenis voor bestaat. Die reden in het geval met Filippus lag voorzeker niet in gebrek aan kennis bij Hem. Een reden was er echter toch wel: “Doch dit zeide Hij, hem beproevende.” Nu dan, indien er een reden is voor alles wat Jezus vraagt, zo is er nog veel meer een reden voor alles wat Hij doet. Wij kunnen de reden van de uitverkiezing niet aangeven. Wij kunnen niet zeggen waarom deze of die mens uitverkoren is. Er is echter een reden, aangezien God nooit onredelijk handelt. Ofschoon Zijn redenen niet altijd geopenbaard worden. En zo zij al geopenbaard werden, toch mogelijk door ons niet zouden worden verstaan. De soevereiniteit is absoluut, doch er ligt nooit iets tegenstrijdigs in. Er bestaat steeds voor alles wat God in het rijk der genade doet een verklarende oorzaak, ofschoon die oorzaak niet de verdienste is van de persoon die Hij begenadigt. Want verdienste is er niet. In de zaak van uw tegenwoordige moeite en beproeving, waarde vriend, hebt gij getracht het oogmerk van de Almachtige uit te vorsen, zonder echter tot de gewenste uitkomst te geraken. Weet gij niet, dat Zijn wegen onnaspeurlijk zijn? Naar alle waarschijnlijkheid zult gij aan deze zijde van de eeuwigheid nimmer Gods bedoeling met uw tegenwoordige beproeving ontdekken. Dat Hij een bedoeling heeft, is zeker. En die bedoeling is wijs en goed. Zij is een zodanige, dat gij er u zelf in zou verlustigen, indien gij in staat waart om ze te doorgronden. Indien gij gedachten kon hebben gelijk aan die van God, dan zou gij handelen gelijk God doet, ook in deze zaak, welke u verontrust. Uw gedachten zijn verre beneden Gods gedachten. En daarom dwaalt gij, wanneer gij Zijn wegen naar uw maatstaf tracht af te meten. Indien gij met uw hemelse Vader omtrent een zeker verlies of een ziekte twist, zo verootmoedig u en maak vol schaamte aan die twist terstond een einde. O gij, die niet meer dan een kind zijt. Zo het ooit tot de vraag komt, wie er gelijk heeft. Een arm, onwetend, onervaren jeugdig wezen. Of een grote, goede, wijze Vader. Zo behoeven wij geen ogenblik in twijfel te staan. De wil van de Vader moet beter voor het kind zijn dan zijn eigen wil. Onderwerp u aan de Vader der geesten en leef. Geloof in uw Heere en wees stil. Jezus weet wat Hij doet. En waarom Hij het doet. Voor het verlies van uw gezondheid bestaat een reden. Voor die pijnen van het lichaam. Voor die zwaarmoedigheid. Voor dat gemis van voorspoed in uw zaken. Zelfs voor de toelating van de wrede lastertong om u wonden toe te brengen, bestaat een reden. En het is wel mogelijk, dat die reden gelegen is in de woorden van onze tekst: “Dit deed Hij om hem te beproeven.” Gij moet op de proef worden gesteld. God geeft geen geloof, of liefde, of hoop, of enigerlei genadegave, zonder dat Hij de bedoeling heeft ze te beproeven. Als er een spoorwegbrug gebouwd wordt, zo geschiedt dit, opdat er locomotieven over heen zouden gaan, opdat alzo haar draagkracht wordt beproefd. Als er een weg wordt aangelegd, geschiedt dit, opdat het verkeer daarover plaats vindt. Ieder deel daarvan wordt door wielen en hoeven beproefd. Al is het maar, dat er een naald gemaakt wordt, zo moet deze toch beproefd worden door het werk dat er mee kan worden gedaan. Toen de pilaren welke thans deze galerijen ondersteunen, vervaardigd werden, werden zij gemaakt met het doel om een groot gewicht te dragen. En zij hebben nu al twintig jaar uitstekend aan de druk weerstand geboden. Het zou echter een dwaze zaak geweest zijn ze op te richten zonder er een gewicht op te plaatsen. Zo ook was het Gods bedoeling, mijn broeder toen Hij u sterk maakte in de Heere, om alle delen van uw sterkte te beproeven. Want datgene, hetwelk God maakte, heeft een doel. En Hij beproeft het, om te zien of het aan dit doel beantwoordt. Ik geloof niet, dat er een enkel korreltje geloof buiten het vuur lijft. Al het kostelijke erts moet in de smeltkroes om op de proef te worden gesteld. De grote Maker van de gelovigen beproeft al degenen die door Hem in Zijn werkplaats der genade gemaakt worden. Met zware lasten van beproeving. En alleen zij die de proef kunnen doorstaan, ontvangen Zijn merkteken. Wanneer er geen andere verklaring van een goddelijke beschikking kan worden gevonden kunt gij altijd wel weer teruggaan tot het geloof. Dat Hij dit zei en dat Hij dit deed om u te beproeven.

Laten wij ons terstond wenden tot de tekst welke mij toeschijnt veel troost te bevatten. Moge de Heilige Geest er ons inleiden.

In de eerste plaats is hier een vraag voor Filippus. “Van waar zullen wij broden kopen, opdat dezen eten mogen?” Een vraag met een bedoeling. Doch in de tweede plaats is er geen vraag bij de Meester. Want Hij wist zelf wat Hij doen zou. En als wij in de derde plaats in de geest van de Meester doordringen, zal er bij ons een eind aan de vragen komen. Want wij zullen er volkomen over voldaan zijn. Dat Hij weet wat Hij zal gaan doen.

I.

In de eerste plaats dan, HIER IS EEN VRAAG VOOR FILIPPUS, gelijk er vele vragen geweest zijn voor ons. Jezus stelde deze vraag aan Filippus met het doel om hem te beproeven, en wel in verschillende opzichten. Hij wilde aldus zijn geloof beproeven. Gelijk iemand terecht gezegd heeft: “Hij verlangde geen spijze van Filippus, maar geloof.” De Meester vraagt: “Van waar zullen wij broden kopen, opdat dezen eten mogen?” Wat zal Filippus zeggen? Indien Filippus een sterk geloof bezit, zal hij antwoorden: “Grote Meester, het is niet nodig om broden te kopen. Gij zijt groter dan Mozes. En in Mozes’ tijd werd het volk in de woestijn met manna gespijzigd. Gij hebt slechts een woord te spreken en rondom het leger zal het broden regenen. Waarmee zij zich zullen kunnen verzadigen.” Indien Filippus een groot geloof bezeten had, zou hij hebben kunnen antwoorden: “Gij zijt groter dan Elisa, en Elisa nam enige broden en korenaren. En voedde daarmede de zonen van de profeten. O, wonderdoende Heere! Gij kunt hetzelfde doen.” Indien Filippus een nog groter geloof aan den dag had gelegd, had hij kunnen zeggen: “Heere, ik weet niet waar broden te koop zijn. Er staat echter geschreven: de mens zal bij brood alleen niet leven.” Gij kunt zonder zichtbaar brood deze lieden verkwikken. Gij kunt hun honger stillen en hen volop verzadigen, zonder dat zij een enkele bete tot zich nemen. Want er staat geschreven: “De mens zal leven bij alle woord dat uit de mond van God uitgaat.” Spreek slechts een woord. En zij zullen terstond verzadigd worden. Deze vraag werd derhalve gesteld om het geloof van Filippus te beproeven. Zij beproefde het werkelijk. En het bleek zeer klein te zijn want hij begon zijn muntstukjes te tellen: “Een, twee, drie, vier.” Neen; ik zal het niet tot tweehonderd brengen, maar op die manier handelde Filippus wel. Hij begon de geldstukken na te tellen, in plaats van tot de Almacht op te zien. Hebt gij ook wel eens zo gehandeld, waarde vriend, wanneer gij onder de beproeving waart? Zijt gij ook wel eens aan het rekenen en aan het natellen van uw geld gegaan, in plaats van tot de eeuwige God op te zien en uw vertrouwen op Hem te stellen? Ik vrees, dat weinigen van ons kunnen betuigen dat zij van deze misrekening vrij gebleven zijn. In aanmerking genomen, dat zelfs Mozes zich eens aan ongelovige berekeningen overgaf. “En Mozes zeide: zeshonderd duizend te voet is dit volk, in welks midden ik ben. En Gij hebt gezegd: Ik zal hun vlees geven, en zij zullen een gehele maand eten! Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? Zullen al de vissen der zee voor hen verzameld worden dat voor hen genoeg zij?” Let op het antwoord van God aan zijn bezorgde dienstknecht: “doch de Heere zeide tot Mozes: zou dan des Heeren hand verkort zijn? Gij zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet?” Zo ook zullen wij de getrouwheid Gods aanschouwen. Indien wij echter ongelovig zijn kan het gebeuren dat wij ze zien op een wijze welke ons met een gevoel van grote smart bepaalt bij onze zonde, daarin, dat wij onze Heere gewantrouwd hebben.

De bedoeling van de vraag was ongetwijfeld ook om de liefde van Filippus te beproeven. En deze proef kon hij beter doorstaan dan de andere. Want hij had Jezus lief, al was het ook, dat hij traag van hart was om te geloven. In vele oprechte harten is meer stille liefde dan werkzaam geloof. Het doet mij leed als er weinig geloof is. Ik acht het echter toch een oorzaak tot dank, zo er meer liefde gevonden wordt. De Zaligmaker scheen te zeggen: “Filippus, Ik verlang dat deze mensen verzadigd worden. Wilt gij Mij in deze zaak uw hulp verlenen? Van waar zullen wij broden kopen? Ik ben van plan u voor dit doel met Mij te laten samenwerken. Welaan dan, hoe zullen wij dat werk doen?” Filippus heeft zijn Meester lief en daarom is hij terstond gereed de zaak te overwegen. En ten minste voor dit doel aan het rekenen te gaan. Hij zegt: “Heere, voor tweehonderd penningen brood is voor deze niet genoeg.” Zijn Meester vroeg Hem niet wat niet, maar wat wel genoeg was. Filippus evenwel begint met zijn berekening van de verkeerde kant. En ik vrees dat gij en ik ook menigmaal in hetzelfde euvel zijn vervallen. Zelfs wanneer ieder van de grote schare maar een weinig zou ontvangen, dan was er toch nog minstens tweehonderd penningen nodig. Is het niet duidelijk, dat onze hulpbronnen ontoereikend zijn? Het is altijd een moedbenemende en onpraktische zaak, zich in een zodanig vraagstuk te verdiepen. De arme Filippus rekent na wat voor allen niet voldoende zou zijn, latende de al genoegzame Heere buiten rekening. En toch toonde hij, ook in die berekening, zijn liefde tot zijn Meester. Indien hij niet vol liefde en achting ten opzichte van Jezus was geweest, zou hij gezegd hebben: “Heere, het is een ijdele zaak aan zoiets te gaan denken. Wij zijn een armoedig gezelschap. Zo nu en dan krijgen wij wel een kleinigheid, maar ik weet niet eens hoe het er op dit ogenblik bij staat, misschien weet Judas dat wel. Hiervan ben ik echter wel verzekerd, dat er niet genoeg in de beurs is om deze scharen te spijzigen. Al waren er ook bakkerswinkels in de buurt, waar wij broden zouden kunnen kopen.” Doch Filippus gaf zulk een antwoord niet. Neen; hij had te veel eerbied en te veel liefde voor Jezus om zoiets te doen. Hij schoot te kort in zijn geloof, maar niet in zijn liefde. Het past ons onze Heere zodanig lief te hebben, dat wij nooit van Zijn genadige voornemens spreken als van hersenschimmen, noch oordelen, dat zij onmogelijk te volvoeren zijn. Jezus stelt nooit onuitvoerbare plannen voor. Wij moeten dan ook nooit aan zulk een gedachte plaats geven. Zelfs de verovering van de wereld voor de waarheid en de gerechtigheid mag niet als een droom worden beschouwd, maar moet door ons met een praktische blik worden bezien.

De vraag stelde ook de gevoeligheid van Filippus op de proef. Jezus bewoog door de woorden die Hij sprak, het hart van Filippus tot zorg voor de schare. De andere discipelen zeiden: “Laat de scharen van U, opdat zij heengaan in de vlekken, en zich zelf spijze kopen.” Jezus, waarschijnlijk wat meer tederheid in Filippus opmerkende dan in de anderen, zei tot Filippus: “Van waar zullen wij broden kopen?” Er werd aan Filippus een grote eer bewezen, om dat Jezus hem met Zich verbond. Naar alle gedachten zag Hij in hem een gevoelige ziel. En Christus houdt er van om te werken met gevoelige werktuigen. Eén ding valt wel op te merken, namelijk, dat God zelden iets groots tot stand brengt door een man die een hard of een koud hart heeft. Warmte bij ons kan alleen warmte bij anderen opwekken. Wij moeten de mensen liefhebben, anders kunnen wij niet tot hun redding werkzaam zijn. Een bedienaar van het evangelie moet een sterke begeerte hebben dat zijn gemeente behouden wordt. En tot dat einde, vol ijver met Jezus samenwerken. Anders zal Jezus van hem geen gebruik maken. Onze Heere zocht alzo de gevoeligheid van Filippus op te wekken. Kom, Filippus, wat zullen wij, gij en Ik, doen? Van waar zullen wij broden kopen, om hun te eten te geven? “Ik denk niet, dat Filippus in deze zaak al te zeer te kort schoot. Hij had gewis niet een zodanige lust om met zijn Meester samen te werken als het wel behoorde, echter in zekere mate was die toch aanwezig. Ik vertrouw, dat onze God ons ook een zekere gemeenschap met Zijn lieve Zoon heeft gegeven in Zijn liefde tot de zielen van de mensen. Zo komt deze vraag dan ook tot ons om ons op de proef te stellen.

Laat het bij ons niet ontbreken aan geloof, aan liefde, en aan gevoeligheid. God geve dat wij in dit alles overvloedig mogen zijn door de krachtdadige werking van Zijn Heilige Geest. Dan zullen wij geschikt bevonden worden om medearbeiders met Hem te zijn.

Doch waarom werd deze vraag gedaan aan Filippus? Waarom wordt er aan een bepaald persoon onder ulieden een bijzondere vraag gedaan, of een bijzondere beproeving gezonden? Zij werd gedaan, wordt er gezegd, om hem te beproeven. Waarom echter juist tot beproeving van Filippus?

Het is mijn gedachte, dat de Zaligmaker tot Filippus sprak, omdat Filippus van Bethsaïda was. Zij waren in de nabijheid van Bethsaïda. En nu zei Jezus tot Filippus: “Van waar zullen wij broden kopen?” Iedereen behoort het meest te denken aan de plaats, waar hij woont. Van Jezus gaat tot sommigen van u de vraag uit: “Wat zullen wij voor Londen doen?” Omdat velen van u ingezetenen van Londen zijn, misschien wel in het hartje van de stad zijn geboren, en daar altijd hebben gewoond. Gij behoort tot de vier miljoen van deze grote provincie, neen, van deze grote natie, die een stad genaamd wordt. En het brengt een grote verantwoordelijkheid met zich burger te zijn van de grootste stad der wereld. Indien de Heere de belangen van Londen op het hart van sommigen legt, is het natuurlijk, dat Hij die legt op het hart van hen die daarin wonen. Juist zo als Hij tot Filippus zei: “Van waar zullen wij broden kopen?” Indien Hij iemand met Zich verbindt in de evangelisatie van een dorp of een stad, zal het natuurlijk een persoon zijn, die daar geboren of woonachtig is. Ik weet wel dat het oude spreekwoord zegt dat de vrouw van de schoenmaker barrevoets loopt. En somtijds zet iemand zijn hart op mensen, die duizenden mijlen verwijderd zijn, zonder dat hij op zijn eigen huis of zijn eigen buurt acht geeft. Dat is echter niet zoals het behoort. Want het is tot Filippus, de man uit Bethsaïda, dat de boodschap komt omtrent de lieden, wanneer zij in de nabijheid van Bethsaïda zijn: “Van waar zullen wij broden kopen?” Dit wordt gezegd om hem te beproeven. En tot u, broeder die inwoner van Londen zijt, worden vragen omtrent deze grote stad gezonden om u te beproeven.

Waarschijnlijk is het ook, dat het tot de werkzaamheden van Filippus behoorde, zorg te dragen voor de levensbehoeften van het kleine gezelschap der twaalven en hun Leidsman. Judas was de schatmeester en, als wij ons niet zeer vergissen, Filippus was de proviandmeester. Het was Filippus’ taak, toe te zien, dat zij brood in voorraad hadden. Het was zijn werk, er voor te zorgen, dat het hun niet aan het nodige ontbrak, wanneer de kleine schare van de discipelen naar eenzame oorden ging. Evenzo zijn er ook hier broeders tegenwoordig, welks ambtelijk werk het is, voor de zielen van de mensen zorg te dragen. Onder hen zijn evangeliedienaren, zendelingen, Zondagsschoolonderwijzers, diakenen, ouderlingen, huisbezoekers, Bijbelvrouwen en dergelijke. Zo de Heere al niet tot anderen zegt: “Wat zullen wij voor Londen doen?” Hij zegt het zeker tot ons. De vraag wordt gezonden om ons te beproeven, of wij geschikt zijn voor ons ambt, dan wel, of wij een taak op ons hebben genomen, waarvoor wij niet berekend zijn, omdat wij er geen hart voor hebben. Christus vraagt ons voornamelijk. Echter naar mijn gevoelen vraagt Hij ook al degenen, die Hij Gode tot priesters en koningen heeft gemaakt. “Van waar zullen wij broden kopen? Hoe zullen wij deze grote stad spijzigen?” De vraag komt tot ons om ons te beproeven, omdat deze last op onze schouders behoort te rusten.

En wellicht kwam ook hierom de vraag tot Filippus, omdat hij in de school der genade niet zulke grote vorderingen gemaakt had als sommigen. Filippus maakte geen zeer verstandige opmerking, toen hij zei: “Toon ons de vader, en het is ons genoeg.” Want onze Heere antwoordde: ” Ben Ik zo lange tijd bij u geweest, Filippus, en hebt gij Mij niet gekend?” Hij was klaarblijkelijk traag in het leren. Ik wil niet beweren, dat Filippus de onbevattelijkste was van het twaalftal, maar hij was voorzeker de schranderste ook niet. Jakobus en Johannes en Petrus waren in de voorste rij; Andreas en Thomas volgden onmiddellijk op hen. En dan kwam waarschijnlijk Filippus achter deze beiden aan. Misschien was Filippus alzo nummer zes, zeker weet ik dat ook niet. De Zaligmaker heeft hem echter gewis uitgekozen als niet de laagste van de klas. En toch ook niet een van de hoogste, daar Hij tot Hem zei: “Van waar zullen wij broden kopen?” Die mensen van de middelste rang hebben grote behoefte aan beproeving, tot hun eigen voldoening. De laagste klasse van christenen zijn zo zwak, dat zij de beproeving ternauwernood kunnen verdragen. Zulke arme zielen hebben eerder behoefte aan aanmoediging dan dat zij op de proef worden gesteld. En daarom wordt het hun niet dikwijls met de grootste vraagstukken moeilijk gemaakt. Aan de andere zijde hebben de christenen van de hoogste rang niet zozeer nodig op de proef te worden gesteld, aangezien zij hun roeping en verkiezing vast maken. De middelsoort heeft de meeste behoefte aan beproeving. En ik vrees wel, dat zij de grootste hoop uitmaken van de gelederen die het heirleger Gods vormen. Hoe velen zijn er niet, die beschreven kunnen worden als half onderwezen en half verlicht. En tot hen richt de Heere de vraag; “Van waar zullen wij broden kopen?” Dit zegt Hij om hen te beproeven.

Merkt wel op, dat de vraag welke de Zaligmaker aan Filippus deed om hem te beproeven, aan haar doel beantwoordde. Hij werd er door beproefd. Hoe hij er door beproefd werd, heb ik u alreeds aangetoond. Zij beantwoordde aan haar doel, omdat zij zijn onbekwaamheid aan het licht bracht. “Van waar zullen wij broden kopen?” Filippus geeft het op. Hij heeft een berekening gemaakt aangaande hetgeen niet genoeg zou zijn, zelfs om aan ieder van hen een kleine verkwikking te geven. Een dat is zijn gehele bijdrage tot het werk. Hij heeft niet eens een brood of een visje, waarmee hij voor den dag kan komen om althans een begin te maken. Filippus is verslagen. Wat meer zegt, zijn geloof hetwelk beproefd is, ook dat is verslagen. “O goede Meester,” zo schijnt hij te zeggen, “de mensen kunnen niet door ons gespijzigd worden. Wij kunnen geen broden kopen, wij, zelfs Gij en ik niet. Gij zijt de Heere. En Gij kunt grote dingen doen. Doch mijn geloof is niet sterk genoeg om te geloven, dat wij broden genoeg zouden kunnen kopen voor al die duizenden mensen.” Alzo beantwoordde de vraag aan haar doel. Zij stelde het geloof van Filippus op de proef. En dit geloof bleek zeer zwak te zijn, zeer weifelend, zeer enghartig. Is het goed, dat zoiets aan het licht komt? Ja, broeders, het is goed, dat wij onze geestelijke armoede leren kennen. Velen onder ons hebben een grote mate van geloof, zoals wij menen. Echter als de Heere het eens mocht willen beproeven, zou het niet nodig zijn, dat Hij het in het vuur ging werpen om het te smelten. Hij zou het slechts op het vuur behoeven te werpen. En het meeste er van zou verdampen. Onder een zeer gewone beproeving verdwijnt veel geloof, gelijk de morgendauw, wanneer de zon er op schijnt. Wat heeft een mens een ontzaglijke mate van geloof wanneer hij gezond is! Doch draai de schroef nu eens aan, zodat hij lijdende wordt. Ziet hoe veel van dat geloof verdwijnt. Hoeveel mensen hebben geloof, wanneer zij een prachtig inkomen hebben hetgeen op geregelde tijden betaald wordt. Wanneer zij echter moeten vragen: “Waar zal de eerstvolgende maaltijd vandaan komen?” Hebben zij dan ook nog geloof? Helaas, dan worden zij met angst en kommernis vervuld. Het is een heilzame zaak dat ons te zien wordt gegeven welke zwakkelingen wij zijn. Want wanneer wij bevinden dat veel van ons geloof niet iets wezenlijks is, drijft ons zulks uit om naar meer waarachtig geloof te zoeken. En wij roepen uit: “Heere, vermeerder ons het geloof!” Filippus werd nauw aan zijn Meester verbonden. En het is van grote betekenis, van ons zelf te worden uitgedreven tot de Heere, zodat wij het gevoelen: “Heere, ik kan het niet. Doch ik verlang er naar te zien hoe Gij Uw voornemen ten uitvoer zult brengen. Ik kan zelfs niet in U geloven, zoals ik behoorde te geloven, tenzij Gij mij het geloof schenkt. Zodat ik voor meer geloof tot U alleen moet komen. “Met geheel ledige handen moet ik komen en alles van U ontvangen.” Dan is het, dat wij volkomen en sterk worden. Gij zult zo aanstonds zien, dat Filippus het brood breekt en de scharen spijzigt, juist omdat Christus de handen van Filippus heeft ledig gemaakt. Hij kan onze handen niet eerder vullen, vóór Hij ze geledigd heeft. Opdat de gedachte niet zou worden opgewekt, dat wij ook ons aandeel hadden in de voorziening. “Dit zei Hij, hem beproevende,” om hem zijn zwakheid te doen zien. Want daardoor zou hij met des Meesters kracht vervuld worden.

Deze vraag had een goede uitwerking, want daarin lag de bedoeling, niet slechts om Filippus, maar ook om de andere discipelen te beproeven. Zij kwamen bijeen en voerden samen een gesprek over dit onderwerp. In ieder geval zien wij twee van hen bezig met elkaar over deze zaak te handelen. Filippus zegt: “voor tweehonderd penningen brood is voor dezen niet genoeg.” Andreas zegt: “Wel neen, gewis niet; maar hier is een jongsken dat vijf gerstebroden heeft. En twee visjes.” Zij bekoort mij, die broederlijke samenspraak van mensen, die hetzelfde doel voor ogen hebben. En met belangstelling merk ik op hoe zij in hun denkbeelden verschillen. Filippus is gezind van wal te steken, als hij een flink begin kan krijgen. Hij moet zien dat er voor minstens tweehonderd penningen brood aanwezig is. En dan is hij bereid op het denkbeeld in te gaan. Andreas, van zijn kant, is geneigd om met een klein kapitaal te beginnen. Enige broden en vissen zullen hem in staat stellen een aanvang te maken. Doch hij maakt de opmerking: “Maar wat zijn deze onder zo velen?’ Wanneer de heiligen met elkaar besprekingen houden, zijn zij elkaar behulpzaam. En wat de een niet ziet, ontdekt lichtelijk een ander. Filippus telde de onmogelijke penningen en kon de mogelijke broden niet zien. Doch Andreas kon zien waar Filippus over heen zag. Zijn oog werd het jongsken gewaar met een mandje vol gepakt met broden en vissen. Het was niet veel. Andreas had geen geloof genoeg om spijze voor de duizenden in die kleine korf te zien. Echter toch, hij zag wat hij zag. En hij sprak daarover tot de Meester. Zo maakten zij een begin door elkander te raadplegen. Misschien zouden wij ook wel een begin kunnen krijgen door elkaar van raad te dienen. Wanneer er mensen zijn, die geheel bezig gehouden worden door de vraag: “Wat zullen wij voor Londen doen?” Wanneer zulks christenmensen er toe leidt om bij elkaar te komen en de zaak te bespreken. En er dan bij iemand de verzuchting over de lippen komt: “Hoeveel duizenden zullen er wel niet nodig zijn om kerkgebouwen te zetten. En predikers aan te stellen, en zendelingen te onderhouden.” Dan ligt er al iets wat hoop geeft in die berekening. Goed zo, Filippus, het verblijdt mij, dat gij het uwe er van gezegd hebt. En het moeilijke van de zaak hebt aangetoond. En dan vind ik er verder behagen in, dat Andreas oprijst en zegt: “Het is een zeer moeilijke taak, maar toch, wij moeten doen wat wij kunnen. En daar wij hier vijf broden en twee visjes hebben, moeten wij ten minste deze de Heere voorleggen. En het aan Hem overlaten wat er gedaan moet worden.” Dit alles is beter dan de vraag geheel en al te ontwijken en de scharen van gebrek te laten omkomen.

De vermogens van Filippus waren geoefend. Christus beproefde zijn rekenkunde. Hij beproefde het gezicht van zijn ogen. Hij beproefde zijn gezindheid en zijn gemoed. En dit was voor hem een voorbereiding om straks te gaan dienen bij het reusachtig feestmaal dat volgen zou. Een mens doet een zaak nooit eerder goed voor hij er over heeft nagedacht. En als Filippus er niet over had nagedacht hoe de scharen zouden kunnen worden gespijzigd, zou hij geen geschikt persoon geweest zijn om zich daarmee bezig te houden. Hij werd daardoor ook voorbereid om zijn Meester na het feestmaal te aanbidden. Want Filippus zou, nadat de maaltijd geëindigd was, gaan zeggen: “De Meester vroeg mij hoe zoiets geschieden kon, maar ik kon het Hem niet zeggen. En ofschoon ik ook mijn aandeel in de werkzaamheden gehad heb, moet en zal Hij nu al de eer ontvangen. Hij vermenigvuldigde de visjes en vermeerderde de broden. Mijn armzalig geloof kan zich geen glorie toe-eigenen. Hij deed het, Hij deed het alles.” Misschien, mijn broeder, komt ook tot u wel een vraag omtrent het werk des Heeren: “Hoe kan het geschieden? Hoe kan Engeland geëvangeliseerd worden? Hoe kunnen de massa’s worden bereikt? Hoe kan de wereld er toe worden gebracht om het evangelie te horen?” Ongeacht de vraag die zich aan u opdringt, het is een vraag, met opzet gezonden, u ten goede. Tot heil voor uw ziel, om u er toe te leiden de Heere des te meer groot te maken, wanneer het wonder der genade geschied is.

II.

Nu kom ik tot het tweede deel van ons onderwerp hetwelk is, DAT ER GEEN VRAAG BIJ JEZUS WAS. De vraag was bij Filippus, maar Christus had geen vraag. Doch dit zei Hij, hem beproevende; want Hij wist zelf wat Hij doen zou.”

Laat ons deze woorden nemen en ze in het kort ontleden. “Hij wist!” Hij weet het altijd. “Ach,” zegt er iemand, “ik weet waarlijk niet wat ik doen zal.” Neen, waarde vriend; en dan hebt gij toch zeker elders om raad gevraagd? Dat is een voortreffelijke manier om geheel in de war te komen. Ik hoor u in verbijstering uitroepen: “Ik weet het niet. Ik ben bij iedereen geweest, en ik weet niet wat ik doen zal.” Dat is een doorgaande toestand bij ons, wanneer wij onze arme hersenen afmatten. Jezus wist echter wat Hij doen zou. Dit is een zoete troost: Jezus weet het. Hij weet er altijd alles van. Hij wist hoeveel mensen er waren. Hij wist hoeveel brood er nodig zou zijn. Hij wist hoeveel vis Hij nodig zou hebben. Hij wist op welke wijze Hij de scharen zou spijzigen. Zo, dat zij allen verkwikt huiswaarts gingen. Hij wist alles voordat het gebeurd was. Beproefde broeder, Jezus weet alles omtrent uw geval en hoe Hij van plan is u er door te helpen. Meen niet, dat gij Hem omtrent iets op de hoogte kunt brengen. “Want uw hemelse Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.” De bedoeling van het gebed is niet om de Heere met iets in kennis te stellen. De vraag wordt u niet gedaan, opdat gij Hem onderricht zou geven, maar opdat Hij u onderrichte. Hij maakte de hemelen en de aarde zonder u. Met wie heeft Hij raad gehouden? Wie heeft Hem onderricht? En Hij zal in deze tegenwoordige beproeving u er door helpen zonder dat het nodig is dat gij uw armzalige wijsheid bij Zijn oneindige kennis voegt. Hij weet het.

Jezus wist, wat Hij doen zou. Het was Zijn bedoeling, iets te doen. Hij was volkomen bereid, dit te doen. En Hij wist, wat Hij zo aanstonds doen zou. Wij brengen ons zelf in de verlegenheid met te zeggen: er moet iets gedaan worden, maar ik weet niet wie het doen moet.” De Zaligmaker wist, dat er iets gedaan moest worden. En Hij wist ook, dat Hij op het punt was dit zelf te doen. Hij had volstrekt geen haast, dat is nooit met Hem het geval. Hij is nooit voor Zijn tijd, Hij is ook nooit te laat. Onze gezegende Meester doet alles heerlijk op Zijn gemak, omdat Hij altijd stipt is. Mensen, die zich verachteren, hebben haast. Aangezien Hij Zich echter nooit verachtert, haast Hij Zich ook nooit. Hij doet alles kalm en op een verheven, waardige wijze, omdat Hij voorziet wat Hij doen zal. Jezus weet, waarde vriend, u aangaande, niet alleen wat gij zult doen, maar ook wat Hij doen zal. Dat is de zaak, waar het op aankomt. En het ligt in Zijn bedoeling iets groots voor u tot stand te brengen en u hulp te bieden. Het is er Hem ook om te doen deze stad en deze natie aan Zijn voeten te brengen. Het is er Hem om te doen, dat alle knie zich voor Hem buigt. En dat de ganse aarde met Zijn heerlijkheid vervuld wordt. Hij weet wat Hij van plan is te doen.

Hij wist daarenboven, hoe Hij van plan was het te doen. Hij wist nauwkeurig de wijze en de manier, volgens welke Hij voornemens was te werk te gaan. Hij had, lang voordat Andreas daarover tot Hem sprak, opgemerkt dat er ergens te midden van de scharen een jongsken met vijf gerstebroden was. Ik kan er geen verklaring voor geven, wat dat jongsken er toe bracht, toen het die morgen van huis ging, vijf gerstebroden en visjes mee te nemen, terwijl het zich onder de schare begaf. Tenzij dan dat in zijn hartje de stem van de Meester gehoord was: “Jongsken, zorg dat gij een goed maal bij u hebt. Doe die gerstebroden in de korf en vergeet de visjes ook niet. Gij weet niet hoe lang gij soms van huis kunt zijn.” De natuur dreef hem aan om voor de benodigdheden te zorgen, maar wij moeten daarbij niet uit het oog verliezen, dat de natuur de stem van God is, wanneer Hij verkiest ze dit te doen zijn. Hij was een hongerige, opschietende knaap met een flinke eetlust. En het was er hem om te doen om goed voorzien te zijn. Zou hij nu wel ooit bij zich zelf gedacht hebben dat die broden welke door de voorzienigheid Gods zulk een wonderbare bestemming hadden, zich zodanig zouden vermenigvuldigen dat die gehele mensenmassa daarmee gevoed werd? Waar is de mens die de grote schare van het nodige zal voorzien? Waar is het hoofd van de commissie voor de spijziging? Het is die jeugdige knaap. En daar ziet gij zijn gehele voorraad. Hij draagt een magazijn van etenswaren op zijn rug – in die korf. De Zaligmaker wist dat. En Hij weet nauwkeurig, waarde vriend, van waarin het uur van uw moeite en bekommering uw hulp komen zal. Gij weet het niet, maar Hij wel. Hij weet, waar de dienaren van het evangelie vandaan zullen komen die deze grote wereldstad zullen doen ontwaken. Hij weet ook, op welke wijze en langs welke weg zij zullen komen. En hoe zij zich tot de massa’s zullen wenden. Wanneer ieder ander in verslagenheid neerzit en ten einde raad is, is Hij van Zijn zaak volkomen zeker. Hij wist dat die broden en visjes ter rechter tijd voor den dag zouden komen om de grondslag voor een feestmaaltijd uit te maken. Hij wist, dat Hij ze zou zegenen, ze zou breken, ze zou vermenigvuldigen. En ze aan de discipelen zou geven, opdat die discipelen ze zouden voorleggen aan de schare. Dat alles was in Zijn geest pasklaar gemaakt. En stond zo vast als het opgaan van de zon.

Wat meer zegt, Hij deed zulks als iemand die weet wat hij straks zal gaan doen. Hoe handelt een mens, wanneer hij weet wat hij straks zal gaan doen? Wel, hij gaat gewoonlijk op de natuurlijkste wijze te werk. Hij weet dat hij zo meteen aan het werk zal gaan. Hij doet alzo eenvoudigweg wat hij zich voorgenomen heeft. Kunt gij het u voorstellen, dat er ooit een wonder op een meer natuurlijke wijze verricht werd? Indien het een Rooms-katholiek wonder geweest was, zou men de broden in de lucht omhoog geworpen hebben. En ze zouden op een geheimzinnige wijze van gedaante veranderd en duizendvoudig vermenigvuldigd weer naar beneden gekomen zijn. Alle Roomse wonderen, als gij er goed op let, hebben een groot vertoon, iets schouwburgachtigs in zich. Zij zijn geheel en al onderscheiden van de wonderen van Christus. Hij doet dit wonder op de natuurlijkste wijze van de wereld, omdat het in het wezen der zaak hetzelfde wonder is, hetwelk Christus ieder jaar verricht. Wij nemen een zekere hoeveelheid tarwe of gerst en leggen dat in de grond. En op de lange duur is dit het einde er van dat het zaaikoren zich tot broden vermenigvuldigt. In de zee bevinden zich zekere vissen, en zij vermeerderen zich tot grote scholen. Het gezaaide ondergaat dezelfde werking in de grond in dezelfde handen – in de handen van God. En het komt als broden te voorschijn. Dat nu is precies hetzelfde wat er door de handeling van onze Heere tot stand kwam. Hij nam een weinig in zijn gezegende handen en brak het. En het hield niet op zich te vermenigvuldigen in Zijn handen en in de handen van Zijn discipelen, totdat zij allen verzadigd waren.

Hij wist wat Hij doen zou. En zo deed Hij dit op een natuurlijke en ook op een ordelijke wijze. Zo gaat het niet wanneer een mens niet weet, hoe ver hij zijn zorgen moet uitstrekken. Wij hebben een grote samenkomst. En er is voor de thee gezorgd. Nu komen er echter driemaal zoveel als waarop gij gerekend hebt. Wat een drukte! Wat een gewoel! Wat een geloop heen en weer! Jezus doet Zijn zaken nooit op die wijze. Hij wist wat Hij zo meteen zou gaan doen. En daarom liet Hij de mensen op het gras neerzitten en daar zaten ze alsof het kinderen waren. Markus deelt ons mee, dat zij neder zaten in gedeelten, bij honderd te samen, en bij vijftig te samen. Het werd als het ware zo geschikt, alsof ieder zich zijn bord zag aangewezen, met zijn naam er bij. Bovendien was er veel gras in die plaats, zodat de vloer van de eetzaal bekleed was op een wijze, zoals geen firma in Londen dat had kunnen doen. Het feest had zulk een ordelijk verloop alsof er zeven dagen tevoren al een kennisgeving was rondgezonden. En een aannemer voor de benodigde voorraad gezorgd had. Niets had op een betere manier kunnen geschieden. En dat alles, omdat Jezus wist wat Hij doen zou.

Daarenboven deed Hij het vol blijdschap. Hij nam het brood en zegende het. Hij deed dat werk met groot welgevallen. Ik had wel gaarne Zijn aangezicht willen aanschouwen, waar Hij op die arme, hongerende lieden neerzag, onderwijl zij verzadigd werden. Als een goed gastheer vervrolijkte Hij hen met Zijn glimlach, terwijl Hij hen zegende met de spijze.

En dan deed Hij het ook zo overvloedig, want Hij wist wat Hij doen zou. Alzo kwam Hij niet met een halve voorraad. En werd hun deel hen niet karig toegemeten, zodat ieder van hen slechts “een weinig” nam. Neen, Hij wist wat Hij doen zou. En Hij toonde bekend te zijn met de juiste maat van hun eetlust. Een moeilijke zaak, wanneer gij een aantal hongerige mensen hebt te spijzigen. Hij voorzag hen van alles wat zij nodig hadden. En na afloop was er nog voorraad overgebleven voor de voornaamste bedienden, zodat ieder van hen een mand vol voor zich zelf ontving. Want de brokken werden opgenomen en er waren twaalf manden vol, één voor ieder van de voornaamste personen die aan de bediening hadden deelgenomen.

Onze Heere Jezus Christus, in de zaak van het inbrengen van Zijn uitverkorenen, gaat daarbij te werk, daar ben ik volkomen zeker van, in de wetenschap wat Hij zal gaan doen. En wanneer gij en ik het einde zien van het grote feestmaal der genade zullen wij zeggen: gezegend zij de Heere! Wij waren in grote bekommernis. Wij zaten volop in de moeite. Onze Heere heeft het gemakkelijk en onberispelijk gedaan. Het was geen warboel, geen gedrang, ook werd niemand overgeslagen. Geloofd zij Zijn Naam! Hij heeft het niet gedaan bij toeval, of door gelukkige omstandigheden. Hij wist echter wat Hij doen zou. En Hij heeft het gehele plan van het begin tot het einde klaar gemaakt op zulk een wijze dat de overheden en de machten in de hemel voor eeuwig zullen zingen van de genade. En de liefde, en de wijsheid, en de macht, en het beleid. Waarin Hij jegens Zijn volk overvloedig is geweest. Doch als wij het einde zowel als het begin konden zien, zouden wij reeds nu beginnen de Naam van Jezus onze Zaligmaker groot te maken. Die al Zijn werk van tevoren kent en nimmer van Zijn plan afwijkt.

III.

Ik besluit met te zeggen, dat, aangezien er geen vraag bij Christus is, ofschoon Hij ons vragen doet, ER GEEN VRAAG VAN EEN TWIJFELACHTIG KARAKTER LANGER BIJ ONS BEHOORT TE ZIJN. Laat mij melding maken van drie vragen en daarmee eindigen.

De eerste vraag die zeer vele mensen verontrust, is: “Hoe zal ik mijn tegenwoordige last dragen? Hoe zal ik dit lijden verduren? Hoe zal ik in mijn levensonderhoud voorzien?’ Deze vraag wordt u toegezonden om u te beproeven. Doch bedenkt dat er geen vraag bij Christus is, hoe gij er door zult komen, want gij zult kracht naar kruis ontvangen. En Hij zal Zijn heiligen tot aan het einde toe bewaren. Laat er daarom geen vraag bij u zijn, want Jezus zelf weet wat Hij doen zal. Gij zijt hier heden avond zeer bedrukt gekomen. En gij hebt gezegd: “Ik zou wensen dat ik een woord te horen kreeg waardoor mij werd aangewezen wat ik doen moet.” Gij zult volstrekt geen woord te horen krijgen aangaande hetgeen gij te doen hebt, maar gij zult een woord van een geheel andere aard vernemen. Jezus weet wat Hij doen zal. En wat Hij doen zal, is oneindig beter dan iets, dat gij doen kunt. Uw sterkte, mijn vriend, ligt in het stilzitten. Wentel uw last op de Heere. Doet het weinige, dat gij doen kunt. En laat de rest over aan uw hemelse Vader. Dit is het antwoord van de Urim en de Thummim voor u: Jezus weet wat Hij doen zal.

Dan hebben wij nog een andere vraag welke ik alreeds heb aangeroerd: wat moet er voor deze grote stad gedaan worden? Ik had gisteren na de middag het grote voorrecht in staat te worden gesteld in een van onze oostelijke voorsteden te prediken. En nadat ik vroeg in de morgen van huis gegaan was, moest ik al maar doorrijden, van het ene spoor op het andere. Totdat ik, naar het mij voorkomt, het volle drie en een half uur had gereisd, voordat ik van het ene einde van Londen tot het andere gekomen was. Welk een stad en welke ontzaglijke afstanden! Het schijnt wel of de bouwmeesters geen groene boom meer willen laten staan, of zij iedere grazige weide in lelijke straten moeten veranderen. “Vervult de aarde.” Hoe? Zij is vervuld. De dode aarde is begraven onder de woningen van levende mensen. Schepselen van ons geslacht wat zijn ze er niet bij duizenden zonder tal. En wanneer gij dan met een vriend en broeder door de straten wandelt, hoort gij hem zeggen: “Hier moet nodig een kerkgebouw wezen.” Of: “Wij hebben hier een kleine kapel, maar niet een van de vijftig mensen gaat naar een plaats, waar God gediend wordt.” Dan komt gij weer in een ander deel van een van de voorsteden. En gij hoort uit de mond van uw gids: “Hier zijn de mensen begerig naar het evangelie, doch er is niemand om het hun te brengen.” Ik was gisteren zwaar terneer gedrukt. En in mijn hart rees de vraag op: “Wat zullen wij doen?” Ik dacht verder: “Gij moest u met die vraag maar niet ophouden, want gij kunt daar toch geen antwoord op geven. En gij wordt er maar door gekweld.” En toch kwam ze al weer bij mij op: “Hoe zullen wij broden voor deze menigte kopen?” Mijn Heere en Meester zou zeggen: “Wij.” In mijn hart was de begeerte om mij er buiten te laten, doch daar kon niets van komen. Hij kon ook niet zeggen: “Hoe zal Ik broden kopen?” Omdat Hij zulks weet. Hij stelde mij echter die vraag. En ik gevoelde dat ik mij zelf in de weg stond om er een vraag van te maken, want Hij maakt er alleen een vraag van aan mij om mijnentwil. O dat wij mannen en geld hadden om dienaren uit te zenden en gebouwen voor hen neer te zetten om daarin te prediken. Wij hebben predikers, die klaar zijn, in onze opleidingsschool. Ik heb echter geen middelen om gebouwen voor de godsdienstoefeningen te laten neerzetten. Voorzeker, velen van u moeten de ontzaglijke grootte van deze stad wel als een last hebben voelen drukken. Echter och, dit is nog niet meer dan een druppel in een zware regenbui vergeleken met de gehele wereld die in het boze ligt. Hoe moet deze wereld verlicht worden? Dit is geen vraag bij Jezus. En daarom behoort dit ook nooit een ongelovige vraag te zijn bij ons. “Kunnen deze dorre doodsbeenderen leven?” Laten wij antwoorden: “Heere, Gij weet het.” Daar moeten wij het laten berusten. Hij kan overvloediglijk doen boven wat wij bidden of denken. En wij kunnen er op rekenen, dat naardien Hij bij Zich zelf gezworen heeft dat alle knie zich voor Hem zal buigen en alle tong Hem zal belijden, dit ook geschieden zal. En Hij de eer zal ontvangen.

Nog één andere vraag moet vermeld worden. Heeft de Heere in het hart van een onbekeerde de vraag gelegd: ” Wat moet ik doen om zalig te worden?” Zijn er onder u die door die vraag worden verontrust? Het verblijdt mij dat dit zo is. Nu hoop ik echter dat gij u om een antwoord tot de rechte plaats zult wenden. Ik hoop dat gij de vraag doet: “Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?” Weet gij waarom u die vraag gedaan wordt? Het is om u te beproeven. En om u te vernederen. De bedoeling daarvan is om u de onmogelijkheid te doen gevoelen van uw behoudenis door uw eigen werken. Opdat gij u aan de gerechtigheid van God onderwerpt. En door het geloof in Christus Jezus behouden wordt. Bedenkt, dat er geen vraag is bij Christus aangaande de wijze waarop gij zalig moet worden. In der waarheid, die vraag werd beslist – wanneer? Wat moet ik zeggen? Werd zij beslist toen Hij stierf? Neen, lang tevoren. Zij werd beslist in de eeuwige raad, voordat de morgenster haar plaats kende of de planeten haar banen bewandelden. God had toen het oog op Zijn Zoon als het Lam Gods, geslacht vóór de grondlegging der wereld. En die wereld staat nog tot op het huidig ogenblik: “Ziet het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.” Ziet naar Hem en wordt behouden. Er is geen vraag omtrent de mogelijkheid van uw behoud, of omtrent Christus’ bekwaamheid om u zalig te maken. De vraag in uw hart: “Wat moet ik doen om zalig te worden?” Is daar gelegd om u te beproeven. Doch Jezus zelf weet wat Hij doen zal. Welk een gezegend woord is dat! Hij weet, hoe Hij u vergiffenis zal schenken, hoe Hij u troosten, wederbaren, onderrichten en geleiden zal. Hij weet, hoe Hij u tot het einde toe zal bewaren door Zijn onveranderlijke genade. Hij weet, hoe Hij u zal behoeden, u zal heiligen, u zal gebruiken. Zijn Naam door u zal verheerlijken en u zal opnemen in de hemel, om u te zetten op Zijn troon. Zodat al de engelen zich zullen verwonderen en aanbidden, wanneer zij zien wat Hij doen zal. God zegene u om Jezus wil. AMEN.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend