24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Jezus geen spooksel

Jezus geen spooksel

“En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: het is een spooksel! En zij schreeuwden van vreze.” Mattheüs 14:26

Sommige van de rijkste vertroostingen gaan voor ons verloren door gemis van een helder inzicht. Welke troost kon voor de door storm geteisterde discipelen groter zijn dan te weten, dat hun Meester tegenwoordig was en Hem op de duidelijkste wijze geopenbaard te zien dan de Heere van de zee zowel als van het land? Doch omdat zij Hem niet duidelijk konden onderscheiden, misten zij die onvergelijkbare troost. Wat nog erger is, de zwakheid van ons onderscheidingsvermogen zal bij tijden zelfs de zeldzaamste vertroosting veranderen in een bron van vrees. Jezus is gekomen en met Zijn komst is voor de discipelen de zon van de blijdschap opgegaan. Maar zij merken niet, dat het Jezus is. En menende, dat zij met een spooksel te doen hebben, worden zij met angst vervuld en schreeuwen van vrees. Voor Hem, Die hun beste vriend was, waren zij even sterk bevreesd, alsof Hij de aartsvijand geweest was. Christus wandelende op de golven moest alle vrees hebben doen verdwijnen, maar in plaats daarvan zien zij Hem aan voor een spooksel dat daar te midden van de storm verschijnt en nog groter onheil voorspelt. Zij waren met verslagenheid vervuld door datgene, hetwelk een gejuich bij hen had moeten doen opgaan. Welk een zegen ligt er toch in de hemelse ogenzalf, waardoor het oog wordt opgeklaard! Moge de Heilige Geest onze ogen daarmee zalven. En welk een uitnemendheid is er gelegen in het geloof hetwelk evenals de telescoop, Christus nabij ons brengt en ons Hem doet zien gelijk Hij is! Welk een liefelijkheid ligt er ook in het wandelen nabij Christus en het kennen van Hem met een verzekerde, vertrouwelijke en heldere kennis. Want dit zou ons vertroostingen schenken welke wij nu missen. En op eenmaal benauwdheden van ons wegnemen, welke ons heden zonder noodzaak beroeren.

Het onderwerp, waarover ik tot u wens te spreken, zal u worden aangewezen, als ik u eerst een schets geef van hetgeen ik ga behandelen. Het eerste stuk ter behandeling zal zijn: het is een maar al te menigvuldig voorkomende dwaling dat er van Christus een spooksel gemaakt wordt; het tweede: wij zijn het meest in gevaar dit te doen, wanneer JEZUS op de duidelijkste wijze geopenbaard wordt: het derde: hieruit vloeien onze grootste ellenden voort, en het vierde: indien wij van dit kwaad konden worden genezen; zou Jezus zeer in onze schatting rijzen en vele andere gezegende uitkomsten zouden daar gewis uit voortkomen.

I.

HET IS EEN MAAR AL TE MENIGVULDIG VOORKOMENDE DWALING, DAT ER VAN CHRISTUS EEN SPOOKSEL GEMAAKT WORDT.

Er zijn sommigen, die van een spooksel een Christus maken. Ik bedoel hiermede, dat zij voor hun Zaligmaker houden wat niets anders dan misleiding is. Zij hebben zo en zo gedroomd, zij hebben zich zelf opgeschroefd tot een hoge graad van verwaande lichtgelovigheid. Zij hebben al het mogelijke gedaan om zich zelf gerust te stellen met een bedrieglijke troostgrond. En nu maken zij van hun opgeschroefd gevoel of van hun verbeelding hun Christus. Zij zijn geen gelovigen, maar zij menen, dat zij het wel zijn. Jezus kennen zij niet, zij zijn niet geestelijk, zij zijn Zijn schapen niet, zij behoren niet tot Zijn discipelen. Desniettegenstaande hebben zij iets voor het oog van hun geest geplaatst, hetwelk zij als Christus beschouwen. En nu is hun voorstelling van Christus, hetwelk niets anders is dan een spooksel, voor hen Christus zelf. Een verschrikkelijke dwaling! God moge er ons voor behoeden en ons, door de onderwijzing van Zijn Heilige Geest, tot de kennis van de Heere brengen inderdaad en in waarheid. Want Hem te kennen is het eeuwige leven. Evenzeer is het een dwaling die waarschijnlijk nog meer algemeen voorkomt, om van Christus een spooksel te maken. Wij allen zijn in deze richting wel in meerdere of mindere mate op het dwaalspoor geweest. Laat mij u dit tot besturing en tot terechtwijzing mogen aantonen.

In de eerste plaats, hoe dikwijls was dit niet met ons het geval ten aanzien van de zonde en de reiniging daar van! Onze zonde schijnt ons, wanneer wij er van overtuigd zijn, zeer wezenlijk toe. Wezenlijk is zij inderdaad. Onze overtredingen tegen God zijn geen denkbeeldige. Wij hebben in werkelijkheid Zijn gramschap opgewekt en Hij is elke dag op ons vertoornd. De smet van de zonde bevindt zich niet bloot aan de oppervlakte; de melaatsheid is diep ingevreten. De zonde is een verschrikkelijk kwaad en wanneer onze geest het vermogen heeft ontvangen om haar in haar werkelijkheid en afschuwelijkheid te aanschouwen, zinkt hij in het binnenste van ons. Welk een heerlijke zaak is het dan ook, wanneer wij met even grote klaarheid een oog krijgen voor de wezenlijke reiniging van de zonde welke Christus door Zijn dierbaar bloed op alle gelovigen toepast! Het scharlakenrode te zien en er om te wenen is goed. Daarna datzelfde scharlakenrood te zien verdwijnen in het zuivere wit van de verzoenende offerande, dat is beter. Hebt gij wel ooit zulk een duidelijk gezicht gehad van de tweede zaak als van de eerste? Het is een grote zegen, wanneer God de zonde bij ervaring voor u tot een zware last maakt, zodat gij daardoor wordt neergedrukt. Het is een nog groter zegen, wanneer het verzoenende bloed op even heldere en levendige wijze zijn toepassing vindt. En gij de droppelen van het bloedige zweet van Gethsemané, de uitstorting van het leven van de Verlosser op de kruisheuvel en de ongekende zielsangsten aanschouwt, waardoor de schuld voor de troon van de Eeuwige ten volle werd verzoend. Broeders, wanneer wij om het heil van onze ziel bekommerd zijn. Of zelfs na onze eerste overtuiging, wanneer de zonde als een zware last onze geest terneer drukt. Zijn onze vrees, onze angst, onze verschrikking wel terdege van een wezenlijke aard. Niemand durft ons dan toevoegen, dat wij in een staat van zenuwachtige opwinding zijn omtrent iets wat denkbeeldig is. Ons gevaar is dan vlak voor ons, het wordt dan even duidelijk door ons gezien als de vlammen gezien worden door een arme man die zich in een brandend huis bevindt, waaraan geen ontkomen mogelijk is. Wij zijn van dat gevaar volkomen zeker. Wij zien het, wij merken het, wij voelen het tot in het binnenste van ons bestaan. Er is door de Verlosser heil besteld: Hij nam onze zonde op Zich, Hij onderging de straf daarvoor, Hij heeft dan ook de zonde weggedaan. Wanneer wij in Hem geloven, is onze zonde verdwenen; wij hebben recht op vrede. Wij hebben een volkomen waarborg dat wij voor God staande kunnen zeggen: “Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?”

Wat wij nodig hebben is niet, dat in onze gedachten te hebben als iets, dat op een droom gelijkt, als iets, dat wel gebeuren kan en ook wel niet; echter het te beschouwen als een feit, even zeker en even gewis als onze ellende en de zonde welke die ellende veroorzaakte. Wij moeten niet door de storm heen op de Zaligmaker zien en Hem beschouwen als ware Hij een dwaallicht, een geestverschijning, terwijl de storm die ons omringt, iets wezenlijks is. Het komt er op aan een wezenlijke Zaligmaker voor wezenlijke zonde te zien en te juichen over wezenlijke schuldvergeving, een schuldvergeving welke al onze zonden begraven heeft. Wij moeten hebben een wezenlijke zaligheid, een zaligheid, waardoor onze voeten gesteld worden op een rots buiten het bereik van alle ramp en leed. Broeders, als wij tot deze beschouwing kwamen omtrent de zonde, dan zouden wij minder te zuchten en te kermen hebben, of, zo al evenveel te zuchten en te kermen, dan zou er toch meer vreugde en blijdschap zijn. Wij heffen klaagliederen aan over de zonde, en wij doen wel. Ik hoop, dat dit zo zal blijven, totdat wij de hemelpoort bereiken. Over de zonde kan nooit te veel geklaagd worden, men kan er niet te veel berouw over gevoelen. Aan de andere kant moeten wij toch niet zo treuren over de zonde, dat wij daardoor vergeten, dat Jezus gestorven is en door Zijn dood al onze schuld heeft te niet gedaan. Neen, met iedere klaagtoon moet er ook een blijde triomfkreet opstijgen. Want de ongerechtigheid is weggedaan, Christus heeft aan de overtreding en aan de zonde een einde gemaakt. En die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld en komt tot in alle eeuwen eeuwigheid niet meer onder het vonnis van de verdoemenis.

Dezelfde opmerkingen gelden inzake onze aanneming bij God na onze schuldvergeving. Waarde broeders en zusters, ik spreek gewis ook uit uw naam, wanneer ik zeg, dat onze tekortkomingen in het volbrengen van onze christenplicht aan onze ziel dikwijls zeer veel wezenlijke pijn veroorzaken. Wij kunnen geen predikatie uitspreken, geen gebed opzenden, geen aalmoes uitreiken, geen enkele dienst voor onze Heere verrichten, of wij gevoelen het, wanneer alles geschied is, dat wij onnutte dienstknechten zijn. De gebreken en onvolmaaktheden van onze dienst staren ons in het aangezicht en er is geen enkele dag van ons leven of wij zijn genoodzaakt te zeggen, dat wij zeer ver blijven beneden hetgeen een christen behoort te zijn. Inderdaad, het komt bij ons wel eens zo ver, dat wij ons de vraag stellen of wij wel een christen kunnen zijn. En met zeer veel grond zijn wij bezorgd wat aangaat de waarachtigheid van onze belijdenis. Wanneer wij tot de tafel des Heeren komen en ons zelf onderzoeken, vinden wij vele oorzaken tot ongerustheid en veel grond om te beven en te sidderen. Wanneer wij onze gehele christelijke loopbaan overzien, moet schaamte ons aangezicht bedekken. Wij hebben wel alle grond om te zeggen: “Niet ons, niet ons zij de eer.” Wij kunnen ons zelf niet in staat achten aanspraak te maken op enige eer, zo vol oneer was ons leven, zozeer zijn wij zonder enigerlei verdienste, ja de hel verdienen wij. En er zijn christenen, bij wie deze stand van zaken zich op een zeer smartelijke wijze aan hun geest vertoont. Zij zijn van een zwaarmoedige aard, gewend om veel naar binnen te blikken en hun innerlijk bederf en de uitwendige openbaring daarvan veroorzaken bij hen een voortdurende onrust en ontroering. Broeders, er is zoveel bij dit alles wat goed te noemen is, dat wij het niet kunnen veroordelen. Aan de andere kant moet de balans van de ziel toch ook in evenwicht blijven. Zijn mijn tekortkomingen van wezenlijke aard? Wezenlijk in dezelfde mate is de volmaakte gerechtigheid van Jezus Christus, waarin alle gelovigen steeds begrepen zijn. Zijn mijn gebeden onvolmaakt? De gebeden en de voorspraak van mijn grote Pleitbezorger voor de troon zijn zo volmaakt mogelijk en van de grootste kracht. Ben ik met zonde besmet en daarom waard verworpen te worden? Is dat waar, evenzeer waar is het, dat in Hem geen zonde is en dat Zijn eeuwige verdiensten gewicht hebben bij de eeuwig gezegende Vader. En voor mij geldig zijn, waar Hij, mijn Borg en Plaatsbekleder, plaats genomen heeft voor de troon. Ja, in mij zelf ben ik onwaardig, maar ik ben aangenomen in de Geliefde. “Ik ben zwart.” “Ja,” zegt de gelovige, “echter voeg er nu ook bij wat er volgt: maar liefelijk.” Even zeker als onze zwartheid is, even zeker is ook onze liefelijkheid; ja. In het oog van God zijn wij zonder vlek of rimpel, of iets dergelijks. Waar Jehova ons in Christus Jezus aanschouwt, ziet hij geen ongerechtigheid in ons. Christus heeft onze smetten weggenomen en ons liefelijk gemaakt in Zijn liefelijkheid. Hij ziet niets dan liefelijkheid in ons. Christus heeft Zijn eigen schoonheid op ons gelegd, want Hij is ons van God gemaakt tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing. Alles wat wij nodig hebben is in Christus te vinden. In Hem staan wij veilig, en de liefde des Vaders jegens ons stroomt ons te allen tijde zonder enige vermindering toe, niettegenstaande onze gebreken en zwakheden. En dat door de volmaaktheid van de aanneming van de Geliefde. Laat deze zaak u helder voor de geest staan. Ziet niet naar de Heere uw gerechtigheid als een spooksel; verheft uw stem niet met geroep alsof gij Zijn werk had te houden voor een ontastbaar iets, dat anderen vertroost, maar u niet kan vertroosten. Het werk van Jezus is het meest verhevene van alle gebeurtenissen. God schenkt ons het geloof om het aan te grijpen en er ons geheel op te verlaten!

Het grondbeginsel vindt verder zijn toepassing aangaande de heiligmaking. Zeer wezenlijk en dicht bij onze ziel, mijn broederen, is het vlees; het doet ons dagelijks zuchten, bezwaard zijnde. Onze verdorvenheden zijn ons zeer nabij. Die vijanden van de rust van onze ziel kwellen ons te zeer dan dat wij hen zouden kunnen vergeten. De verzoekingen, waaraan wij blootstaan, openbaren zich ook op zeer duidelijke wijze. Aan alle zijden liggen zij rondom ons op de loer. En de inwendige strijd, welke uit onze gevallen natuur en de verzoekingen van Satan en de wereld voortvloeit, ook die bestaat. Wij twijfelen evenmin aan die inwendige strijd als de gewonde krijgsman aan het bloedige van de veldslag. Al die dingen staan ons steeds tot onze smart voor ogen. Ik vrees, dat ook hier Christus Jezus voor ons dikwijls niets meer is dan bloot een verschijning en niet een wezenlijke deelnemer in onze geestelijke strijd. Weet gij niet, geliefden, dat Jezus Christus in al uw verzoekingen met tedere deelneming voor u is aangedaan? Verstaat gij niet, dat Hij in al uw strijd en moeite het zodanig voor u heeft beschikt, dat gij voorzeker de zege zult wegdragen? Verwacht gij zelfs nog niet eens te kunnen zeggen, dat gij overwonnen hebt door het bloed van het Lam? Wilt gij niet in deze stonde reeds bij voorbaat de luide triomfkreet doen horen: “Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus?” Het bederf van de zonde is in u aanwezig, dat is een feit. Christus heeft in u een gestalte tot de hope der heerlijkheid dat is evenzeer een feit. In u is datgene aanwezig, hetwelk u zou willen vernietigen. In u is ook datgene ingeplant, hetwelk niet kan worden vernietigd, het ene is even waar als het andere. In de eerste Adam draagt gij het beeld van het aardse en hierover klaagt gij. In de tweede Adam begint gij alreeds het beeld van het hemelse te dragen, hetwelk gij eerlang zult dragen in volmaaktheid. Kunt gij dit niet vatten? Helaas! Wij grijpen deze dingen niet aan. Het gaat ons niet als de apostel Johannes, die kon getuigen van “hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben, van het Woord des levens.” Maar al te zeer is dit voor ons een leer die wij moeten aannemen, omdat zij ons geleerd is. Een zaak, waarbij wij ons moeten aansluiten, omdat er anderen zijn, die ze hebben ervaren. En maar al te weinig is dit een onderwerp van inwendige, levendige ervaring. Wanneer gij en ik door een gezegende verwerkelijking weten, dat dit zo is. Dat de Heilige Geest, van de Vader gezonden, in ons en met ons is. En dat Christus onze zonde in ons zal overwinnen door de kracht van het reinigende water hetwelk met het bloed uit Zijn zijde vloeide. En ons evenzeer zal verlossen van de macht der zonde als Hij ons reeds van de schuld der zonde heeft vrijgemaakt – dit is inderdaad een hemelse ervaring.

Wij mogen niet verzuimen deze gemoedstoestand ook nog op te helderen door de gesteldheid van vele heiligen in tijden van beproeving. Hoe dikwijls gebeurt het, wanneer de stormen ontketend zijn en onze arme boot vol water komt, dat wij ons met de werkelijkheid van alles om ons heen bezighouden, uitgezonderd met de werkelijkheid die voor ons van het grootste gewicht is! Wij zijn gelijk aan de discipelen op het Meer van Galilea. Wat al geen werkelijkheid is: het schip – hoor hoe het kraakt en zucht! De zee -hoe de hongerige golven opspringen om het te vernielen! De winden – ziet hoe de zeilen aan flarden gescheurd worden, hoe de mast buigt als een riet! Hun eigen moeiten en bezwaren – geheel doornat van de schuimende golven, de klederen doorweekt, en bibberende van de koude! Hun gevaarvolle toestand – het schip gaat zeker naar de diepte, met allen, die zich aan boord bevinden! Alles is werkelijkheid, alleen niet de Meester, Die daar op de baren wandelt. En toch, geliefden, was er in die ganse storm niets zo werkelijk en zo wezenlijk als de Meester. Al het andere aanmerkende zouden zij zich nog kunnen bedriegen, maar Hij was er wezenlijk en waarachtig. Al het andere was aan verandering onderhevig, het ging voorbij en maakte plaats voor kalmte. Echter Hij bleef steeds dezelfde. Merkt nu op hoe dikwijls wij ons in een soortgelijke toestand bevinden. Onze drukkende omstandigheden, de ledige kast, onze lichamelijke zwakheid, het verlies van een geliefd kind of van een andere dierbare bloedverwant. Al de ellenden die zich dreigende aan ons oog vertonen. De vrees voor een bankroet of voor armoede in het algemeen. Dit alles schijnt ons iets wezenlijks toe. Echter het woord: “Ik ben met u,” schijnt dikwijls in dergelijke omstandigheden een zaak te zijn van het geloof. O ja voorzeker, maar niet een zaak ter verwerkelijking. En de belofte: “Alle dingen werken mede ten goede dengenen, die God liefhebben, degenen namelijk, die naar Zijn voornemen geroepen zijn” – wij durven ze niet loochenen, maar wij worden er niet door vertroost in die mate als dit wel het geval behoorde te zijn, omdat wij ze niet aangrijpen, niet vasthouden, er geen volle kennis van hebben. De jongelingen in de brandende oven des vuurs wisten wel, dat zij door de vuurgloed omringd waren; zij waren echter veilig, omdat zij met even grote zekerheid wisten, dat de Zoon des mensen aldaar met en bij hen was. En zo moet ook gij, die in de oven der verdrukking zijt en die weet, dat de beproeving, als zij tegenwoordig is, geen zaak van vreugde is, maar van droefheid schijnt te zijn, eveneens in gedachtenis houden, dat waar Jezus is, de beproeving tot een zegen wordt. En er in de bezoeking een liefelijkheid gelegen is, zoals die nergens elders is te vinden.

Ik zal de gedachte, die ons bezighoudt, nog ten aanzien van twee zaken ophelderen. In de eerste plaats ziende op de dood –ik weet niet, waarde broeders, of gij allen zonder een huivering aan de dood kunt denken. Ik vrees wel, dat er niet velen onder ons zijn, die zich daartoe in staat bevinden. O zeker, het is zeer gemakkelijk, wanneer wij hier des Zondags samenkomen, een juichtoon aan te heffen en met al onze broederen te zingen:

Ik sta aan d’ oever der Jordaan

En werp een blijden blik vooruit

Ik vrees echter, ja werkelijk ik vrees, dat wij toch nog maar liever willen leven dan sterven. Een zendeling vertelde mij eens van een oude negerin in Jamaica, die voortdurend zong: “Engel Gabriël, kom en haal tante Betsy thuis in de heerlijkheid.” Toen nu eens in het holle van de nacht een ondeugende spotvogel aan haar deur klopte en haar vertelde dat hij de engel Gabriël was en dat hij gekomen was om tante Betsy thuis te halen, zei zij: “Die woont hiernaast.” Ik vrees, dat het er met ons evenzo bijstaat. En dat, schoon wij menen te wensen, dat de golven van de Jordaan zich vaneenscheiden om ons een doortocht te geven naar de andere oever, wij toch met een huiverend gevoel aan de kant blijven staan. Ja, zo is het. Wij willen niet gaarne dit warme en gezellige aardse huis verlaten. Wij werpen nog menigmaal een blik terug, waaruit gehechtheid spreekt aan hetgeen achter ons ligt. Hoe komt dat? Het komt alles daar vandaan, dat het sterfbed, het doodszweet, de benauwdheden, het brekende oog als werkelijkheid voor ons treden. Wij beschouwen dikwijls als werkelijkheid wat in de toekomst geen werkelijkheid blijkt te zijn. Echter zien wij niet als werkelijkheid aan wat wel degelijk werkelijkheid is, namelijk, de engelen. Die als wachters naast de sponde zweven, gereed om ons als geleide te dienen bij het opvaren van onze geest door onbekende gewesten van de zuiverste ether. Geen rechte werkelijkheid is voor ons de tegenwoordigheid van de Zaligmaker, Die de heiligen aan zijn boezem ontvangt, opdat zij daar rusten, totdat de bazuin van de aartsengel slaat. Geen werkelijkheid in de echte zin is voor ons de opstanding.

Van ‘t bed van zwijgende aarde en stof

Tot ‘t eeuwig, heerlijk hemelhof.

Zo het anders was, onze liederen omtrent het sterven zouden meer waarachtig zijn en onze bereidheid om van hier te gaan meer blijvend. Want wat is de dood? Hij is op zijn ergst niet meer dan een speldenprik en dikwijls nog maar nauwelijks dat. Het sluiten van onze ogen op aarde en het openen er van in de hemel. Zo snel gaat het heengaan van de heilige, de verplaatsing van de ziel van het lichaam alhier tot de tegenwoordigheid van de Heere daarginds, dat de dood nauwelijks iets is. Hij is verslonden tot overwinning. O, dat Jezus dan voor ons recht werkelijkheid mocht worden en de dood zijn prikkel geheel en al verloren zou hebben.

En nog eenmaal, en dit is de laatste opheldering die ik omtrent dit stuk zal geven, ik vrees, dat wij in het werk van de christelijke liefde zeer dikwijls op de aangegeven wijze in twijfel geraken. Wanneer er een onderneming op touw gezet zal worden, dan gaan wij, als wij verstandig handelen, wel terdege de moeilijkheden na, die daaraan zijn verbonden. En als wij nu wat al te verstandig zijn, dan gaan wij die moeilijkheden overdrijven om tot het besluit te komen, dat wij met onze geringe hulpmiddelen ze nooit zullen kunnen overwinnen. Maar ach! Hoe komt het, dat wij zo zelden denken aan de levende Zaligmaker, Die bij ons tegenwoordig is en Die het Hoofd is van Zijn gemeente? Bereken de strijdkrachten van de kerk, zo gij wilt. Vergeet niet, de belangrijkste van die alle, de almacht van de Heere, haar Koning, in rekening te brengen. Voeg bijeen, zo gij wilt, al de zwakheid van haar herders, en leraars, en evangelisten, en leden. Wanneer gij dat gedaan hebt, moet gij u niet verbeelden, dat gij een berekening gemaakt hebt van al haar hulpbronnen. Gij hebt nog maar alleen uw beschouwing laten gaan over wat er aan de buitenkant zichtbaar is. De hoofdmacht en de sterkte van de kerk liggen in de volheid van de godheid lichamelijk, welke woont in de persoon van Jezus Christus. Moet het heidendom als iets werkelijks beschouwd worden? Zal ik het priesterdom en de macht van Rome, de verdorvenheid van het menselijke hart en de vervreemdheid van de menselijke wil als werkelijk bestaande achten. En zal ik niet evenzeer rekening houden met de werkelijkheid van de almacht van Christus in het rijk des geestes en van de onweerstaanbare kracht van de Heilige Geest. Die de mens van de duisternis kan brengen tot het licht en van de macht van de Satan tot God? Laat Christus geen spooksel voor Zijn kerk zijn. Laat in haar slechtste tijden, ofschoon zij als een schip in de storm op en neer geworpen wordt, haar Heere, waar Hij op de golven wandelt, werkelijkheid voor haar wezen. En zij zal met moed en dapperheid de strijd aanbinden. En de uitkomst zal heerlijk zijn. Tot zover dan over het eerste stuk.

II.

WIJ MAKEN HET MEEST VAN CHRISTUS EEN SPOOKSEL, WANNEER HIJ IN DE MEEST WEZENLIJKE ZIN CHRISTUS IS, wanneer Hij Zich op de duidelijkste wijze openbaart als de Zoon van de Allerhoogste.

Merkt op, waarde broeders, dat toen onze Heere Jezus Christus op het land aan de oever van het meer wandelde, niemand van Zijn discipelen zei: “Het is een geest.” Niemand van hen zei: “Het is een geestverschijning.” En toch zagen zij Christus niet in de werkelijke zin, toen Hij aan de oever, op de vaste wal, wandelde. Zij zagen alleen Zijn mensheid en dat was alles. Er was niets meer aan Christus te zien, terwijl Hij daar wandelde, dan er aan iemand anders te zien is – ‘t is eenvoudig een mens, de godheid openbaart zich daar niet. Echter toen Christus op de golven wandelde, was er meer van Christus zichtbaar dan op het land het geval was. Toen zagen zij ook Zijn mensheid. Echter Zijn godheid, die oorzaak was dat de vloeibare golven Hem konden dragen, zagen zij ook. Toen was er het meest van Christus te zien en juist toen zagen zij het minst. Is het niet vreemd: waar Hij Zich het meest ontdekt, daar zien wij het minst. En waar Hij Zich op de duidelijkste wijze openbaart, daar is ons ongelovig oog het minst in staat om te zien! En toch, let daar wel op, Christus is nooit zo in waarheid Christus, als wanneer Hij werkt buiten de gewone loop van de natuur. Hij is Christus, als Hij een kindeke op Zijn knie neemt en het zegent. Er wordt meer van de Christus gezien, wanneer Hij zijn hand op de jonge dochter legt en haar uit de doden opwekt. Of wanneer Hij Lazarus uit het graf roept. Hij is de Christus, wanneer Hij een teder woord tot een treurend hart spreekt. Maar o, welk een Christus is Hij, wanneer Hij zegt: “Zwijgt, gij winden, en gij golven, zijt stil!” Dan wordt Zijn heerlijkheid voor het versterkte oog des geloofs blootgelegd. In der waarheid, Hij is het meest Zich zelf, wanneer Hij het meest boven alle andere is. Wanneer, zo hoog als de hemelen zijn boven de aarde, zo hoog Zijn gedachten zijn boven onze gedachten en Zijn wegen boven onze wegen. En, broeders, wij hebben Christus nog nooit gezien, tenzij wij Hem gezien hebben ver boven alle anderen en handelende buiten de grenzen van de verwachting en van de redenering. De Christus is half verborgen, wanneer Hij handelt gelijk ieder ander mens. De ganse Christus treedt niet in het licht in de gewone loop van onze zaken. Het is in het buitengewone, het niet alledaagse, het onverwachte, dat wij de heerlijkheid van Christus aanschouwen en Hem ten volle zien. Zo komt het, dat wij het meest weigeren Hem te onderscheiden en te verheerlijken, wanneer Hij Zich op de meest openlijke wijze vertoont. Laat mij u dit nader duidelijk maken. Christus op de zee wandelende, zeg ik, is daar het meest van al Christus. En toch merken Zijn discipelen Hem niet op; zo ook ziet gij in de vergeving van zeer grote zonde het meest van Christus, en toch, wanneer een mens in een grote zonde gevallen is, dat is, in een snode zonde in de schatting van anderen, dan zegt hij: “Ach, dat kwaad kan mij niet vergeven worden!” Wel, vriend, Jezus is het meest in waarheid Jezus, wanneer hij schandelijke ongerechtigheid vergeeft. Om uw kleine overtredingen die gij ten minste als zodanig beschouwd hebt, weg te doen. Om de zodanigen te verlossen, die een weinig gevallen zijn en een weinig overtreden hebben – meent gij, dat dit alles is, waarom Hij is gekomen? Is Hij een kleine Zaligmaker voor kleine zondaars om ook op kleine schaal te worden aangebeden? Neen; hierin komt Hij echter aan het licht dan inderdaad en in waarheid Christus te zijn, wanneer afschuwelijke moord en doodslag, snode echtbreuk en overspel, hemeltergende godslasteringen en walgelijke onreinheden alle door Zijn bloed worden afgewassen. Dan zien wij Hem als een grote Zaligmaker. Als een Zaligmaker, Die machtig is om te behouden. Waarom is het, dat wij geen oog voor Hem hebben, wanneer Hij menigvuldig vergeeft? Broeders, eren wij Hem zoals Hij geëerd moet worden? Als wij alleen van de gedachte uitgaan, dat het gevoel der zonde door Hem wordt weggedaan? Als wij erkennen, dat de werkelijkheid, de walgelijkheid, de verdoemelijkheid der zonde door Jezus wordt weggedaan. En wij Hem vertrouwen, wanneer onze zonden zich het zwartst, het vuilst, het afschuwelijkst vertonen. Dan eren wij Hem en zien wij Hem als de Christus, Die Hij werkelijk is.

Zo ook in grote noden van de ziel. Het behaagt God menigmaal na onze bekering de fonteinen van de grote diepten van onze verdorvenheid te laten openbreken. En dan hebben wij een gevoel gelijk wij nimmer tevoren gehad hebben. Wij hadden zoiets niet verwacht. En worden met verbaasdheid overvallen, nu ons blijkt, dat wij zulke verdorven, zulke bedrieglijke, zulke vuile schepselen zijn. Dan komt in diezelfde tijd de Satan het hart binnen met gruwelijke verzoekingen en duivelse inblazingen. En helaas! Onze argwaan koesterende geest beeldt zich in, dat Jezus zelf in zulk een toestand ons niet kan helpen. Echter nu, o mijn waarde vriend, nu is het de tijd voor de goddelijke openbaring. Nu zult gij de Christus zien. Veronderstelt gij dan, dat de Heere Jezus alleen komt om van vrede te spreken tot degenen die reeds vrede hebben. Of vrede te geven aan hen, die een weinig betekenende verstoring hebben in de rust van hun gemoed? Beschouwt gij Jezus dan als overtollig? Of beeldt gij u in, dat Hij alleen past voor gelegenheden, die niet van zoveel betekenis zijn? Schaam u over zulke lage gedachten en dat van Hem, Die hoog daarboven regeert over de geweldige stormen die de meest onstuimige baren en de meer dan ontzaglijke bulderende watervloeden beheerst. Wanneer onze ganse natuur aan de foltering is prijsgegeven, wanneer onze hoop ten enenmale verdwenen is, wanneer onze wanhoop haar hoogste top heeft bereikt, dan is het te midden van het geraas van zulk een storm, dat Hij zegt: “Zwijgt, wees stil!” En door Zijn machtswoord de kalmte doet terugkeren. Geloof in de Christus, Die u kan redden, wanneer de verzoekingen op de meest verschrikkelijke wijze u dreigen te verslinden. Heb niet de gedachte, dat Hij alleen in staat is u te redden, wanneer gij niet in de uiterste nood verkeert. Geloof, dat Hij het best gezien wordt, wanneer de grootste rampspoeden voor u op handen zijn.

Ik zou nog op vele andere gevallen kunnen wijzen, die tot opheldering kunnen dienen, maar zal mij slechts in het kort tot enkele bepalen. Wij hebben wellicht een buitengewoon zware beproeving te doorstaan en hebben meer dan gewone ondersteuning nodig. Vol vreze laten wij ons aldus uit: “Ik kan niet verwachten onder deze beproeving te worden ondersteund.” Ach! Uw Christus is dan een spooksel. Indien gij Hem zag, zou gij weten, dat er voor Hem niets te moeilijk is. Dat de ondersteuning van een ziel, ook wanneer zij op het laagste punt gezonken is, voor de goddelijke Trooster gemakkelijk genoeg werk is. En gij zou u gelovig op Hem werpen en niet handelen, gelijk gij nu doet. Ja, maar gij hebt een grote toevoer nodig voor de tijd van nood, die nu voor u aangebroken is. Uw omstandigheden vorderen zulks in de hoogste mate. Beschouw dan toch Christus, nu gij aan een grote toevoer, aan bijzondere ondersteuning behoefte hebt, niet als arm en karig, maar zeg liever met Abraham: “De Heere zal het voorzien.” Toen Abraham zich in de uiterste nood bevond en op het punt was om op Gods bevel zijn zoon te slachten, bleek het hem, dat God tussenbeide trad. En de ram werd tot een brandoffer gevonden. In uw grootste armoede zal Christus tussenbeide komen. Jezus zal van Zich zelf bewijzen, dat Hij de Heere des hemels en der aarde is. Gij zult zien, dat in Hem al de volheid woont. Kunt gij u alleen in geringe en gewone moeiten en bezwaren op Jezus verlaten? Ik weet, dat het aangenaam is in zulke tijden tot Hem de toevlucht te nemen. Zou Hij dan niets meer zijn dan een gewone vriend, een vriend bij goed weer om u tegen kleine regenbuien te beschermen en met u te wandelen wanneer er nog al een stevige wind waait. Terwijl Hij zou weigeren u te vergezellen in stormachtig weer, of de onstuimige, hooggaande zee met u over te steken? O, handel toch niet op zulk een ellendige wijze tegenover de Zaligmaker, door van Hem een geest te maken, die wegblijft, wanneer gij de meeste behoefte aan Hem hebt. Maak van de Verlosser geen spooksel, wanneer gij Hem inderdaad en waarlijk nodig hebt. Gij hebt wezenlijke armoede, een wezenlijk kruis en wezenlijke moeilijkheden. Nu zal het op de berg des Heeren gezien worden, dat Hij een waarmaker is van Zijn woord. En Zijn naam, Jehova onze Verlosser, zal als met vurige letters te midden van de duisternis van uw noden en behoeften geschreven staan.

In tijden van grote gevaren gebeurt het wel, dat wij in een sombere stemming mompelen: “Nu zullen wij niet langer bewaard worden. Christus heeft ons tot op dit ogenblik staande gehouden. En wij geloven vast, dat Hij dit ook wel zou blijven doen, als de omstandigheden van de tegenwoordige tijd niet erger waren dan die van verleden tijden. Nu worden wij echter tot het uiterste verzocht, nu worden wij geweldig aangevallen, nu vermenigvuldigen zich onze smarten. Zal Hij ons nu ook nog helpen?” Durft gij dat zeggen: “Zal Hij?” Waar gij weet, dat Hij niet veranderen kan? Durft gij zo spreken: ” Kan Hij dat wel doen?” Is er iets voor de Heere te wonderlijk? Wilt gij dan van uw Zaligmaker niets meer dan bloot een verschijning maken? Hij is een wezenlijke Zaligmaker, leun op Hem. Hij zal er u veilig door helpen. Bedek u met Zijn schild en weer zodoende de vurige pijlen van u af. Hij zal u niet verlaten, u niet aan uw lot over laten. Grote verlossingen! Ach, wij vrezen, dat die niet meer zullen geschieden; Jezus zal die niet meer tot stand brengen, zoals in vroegere tijden, zo redeneren wij in een boze zin. En als zij dan toch tot stand komen, dan gaat het ons als Petrus, die zich van zijn bevrijding uit de gevangenis geen rechte voorstelling kon maken. Hij wist, dat de heiligen voor hem gebeden hadden. Toen hij echter uit de gevangenis verlost was en zich in de straat der stad bevond, kon hij er niet bij, dat het werkelijk een feit was. Hij “wist niet, dat het waarachtig was hetgeen door de engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.” Menigmaal zeggen wij, voordat God ons verlost heeft: “Het kan niet” – onze Christus was slechts een geest. En nadat wij verlost zijn, zeggen wij: “Ik begrijp er niets van, ik ben een en al verbazing.” Wat is het geval? Wij grijpen Christus niet zodanig aan, dat wij ons van Zijn wezenlijke macht, van Zijn tegenwoordigheid en genade verzekerd houden. Want als wij dat wel deden, dan zouden wij zelfs Zijn grootste uitreddingen als natuurlijke bewijzen van Zijn goedheid en grootheid ontvangen als dezulke, welke het geloof gerechtigd is te verwachten. “Is het niet verrassend,” zei eens iemand, “dat God mijn gebeden verhoord heeft en in Zijn voorzienigheid zo genadig voor mij geweest is?” “Neen,” zei daarop een oude, vrome vrouw wier langdurige ervaring haar met de wegen des Heeren had bekend gemaakt, “dat verrast mij niet. Dat is juist zoals gij het kunt verwachten, dat is zo Gods weg met Zijn volk.” Dat is het wat wij moeten gevoelen, dat het bewijzen van grote genade juist het werk van de Heere is; dat wij van God kunnen verwachten, dat Hij ons grote uitreddingen toezendt, dat Hij de wateren van onze smarten en ellenden met ons bewandelt en tot hen spreekt dat hun woeden een einde moet nemen. Het is een gezegend geloof, hetwelk ons in staat stelt om Jezus op de wateren te herkennen en te zeggen: “Ik weet, dat het Jezus is. Niemand dan Jezus zou zo wonderlijk kunnen handelen. Ik had Hem misschien niet gekend als ik Hem in een gewone weg had zien werken, of als een gewone reiziger had zien voorttrekken, maar hier te midden van buitengewone omstandigheden verwachtte ik Zijn hulp. Al had ik Hem tevoren ook nimmer gezien, nu verwachtte ik Hem wel te zien. En nu ik Hem zie, sta ik niet verwonderd, ofschoon ik met vreugde ben aangedaan. Ik zag naar Hem uit en wist dat wanneer de behoefte aan Hem het grootst was, Zijn komst zeker zou plaats hebben.” Wanneer het geloof het oog van de hoop met de lichtstraal der verwachting verheldert, dan is de blijdschap niet ver meer verwijderd.

Dit wil ik hier nog bijvoegen. Dat zo wij maar op de rechte wijze van Christus gebruik maken, onze grote zegepralen over geestelijke vijanden van binnen en over moeilijkheden van buiten, welke er zeker zullen volgen, op onfeilbare wijze ons opnieuw de werkelijkheid van Zijn bestaan zullen aantonen. Er is echter grote kans, dat wij Hem niet in staat zullen achten, ons zulke grote zegepralen te bezorgen. En dat wij moedeloos en bedrukt onze weg zullen voortzetten, waar wij ons in de Heere dienden te verlustigen.

Wat aangaat ons einde, maar al te dikwijls is de gedachte bij ons opgeklommen, dat wij het zwaar te verantwoorden zullen hebben bij ons sterven; beving heeft ons aangegrepen bij de gedachte aan het staan voor de rechterstoel. En bij het lezen van de dag van het gericht hebben wij wel eens gedacht: “Hoe zal ik dat verdragen?” Wij vergeten alsdan, dat wij bij de dood onze Verlosser beter zullen kennen dan tevoren. En dat wij in de opstanding en de heerlijkheid, die daarna zullen volgen, Hem duidelijker geopenbaard zullen zien dan nu het geval is. Daarom moeten wij hoger gedachten van Hem hebben en met een groot en kinderlijk geloof, een geloof vol vertrouwen in al de gewichtige belangen der eeuwigheid, op Hem leunen en steunen.

III.

Nu moet ik overgaan tot het derde deel. ONZE GROOTSTE ELLENDEN KOMEN HIERUIT VOORT, DAT WIJ ONZE HEERE NIET ALS WEZENLIJK DE CHRISTUS BESCHOUWEN.

Waarom veroorzaken onze moeiten en wederwaardigheden ons zoveel lijden? Het komt, omdat onze Heere zo dikwijls als een schaduw, een damp, een geest voor ons verdwijnt. En Hij door ons in het rijk der mythen geplaatst wordt, in plaats van Hem door een verstandig, praktisch, vast geloof, een geloof dat Hem voor ons tot werkelijkheid maakt, aan te grijpen. Want, broeders, het is een betreurenswaardige oorzaak van onrust, een Verlosser te hebben, Die in een spookachtige gedaante voor ons verschijnt. Een Zaligmaker te bezitten, Die niet metterdaad de zonde kan vergeven, wanneer het nu eens grote zonde wordt. Een Zaligmaker, Die ons slechts een geringe, een onbestemde hoop geeft ten aanzien van onze schuld, maar deze niet in letterlijke zin wegdoet. Dit is een bed hetwelk het zaad bevat voor allerlei onkruid. Het verwondert mij niet, zo gij door twijfelingen en vreze wordt gekweld, als Christus voor u geen werkelijke Christus is. O, dat gij allen mocht leren instemmen met deze heerlijke regels:

Er is een Mens, Wiens kostelijk bloed,

Gestort om onze zonden,

In hoofd en zij, in hand en voet,

Eens vloeide uit tal van wonden.

‘t Is geen verdichting van ons brein,

‘t Is zuivere historie;

Die Mens gans schuldeloos en rein,

Heerst nu in ‘s hemels glorie.

Die Mens is God, oneindig groot,

Hij is de Heer der Heeren;

Hij kocht ons vrij van hel en dood;

O, wilt Hem eeuwig eren!

Wacht er u voor, mijn broeders, met iets minder tevreden te zijn dan met het geloof in een levende, wezenlijke, echte Middelaar. Want niets anders dan de werkelijkheid zal u in deze zaak van enig nut zijn. Natuurlijk, met een spookachtige Zaligmaker voor wezenlijke zonden, een verschijning van een Verlosser voor wezenlijke dienstbaarheid kunt gij geen troost vinden. Van wat nut is de schijn van brood en de gelijkenis van water voor hongerende en dorstende pelgrims in de woestijn? Indien gij een spookachtige helper hebt voor wezenlijke ellenden, dan zijt gij er door zulk een hulp nog slechter aan toe. Indien uw Redder niet metterdaad en in praktische zin u in tijden van nood ondersteunt, in uw behoeften voorziet en u, door het leed neergebogen, weer opbeurt, in welke opzichten zijt gij er dan beter aan toe dan degenen, die in het geheel geen helper hebben? Jezus is een vriend inderdaad en in waarheid. Zijn genade, liefde en tegenwoordigheid zijn geen verdichtselen. Van alle waarheden zijn dit wel de zekerste. Indien ik een wezenlijke last heb te dragen en een geest mij daarbij steun moet bieden, dan ben ik in werkelijkheid zonder enige bijstand. Wij hebben behoefte aan een waarachtige macht, kracht en sterkte in onze Helper. En dat alles ziet het geloof in Jezus zijn Heere. Gij zult echter zeer spoedig zien hoe de smarten zich vermenigvuldigen, waar Jezus licht geacht wordt.

Daarenboven is Christus voor sommigen niet slechts als het ware een ontastbare geest, maar in werkelijkheid ook een onverschillige, ongevoelige geest. Op de zee scheen het de discipelen toe alsof Jezus hen wilde voorbijgaan en hen aan hun lot wilde overlaten. En dikwijls zijn wij met de gedachte bezet, dat onze genadige Heere geen acht op ons geeft. In ieder geval, wij vergeten, dat Hij op onze toestand en onze omstandigheden met teerheid let. Het trof u niet, toen gij de vorige week zo arm waart, dat Jezus dit wist en met smart vanwege die bezoeking over u was aangedaan. Gij vergat het, waarde broeder, toen gij bevende naar de spreekplaats ging dat Jezus van uw beven afwist en dat Hij u zou ondersteunen onderwijl gij uw getuigenis aangaande Hem deed horen. Al te zelden bedenken wij, wat uitgedrukt wordt in het versje:

In ieder snerpend leed des harten

Deelt ook gewis de Man der smarten.

Gij, waarde echtgenoot, gij wist het wel, dat uw echtvriendin medelijden met u had; gij hebt de traan in haar oog wel opgemerkt, toen zij uw smart aanschouwde. En gij, lief kind, ook gij wist het wel, dat uw moeder om u treurde. En als gij Jezus slechts kende, zou gij ook weten, dat Hij u nooit onnodig pijn veroorzaakt. En dat Hij u nimmer een beproeving toezendt, waar geen noodzaak voor is. Er is voor alle dingen een oorzaak. En in alles draagt Hij met u mee.

Menig arme zondaar beeldt zich zelfs in, dat Jezus een boze, een vertoornde geest is en schreeuwt van vrees. Hij verbeeldt zich, dat Jezus vol gramschap is en hem met verontwaardiging van Zich zal werpen. Ach! Gij hebt geen rechte beschouwing, geen beschouwing overeenkomende met de werkelijkheid van mijn Zaligmaker, indien gij meent dat Hij ooit iemand die tot Hem komt zal uitwerpen. Welk een wezenlijke Geneesmeester der zielen was Hij, toen Hij Zich op aarde bevond! Hij vermengde Zich met tollenaren en zondaren. Hij sprak niet over hen als lieden, op welke moest worden toegezien. Hij bemoeide Zich metterdaad Zelf met hen en liet toe dat één onder hen Zijn voeten met haar tranen wies. En ze met het haar van haar hoofd afdroogde. Hij was gewoon zondaars, met allerlei kwalen behept, met Zijn vinger aan te raken, wanneer Hij hen genas. Hij was geen Zaligmaker, Wie het geen rechte ernst was. Hij kwam niet in deze wereld om ons van veronderstelde zonde en ingebeelde onrust te verlossen. Er is niets, waar meer over heen gezien wordt, maar dat toch beter diende te worden opgemerkt ten aanzien van onze Heere dan Zijn natuurlijkheid en Zijn praktische zin. Bij Hem vindt gij in het geheel geen schijnvertoning of iets, dat maar zo voorgewend wordt. Hij treedt altijd in de geschiedenissen van het evangelie op als even wezenlijk als de tonelen uit het leven rondom Hem. Hij doet Zich nooit aan u voor op een wijze die doet denken aan hetgeen gij in de schouwburg kunt opmerken. Dat wij allen mogen gevoelen, dat Hij in werkelijkheid een liefhebbende Zaligmaker, een tedere Zaligmaker en een praktische Zaligmaker voor ons is. Dat gij Hem mocht kennen, dat gij van Hem het rechte gebruik mocht maken, dan zullen uw smarten òf een einde nemen òf met dankzegging worden aangenomen.

IV.

Tenslotte, INDIEN WIJ SLECHTS VAN DIT ELLENDIGE KWAAD KONDEN WORDEN GENEZEN, ZOU ONZE HEERE JEZUS CHRISTUS EEN HOGERE PLAATS IN ONZE SCHATTING ONTVANGEN EN VELE ANDERE GEZEGENDE

UITKOMSTEN ZOUDEN DAARUIT VOLGEN.

Want, in de eerste plaats, hebt gij wel opgemerkt, dat de discipelen, nadat zij wisten dat het Jezus was, en Hij bij hen in het schip was gekomen, tot Hem zeiden: “Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon?” Als gij Christus maar eerst in werkelijkheid leert kennen, zult gij Hem kennen in Zijn persoon, zoals gij Hem nooit zult leren kennen door alles wat ik u kan zeggen, of gij omtrent Hem kunt lezen. Gij hebt over de een of andere man gelezen, gij hebt in een geïllustreerd tijdschrift zijn portret gezien, gij hoort de mensen over hem spreken, maar ten laatste bevindt gij u niet in zijn gezelschap en zit met hem neer. En nu zegt gij: “Nu ken ik die man; eerder heb ik hem nog niet gekend.” O, als Jezus de hoogste werkelijkheid voor u wordt, zodat gij door het geloof tot Hem nadert, dan gevoelt gij dat gij Hem nu in waarheid begint te kennen. En, wat er bij komt, gij zult Hem dan met verzekerdheid leren kennen. Zij zeiden: “Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!” Gij waart er van overtuigd, dat Hij God is, door hetgeen gij in de Schriften vond. Toen gij Hem te zien kreeg, toen Hij werkelijkheid voor u werd, had de leer van Zijn Godheid geen behoefte aan steun door bewijsgronden: de waarheid, dat Jezus Christus Heere is, is met uw ganse wezen samen verweven. Hij is voor u de Zoon van God, al was het dan ook voor niemand anders. Wat deden die discipelen op de zee, toen zij zagen dat het inderdaad Jezus was, Die de golven betrad? Wij lezen: “Zij kwamen en aanbaden Hem.” Gij zult een spooksel, een beeld, een verschijning nooit aanbidden. Zo gij Jezus in werkelijkheid leert kennen, zult gij terstond voor Hem neervallen. Uw taal zal dan zijn: “Gezegende God, gezegende Zoon des mensen, Die voor mij van de hemel bent neergedaald, Die voor mij Uw bloed hebt gestort, Die voor mij plaats genomen hebt in de heerlijkheid en voor mij pleit, ik had aan U gedacht en van U gehoord, maar nu zie ik U – wat kan ik anders doen dan U aanbidden?” Het is het aangrijpen van Christus, hetwelk de ware godsvrucht teweegbrengt; het is de nevelachtigheid van onze gedachten aangaande Hem, die de wortel is van onze ongodvruchtige gemoedsgestalten. God geve, dat wij ons aan Christus vastklemmen, dan zullen wij Hem van zelf aanbidden.

Zij aanbaden Christus niet alleen, maar zij dienden Hem ook. Hun aanbidding en verering waren zodanig, dat wat Hij hen ook beval, zij het deden. En het schip gestuurd werd in welke richting Hij het wilde, totdat het Hem naar de andere zijde bracht, waarheen Hij wenste te gaan. Zij, die Christus recht in het oog krijgen, zullen Hem zeker gehoorzamen. Ik kan niet gehoorzamen aan iets, dat als een wolk voor mij uit drijft. Echter wanneer ik de Mens, de God aanschouw en weet, dat Hij even wezenlijk een persoon is als ik zelf, dat Hij even feitelijk een bestaan heeft als mijn broeder, dan doe ik alles wat Hij mij gebiedt. Mijn gehoorzaamheid wordt een wezenlijke, juist naarmate de Meester, Die deze gehoorzaamheid van mij eist, als wezenlijk voor het oog van mijn ziele treedt. Dan is het, waarde vrienden, dat wij nederig van geest worden. Niemand leert Christus op de rechte wijze kennen zonder de rechte kennis te verkrijgen aangaande zich zelf en in verootmoediging te worden neergebogen. “Met het gehoor van het oor heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.” Echter met de ootmoed komt een grote en innige blijdschap en vrede. Wanneer wij weten, dat Christus met ons in het schip is, glimlachen wij tegen de storm. En of die nu al voort woedt of dat hij gaat liggen, wij hebben met het ene even goed vrede als met het andere, nu wij er maar zeker van zijn, dat Christus bij ons is. Ik geloof, dat het voor de Christen van het hoogste belang is, dat hij zich zijn Heere gedurig voorstelt; hij heeft in de eerste en voornaamste plaats een wezenlijke Leider nodig; hij heeft er behoefte aan zich Hem in werkelijkheid voor de geest te plaatsen en daadwerkelijk Zijn macht te gevoelen. En is het daarvoor nodig, dat Hij hier in persoon komt? Ik vertrouw van neen. Indien Hij deze morgen op dit spreekgestoelte verscheen en Zijn dienstknecht zijn hoofd verborg, zou gij zeggen: “Ziet, welk een heerlijk gezicht! Ginds is onze Heere.” Ik weet, dat gij het hoofd zou buigen om Hem te aanbidden. En daarna zou gij de ogen opendoen en op Hem staren, uw ziel zou zich in het gezicht verlustigen. En dan zou ieder zeggen: “Wat kan ik voor Hem doen?” En als dan de vriendelijke Meester aan ieder van u verlof gaf om te komen en aan de voeten van de Gekruisigde offeranden uit te spreiden, o, welk een schat van kostbaarheden zou er worden gebracht! Iedereen zou gevoelen: “Ik heb niet bij mij wat ik wel zou wensen.” En gij zou zeggen: “Neem alles wat ik heb, gezegende Heere, want Gij hebt mij met Uw bloed vrijgekocht.” Is Hij u nu, schoon ongezien, niet even dierbaar? Is het geloof niet even machtig, bezit het niet hetzelfde vermogen als het gezicht? Is het niet “een bewijs der zaken die men niet ziet?” Bevat het lied van Wesley geen waarheid:

Wat ‘t menslijk oog niet kan aanschouwen,

Wat door geen rede wordt gevat,

Dat ziet een vast geloofsvertrouwen,

Verheld’rend heel ons levenspad.

‘t Geloof geeft licht in donk’re wegen,

Doet schaduwen en wolken vliên;

Het schenkt ons een onschatb’ren zegen,

Want God wordt door de mens gezien.

 

Geeft het geloof aan Jezus voor ons niet een even grote werkelijkheid als ons gezicht zou doen? Het behoort alzo te zijn en het is mijn bede dat het mocht geschieden. En hoe waarachtig zal dan uw toewijding, hoe hartelijk uw dienen, hoe gul uw dankbaarheid, hoe overvloedig uw offerande zijn! God schenke u genade om in deze begeerlijke toestand te komen, zowel gij, die heiligen, als gij, die nog zondaars zijt. Want zo gij een wezenlijke Christus bezit, bent gij een wezenlijke bezitter van alles goeds. God geve zulks om Jezus’ wil. AMEN.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend