24 March Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

De schuld kwijtgescholden

De schuld kwijtgescholden

‘En als ze niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt.’ Lukas 7: 42

Er was tussen de twee schuldenaars een zeer groot verschil ten aanzien van het bedrag dat ze betalen moesten: de één was schuldig vijfhonderd penningen en de andere vijftig. Er bestaat verschil in het schuldige van de zonden en in de graden van misdadigheid. Het zou onbillijk en onrechtvaardig zijn te zeggen dat alle mensen op één lijn staan in de grootheid van hun overtredingen. Sommigen zijn eerlijk en oprecht, vriendelijk en edelmoedig, hoewel ze maar wereldse mensen zijn, terwijl anderen van een boosaardige, nijdige, eigen-lievende natuur zijn, en zich aan het kwade overgeven en de zonde gretig, als ‘t ware met beide handen aangrijpen. De man die zedelijk, matig en ijverig is, is maar vijftig penningen schuldig in vergelijking met de slechte, brassende vloeker wiens schuld vijfhonderd penningen beloopt. Onze Heiland erkent het onderscheid omdat het bestaat en in billijkheid niet voorbijgezien kan worden., Er is onderscheid tussen onbekeerde mensen, zeer veel onderscheid. Één van hen, een jongeling, kwam tot Jezus en had zoveel schone trekken in zijn karakter dat de Heere, hem aanziende, hem beminde; terwijl, toen de Farizeeën zich om Hem verzamelden, onze Heere met verontwaardiging op hen neerzag. De grond was zeer verschillend hoewel geen enkele plek nog met het goede zaad was bezaaid, en er waren al gedeelten die al eerlijk en goed waren voordat de zaaier ze betrad. De zondaren zijn van elkaar onderscheiden.

Maar waar ik uw bijzondere aandacht voor vraag is, dat hoewel er één punt van verschil tussen de twee schuldenaren was, er drie punten van overeenkomst waren; want beiden waren ze schuldenaars: evenzo hebben alle mensen gezondigd, hetzij weinig of veel; en ten tweede waren ze beiden bankroet: geen van hen kon zijn schuld voldoen; de man die vijftig penningen moest betalen kon evenmin betalen als hij die vijfhonderd penningen schuldig was, en ze waren dus beiden onvermogende schuldenaars. Maar welk een genade is het dat ze beiden gelijk waren in een derde op- zicht: want ‘als ze niet hadden om te betalen’, schold hun schuldeiser het hun beiden kwijt.

O, mijn geliefden, wij zijn allen gelijk in de twee eerste dingen! O, mochten wij allen gelijk zijn wat het laatste punt aangaat, dat de Heere God ieder van ons kwijtschelding van onze zonden verlenen mag naar de rijkdom van Zijn genade door Christus Jezus! Waarom zou het zo niet zijn, nu Jezus verhoogd is om bekering en vergeving van zonde te geven? Er is vergiffenis bij God. Hij heeft behagen in barmhartigheid. Hij kan al onze zonden in de diepten van de zee werpen, zodat ze in eeuwigheid niet meer tegen ons getuigen. Hoe treurig zou het zijn, nu wij twee derde van de weg moeten samengaan, wanneer wij op het derde gedeelte ervan gescheiden moesten zijn! Die eerste twee derde delen zijn een morsig, modderig stuk weg, en met een bekommerd hart doorwaden wij ze tezamen – wij hebben allen schuld en wij kunnen geen van allen betalen. Maar het andere deel van de weg is in goede staat, effen en aangenaam voor reizigers en voert naar de hoven van de gelukzaligheid. O, zij het ons gegeven ook dát gedeelte af te leggen en de genadige vergiffenis bij God te vinden. Mag de vrije kwijtschelding het deel zijn van ons allen, niemand uitgezonderd. En waarom niet? God zegt ze ons op dit uur toe in Zijn grote genade. Daarover wens ik tot u te spreken, ‘geliefde’ vrienden. Want ik geloof dat de Heere Jezus u iets te zeggen heeft, en ik bid dat uw harten voor Hem geopend mogen zijn, en roep blij uit: ‘Meester, spreek!’

Ons eerste punt van beschouwing is hun onvermogen – ‘zij hadden niet om te betalen’; het tweede is de hun verleende kwijtschelding – ‘hij schold het hun beiden kwijt’; en het derde is het verband tussen deze beide: want het woordje ‘als’ geeft het verband aan ‘als ze niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt.’

I. In de eerste plaats denken wij aan hun onvermogen om te betalen. In die toestand verkeerden zij. Op hun schuld viel niets af te dingen. Als ze de rechtmatigheid van de vordering van de schuldeiser hadden kunnen betwisten, zouden ze het ongetwijfeld gedaan hebben. Als ze hadden kunnen aantonen dat ze nooit schuld gemaakt hadden, of dat ze al hadden betaald, zouden ze het zeker gaarne gedaan hebben. Maar ze konden niets in het midden brengen; hun schuld viel niet te ontkennen. En nog iets stond bij hen vast, namelijk dat ze niets hadden om mee te betalen. Ze hadden zonder twijfel ijverig gezocht; ze hadden hun zakken uitgehaald, hun geldkisten en laden, en niets gevonden; ze hadden naar hun meubels omgezien, maar deze waren stuk voor stuk verdwenen. Ze hadden binnenshuis noch buitenshuis iets waarover ze beschikken konden. Het was zó ver met hen gekomen dat ze fondsen noch geld bezaten en niets te wachten waren waarop ze trekken konden: ze waren tot het uiterste, tot volslagen armoede gebracht. Intussen drong hun grote schuldeiser op betaling aan. Dat ligt in de tekst opgesloten. De schuldeiser had klaarblijkelijk zijn lang vervallen rekeningen vertoond en tot hen gezegd: ‘Deze vorderingen moeten voldaan worden. Er moet aan deze staat van zaken een eind komen; u moet uw rekeningen aanzuiveren.’ Ze waren tot deze toestand gebracht, dat ze hun schuld moesten erkennen en dat ze eveneens nederig moesten bekennen dat ze niets hadden om ze te voldoen: de tijd tot betalen was gekomen en vond hen zonder een enkele penning. Geen ongelukkiger toestand was mogelijk.

Tot zover de gelijkenis. Geheel naar waarheid toont ze de toestand aan van een ieder, die niet tot Jezus Christus gekomen is en vrije vergiffenis van zonden ontvangen heeft. Wij zullen ons hierbij nader bepalen. Wij zijn allen van nature en door ons leven in schuld gedompeld, en zie hier op welke wijze wij daartoe kwamen. Luistert en neemt het ter harte. Als schepselen van God waren wij Hem van het begin af aan gehoor- zaamheid schuldig. Wij waren gehouden onze Maker te gehoorzamen. Hij had ons gemaakt en niet wij zelf, en wij waren dus gehouden Hem eerbiedig als onze Schepper te erkennen, Hem vol liefde te aanbidden en Hem gehoorzaam te dienen. Dit is een zo natuurlijke en redelijke plicht dat niemand hem kan betwisten.

Als u Gods schepselen bent, is het niet meer dan rechtmatig dat u Hem eert. Als u elke dag de adem van uw neusgaten en het voedsel dat u eet van Hem ontvangt, dan bent u aan Hem verbonden door de banden van de dankbaarheid en behoort u Zijn wil te doen.

Maar, mijn vrienden, wij hebben Zijn wil niet gedaan. Wij hebben ongedaan gelaten de dingen die wij hadden moeten doen, en wij hebben gedaan de dingen die wij niet hadden moeten doen, en zo zijn wij in dubbele zin bij Hem in schuld gekomen. Wij zijn nu strafschuldig, ja al veroordeeld. Wij zijn God, tot straf voor het verbreken van Zijn wet, beide lijden en dood schuldig; en in Gods Woord lezen wij dat de rechtvaardige vergelding van de zonden iets ontzettends is. ‘Vreest Hem’, zegt Christus, ‘die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel. Ja ik zeg u, vreest Hem!’ Schrikkelijk zijn de figuurlijke en zinnebeeldige voorstellingen waarmee de Heilige Geest de ellende aantoont van een ziel op welke de Heere Zijn hevige verbolgenheid uitstort. De smart van de ondergang, de smart van de ellende, die de zonde ten slotte over schuldige mensen brengt, ligt buiten onze bevatting: ze heet ‘de verschrikkingen des Heeren.’ Er is niemand in ons midden die, afgescheiden van de Heere Jezus Christus, voor Gods wet niet een schuld heeft die de eeuwigheid niet geheel uitwissen kan, zelfs al ware ze met dodelijke zielesmarten vervuld. Een leven buiten God en van schending van Zijn wet moet vergolden worden met een toekomstig leven van straf. Zó is het met ons gesteld; kan iemand gerust zijn terwijl dit zijn toestand voor God is? Wij zijn schuldenaars: onze schuld is overstelpend groot; de gevolgen die ze met zich voert zijn in de hoogste mate verschrikkelijk.

En wij zijn geheel onbekwaam om daar iets tegenover te stellen. Als Hij voor ons stond en ons ter verantwoording riep, zouden wij niet één op de duizend kunnen verantwoorden. Wij kunnen ons niet verontschuldigen en wij kunnen Hem met geen mogelijkheid geven wat Hem rechtmatig toekomt. Zo iemand meent dit te kunnen, laat mij hem dan herinneren dat wij; om de schuld die wij aan God hebben uit te wissen, ze geheel moeten betalen. God eist, eist rechtvaardig van ons dat wij Zijn wet geheel houden. Hij zegt dat hij die in één opzicht schuldig is, in alle opzichten schuldig is: want Gods wet is zoals een schone albasten vaas, die heerlijk is in haar geheel. Maar wanneer ze ergens gebroken is, kan zij geen plaats vinden in Zijn hof; het minste barstje in haar schendt haar volkomenheid en vernietigt haar waarde. Volmaakte gehoorzaamheid aan een volmaakte wet eist de rechtvaardigheid van de Allerhoogste; en kan iemand van ons die bewijzen of trachten boete te betalen voor het nalaten daarvan? Dat wij niet in staat zijn te gehoorzamen is onze eigen schuld en een deel van onze misdaad. O, mag niemand van ons ooit die straf hebben te dragen! Gebannen te zijn uit Zijn nabijheid en van de heerlijkheid van Zijn kracht! Voor eeuwig te zijn uitgesloten van alle hoop en licht en vreugde! Hoe, er zijn er op dit ogenblik in de afgrond van de ellende die duizenden jaren lang de zware hand van de gerechtigheid gedragen hebben, en nog altijd blijft hun schuld zelfs thans onvoldaan. Want ze moeten nog op de jongste dag verschijnen voor de rechterstoel van Christus en hun overtreding verantwoorden. Zeker is het dat betaling geheel onmogelijk is; noch door gehoorzaamheid noch boete kunnen wij ooit hopen onze schuld uit te delgen – het zou geheel tevergeefs zijn dat te beproeven.

Want vergeet niet dat wij alles wat wij in gehoorzaamheid voor God kunnen doen, Hem al schuldig zijn. Al wat ik doen kan, wanneer ik God geheel mijn volgend leven lang liefheb met geheel mijn hart en ziel en kracht en mijn naaste als mijzelf, komt God al toe; alleen zal ik nieuwe plichten vervullen als ze voorkomen – hoe zal dat nu mijn vroegere ongehoorzaamheid kunnen wegnemen? Hoe zou ik mij kunnen reinigen van mijn oude vlekken, door te besluiten dat ik met geen nieuwe bezoedeld wil worden? Als uw hand bloedrood is, kunt u ze dan reinigen enkel door het besluit te nemen dat u ze niet meer in de kleurstof steken zult? U weet dat het niet zo is: vroegere zonde kan niet hersteld worden doordat men in ‘t vervolg waakzaam is.

Geen tranenstroom delgt ooit mijn zonden, Geen werk geneest mijn diepe wonden; Niets troost en heiligt mijn gemoed
Dan Jezus Christus en Zijn bloed.

Wij hebben niets waarmee wij onze verplichtingen kunnen nakomen, omdat wij alles wat wij met mogelijkheid in het vervolg kunnen verdienen of verkrijgen, al verschuldigd zijn, en wij dus niets hebben dat ons eigen, vrij eigendom is.
Bovendien is de schuld onmetelijk en onberekenbaar! Vijftig penningen is maar een zwakke voorstelling van wat de rechtvaardigste mens schuldig is; vijfhonderd penningen is maar een onbeduidende som in vergelijking van de overtredingen van de grotere overtreders. Mijn vrienden, wanneer ik aan mijn leven denk, schijnt het mij te zijn als de zee, gevormd door ontelbare golven van zonde; of als het zeestrand, samengesteld uit zandkorrels die gewogen noch geteld kunnen worden. Mijn zonden zijn talloos, en elke verdient de eeuwige dood. Onze zonden, onze zware zonden, onze zonden tegen licht en kennis, onze snode zonden, onze herhaalde zonden, onze verergerde zonden, onze zonden tegen onze ouders, onze zonden tegen al onze betrekkingen, onze zonden tegen onze God, onze zonden met het lichaam, onze zonden met de geest, onze zonden door onachtzaamheid, onze zonden met de gedachten, onze zonden van de verbeelding – wie kan ze optellen voor God? Wie kent het aantal van zijn overtredingen? Welnu, te denken dat wij ooit zulk een schuld kunnen uitwissen is inderdaad steun zoeken in een mening die geheel ongerijmd is: – wij hebben niets om te betalen.

En nu, ik ga nog verder. Zelfs indien deze zonden nog enigszins beperkt waren, en wij voor het vervolg niet alles schuldig waren wat wij doen kunnen, wat is er dan nog wat wij kunnen doen? Zegt Paulus niet van zichzelf dat hij niet bekwaam was iets van zichzelf te denken? Zegt de Heere niet tot het oude Israël: ‘Uwe vrucht is uit Mij.’ Zei Jezus niet tot Zijn discipelen en zelfs tot Zijn apostelen: ‘Zonder Mij kunt gij niets doen?’ Wat is er dan, onvermogende zondaar, dat u uit uzelf doen kunt? U moet vóór alles alle goede werk van God krijgen voor u het zelf volbrengen kunt. Het is waar, dat u ‘uws zelfs zaligheid moet werken met vreze en beven’. Maar wat moet er eerst komen? Lees de woorden: ‘Want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.’ Als de Heere geen verlossing in ons werkt, kunnen wij ze niet uitwerken. Al het goede in de mens is het werk van God, de vrucht van de Geest van God, Die op het hart en de geest werkt. De mensen zijn dood in zonden en misdaden, dood voor al wat heilig en God welgevallig is, en het leven zelf is een gave. Wat kunnen zondaren dan doen? Hun onvermogen is volkomen; en dit is waar voor iedereen die nog buiten Christus is – hij is een schuldenaar en hij heeft niets om te betalen.

Dit het geval zijnde, moet ik mij enige ogenblikken bezighouden met enige verzoekingen waaraan alle onvermogende zondaren zeer bloot gesteld zijn.

Één daarvan is, dat ze hun geestelijke staat geheel trachten te vergeten. Sommigen van u, die heden hier zijn, hebben nooit ernstig gedacht aan hun zielen en hun toestand voor God. Dat is een onaangenaam onderwerp. Men vreest dat het nog onaangenamer zijn zou wanneer men er onderzoek naar deed. Men heeft behoefte aan vermaak, aan iets om de tijd te verdrijven, omdat men zich niet bekommert om een onderzoek naar de stand van zijn hart voor God. Salomo vermaant: ‘Wees naarstig om het aangezicht van u schapen te kennen; zet uw hart op de kudden’, maar wie zorgeloos en traag is laat zulke onderzoekingen liever na en laat de dingen gaan zoals ze willen. De man wiens zaken achteruit gaan heeft geen plezier in het openleggen van zijn boeken. ‘O’, zegt hij, ‘kom toch niet met mijn boeken aan; ik zal ‘s nachts niet slapen als ik die inzie.’ Hij weet dat hij dieper en dieper zinkt, en spoedig geruïneerd zal zijn, en de enige wijze waarop zijn leven hem draaglijk is, is zijn droeve zorgen weg te drinken, of gezelschap te zoeken, of ijdel vermaak. Hij tracht de tijd te vergeten, opdat hij zijn ware toestand voor zichzelf verbergen mag. Maar welk een dwaas is hij! Zou het niet oneindig verstandiger zijn als hij de zaken met open oog beschouwde en tot de kennis kwam hoe het met hem stond? Zulk een onwetendheid, waarin hij zich gelukkig gevoelt, is voor de rechtgeaarde man een ellendige onzekerheid. Ik heb dikwijls gebeden: ‘Heere, leer mij mijn toestand van de ergste zijde kennen’, want ik wil geen hoop voeden die mij ten slotte zal bedriegen. De teleurstelling zal in dezelfde mate bitter zijn als de valse hoop zoet was. Dit is de verzoeking van de onvermogende ziel, dat ze het oog sluit voor de onwelkome waarheid. Volgens een verdichtsel verbergt de struisvogel wanneer hij vervolgd wordt zijn kop in het zand en gelooft dat de jager verdwenen is als hij hem niet meer ziet. Maar hij is niet weg: het gevaar dat wij niet zien bestaat even wezenlijk als wanneer wij het onder de ogen zagen. Hoe vergeetachtig u ook zijn mag, God vergeet uw zonden niet.

Een andere verzoeking voor iemand in deze toestand is, zulk een goede vertoning te maken als mogelijk is. Een man die dichtbij zijn bankroet is, ziet men dikwijls veel beweging maken. Met welk een mooi paard gaat hij naar zijn kantoor! Welke deftige partijen geeft hij! Juist; hij wil zijn krediet ophouden zolang hij kan. Allengs gaat hij zijn ondergang tegemoet, maar een tijdlang matigt hij zich het vertoon van een aanzienlijk man aan, en allen om hem heen menen dat hij veel geld bezit en overhoudt. De gouverneur van een belegerde stad wierp over de wallen de belegeraars broden toe om hun te doen geloven dat de burgers zulk een grote voorraad hadden dat ze er van weg konden werpen; maar intussen stierven ze van honger. Er zijn sommige mensen die evenzo doen: ze hebben niets dat ze God kunnen aanbieden, maar toch pronken ze met een schitterende eigengerechtigheid. O, ze zijn zulke goede, uitnemende mensen geweest, als lofwaardig van hun jeugd af aan; ze deden nooit iets heel verkeerds; er kan op hun klederen hier en daar een vlekje zijn, maar dat zullen ze wel weg borstelen als het droog is. Ze maken een fraaie vertoning met zedelijkheid en fatsoen en een schijnbare edelmoedigheid. Daarbij zeggen ze dat ze godsdienstig zijn: ze wonen de godsdienstoefeningen bij en betalen hun kerkelijke lasten. Wie zou in zulke mensen kwaad kunnen ontdekken? Juist; deze belijdenis is het mooie paard en rijtuig waarmee ze zwier maken, totdat ze naar het gerechtshof gaan. Er is niets in u of ooit in u geweest; wanneer bent zoals de natuur u gemaakt heeft; waarom tracht u dan om geen nood voor te wenden en u iets te laten schijnen, terwijl u niets bent? U wilt daardoor uzelf bedriegen, maar zeker zult u God niet bedriegen.

Een andere verzoeking van een onvermogend zondaar is, beloften te doen hoe hij zal handelen. Mensen die schuld hebben zijn gewoonlijk gul met beloven; ze zullen de volgende week stellig betalen. Maar wanneer die aanstaande week komt, bedoelden ze de daarop volgende week, en dan zullen ze nog stelliger betalen. Toch komt er zelfs dan, niets van of wel, ze geven een wissel. Is dat geen geldswaardig stuk, is het niet even goed als geld? Klaarblijkelijk denken ze dat, want ze zijn evenzeer op hun gemak alsof ze de schuld werkelijk betaald hadden. Maar als de wissel vervalt, wat dan? Hij vervalt om nooit weer op te komen. Och, een wissel is dikwijls een leugen met een zegel erop. Zo gaan de schuldenaars voort zo lang ze kunnen. En zo handelt elke zondaar voordat hij door de vrijmachtige genade van God verlicht is. Hij roept uit: ‘Ik neem mij voor beter te handelen.’ Dat helpt niet; zeg ons niet meer wat u wilt doen, maar doe het. Door zulke valse beloften en geloften vergroot u uw zonden slechts. ‘O, maar u weet dat het mijn bedoeling niet is, altijd op die wijze voort te gaan.’ Het is een lange weg, die geen keerpunt heeft. ‘Binnenkort houd ik op, en dan zult u zien.’ Wat zullen wij zien? Wat wij zien zullen; en dat zal niet veel zijn. Ja, wij zullen de dauw van de belofte zien verdwijnen en de morgenwolk van het besluit zien voorbijdrijven. Mijn waarde heer, u kunt onze hoop nu niet opwekken. God noch mens zal u vertrouwen; u hebt twintig jaar lang beloften gedaan, en geen enkel jaar hebt u werkelijk een stap in de goede richting gezet. U hebt niet alleen gelogen tegen de mensen, maar tegen God, en hoe zult u dat verantwoorden? Weet u niet dat elke belofte die u God doet en die u niet houdt, uw overtredingen vermeerdert en de maat van u ongerechtigheden helpt vullen? Houd u niet op met zulke leugens; ik bid het u.

Een andere verzoeking is, altijd om uitstel te vragen – alsof dat alles was wat nodig was. Toen de schuldenaar, in een andere gelijkenis, aangegrepen werd, zei hij tot zijn schuldeiser: ‘Wees lankmoedig over mij en ik zal u alles betalen.’ Wij kunnen heden niets van onze schuld betalen, en toch denken wij nog aan morgen. Ja, het schijnt zulk een verlichting te zijn als men nog wat langer tijd heeft; een zekere vage, nevelachtige hoop schijnt de maanden die komen zullen te verhelderen. De zondaar roept uit: ‘Ga ditmaal heen; als de tijd komt dat het mij schikt, zal ik u laten roepen. Op ‘t ogenblik schikt het juist niet, maar wacht toch een poosje; er zal een gunstig uur komen.’ Door deze verzoeking heeft Satan een menigte mensen verwoest; hij zette hen aan om meer tijd te vragen, in plaats van recht door zee te gaan en dadelijk kwijtschelding te verzoeken. Welke zijn de gewaande voordelen van morgen? Waarom stelt men zijn gedachten op de onbekende toekomst? Op een dadelijke beslissing wens ik bij u aan te dringen; en mag God door Zijn Geest u bevrijden als een vogel van de hand van de vogelaar; opdat u niet langer uitstelt en uw leven verspilt in ongehoorzaam uitstellen. Laat mij, met het oog op deze verzoeking, diegenen van u die bankroet zijn er op wijzen, hoe ze wijs zouden handelen. Het is wijs voor de staat van zijn ziel een geopend oog te hebben. De belangen van u ziel zijn de gewichtigste zaken die u ooit hebben zult, want als u uw rijkdom moet achterlaten en uw bezittingen u niet meer zien zullen, en uw lichaam dood is, zal uw ziel nog leven in eeuwige gelukzaligheid of in eindeloos wee; wees dus niet onverschillig voor uw toestand voor God. Het is de belangrijkste zaak; geeft haar de voornaamste plaats. Maak deze zaak in orde voordat u of Hij iets anders bepaalt. Heb er een open oog voor, wees eerlijk, en maak: u geen gunstige voorstellingen die onwaar zijn. Hoewel uw zaak slecht staat, is toch het beste wat u doen kunt, daarin oprecht te zijn voor God. Verberg het gevaar waarin u bent niet, zoals een dief die zich bij een eerlijk man verschuilt totdat de tijd gekomen is om zijn huis te plunderen. Laat de vonken niet smeulen waar ze al wat u hebt verteren kunnen. Doof het vuur uit voor u slapen gaat. Als u uw toestand onderzoekt, wees dan waar en oprecht tegenover uzelf en God, want u hebt niet te doen met schuldeisers die misleid kunnen worden maar met Hem Die de geheime gedachten en bedoelingen van uw hart kent. Voor God kan niets bestaan dan de waarheid; de schoon schijnende huichelaar doorgrondt Hij dadelijk. De Heere neemt alle maskers af, en de mensen staan voor Hem gelijk ze werkelijk zijn, en niet zoals ze willen schijnen; wees daarom waar. Neem uw pen niet om zestig te schrijven als u honderd schuldig bent, maar zet honderd. Leugen en bedrog moet men eens vooral terzijde stellen wanneer men met God te doen heeft.

Nog iets; u doet wijs wanneer u alle pogingen om te betalen opgeeft, want u hebt niets om te betalen. Breng uzelf niet in de waan dat u eens betalen zult, want u kunt dat niet, maar ga een andere weg op: voer aan dat u doodarm bent en roep barmhartigheid in. Zeg: ‘Heere, ik heb niets, ik ben niets, ik kan niets doen. Ik moet mij overgeven aan Uw genade.’ Over die genade ga ik nu spreken. Mag ik zo spreken dat ik hun, die onvermogend zijn, bemoedig om tot de Heere te gaan, opdat hij het hun alles kwijt scheldt.

II. Ons tweede punt is, de hen verleende kwijtschelding: ‘Hij schold het hun beiden kwijt.’ Welk een zegen viel hun ten deel doordat ze recht door zee gingen! Deze twee arme schuldenaren beefden van het hoofd tot de voeten, toen ze het kantoor binnentraden, want ze hadden niets om te betalen en staken diep in schulden. Maar zie, ze komen er uit met verlichte harten, want de schuld is geheel afgedaan, de wissels zijn gekwiteerd en de posten geschrapt. Evenzo heeft de Heere het handschrift uitgewist dat tegen ons was en heeft het weggedaan door het aan ‘t kruis te nagelen.

In deze vrijwillige kwijtschelding bewonder ik allereerst de goedheid van de grote schuldeiser. Welk een liefdevol hart had hij! Welk een vriendelijkheid betoonde hij! Hij zei: ‘Arme zielen, u kunt Mij nooit betalen, maar u behoeft u daardoor niet te laten terneerslaan, want Ik delg uw schuld vrijwillig uit.’ Welk een goedheid! Hoe groot is Gods hart! – Ik las onlangs van Cesar. Hij had hevig tegen Pompejus gestreden en eindelijk overwon hij hem, en toen hij hem overwonnen had vond hij onder de buit Pompejus’ geheime correspondentie, die de brieven bevatte van de verschillende edelen en senatoren van Rome die van zijn partij waren. Veel van deze brieven waren noodlottige stukken van overtuiging tegen de voornaamste Romeinen, maar wat deed Caesar? Hij vernietigde alle documenten. Hij wilde niets van zijn vijanden weten, want hij vergaf hun vrijwillig en verlangde niets meer te horen. Hier bewees Caesar dat hij geschikt was om een volk te regeren. Maar zie de heerlijkheid van God als Hij al onze zonden samenvat, en dan tezamen vernietigt. Men zoeke vrij de zonden van Zijn volk, want ze zijn niet te vinden. Hij zal ze nooit meer tegen ons inbrengen. Welk een goedheid van de oneindige God, Wiens barmhartigheid duurt tot in eeuwigheid. Buig u voor die goedheid vol blijdschap neer.

Maar merk ook op dat Hij het vrijwillig deed: ‘Hij schold het hun beiden kwijt.’ Ze stonden daar niet en zeiden: ‘o, goede heer, wij kunnen niet betalen’, en baden en smeekten niet alsof het om hun leven was, Want hij zei uit eigen beweging tot hen: ‘U kunt niet betalen. U moest eigenlijk nooit schuld bij mij gemaakt hebben en behoorde uw beloften niet gebroken te hebben. Maar zie, ik maak een einde aan deze onaangename zaak: ik wis al uw verplichtingen vrijwillig uit.’ Was dit geen zaligheid voor hen? Spoedden ze zich niet naar hun vrouw en kinderen, vertelden ze hun niet dat ze geen schuld meer hadden, want dat de geliefde schuldeiser ze geheel vrijwillig had kwijtgescholden? Dit is een schoon beeld van de genade van God. Als een arme zondaar, die onvermogend is, tot Hem komt, zegt Hij: ‘Ik vergeef u vrijwillig; uw schuld is uitgewist. Ik verlang geen tranen of gebeden of zielsangst van u om u uw vergiffenis waardig te maken. U behoeft mij niet tot barmhartigheid te bewegen, want Ik ben al barmhartig, en Mijn geliefde Zoon Jezus Christus heeft zulk een zoenoffer gebracht, dat Ik rechtvaardig zijn kan en u toch al uw schuld vergeven. Gaat dus heen in vrede.’

Nog meer, de schuld werd geheel kwijtgescholden. De schuldeiser zei niet: ‘Kom, goede man, ik zal vijftig percent van mijn vordering laten vallen als u mij het overschot betaalt.’ Aangezien ze niets hadden om te betalen, zouden ze er niets bij gewonnen hebben wanneer hij negentig percent had afgetrokken. Als hij de helft van de schuld genomen had, zou de één tweehonderd vijftig en de ander vijf en twintig penningen schuldig geweest zijn, maar hun zaak zou nog hopeloos gebleven zijn, daar ze geen penning hun eigendom noemen konden. De Heere nu laat, wanneer Hij de zonden van de Zijnen uitwist, geen spoor er van achterblijven. Mijn innige overtuiging is, dat toen onze Heere Jezus aan het kruis stierf, Hij al de zonden van Zijn volk te niet deed, en algehele verzoening deed voor al de schulden van hen, die ooit in Hem zouden geloven. Ik kan van ganser harte zingen:

Dat heet gadeloze ontferming,
Dat genade, rijk en vrij:
God schenkt redding, schenkt bescherming, Schenkt ze aan zondaars, schenkt ze aan mij.

Al de zonde van de gelovigen is eens voor altijd in de woestijn van de vergetelheid weggevoerd door onze grote Zondedrager, en niemand zal ooit een zonde vinden waardoor één ziel van de uitverkoren kudde in het oordeel valt. Er is voor de gelovige geen schuld overgelaten; nee geen enkele penning schuld blijft op zijn rekening staan. Stelt de Geest van God Zelf de vraag niet: ‘Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?’ De Heere heeft hun schuld vrijwillig vergeven, niet gedeeltelijk maar geheel en al. Wat onze zonden betreft, ‘de golven hebben ze overdekt.’

Merk op dat de vergiffenis tevens geheel afdoende was. De enige die een schuld kan kwijtschelden is hij wie ze toekomt. God alleen kan de zonde vergeven, omdat het een schuld aan Hem is. Wat zegt u van die mensen die zeggen dat ze u voor een halve gulden uw zonden kunnen vergeven? Wel, ik zeg dat men, als men aan hen hun loon betaalde, twee kwartjes zou wegwerpen. Als ze u vergiffenis gegeven hebben, wat hebt u daar dan aan? Denk eens dat ik u vergeving schonk voor de beledigingen die u de koning had aangedaan, welke waarde zou mijn vergiffenis dan hebben? Hij tegen wie ik overtreden heb is de enige die mij kwijtschelding kan geven, maar spreekt hij mij ook vrij, hoe afdoend is dat dan! Toen de schuldeiser zei: ‘Ik scheld het u beiden kwijt’, was de zaak afgedaan: en hij sprak met macht en hij had door Zijn Woord de schuld vernietigd. Nu zo, wanneer men de Heere Jezus Christus aanziet met het oog van het geloof, dan komt er een stem uit Zijn dierbare wonden, die de arme, sid- derende, onvermogende zondaar toeroept: ‘Uw zonden, die velen zijn, zijn alle vergeven. Ik delg uw overtredingen uit als een nevel en uw zonden als een wolk.’ Hoe afdoend is deze vergiffenis! Hoe zalig maakt ze het hart en stilt elke vrees! Vrijwillig, ten volle, afdoende, schold hij het hun beiden kwijt.

Dus ik geloof dat ik er nog iets anders bijvoegen mag: de kwijtschelding is voor eeuwig. Die schuldeiser kon de schuldenaren nooit meer aanspreken voor de schulden die hij kwijtgescholden had. Hij kon nimmer met enige schijn van recht aan zoiets denken. Hij had het hun vrijwillig kwijtgescholden en ze waren vrij. God handelt niet willekeurig met Zijn schepselen; Hij vergeeft hun niet en straft hen dan weer. Ik zal nooit geloven, dat God een mens heden liefheeft en hem morgen verwerpt. De gaven van God zijn van Zijn zijde onberouwelijk. De rechtvaardigmaking is geen daad die herroepen, en door veroordeling gevolgd kan worden. Nee, nee; ‘die Hij gerechtvaar- digd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.’

Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis, Dat Christus alleen. mijn gerechtigheid is; Nu vrees ik geen dood, nu verwin ik het graf, Nu neemt mij geen satan de zegekroon af!

Door zijn dood wiste de Verlosser de zonde eens voor al uit en stuitte Hij de loop van de wet geheel. Door het offeren van varren en lammeren werd voortdurend gedachtenis gehouden van de zonde, want het bloed van stieren en bokken kon de zonde niet wegnemen. Maar de apostel schrijft: ‘Maar deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods’, omdat Zijn werk afdoend en voor eeuwig was.

Veroorloof mij hierover nog één opmerking: deze kwijtschelding gold de beide schuldenaars – ‘hij schold het hun beiden kwijt.’ De man die slechts vijftig penningen schuld had behoefde evenzeer kwijtschelding als hij die vijfhonderd penningen schuldig was, want, al zat hij niet zo diep in de modder, hij was er toch even zeker in. Als iemand wegens schuld gevangen zat, zoals onder de oude wetten geschiedde, was hij, indien hij vijf duizend gulden schuld had, even stevig tussen muren opgesloten als de grotere schuldenaar die vijftig duizend op zijn rekening had, en hij kon zonder be- taling of kwijtschelding evenmin van zijn kleinere schuld loskomen als de grotere schuldenaar van zijn grote. Een vogel, door een koordje vastgehouden, is evenzeer gevangen als een stier die met een touw vastgebonden is. Welnu, u goede mensen, die altijd hebt getracht uw plicht te doen en gerekend wordt met de schuldenaars van vijftig penningen, u moet bekennen dat u enigszins bij God in de schuld staat, doordat u een zekere mate van zonde bedreven hebt. Let er wel op, dat u niet gered kunt worden dan door de vrijmachtige vergeving van God door het dierbare bloed van Christus. Wie vijftig penningen schuldig is kan door genade alleen kwijtschelding bekomen. Het is eveneens heerlijk te zien dat hij de schuldenaar van vijfhonderd penningen even vrijwillig kwijtschelding verleende. Misschien zijn er hier, hetzij mannen of vrouwen, die er nooit enige aanspraak op gemaakt hebben dat ze goed zijn, die van hun jeugd af aan van kwaad tot erger gegaan zijn. U kunt dadelijk vrije vergiffenis verkrijgen, op dit ogenblik. U die tot over uw oren in schuld staat bij God kunt van dezelfde Heere, Die de kleine schuldenaren kwijtschelding geeft, vrije vergeving ontvangen. Wanneer iemand zijn pen in de hand heeft en bezig is voor voldaan te tekenen, is het niet moeilijker voor hem, kwijting voor vijftig duizend gul- den te geven dan voor vijf duizend – dezelfde handtekening is daarvoor voldoende; en wanneer nu de Heere de pen van Zijn Geest in de hand heeft, en op een geweten de vrede van de verzoening gaat schrijven, kan Hij dat zowel op het één als op het andere doen. U die een kleine rekening hebt, brengt haar hier, opdat de oneindige Genade er ‘voldaan’ op mag schrijven. U die meer op uw rekening hebt, komt en legt ze neer bij die genadige rechterhand, want al is ze nog zo groot, de hand van de oneindige Liefde kan er in een ogenblik ‘voldaan’ op schrijven. Vreugde overstelpt mij dat ik u zulk een Evangelie heb te prediken: welke uw zonde ook zij, mijn genadige God is bereid u te vergeven om Jezus’ wille, want Hij verblijdt Zich in barmhartigheid.

III. Thans vraag ik uw bijzondere aandacht voor het derde punt, namelijk het verband tussen dit onvermogen en de verleende kwijtschelding. Er staat: ‘Als ze niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt.’ De tijd voor vergiffenis komt wanneer de zelfgenoegzaamheid verdwijnt. Als hier iemand in zijn geweten zover gekomen is dat hij weet dat hij niets heeft om te betalen, dan is hij gekomen op het punt waarop God bereid is hem te vergeven. Hij die zijn schuld erkennen, en zijn eigen onvermogen om ze te voldoen belijden wil, zal bevinden dat God ze vrijwillig uitdelgt. De Heere zal ons nooit vergeven vóór onze trots verdwenen en onze groot- spraak verstomd is. Een gevoel van geestelijk onvermogen toont aan dat men tot zichzelf gekomen is, en daarop komt het aan als men verlost zal worden. Hoe kan men geloven dat een lichtzinnig mens verlost is? Wanneer wij zodanig over onze toestand nadenken dat wij onze zonden betreuren en haar boosheid inzien, en als wij ons hart en ons leven nauwkeurig hebben onderzocht, en bevonden dat wij geen enkele verdienste of macht bezitten, dan zijn wij bereid om met ernst te zeggen: ‘In de Heere heb ik gerechtigheid en kracht.’ Moet er geen ernstig nadenken zijn vóór wij op genade kunnen hopen? Wilt u dat God ons verlost terwijl wij slapen, terwijl wij onbestendig, wispelturig; en dartel zijn en ons niet om onze zonde bekreunen? Dat zou zeker zijn een premie stellen op de dwaasheid! Zo handelt God niet. Hij wil dat wij kennis zullen hebben van het ernstige van het gevaar, want anders zullen wij de gehele zaak lichtvaardig behandelen, en zullen wij de zedelijke uitwerking van de vergiffenis missen, terwijl Hij beroofd zal zijn van zijn glorie.

En laat ons, wanneer wij tot de bewustheid van ons onvermogen komen, een oprechte belijdenis doen, en voor die belijdenis is een belofte gegeven: ‘Wie zijn zonden belijdt zal barmhartigheid verkrijgen.’ De twee schuldenaren hadden hun schuld bekend, en tevens openlijk beleden, hoewel met enige weerzin, dat ze niet konden betalen. Ze vernederden zich voor hun schuldeiser en toen zei hij: ‘Ik scheld het u kwijt.’ Als één van deze schuldenaren gepocht en gesnoefd had: ‘o, wij kunnen betalen’, zou hij naar alle waarschijnlijkheid naar de gevangenis zijn gezonden. En u arme, die siddert en beeft, ik weet niet waar u thans bent, maar hier is vertroosting voor is: als u zich in uw kamer tot God wendt, en uitroept: ‘Heere, wees mij genadig, want ik ben zondig en kan mij niet voor U rechtvaardigen noch U enige verontschuldiging aanbieden’, dan zal Hij tot u zeggen: ‘Heb goede moed; Ik heb uw zonden weggedaan, u zult niet sterven.’ Wanneer u niets hebt om te betalen en uw onvermogen belijdt, zal uw schuld uitgedelgd worden. Als u tot het ergste gebracht bent, zult u de Heere het gunstrijkst bevinden.

Niet dan in de uiterste armoede waarderen de mensen zulk een kwijtschelding. Wanneer God eensklaps aan iedereen genade schonk, zouden de mensen dit van weinig waarde achten en het niet tellen. ‘God is genadig!’ is overal een gewone spreekwijs, en men hecht aan dit gezegde zo weinig waarde, dat men het uitspreekt zonder dat men ‘t weet, alsof het niets betekende. Men aanbidt God niet om Zijn barmhartigheid of dient Hem om Zijn genade. Men zegt: ‘o! God is genadig!’ en dan gaat men heen en zondigt nog erger dan ooit; de gedachte heeft geen invloed op hun hart of hun leven; ze hebben geen gevoel voor die genade waarover ze zo vrij spreken. Daarom draagt de Heere er zorg voor dat de zondaar zijn behoefte aan genade kent door de kwelling van het geweten en de verschrikking van de wet. Hij doet als de rechter, als ik zo spreken mag, en neemt de ziel in beslag door de mens te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. De Heere stelt de eis in het hart en dan, als het arme schepsel uitroept: ‘Ik heb niets om te betalen’, geeft de Heere die kwijtschelding en wordt ze van ganser harte gewaardeerd door hem tot wie ze komt. Als onze schuld van oude datum en groot is, hoe heerlijk is het dan wanneer de Heere ‘voldaan’ schrijft, en die hele berg van schuld verzwolgen wordt in die zee van liefde. Christus is ons dierbaar als onze zonde groot is. Is het niet wijs van God dat Hij onze schuld teniet doet juist dan als wij niets hebben om te betalen, en er daardoor toe gebracht zijn de kwijtschelding naar waarde te schatten?

Tot inkeer gebracht ziet de arme ziel dat de zonde en de vergiffenis werkelijk bestaan. U zult, geliefde hoorder, nimmer het bestaan van de vergiffenis geloven voordat u het bestaan van de zonde hebt ingezien. Ik herinner mij dat toen ik de last van de zonde gevoelde, mijn hart, hoewel ik een kind was, van angst in mij bezweek en ik geheel terneer was geslagen. De zonde was voor mij geen bullebak die mij bang maakte; ze was een grimmige werkelijkheid; als een leeuw verscheurde ze mij. En nu, heden, ken ik de werkelijkheid van de vergiffenis: ze is geen verbeelding, geen droom, want in het binnenste van mijn ziel gevoel ik haar kracht. Ik weet dat mijn zonden vergeven zijn en ik verblijd mij daarin, maar ik zou nooit de werkelijke waarheid van deze zalige toestand gekend hebben, als ik niet de drukkende last van de zonde op mijn geweten gevoeld had. Ik kon onmogelijk met de bekering beuzelen, want de zonde was in mijn ziel een ontzettend feit. Onze hemelse Vader wil niet dat wij lichtvaardig zijn in een zaak waarvoor Jezus Zijn bloed vergoot, en daarom brengt Hij onze ziel in benauwdheid en daarna tot een levende verwezenlijking van de vrije genade. Hij laat de roede op onze schouders vallen totdat wij opnieuw bloeden, en dat doet ons de slavernij van de zonde moe worden. Hij legt het geweten en de wet op ons, en deze twee cipiers werpen ons in de binnensten kerker en leggen onze voeten vast in de stok. Door dit alles worden wij toebereid voor de vrijmakende kracht die de muren van de gevangenis doet schudden en onze banden slaakt, en voor de tere liefde die ons van onze striemen wast en ons voedsel voorzet.

Ik geloof vast dat de Heere ons kwijtschelding zal geven als wij alles tot onze laatsten penning toe verloren hebben, en niet eerder, omdat wij dan alleen werkelijk tot de Heere Jezus Christus opzien. O, geliefden, zolang wij iets anders hebben om naar op te zien, zullen wij nooit tot Christus opzien. Die heerlijke haven, waar nooit als het stormde een schip binnenliep zonder een veilige schuilplaats te vinden, wordt gemeden door al uw schone vaartuigen; ze zullen zich eerder naar de één of andere haven langs de kust van het zelfbedrog begeven dan bescherming zoeken in de haven die te kennen is aan de twee vuurtorens van de vrije genade en de verlossende liefde. Zolang iemand nog iets uit de meelkruik schudden kan, zolang er nog enkele druppels in de oliefles zijn en ze er nog elke week één oplevert, zal hij nooit tot Christus komen om hemelse spijs. Zolang hij één roestige nagemaakte penning in de hoek van zijn geldlade verborgen heeft, zal de zondaar nooit de schatten van de verlossende liefde aannemen; maar wanneer het geheel met hem gedaan is, als hij niets heeft in de kamer, niets in de keuken, niets in de kelder, als hem geld noch goed is overgebleven, dan roemt hij Jezus en Zijn verlossing. Wij worden gebroken om hersteld, ontledigd om vervuld te worden. Als wij niets kunnen geven, kan God vergeven. Als iemand van u iets goeds heeft van zichzelf, zal hij voor eeuwig omkomen. Als u van uzelf iets hebt waarop u vertrouwen kunt, zult u zo zeker verloren gaan als u leeft. Maar als u tot het droeve uiterste gebracht bent en Gods toorn tegen u schijnt te ontbranden, dan zult u niet alleen wellicht genade vinden, maar is de genade al uw deel.

Nooddruftigen zal Hij verschonen, Aan armen, uit genâ,
Zijn hulpe ter verlossing tonen; Hij slaat hun zielen ga. Behoeftigen, in hunne noden,

In hun ellend’ en pijn,
Gans hulpeloos tot Hem gevloden, Zal Hij ten Redder zijn.

Zalig u armen, want u zult rijk worden! Zalig u die hongert, want u zult gevoed worden! Zalig u die ledig bent, want u zult vervuld worden! Maar wee u die in uzelf rijk bent en toegenomen in goederen, en niets behoeft en u verheft op uw eigen goedheid! Christus heeft niets met u te doen en wij hebben u niets te prediken dan dit:’Die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet van node.’ De hemelse Heelmeester kwam niet om hen te behouden, die geen behoefte aan behoudenis hebben. Laten zij die ziek zijn hun oren spitsen en met blijdschap horen, want de Geneesmeester is in ‘t bijzonder voor hen gekomen. bent u een zondaar? Dan is Christus de Zaligmaker van zondaren. Leg uw hand in de Zijne door het geloof, en het grote werk is verricht: u bent verlost voor eeuwig. God zegene u om Christus’ wil.

Amen!

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend