De schatkamer van David

10 augustus | Bijbels Dagboek De Schatkamer Van David

5 Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt; 6 Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest. 7 Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken. 8 Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien. 9 Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek; 10 U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.

Wij zijn zulke broze schepselen dat we zowel ’s nachts als overdag in gevaar verkeren, en wij zijn zo zondig dat we te allen tijde gemakkelijk door vrees kunnen worden overmand. De belofte die hier voor ons ligt, beschermt de gunsteling van de hemel zowel tegen gevaar als tegen de vrees daarvoor. De nacht is bij uitstek de tijd van verschrikkingen, schrikbeelden zwerven rond als roofdieren, of als demonen van tussen de graven. Onze angsten maken van de aangename tijd van rust een tijd van ontsteltenis, en hoewel engelen rondom zijn en onze vertrekken vullen, dromen wij van kwade geesten en schrikwekkende bezoekers uit de hel.

Gelukzalig is die gemeenschap met God die ons onontvankelijk maakt voor middernachtelijke verschrikkingen, en gruwelen die uit het duister voortkomen! Zonder vrees zijn is op zichzelf al een onuitsprekelijke zegen, want tegenover elk verdriet dat wij ondervinden door werkelijk leed, worden wij gekweld door duizend zorgen die slechts uit vrees voortkomen. De schaduw van de Allerhoogste verdrijft alle dreiging van de schaduw van de nacht; als wij eenmaal door de goddelijke vleugel zijn bedekt, kan het ons niet schelen welke gevleugelde verschrikkingen er rondwaren op aarde.

In deze verzen verzekert de psalmist de mens die in God verblijft, dat hij veilig zal zijn. Hoewel het geloof geen aanspraak maakt op eigen verdiensten, beloont de Heere het toch, overal waar Hij het ziet. Hij die God tot zijn toevlucht maakt, zal ondervinden dat Hij een toevlucht is; hij die in God woont, zal merken dat zijn woning beveiligd is. Wij moeten de Heere tot onze woning maken door Hem te verkiezen voor ons vertrouwen en onze rust, en dan zullen wij onkwetsbaar worden voor alle leed; geen kwaad zal ons persoonlijk raken, en geen slag zal diegenen straffend treffen die bij ons wonen.

De ‘woning’ die hier in de oorspronkelijke tekst wordt bedoeld is slechts een tent, en toch zou zo’n schamele bedekking voldoende beschutting tegen alle soorten leed blijken te zijn. Het doet er weinig toe of ons verblijf een bedelaarshut of een koningspaleis is, als de ziel de Allerhoogste tot haar woning heeft gemaakt. Neem uw intrek in God en u woont in alle goed, en het kwaad is ten enenmale uitgebannen. Niet omdat wij volmaakt zijn of omdat wij in hoog aanzien staan bij de mensen mogen wij hopen op beschutting in kwade tijden, maar omdat onze toevlucht de eeuwige God is en ons geloof heeft geleerd te schuilen onder Zijn beschuttende vleugel.

Het is onmogelijk dat degene die een beminde van de Heere is, door welk kwaad dan ook wordt getroffen; de meest vernietigende rampen kunnen zijn reis slechts bekorten en hem sneller bij zijn beloning brengen. Ziekte is voor hem geen ziekte, maar slechts iets goeds in een mysterieuze vorm. Verliezen verrijken hem, ziekte is zijn medicijn, smaad is zijn eer, en dood is hem gewin. Geen kwaad in de strikte betekenis van het woord kan hem overkomen, want alles wordt ten goede gekeerd. Gelukkig hij die er zo aan toe is. Hij is veilig waar anderen in gevaar zijn, hij leeft waar anderen sterven.

Overweging:

God zegt niet dat ons geen beproevingen zullen overkomen, maar: geen kwaad.

Welkom Terug!

Log hieronder in op uw account

Maak een nieuw account!

Vul de onderstaande formulieren in om te registreren op Het Spurgeon Archief

Haal uw wachtwoord op

Voer uw gebruikersnaam of e-mailadres in om uw wachtwoord opnieuw in te stellen.

error: Excuses: u kunt deze pagina niet kopiëren.