Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik. ROMEINEN 7:14-15
Ik zag in die kleine kerk naar Christus, daar ontving ik het eeuwige leven. Ik keek naar Jezus en Hij keek naar mij, vanaf toen waren wij voor altijd één. Op dat moment overtrof mijn vreugde alle grenzen, net zoals mijn verdriet me voordien tot een uiterste treurnis had gedreven. Ik ervaarde een diepe vrede in Christus en was volkomen tevreden in Hem, mijn hart was vervuld van blijdschap. Toch besefte ik niet dat deze genade het eeuwige leven zelf was, totdat ik, al lezend in de Schrift, de kostbare waarde ontdekte van het juweel dat God mij had gegeven. De volgende zondag ging ik naar dezelfde kapel. Maar ik ben daarna nooit meer gegaan, de reden daarvan was: dat in mijn eerste week het nieuwe leven dat in mij was, gedwongen werd om te vechten voor het bestaan ervan, en dat een conflict met de oude natuur zich krachtig had geopenbaard. Dit wist ik door het bijzondere teken van de inwoning van de genade in mijn ziel. In diezelfde kapel hoorde ik namelijk een preek over “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” (Romeinen 7:24 SV), de prediker verklaarde dat Paulus niet wedergeboren was toen hij die ervaring had. Hoewel ik nog jong was, wist ik wel beter om zo’n absurde uitspraak te geloven. Dit conflict is juist een van de meest overtuigende bewijzen van de wedergeboorte; de strijd wordt steeds heviger; elke overwinning op de zonde onthult een ander leger van boze neigingen daarom kunnen we ons zwaard nooit neerleggen, noch stoppen met bidden en waken.

