Een preek uitgesproken op zondagmorgen 27 december 1857 door C. H. Spurgeon in de Music Hall, Royal Surrey Gardens te Londen.
Wat heb ik gedaan? Jeremia 8:6
God wordt misschien door geen enkel beeld genadiger voorgesteld dan door de beeldspraak waarin Hij Zich van Zijn troon neerbuigt en uit de hemel neerdaalt om te zien naar de noden en de ellende van de mensen. Wij moeten die God wel liefhebben Die Sodom en Gomorra, toen die steden van ongerechtigheid stonken, niet wilde verdelgen voordat Hij ze persoonlijk had bezocht en een tijd in hun straten had vertoefd, hoewel Hij hun schuld en hun goddeloosheid allang kende. Mij dunkt, wij kunnen niet anders dan ons hart in liefde uitstorten voor die God van Wie ons gezegd wordt dat Hij Zijn oor uit de hoogste heerlijkheid neerbuigt en het legt bij de lippen van de zwakste mens die een oprecht verlangen uitspreekt. Hoe kunnen wij Hem niet liefhebben, als wij weten dat Hij acht slaat op alles wat ons aangaat? Hij telt de haren van ons hoofd, Hij beveelt Zijn engelen onze voetstappen te beschermen, opdat wij onze voet niet aan een steen stoten, Hij tekent onze weg uit en bestuurt onze gangen. Maar deze grote waarheid komt ons vooral nabij als wij bedenken hoe God niet alleen acht geeft op het tijdelijke welzijn van Zijn schepselen, maar vooral op hun geestelijk welzijn. In de Schrift wordt God voorgesteld als Iemand Die wacht om genadig te zijn. Of, in de taal van de gelijkenis: als Zijn verloren zonen nog ver weg zijn, ziet Hij hen al; Hij loopt hun tegemoet, valt hun om de hals en kust hen.
Hij let zo op alles wat goed is, zelfs in het hart van een arme zondaar, dat een zucht voor Hem muziek is en een traan schoonheid. In het vers dat ik zojuist voorlas, stelt Hij Zichzelf voor als Iemand Die in het hart van de mens kijkt en luistert, luistert of Hij misschien iets goeds kan horen: “Ik heb geluisterd en toegehoord”; Ik luisterde, Ik stond stil en lette op hen. En hoe beminnelijk is God als Hij wordt voorgesteld als Iemand Die Zich afwendt en als het ware met droefheid in Zijn hart uitroept: “Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken dat niet recht is, er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan?” Ach, luisteraar, u hebt nooit een verlangen naar God gehad zonder dat dit Gods hoop wekte. U hebt nooit een gebed naar de hemel opgezonden zonder dat Hij het opmerkte. Hoewel u heel vaak gebeden hebt uitgesproken die als een morgenwolk waren en als een vroegkomende dauw die snel voorbijgaat, heeft dit alles het hart van Jehova toch bewogen.
Want Hij heeft geluisterd naar uw roepen en heeft het zuchten van uw ziel opgemerkt. En hoewel het allemaal weer voorbijgegaan is, is het toch niet onopgemerkt voorbijgegaan, want Hij herinnert het Zich nu nog. En u die vandaag een Zaligmaker zoekt, bedenk dat de ogen van die Zaligmaker vandaag op uw zoekende ziel rusten. U zoekt niet naar Iemand Die u niet kan zien. U bent op weg naar uw Vader, maar uw Vader ziet u al van verre. Het was maar één traan die over uw wang biggelde, maar uw Vader zag die als een hoopvol teken. Het was maar één ontroering die zojuist bij het zingen van het lied door uw hart ging, maar God, de Liefhebbende, heeft zelfs die opgemerkt. Hij zag die op zijn minst als een teken dat u nog niet helemaal door de zonde verhard bent en dat liefde en genade u nog niet hebben opgegeven.
De tekst luidt: “Wat heb ik gedaan?” Ik wil hem inleiden met een paar woorden van liefdevolle overreding, waarmee ik iedereen die hier is wil aansporen om deze vraag te stellen. Vervolgens geef ik een paar woorden van hulp bij het beantwoorden ervan. Daarna besluit ik met een paar zinnen van ernstige vermaning aan hen die deze vraag in hun eigen nadeel moeten beantwoorden.
1. Allereerst dan een paar woorden van ERNSTIGE OVERREDING, waarbij ik ieder die hier aanwezig is, en vooral ieder die nog onbekeerd is, vraag zichzelf deze vraag te stellen en die ook ernstig te beantwoorden: “Wat heb ik gedaan?”
Weinig mensen nemen graag de moeite om hun leven na te gaan. De meesten staan zo dicht bij een faillissement dat ze zich schamen om hun eigen boeken in te zien. Het overgrote deel van de mensen is als de domme struisvogel die, als hij door jagers op de hielen wordt gezeten, zijn kop in het zand steekt en zijn ogen sluit en dan denkt dat hij veilig is, omdat hij zijn achtervolgers niet ziet. Ik herhaal: het overgrote deel van de mensen schaamt zich om zijn eigen levensgeschiedenis te lezen. Als hun geweten en hun geheugen samen eens het volledige verhaal van hun leven zouden schrijven, dan zouden ze een grote ijzeren sluiting met een hangslot kopen en het boek op slot doen, want ze durven het niet te lezen. Ze weten dat het een boek vol klacht en wee is, dat ze niet durven te lezen, en ze gaan door in hun ongerechtigheden. Ik heb dus een zware taak als ik u allen probeer over te halen om dat boek uit de kast te pakken. Of het nu weinig of veel bladzijden telt, of ze nu wit zijn of zwart, het kost mij moeite om u zover te krijgen dat u ze helemaal doorleest. Moge de Heilige Geest u nu overtuigen, zodat u deze vraag beantwoordt: “Wat heb ik gedaan?”
Want bedenk, mijn beste vriend, dat zelfonderzoek u geen kwaad kan doen. Geen koopman is er ooit armer van geworden dat hij zijn boeken inzag. Hij kan ontdekken dat hij armer is dan hij dacht, maar dan heeft niet het inzien van de boeken hem geschaad; hij heeft zichzelf al eerder geschaad door slecht handelen. Het is beter, mijn vriend, dat u het verleden kent nu er nog tijd is om het te herstellen, dan dat u geblinddoekt verdergaat in de hoop de poorten van het paradijs binnen te gaan en uw vergissing pas ontdekt als het helaas te laat is, omdat de deur gesloten is. Bij het opmaken van de balans valt niets te verliezen; u kunt er niet slechter van worden als u uzelf een beetje onderzoekt. Dat alleen al is een sterk argument om het te doen. Maar bedenk dat u er veel beter van kunt worden. Stel dat uw zaken met God in orde zijn, dan mag u blij zijn en uzelf troosten, want wie met zijn God in het reine is, heeft geen reden om bedroefd te zijn. Maar ach, bedenk dat er veel kans is dat het bij u niet in orde is. Er worden zoveel mensen in deze wereld bedrogen dat er een grote kans is dat ook u bedrogen bent. U kunt de naam hebben dat u leeft, en toch dood zijn.
U kunt zijn als de boom van John Bunyan, waarvan hij zei: “Hij was mooi om te zien en groen aan de buitenkant, maar van binnen was hij zo vermolmd dat hij alleen nog deugde als tondel voor de tondeldoos van de duivel.” Zo kunt u vandaag voor uzelf en uw medemensen staan, keurig gewit en buitengewoon mooi, maar u kunt zijn als die Farizeeër tegen wie Christus zei: “Gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.” Mens, hoe graag u ook uzelf zou willen bedriegen, wat mij betreft: ik zou duizendmaal liever weten hoe het werkelijk met mij staat dan de mooiste gedachten erover hebben en bedrogen uitkomen. Ik heb vaak ernstig gebeden: “Heere, help mij het ergste van mijn toestand te kennen. Ben ik nog steeds een afvallige van U, zonder God en zonder Christus, laat mij dan op zijn minst eerlijk tegenover mezelf zijn en weten wat ik ben.” Bedenk, mijn vriend, dat de tijd die u voor zelfonderzoek hebt, uiteindelijk erg kort is. Spoedig zult u het grote geheim kennen.
Misschien spreek ik niet ruw genoeg om het masker dat u nu draagt af te rukken, maar er is iemand die Dood heet, en die laat zich niet met beleefdheden afschepen. Vandaag kunt u zich nog vermommen in het kleed van een heilige, maar de dood zal u spoedig ontkleden, en dan moet u voor de rechterstoel verschijnen, ontdekt in al uw naaktheid, of dat nu naakte onschuld is of naakte schuld. Bedenk ook dat u uzelf wel kunt bedriegen, maar uw God niet. Uw gewichten kunnen te licht zijn en de balk van de weegschaal waarop u uzelf weegt, kan oneerlijk zijn en u dus de waarheid niet vertellen; maar als God u beproeft, ziet Hij niets door de vingers. Als de eeuwige Jehova de weegschaal van Zijn gerechtigheid opneemt en Zijn wet in de ene schaal legt, ach zondaar, hoe zult u dan beven als Hij u in de andere schaal legt! Want tenzij Christus uw Christus is, zult u te licht bevonden worden; u zult in de weegschaal gewogen en te licht gevonden worden, en voor eeuwig verworpen.
O, welke woorden moet ik gebruiken om ieder van u ertoe te bewegen uzelf nu te onderzoeken! Ik ken de verschillende uitvluchten die sommigen van u zullen aanvoeren. Sommigen van u zullen zich erop beroepen dat ze lid zijn van een kerk en dat daarom alles in orde is. Misschien kijkt u vanaf de galerij naar mij en zegt u: “Mijnheer Spurgeon, uw handen hebben mij nog dit jaar gedoopt in de Heere Jezus, en u hebt mij vaak het brood en de wijn van het avondmaal aangereikt.” Ach, luisteraar, dat weet ik, en ik vrees dat ik velen van u gedoopt heb die de Heere nooit gedoopt heeft. En sommigen van u zijn hier op aarde in de gemeenschap van de kerk opgenomen, die nooit door God zijn aangenomen. Als Jezus Christus onder Zijn twaalven één huichelaar had, hoeveel huichelaars moet ik dan hier hebben onder bijna twaalfhonderd? Ach, mijn hoorders, in deze tijd is het heel gemakkelijk om belijdenis van de godsdienst te doen.
Veel kerken nemen kandidaten in hun gemeenschap op zonder enig onderzoek. Zulke mensen zijn ook bij mij gekomen, en ik heb hun gezegd: “Ik moet u precies zo behandelen alsof u zo uit de wereld kwam.” Want ze zeiden: “Ik heb de predikant nooit gesproken; ik heb een briefje aan de kerk geschreven en ze hebben mij aangenomen.” Waarlijk, in deze tijd van belijden kan een mens de hoogste belijdenis ter wereld afleggen en toch uiteindelijk bij de verdoemde afvalligen gevonden worden. Schuif daarom deze vraag niet voor u uit en zeg niet: “Ik heb het te druk om aan mijn geestelijke zaken aandacht te besteden; er is nog tijd genoeg.” Velen hebben dat gezegd, en voordat hun “tijd genoeg” aanbrak, bevonden ze zich daar waar geen tijd meer zal zijn. O u die zegt dat u tijd genoeg hebt, hoe weinig weet u hoe dicht de dood bij u is! Er zijn hier mensen die nieuwjaarsdag niet zullen beleven; het is zeer waarschijnlijk dat een groot aantal nooit meer een nieuw jaar zal zien. O, moge de Heere onze God ieder van ons voorbereiden op de dood en het oordeel, en de vermaning van deze morgen zegenen tot onze voorbereiding, door ons ertoe te brengen de vraag te stellen: “Wat heb ik gedaan?”
2. Nu wil ik u helpen de vraag te beantwoorden: “Wat heb ik gedaan?”
Christen, oprechte christen, ik heb u vanmorgen weinig te zeggen. Ik zal niet veel woorden gebruiken, maar de vraag aan uw eigen geweten overlaten. Wat hebt u gedaan? Ik hoor u antwoorden: “Ik heb niets gedaan om mezelf te redden, want dat werd al voor mij gedaan in het eeuwige verbond, van voor de grondlegging van de wereld. Ik heb niets gedaan om mezelf een gerechtigheid te verwerven, want Christus zei: ‘Het is volbracht.’ Ik heb niets gedaan om met mijn verdiensten de hemel te verkrijgen, want dat heeft Jezus allemaal voor mij gedaan voordat ik geboren werd.” Maar zeg eens, broeder, wat hebt u gedaan voor Hem Die stierf om uw ellendige ziel te redden? Wat hebt u gedaan voor Zijn kerk? Wat hebt u gedaan voor de redding van de wereld? Wat hebt u gedaan om uw eigen geestelijke groei in de genade te bevorderen? Ach, hier zou ik sommigen van u die ware christenen zijn, heel hard kunnen raken, maar ik laat u aan uw God over. God zal Zijn eigen kinderen kastijden. Toch wil ik een scherpe vraag stellen. Zijn er niet veel christenen hier aanwezig die zich niet kunnen herinneren dat ze dit jaar het middel zijn geweest tot de redding van één ziel? Kom, kijk eens terug. Hebt u enige reden om te geloven dat u dit jaar direct of indirect het middel bent geweest tot de redding van een ziel?
Ik ga nog verder. Sommigen van u zijn al oude christenen, en ik vraag u: hebt u enige reden om te geloven dat u sinds uw bekering ooit het middel bent geweest tot de redding van een ziel? In het Oosten, in de tijd van de aartsvaders, gold het als een schande voor een vrouw dat ze geen kinderen had. Wat een schande is het dan voor een christen om geen enkel kind te hebben dat door zijn toedoen voor God geboren is! Toch zijn er hier sommigen van u die geestelijk onvruchtbaar zijn gebleven en nog nooit één bekeerling tot Christus hebben gebracht. U hebt geen enkele ster in uw kroon van heerlijkheid en zult in de hemel een kroon zonder sterren dragen. O, ik zie nog de vreugde en blijdschap waarmee een goed kind van God mij vorige week aankeek, toen we hadden gehoord van iemand die door haar toedoen tot God bekeerd was. Ik nam haar bij de hand en zei: “Wel, nu hebt u reden om God te danken.” “Ja, mijnheer,” zei ze, “ik voel me nu een gelukkige en vereerde vrouw. Voor zover ik weet, ben ik nog nooit eerder het middel geweest om een ziel tot Christus te brengen.” En de goede vrouw keek zo gelukkig; ze had tranen van blijdschap in haar ogen.
Hoevelen hebt u er dit jaar toegebracht? Kom, christen, wat hebt u gedaan? Helaas, helaas, u bent geen onvruchtbare vijgenbomen geweest, maar toch is uw vrucht zo dat ze niet te zien is. U mag dan levend zijn voor God, maar hoevelen van u zijn zeer onnut en buitengewoon onvruchtbaar geweest? En denk niet dat ik, terwijl ik zo hard met u omga, mezelf zou willen sparen. Nee, ik stel mezelf de vraag: “Wat heb ik gedaan?” Als ik denk aan de ijver van Whitefield en aan de ernst van veel van die grote evangelisten van vroeger, sta ik hier ontzet over mezelf en vraag ik mij af: “Wat heb ik gedaan?” En ik kan alleen met schaamte antwoorden. Hoe vaak heb ik u, mijn hoorders, het Woord van God gepreekt, en toch, hoe zelden heb ik over u geweend zoals een herder behoort te doen? Hoe vaak had ik u moeten waarschuwen voor de toekomende toorn, terwijl ik vergat zo ernstig te zijn als ik had kunnen zijn? Ik vrees dat het bloed van zielen aan mijn deur zal kleven als ik ten slotte door mijn God word geoordeeld. Ik smeek u: bid hierin voor uw predikant, dat hij vergeving mag ontvangen als het hem ooit aan ernst, kracht en gebed heeft ontbroken. En bid dat ik in het komende jaar altijd mag preken alsof ik nooit meer zou preken, als een stervende tot stervenden.
Terwijl ik de christen ondervroeg, hoorde ik de moralist zeggen: “Wat ik gedaan heb? Mijnheer, ik heb alles gedaan wat ik moest doen. U kunt daar als evangelieprediker wel staan te praten over zonden, maar ik zeg u, mijnheer, ik heb alles gedaan wat mijn plicht was. Ik ben altijd elke zondag trouw naar mijn kerk of kapel gegaan, zo trouw als een man of vrouw maar kan. Ik heb altijd met mijn gezin gebeden, en ik bid altijd voordat ik naar bed ga en als ik ’s morgens opsta. Voor zover ik weet ben ik niemand iets schuldig en ben ik tegen niemand onvriendelijk geweest. Ik geef een behoorlijk deel aan de armen, en als goede werken enige verdienste hebben, dan heb ik er zeker heel wat gedaan.” Heel juist, mijn vriend, heel juist inderdaad, als goede werken enige verdienste hebben; maar het is erg jammer dat ze die helemaal niet hebben. Want als wij goede werken doen om ons daardoor te redden, zijn ze niets beter dan onze zonden. U kunt net zo goed hopen door vloeken en zweren in de hemel te komen als door de verdiensten van uw eigen goede werken. Want hoewel goede werken uit zedelijk oogpunt oneindig veel beter zijn dan vloeken en zweren, zit er in het ene niet meer verdienste dan in het andere, al is er in het ene minder zonde dan in het andere. Wilt u dan alstublieft onthouden dat alles wat u al die jaren gedaan hebt, niets waard is?
“Ja maar, mijnheer, ik heb op Christus vertrouwd.” Ho, stop! Laat mij u een vraag stellen. Bedoelt u dat u deels op Christus hebt vertrouwd en deels op uw eigen goede werken? “Ja, mijnheer.” Welnu, dan moet ik u zeggen dat de Heere Jezus Christus nooit een aanvulling op de weegschaal zal zijn. U moet Christus helemaal aannemen, of anders helemaal geen Christus, want Christus zal het werk van de zaligheid nooit met u delen. Dus nogmaals: alles wat u ooit gedaan hebt, is niets waard. U hebt een kaartenhuis gebouwd, en de storm zal het omverblazen. U hebt een huis op het zand gebouwd, en als de regen neervalt en de waterstromen komen, zal het laatste spoor ervan voor altijd worden weggespoeld. Hoor het woord van de Heere: “Uit de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.” En: “Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.” En omdat u niet gebleven bent in alles wat in de wet geschreven is, bent u een overtreder van de wet en bent u onder de vloek. Alles wat de wet u te zeggen heeft, is: “Vervloekt, vervloekt, vervloekt! Uw moraal helpt u niets als het om de eeuwige zaken gaat.”
Ik wend mij tot iemand anders. Hij zegt: “Wel, ik vertrouw niet op mijn moraal en ook niet op iets anders; ik zeg: Weg met die sombere zorg, ik bid je, ga weg van mij.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Ik wil helemaal niet over de eeuwigheid praten, zoals u dat graag zou willen. Maar mijnheer, ik ben toch geen slechte kerel. Wat ik verkeerd doe, is maar heel weinig: zo nu en dan een kleine misstap, gewoon een beetje dwaasheid; maar mijn land, mijn vrienden en mijn eigen geweten kunnen niets tegen mij inbrengen. Het is waar, ik ben niet een van uw heiligen; ik beweer niet dat ik al te streng ben. Ik ga misschien soms een beetje te ver, maar het is maar een beetje, en ik denk dat we alles wel in orde kunnen maken voordat het einde komt.” Wel, vriend, ik wou dat u zich de vraag had gesteld: “Wat heb ik gedaan?” Het lijkt mij dat als ieder van u dat vliesje eens wegtrok dat over uw hart en uw leven ligt, u achter wat u gedaan hebt een ernstige melaatsheid zou zien schuilen. “Nou ja, wat dat betreft,” zegt iemand, “misschien heb ik weleens een glas of twee te veel gedronken.” Wacht even! Hoe heet dat? Stamel maar zoveel u wilt, maar zeg het! Hoe heet het?
“Ach, het is gewoon een beetje vrolijkheid, mijnheer.” Stop, laten we het bij de juiste naam noemen. Hoe noemt u het bij een ander? “Dronkenschap, neem ik aan.” Een ander zegt: “Ik ben weleens wat losbandig geweest in mijn praten.” Wat is dat? “Het was gewoon een vrolijke boemelavond.” Ja, maar noem het alstublieft zoals het genoemd moet worden: ontuchtige praat. Schrijf dat maar op. “O nee, mijnheer, het begint er ernstig uit te zien.” Ja, inderdaad, maar het ziet er niet ernstiger uit dan het werkelijk is. U bent op de sabbat weleens op stap geweest, nietwaar? “O ja, maar dat was maar af en toe, alleen soms.” Ja, maar laten we het opschrijven als wat het is, dan zien we waar de lijst op uitkomt: sabbatsschending! “Stop,” zegt u, “verder ben ik niet gegaan, mijnheer; verder ben ik zeker niet gegaan.” Ik neem aan dat u in een gesprek weleens bijbelteksten hebt aangehaald om er grappen mee te maken, nietwaar? En soms, als u een beetje verrast was, hebt u uitgeroepen: “Heere, ontferm U over mij!” en dergelijke dingen. Ik durf niet te zeggen dat u vloekt; maar er bestaat een christelijke manier van vloeken waarin sommige mensen vervallen. Ze denken dat het niet echt vloeken is, maar wat het anders is, weet niemand, en dus schrijven we het op als vloeken en zweren. “O, mijnheer, alleen als iemand mij op mijn tenen trapte of als ik boos was.” Dat doet er niet toe, schrijf het op onder zijn juiste naam; zo krijgen we straks een aardige lijst tegen u, die steeds langer wordt.
In uw zaken vervalst u uw waren zeker nooit? “Nou, dat is een zakelijke kwestie, waar u zich niet mee hoort te bemoeien.” Wel, toevallig ga ik me er wel mee bemoeien, en als u het goedvindt, noemen we het bij zijn juiste naam: stelen. Dat schrijven we op. U bent zeker nooit hard geweest tegen iemand die u iets schuldig was? U hebt nooit gewenst dat u rijker was, en soms half gewenst dat uw buurman aan de overkant een deel van zijn klanten zou verliezen, zodat u ze kreeg? Wel, dan noemen we het bij zijn juiste naam: dat is “de gierigheid, welke is afgodendienst”. Nu begint de lijst er werkelijk zwart uit te zien. Bovendien: hoe hebt u dit hele jaar doorgebracht? U hebt soms gedaan alsof u gebeden opzei, maar hebt u ooit echt gebeden? Nee, dat hebt u niet. Wel, dan moet ook gebedsloosheid op de lijst. U hebt soms de Bijbel gelezen, u hebt soms naar de prediking geluisterd, maar hebt u dat alles ten slotte niet aan u voorbij laten gaan? Dan wil ik weten of dat geen verachting van God is, en of we het niet onder die naam moeten opschrijven. Waarlijk, we hoeven maar heel weinig verder te gaan, want de lijst is bij elkaar opgeteld al uiterst vreselijk, en weinigen van ons kunnen ontkomen aan zulke grote zonden als deze, als ons geweten ook maar een beetje wakker is.
Maar er is hier iemand die heel zorgeloos en onverschillig is geworden voor elk zedelijk gebod, en hij zegt: “Ach, jongeman, ik zou u eens kunnen vertellen wat ik dit jaar allemaal gedaan heb.” Stop, mijnheer, ik wil het op dit moment liever niet weten; vertel het uzelf maar als u thuiskomt. Er zijn hier jonge mensen; het zou hun misschien niet veel goed doen om te weten wat u gedaan hebt. U bent niet beter dan u zou moeten zijn, zeggen sommige mensen, en daarmee bedoelen ze dat u zo slecht bent dat ze liever niet zeggen wat u bent. Denkt u dat we in deze hele gemeente geen losbandige mensen hebben, niemand die zich overgeeft aan de laagste zonde en wellust? Het lijkt wel alsof Gods engel zelfs nu door ons midden vliegt en het geweten van sommigen aanraakt, om hun te laten weten aan welke ongerechtigheden zij zich dit jaar hebben overgegeven.
Ik bid God dat mijn eenvoudige toespeling erop het middel mag zijn om uw geweten wakker te schudden. Ach, u kunt uw zonden verbergen; de deken van de duisternis kan uw schuilplaats zijn; u kunt denken dat ze nooit ontdekt zullen worden. Maar bedenk dat elke zonde die u gedaan hebt, voor de zon zal worden voorgelezen, en mensen en engelen zullen het horen op de dag van de laatste afrekening. Ach, mijn hoorder, of u nu een fatsoenlijk mens bent of een losbandig mens, ik smeek u, beantwoord vandaag ernstig deze vraag: “Wat heb ik gedaan?” Het zou goed zijn als u thuis een stuk papier nam en eens opschreef wat u gedaan hebt van januari tot december. Als sommigen van u daar niet van schrikken, dan moet ik zeggen dat u heel sterke zenuwen hebt en dat u voorlopig nergens van zult schrikken.
Nu richt ik mij in het bijzonder tot de onbekeerde, en ik wil hem helpen deze vraag vanuit een ander gezichtspunt te beantwoorden: “Wat heb ik gedaan?” Ach mens, u die in de zonde leeft, u die meer van het vermaak houdt dan van God, wat hebt u gedaan? Weet u niet dat één zonde genoeg is om een ziel voor eeuwig te verdoemen? Hebt u nooit in de Heilige Schrift gelezen dat vervloekt is wie maar één keer zondigt? Hoe verdoemd bent u dan door de talloze zonden van dit ene jaar! Denk toch, ik smeek u, aan de zonden van uw jeugd en aan al uw vroegere overtredingen tot nu toe. Als één zonde u voor eeuwig te gronde zou richten, hoe te gronde gericht bent u dan nu!
Wel mens, één golf van zonde kan u al doen zinken. Wat zullen deze oceanen van uw schuld dan doen? Eén getuige tegen u is genoeg om u te veroordelen: zie dan de menigte van dwaasheden en misdaden die u al zijn voorgegaan naar het oordeel en die zich nu rond de rechterstoel verzameld hebben. Hoe zult u aan hun getuigenis ontkomen als God u voor Zijn rechtbank roept? Wat hebt u gedaan? Kom, mens, beantwoord deze vraag. Uw zonde heeft veel gevolgen, en om deze vraag goed te beantwoorden moet u op elk gevolg antwoord geven. Wat hebt u uw eigen ziel aangedaan? Wel, u hebt haar verwoest; u hebt uw best gedaan haar voor eeuwig te gronde te richten. Voor uw eigen arme ziel hebt u kerkers gegraven, takkenbossen opgestapeld en ijzeren ketenen gesmeed: takkenbossen om haar te verbranden en boeien om haar voor eeuwig te binden.
Bedenk dat uw zonden zijn als zaaien voor een oogst. Wat een oogst hebt u voor uw arme ziel gezaaid! U hebt wind gezaaid, u zult een wervelwind maaien; u hebt ongerechtigheid gezaaid, u zult verdoemenis maaien. Maar wat hebt u tegen het Evangelie gedaan? Weet u nog hoe vaak u het dit jaar gepreekt hebt horen worden? Wel, sinds uw geboorte zijn er hele wagenladingen preken aan u verspild. Uw ouders baden voor u in uw jeugd; uw vrienden onderwezen u tot u volwassen werd. Hoeveel tranen heeft de predikant sindsdien niet om u geschreid! Hoeveel ernstige oproepen zijn er als pijlen in uw hart geschoten! Maar u hebt de pijl eruit gerukt.
Predikanten hebben zich ingespannen om u te redden, en u hebt u nooit om uzelf bekommerd. Wat hebt u tegen Christus gedaan? Bedenk, Christus is een goede Christus geweest voor de zondaren hier. Maar zoals niets zo fel brandt als die zachte stof, olie, zo zal niemand zo grimmig zijn als die zachtmoedige Zaligmaker, wanneer Hij komt om uw Rechter te zijn. Afgewezen liefde is feller dan een leeuw op zijn prooi. Veracht Christus aan het kruis, en het zal vreselijk zijn om geoordeeld te worden door Christus op Zijn troon.
Maar verder: wat hebt u dit jaar voor uw kinderen gedaan? O, er zijn hier mensen die alles hebben gedaan wat ze konden om de zielen van hun kinderen te verwoesten. Wat een ernstige verantwoordelijkheid rust er op een vader! En wat moeten we dan zeggen van een dronken vader, de vader die zijn kinderen het voorbeeld van dronkenschap geeft? Vloeker, wat hebt u voor uw gezin gedaan? Hebt ook u niet het touw gedraaid voor hun eeuwige ondergang? Zullen zij niet zeker doen wat u doet? Moeder, u hebt verscheidene kinderen, maar dit jaar hebt u voor geen van hen gebeden. U hebt nooit uw armen om hun hals geslagen als ze ’s avonds bij hun stoeltje knielden en het Onze Vader baden. U hebt hun nooit verteld van Jezus, Die de kinderen liefhad en Zelf eens een kind werd zoals zij. Ach, dan hebt ook u uw kinderen verwaarloosd. Ik herinner mij een moeder die op hoge leeftijd tot God bekeerd werd.
Zij zei tegen mij, en ik zal haar verdriet als moeder nooit vergeten: “God heeft mij vergeven, maar ik zal mezelf nooit vergeven. Want, mijnheer,” zei ze, “ik heb kinderen gevoed en grootgebracht, maar ik heb dat gedaan zonder enige aandacht voor de godsdienst.” Toen barstte ze in tranen uit en zei: “Ik ben een wrede moeder geweest, mijnheer; ik ben een ellendeling geweest!” “Maar,” zei ik, “mijn beste vrouw, u hebt uw kinderen toch grootgebracht?” “Ja,” zei ze, “mijn man stierf toen ze nog jong waren en liet mij met zes kinderen achter, en deze handen hebben hun brood verdiend en hen van kleren voorzien. Niemand,” zei ze, “kan mij verwijten dat ik in iets onvriendelijk voor hen ben geweest, behalve hierin; maar dit is het allerergste. Ik ben een wrede moeder voor hen geweest, want terwijl ik hun lichamen voedde, verwaarloosde ik hun zielen.”
Maar sommigen zijn nog verder gegaan. Ach, jongeman, je hebt dit jaar niet alleen je best gedaan om jezelf te verdoemen, maar ook om anderen te verdoemen! Herinner je je hoe je afgelopen januari die jongeman voor het eerst mee de kroeg in nam? Je lachte om al zijn jongensachtige bezwaren, zoals jij ze noemde, en zei dat hij er maar op los moest drinken, zoals jij deed. Herinner je je hoe je in het donker van de nacht voor het eerst een jongeman met deugdzame beginselen op het verkeerde pad bracht, die de wellust niet zou hebben gekend als jij hem die niet had laten zien? Je zei toen: “Kom mee, ik zal je het Londense leven laten zien, ik zal je eens laten zien wat plezier is!” Die jongeman ging, toen hij net in je winkel kwam, op zondag naar het huis van God en leek goed op weg naar de hemel.
“Ha,” zeg je, “ik heb de godsdienst uit Jackson weggelachen; hij gaat op zondag nergens meer heen, behalve om te boemelen, en hij is net zo vrolijk als wij allemaal.” Ach, mijnheer, u zult twee hellen hebben als u verdoemd wordt: uw eigen hel en de zijne erbij, want hij zal u door de vale vlammen aankijken en zeggen: “Misschien was ik hier nooit gekomen als jij mij hier niet had gebracht!” En ach, verleider, welke ogen zullen u aanstaren in de verschrikking van de hel? De ogen van iemand die u tot ongerechtigheid hebt gebracht! Wat een dubbele hel zullen ze voor u zijn als ze u aanstaren als twee sterren waarvan het licht woede is, en uw bloed voor eeuwig doen verschrompelen! Sta stil, u die anderen op een dwaalweg hebt gebracht, en beef nu. Ik heb zelf stilgestaan en God gebeden, toen ik de Zaligmaker pas kende, dat Hij mij wilde helpen om hen die ik ooit op enige manier op een dwaalweg had gebracht, tot Christus te leiden. En ik herinner me dat George Whitefield zegt dat zijn eerste gebed, toen hij begon te bidden, was dat God hen wilde bekeren met wie hij vroeger kaartte en zijn zondagen verspilde. “En geloofd zij God,” zegt hij, “ik heb ze allemaal gekregen.”
O mijn God, kan ik op geen enkel gezicht hier ontzetting en schrik ontdekken? Knikken er geen knieën? Bezwijkt er geen hart vanwege zijn ongerechtigheid? Dat kan toch niet waar zijn, of uw harten zijn in staal veranderd en uw binnenste is als ijzer geworden. Als het werkelijk zo is, dan zijn de woorden van God zeker waar, waar Hij in het zevende vers van dit hoofdstuk zegt: “Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des HEEREN niet.” En zeker had de profeet gelijk die zei: “Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.” O, bent u zo onvernuftig dat u de gedachte aan die schuld over u heen laat gaan zonder ontzetting en schrik? Dan moeten wij die onze schuld wel voelen, voor u onze knieën buigen en bidden dat God u nog tot zelfkennis wil brengen. Want als u leeft en sterft zoals u nu bent, verhard en zonder hoop, dan zal uw lot uitermate verschrikkelijk zijn.
Wat zou ik gelukkig zijn als ik mocht hopen dat het grootste deel van u mij kon volgen in deze nederige belijdenis van ons geloof. Mag ik spreken alsof ik voor ieder van u spreek? U bent vrij om aan te nemen wat ik zeg of het te verwerpen, maar ik vertrouw erop dat de grote menigte van u mij zal volgen. “O Heere, ik belijd U deze morgen dat mijn zonden groter zijn dan ik kan dragen; ik heb Uw heetste toorn en Uw oneindig ongenoegen verdiend, en ik durf nauwelijks te hopen dat U Zich nog over mij kunt ontfermen. Maar omdat U Uw Zoon hebt gegeven om voor zondaren aan het kruis te sterven, hebt U ook gezegd: ‘Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde!’
Heere, ik zie deze morgen naar U op. Al heb ik nooit eerder naar U opgezien, nu zie ik naar U op. Al ben ik tot dit ogenblik een slaaf van de zonde geweest, Heere, neem mij toch aan, zondaar die ik ben, door het bloed en de gerechtigheid van Uw Zoon Jezus Christus. O Vader, zie mij niet toornig aan; U zou daar alle reden toe hebben, maar ik pleit op de belofte: ‘Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’ Heere, ik kom:
Zoals ik ben, zonder één pleitgrond,
dan dat Uw bloed voor mij gestort is,
en dat U mij tot U roept,
o Lam van God, ik kom.
Mijn geloof legt zijn hand
op dat dierbare hoofd van U,
terwijl ik als een boetvaardige sta
en daar mijn zonde belijd.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Heere, neem mij aan, Heere, vergeef mij, en neem mij zoals ik ben, van nu aan tot in eeuwigheid, om Uw dienaar te zijn zolang ik leef en Uw verloste als ik sterf.” Kunt u dat zeggen? Heeft menig hart dat niet gezegd? Hoorde ik niet menige lip het in stilte uitspreken? Houd goede moed, mijn broeder, mijn zuster: als dat uit uw hart kwam, bent u zo veilig als de engelen in de hemel, want u bent een kind van God en u zult nooit verloren gaan.
3. Nu heb ik nog een paar woorden van LIEFDEVOLLE VERMANING en dan ben ik klaar. Het is een zeer ernstige gedachte hoe de jaren voorbijrollen. Ik heb in mijn leven nog nooit een korter jaar doorgebracht dan dit, en hoe ouder ik word, hoe korter de jaren worden. En u, oude mensen, kijkt terug op uw zestig of zeventig jaren en zegt waarschijnlijk: “Ach, jongeman, ze zullen u straks nog korter lijken!” Ongetwijfeld zal dat zo zijn. “Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.” Maar is het niet een ernstige zaak dat er weer een jaar bijna voorbij is en dat velen van u nog niet gered zijn? U bent precies waar u vorig jaar was.
Nee, dat bent u niet: u bent dichter bij de dood en dichter bij de hel, tenzij u zich bekeert. En misschien zal zelfs wat ik vanmorgen gezegd heb, geen uitwerking op u hebben. U bent niet helemaal verhard, want u bent vaak ernstig onder de indruk geweest. Tientallen keren hebt u onder de preek geweend, en toch is alles tevergeefs geweest, want u bent nog wat u was. Ik smeek u, beantwoord deze vraag: “Wat heb ik gedaan?” Want bedenk: er komt een tijd dat u deze vraag zult stellen, maar dan is het te laat. “Wanneer is dat,” zegt u, “op mijn sterfbed?” Nee, daar is het nog niet te laat.
Zolang de lamp nog blijft branden,
kan de snoodste zondaar terugkeren.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Maar het zal te laat zijn om te vragen: “Wat heb ik gedaan?” als de adem uit uw lichaam is geweken. Stelt u zich het Monument eens voor zoals het vroeger was, voordat men het met een kooi omgaf. Stel u een man voor die de wenteltrap naar de top opgaat, vastbesloten om zichzelf van het leven te beroven. Hij is aan de buitenkant van het hek geklommen. Kunt u zich voorstellen dat hij, net nadat hij gesprongen is, een ogenblik zegt: “Wat heb ik gedaan?” Mij dunkt dat een geest in de lucht zou fluisteren: “Gedaan? U hebt gedaan wat u nooit ongedaan kunt maken. U bent verloren, verloren, verloren!” Bedenk nu dat u die Christus niet hebt, vandaag die wenteltrap opgaat. Misschien staat u morgen al in het uur van de dood op dat hekwerk, en als de dood u gegrepen heeft en u net van dat monument van het leven springt, de afgrond van de wanhoop in, dan zal die vraag vol afschuw voor u zijn: “Wat hebt u gedaan?” Maar het antwoord zal u dan niets baten; het zal vol verschrikking zijn. Mij dunkt dat ik een geest zie die op de zee van de eeuwigheid wordt geworpen. Ik hoor hem zeggen: “Wat heb ik gedaan?”
Hij wordt in vlammende golven gestort en roept: “Wat heb ik gedaan?” Hij ziet een lange eeuwigheid voor zich, maar stelt de vraag opnieuw: “Wat heb ik gedaan?” Het vreselijke antwoord komt: u hebt dit alles zelf verdiend. U kende uw plicht, maar u deed hem niet. U bent gewaarschuwd, maar u hebt de waarschuwing veracht. Ach, hoor de droevige alleenspraak van zo’n geest. De laatste grote dag is gekomen, de vlammende troon is geplaatst en het grote boek is geopend. Ik hoor de bladen die met een vreselijk geritsel worden omgeslagen. Ik zie mensen die naar rechts of naar links worden gewezen, al naar gelang wat in dat grote boek staat. En wat heb ik gedaan? Ik weet dat de zonde mijn verderf zal zijn, want ik heb nooit een Zaligmaker gezocht. Wat is dat? De Rechter heeft Zijn oog op mij gevestigd. Nu is het op mij gericht. Zal Hij tegen mij zeggen: “Gaat weg, gij vervloekten”? O, laat mij liever voor eeuwig verpletterd worden dan dat ik die aanblik moet verdragen! Er is geen geluid, maar de vinger wordt opgeheven, en ik word uit de menigte gesleurd en sta alleen voor de Rechter. Hij slaat mijn bladzijde op, en voordat Hij die voorleest, beeft mijn hart in mij. “Het zij zo,” zegt Hij, “ze is nooit met Mijn bloed uitgewist.
U hebt Mijn roepstem veracht; u hebt Mijn volk uitgelachen; u wilde niets van Mijn genade weten; u zei dat u het loon van de ongerechtigheid wilde hebben. U zult het krijgen: de bezoldiging der zonde is de dood.” Wee mij, staat Hij op het punt te zeggen: “Gaat weg, gij vervloekten”? Ja, met een stem luider dan duizend donderslagen zegt Hij: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.” Ach, nu is het allemaal waar. Ik lachte om de predikant omdat hij over de hel preekte, en nu ben ik zelf in de hel. Ach, ik vroeg me altijd af waarom hij ons zo bang wilde maken. Ach, gaf God dat hij mij banger had gemaakt, als hij mij daarmee maar uit deze plaats had kunnen houden! Maar nu ben ik hier, verloren, en er is geen ontkomen aan. Ik ben in een duisternis zo donker dat er nooit een straal licht tot mij kan doordringen. Ik ben zo vast opgesloten dat geen van de grendels en sloten ooit kan worden weggenomen. Ik ben voor eeuwig verdoemd. Ach, dat is een akelige alleenspraak. Ik kan haar u niet vertellen.
O, als u er zelf was, als u maar kon weten wat zij voelen en zien wat zij verduren, dan zou u zich verwonderen dat ik het Evangelie niet ernstiger preek. U zou zich niet verbazen dat ik u wil laten wenen, maar dat ik zelf niet veel meer ween en niet veel ernstiger preek. Ach, mijn hoorders, zo waarachtig als de Heere mijn God leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zal uw geweten op een dag erkennen dat ik vanmorgen een getrouw getuige voor u ben geweest. Want er is vandaag niemand van u hier die niet zonder verontschuldiging zal zijn als hij verloren gaat. U bent gewaarschuwd; ik heb u zo ernstig gewaarschuwd als ik kan. Ik heb geen krachten meer om in te zetten, geen middelen meer om te beproeven, geen overreding meer die ik kan gebruiken. Ik kan alleen besluiten met te zeggen: ik smeek u, vlucht tot Jezus.
Ik smeek u als onsterfelijke zielen, op weg naar eindeloos wel of wee: vlucht tot Christus, zoek genade uit Zijn handen, vertrouw op Hem en word gered; en verwerp mijn ernstige waarschuwing op eigen risico. Bedenk: u kunt haar verwerpen, maar u verwerpt dan niet mij, maar Hem Die mij gezonden heeft. U kunt haar verachten, maar u veracht dan niet mij, maar Iemand Die meer is dan Mozes, namelijk Jezus Christus, de Heere. En als u voor Zijn rechterstoel komt, zal Zijn taal doordringend zijn en zullen Zijn woorden vreselijk zijn, als Hij u veroordeelt voor eeuwig, voor eeuwig, voor eeuwig, zonder hoop, voor eeuwig, voor eeuwig, voor eeuwig. Moge God ons daarvoor bewaren, om Jezus’ wil.
Amen.
Preek nr. 169 · Gehouden in de Music Hall, Royal Surrey Gardens, Londen, zondagmorgen 27 december 1857, New Park Street Pulpit deel 4. Oorspronkelijke titel: “What Have I Done?”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.


