“Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?”—Romeinen 8:31
Lees verder: Psalm 118:1-14.
God is voor ons. Maar, o mijn broeders, het is onmogelijk om de diepte hiervan in menselijke woorden uit te drukken.
Hij was voor ons voordat de wereld gemaakt werd. Hij was voor ons toen we door de val verwoest waren, en toch hield Hij van ons. Hij was voor ons, anders had Hij Zijn Zoon niet gegeven. Hij was voor ons, zelfs toen Hij Zijn eniggeboren Zoon sloeg en het volle gewicht van Zijn toorn op Hem legde. Toen was Hij voor ons, maar tegen Hem. Hij was voor ons toen wij tegen Hem waren, toen we ons met opgeheven hand tegen Hem verzetten. Hij was voor ons, anders had Hij ons nooit nederig gemaakt om Hem te zoeken. Hij was voor ons in veel strijd: we moesten ons door een massa moeilijkheden heen worstelen en werden van binnen en van buiten verleid. Hoe zou Hij bij ons zijn gebleven als Hij niet voor ons was geweest? Hij is voor ons, met alle oneindigheid van Zijn hart. Hij is voor ons met alle almacht van Zijn liefde. Hij is voor ons met al Zijn grenzeloze wijsheid. Hij is voor ons, bekleed met de eigenschappen die Hem God maken. Hij is voor ons, eeuwig en onveranderlijk voor ons. Hij is voor ons wanneer de blauwe luchten worden opgerold als een versleten kleed. Hij is voor ons in de eeuwigheid. Dit, kind van God, is genoeg om over na te denken, ook als u er al eeuwen over hebt nagedacht: God is voor u, en als God voor u is, wie zal dan tegen u zijn?
Ter overdenking
Als we geloven en God voor ons is, zijn er eindeloos veel vijanden tegen ons, maar we zullen in staat zijn hen te weerstaan (Efeze 6:10-13). Voor ongelovigen is het tegendeel waar. Als deze zelfde almachtige God tegen hen is (Romeinen 1:18; 1 Petrus 3:12), kan niemand of niets hen helpen.
Preek 580, 17 juli 1864

