“Gij zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet.”—Numeri 11:23
God had Mozes een duidelijke belofte gedaan. Een hele maand lang zou Hij de enorme menigte in de woestijn met vlees voeden. Mozes werd overvallen door een vlaag van ongeloof. Hij keek naar de zichtbare middelen en wist niet hoe de belofte vervuld kon worden. Hij keek naar het schepsel in plaats van naar de Schepper. Maar verwacht de Schepper dan dat het schepsel Zijn belofte voor Hem nakomt? Nee. Hij Die een belofte doet, vervult haar altijd door Zijn eigen almacht, zonder hulp. Als Hij spreekt, gebeurt het, en wel door Hemzelf. Dat Zijn beloften vervuld worden, hangt niet af van de medewerking van de zwakke kracht van de mens. We zien meteen welke fout Mozes maakte. En toch doen wij dat zo vaak ook! God heeft beloofd in onze nood te voorzien. En wij kijken naar het schepsel om te doen wat God beloofd heeft te doen. Zien we dan dat het schepsel zwak en machteloos is, dan geven we toe aan ongeloof. Waarom kijken we eigenlijk naar die kant? Zou je naar de Noordpool kijken om vruchten te plukken die in de zon rijp zijn geworden? Echt, dat zou niet dwazer zijn dan kracht verwachten van wie zwak is, en van het schepsel het werk van de Schepper. Laten we de zaak dus op de juiste grondslag zetten. De grond van het geloof is niet dat de zichtbare middelen genoeg zijn om de belofte uit te voeren. De grond is dat de onzichtbare God volstrekt genoeg is, en dat Hij zeker zal doen wat Hij gezegd heeft. Als we duidelijk zien dat de last bij de Heere ligt en niet bij het schepsel, en we durven toch te twijfelen, dan komt de vraag van God krachtig bij ons aan: “Zou dan des HEEREN hand verkort zijn?” Mag het in Zijn barmhartigheid ook gebeuren dat met die vraag de gezegende belofte in onze ziel oplicht: “Gij zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet.”

