De opstanding van onze Heere Jezus

Een preek uitgesproken op Zondagmorgen, 9 april 1882, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Portret van man met baard in ovaal kader

Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, uit het nageslacht van David, overeenkomstig mijn Evangelie. 2 Timotheüs 2:8

Door een langdurige ziekte ben ik nauwelijks in staat om het werk te verrichten dat voor mij ligt. Had ik vandaag briljante gedachten of welsprekendheid willen aanbieden, dan zou ik ongetwijfeld zijn tekortgeschoten, want ik bevind mij dicht bij het dieptepunt van mijn krachten. De enige troost bij de gedachte dat ik u vanmorgen moet toespreken, is dat niet de spreker of zijn stijl wordt gezegend, maar de leer zelf. Als God Zijn kracht had laten afhangen van de gaven van de spreker, dan zou Hij ervoor hebben gekozen dat de boodschap van de opstanding — de grootste van alle waarheden — door engelen werd verkondigd in plaats van door mensen. Maar Hij heeft de serafijnen terzijde gesteld ten gunste van het nederige schepsel. Nadat de engelen enkele woorden tot de vrouwen hadden gesproken, zweeg hun getuigenis.

Het eerste en meest indrukwekkende getuigenis van de opstanding van de Heere kwam van de heilige vrouwen. Daarna volgden de getuigenissen van de vele rechtvaardige mannen en vrouwen — meer dan vijfhonderd in totaal — die het voorrecht hadden de opgestane Heiland met eigen ogen te zien. Zij konden getuigen van wat zij hadden gezien, ook al waren zij misschien niet in staat dit op welsprekende wijze onder woorden te brengen. Over de opstanding van onze Heere kan ik zelf niets toevoegen, en ook Gods dienaren kunnen slechts dit verkondigen: dat Jezus Christus, uit het huis van David, uit de dood is opgewekt.

U kunt de waarheid in poëzie verwoorden, in verheven verzen zoals die van Milton, maar verder komt het niet. U kunt haar ook in eenvoudige taal beschrijven, zo duidelijk dat kleine kinderen haar in hun eerste leesboekjes begrijpen — en ook dan blijft het daarbij. “De Heere is waarlijk opgestaan” vormt de kern en de essentie van ons getuigenis over de opgestane Verlosser. Als wij de waarheid van Zijn opstanding kennen en de kracht ervan ervaren, doet de wijze waarop wij ons uitdrukken er weinig toe; want de Heilige Geest zal Zelf van deze waarheid getuigen en haar vruchtbaar maken in de harten van onze toehoorders.

Onze tekst van vandaag komt uit de tweede brief van Paulus aan Timotheüs. De eerbiedwaardige apostel maakt zich zorgen om de jonge prediker die met opvallend succes heeft gewerkt en die hij in zekere zin als zijn opvolger beschouwt. De oude man staat op het punt zijn aardse tent af te leggen. Hij acht het van groot belang dat zijn geestelijke zoon dezelfde waarheid van het Evangelie blijft verkondigen als zijn leermeester, en dat hij die waarheid onder geen beding verdraait. In de dagen van Timoteüs bestond er al een neiging — en die is vandaag nog steeds aanwezig — om af te wijken van de eenvoudige feiten waarop ons geloof rust, en zich te verliezen in filosofische of moeilijk te begrijpen leerstukken. De boodschap die het gewone volk graag hoort, wordt door de geleerden te eenvoudig gevonden; daarom verhullen zij haar met lagen van menselijke redenering en speculatie.

Het evangelie bestaat uit enkele eenvoudige, maar diepgaande feiten — precies zoals Paulus zegt in het vijftiende hoofdstuk van zijn eerste brief aan de Korinthiërs: “Want ik heb u ten eerste overgeleverd wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, overeenkomstig de Schriften, dat Hij begraven is, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, overeenkomstig de Schriften.” Onze verlossing berust op de menswording, het leven, de dood en de opstanding van Jezus Christus.

Wie deze waarheden in geloof aanneemt, heeft het evangelie omhelsd; en wie in dat evangelie gelooft, zal daarin ongetwijfeld eeuwige verlossing vinden. Toch verlangen mensen telkens weer naar iets nieuws. Zij kunnen niet verdragen dat de bazuin steeds dezelfde zuivere toon laat horen, maar zoeken telkens een andere klank — een “evangelie met variaties”, dat hun als muziek in de oren klinkt. Volgens hen ontwikkelt het menselijk verstand zich immers voortdurend, en daarom moeten zij, naar eigen inzicht, hun voorouders overtreffen.

Maar dat God mens werd, een heilig leven leidde, een verlossende dood stierf en waarlijk opstond — deze waarheden klinken al bijna negentien eeuwen lang. Voor velen zijn zij daardoor gewoon geworden, en de verfijnde geest van onze tijd verlangt naar iets nieuws, naar een andere spijs dan het oude manna. Zelfs in Paulus’ dagen was die neiging al zichtbaar: men trachtte de eenvoudige feiten van het evangelie te herinterpreteren als symbolen of allegorieën, totdat men ze uiteindelijk niet langer als historische gebeurtenissen erkende. In hun zoektocht naar een diepere betekenis verloren zij juist de werkelijkheid uit het oog, en verkozen zij schaduwen boven het licht van de waarheid zelf.

Terwijl God hun glorieuze gebeurtenissen liet zien die zelfs de hemel met verwondering vervullen, toonden zij hun dwaasheid door duidelijke, historische feiten te beschouwen als mythen die verklaard moesten worden, of als raadsels die men moest oplossen. Wie eenvoudig geloofde, als een kind, werd terzijde geschoven als een dwaas, zodat de twistzieken en de schriftgeleerden hun intrede konden doen om de eenvoud te verdoezelen en het licht van de waarheid te verduisteren. Zo stonden er bepaalde mannen op — Hymenaeus en Filetus genaamd — van wie Paulus zegt: “Zij zijn van de waarheid afgeweken door te beweren dat de opstanding al heeft plaatsgevonden, en zij ondermijnen het geloof van sommigen.” Lees vers zeventien en achttien maar na. Zij ontkenden de ware opstanding en gaven er een zogenaamde diepzinnige, mystieke betekenis aan, waarmee zij de werkelijkheid van de opstanding volledig wegredeneerden. Ook nu nog is er onder mensen een honger naar nieuwe interpretaties, verfijnde leerstellingen en vergeestelijkte verklaringen van letterlijke feiten. Zij ontdoen de waarheid van haar wezen en laten ons achter met een leeg omhulsel — vol hypotheses, speculaties en grootse verwachtingen die geen fundament hebben.

De gouden schilden van Salomo zijn weggenomen en vervangen door koperen exemplaren: zullen die niet net zo goed dienen, en passen ze niet beter bij de smaak van onze tijd? Misschien wel, maar wij hebben Rehabeam nooit bewonderd en zijn ouderwets genoeg om de echte gouden schilden te verkiezen. De apostel Paulus spoorde Timotheüs daarom dringend aan om standvastig te blijven bij het oude getuigenis, en om de eenvoudige betekenis te omarmen van het feit dat Jezus Christus, uit het zaad van David, uit de dood is opgestaan.

Dit vers benoemt verschillende kernwaarheden. Ten eerste dat Jezus, de Zoon van de Allerhoogste, door God gezalfd is. De apostel noemt Hem “Jezus Christus” — “Christus” betekent de Gezalfde, de Messias, Degene die God heeft gezonden. Hij noemt Hem ook “Jezus”, wat “Verlosser” betekent. Het is een grote waarheid dat Hij, Die uit Maria geboren werd, Die in de kribbe van Bethlehem lag, Die ons liefhad, voor ons leefde en stierf, door God is aangesteld als Verlosser van de mensheid. Wij twijfelen geen moment aan Zijn roeping, ambt en plan. Integendeel: de zaligheid van onze zielen hangt volledig af van het feit dat de Heere Jezus door God is gezalfd om de Verlosser van de mensen te zijn.

Jezus Christus was werkelijk en waarachtig Mens, want Paulus zegt dat Hij uit het geslacht van David kwam. Hij was ook goddelijk en Zijn geboorte was geen gewone menselijke geboorte, maar toch deelde Hij volledig in onze menselijke natuur en stamde Hij af van David. Dat belijden wij ook. Wij behoren niet tot hen die de menswording vergeestelijken — alsof God slechts symbolisch aanwezig was of het verhaal slechts een gelijkenis. Nee, de Zoon van God woonde écht in vlees en bloed onder ons. Tijdens Zijn leven op aarde was Hij been van ons been en vlees van ons vlees. Wij weten en geloven dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Wij hebben de vleesgeworden God lief en stellen ons vertrouwen in Hem. De tekst laat ook zien dat Jezus werkelijk gestorven is. Hij kon immers niet opstaan uit de dood als Hij niet eerst écht onder de doden geweest was. Ja, Jezus stierf — Zijn kruisiging was geen schijnvertoning. Het doorsteken van Zijn zijde met de speer was het duidelijkste bewijs: Zijn hart werd getroffen, en er stroomde bloed en water uit.

Als dode werd Hij van het kruis genomen, door tedere handen gedragen en neergelegd in het onbevlekte graf van Jozef. Ik zie dat bleke lichaam voor me — wit als een lelie, maar bevlekt met het bloed van Zijn vijf wonden, rood als een roos. Kijk hoe de heilige vrouwen Hem zorgvuldig in fijn linnen wikkelen, omringen met geurige specerijen, en Hem daar achterlaten om de sabbat in eenzaamheid door te brengen in het uit de rots gehouwen graf. Geen mens op aarde was ooit zekerder dood dan Hij. “Men stelde Zijn graf bij de goddelozen; bij de rijke was Hij in Zijn dood.” Als een dode legden zij Hem neer te midden van de doden, gehuld in grafdoeken en specerijen. Toen rolden zij de zware steen voor de ingang en lieten Hem achter, volkomen overtuigd dat Hij gestorven was.

Toen brak de grote waarheid door: op de derde dag, toen de zon haar baan begon, stond Jezus op uit de dood. Zijn lichaam had geen ontbinding gekend — het was immers onmogelijk dat dat heilige lichaam aan verval onderworpen zou zijn. Toch was het werkelijk dood geweest. Maar door de kracht van God — door Zijn eigen kracht, door de kracht van de Vader, door de kracht van de Heilige Geest (want de Schrift schrijft het aan ieder van hen toe) — werd dat dode lichaam levend gemaakt, nog vóór zonsopgang. Het hart dat had stilgestaan, begon weer te kloppen; door de aderen stroomde nieuw leven. De ziel van de Verlosser keerde terug in dat lichaam, en het leefde opnieuw. Daar lag Hij in het graf — levend, werkelijk levend, zoals Hij altijd geweest was. Hij verrees letterlijk en lichamelijk uit het graf, om opnieuw onder de mensen te wandelen tot aan Zijn hemelvaart.

Dit is de waarheid die nog altijd verkondigd moet worden, hoezeer men haar ook probeert te verfijnen of te vergeestelijken. Dit is het historische feit waarvan de apostelen getuigen waren, waarvoor de martelaren hun bloed vergoten en stierven. Dit is de leer — de sluitsteen van het christelijk geloof — en wie haar verwerpt, plaatst zich buiten de kern van Gods waarheid. Hoe kan iemand hopen op redding voor zijn ziel, als hij niet gelooft dat “de Heere waarlijk is opgestaan””?

Vanmorgen wil ik drie zaken behandelen. Ten eerst: de betekenis van Christus’ opstanding voor andere grote waarheden van het geloof. Ten tweede: de betekenis ervan voor het evangelie zelf, zoals de tekst zegt: “Jezus Christus, uit het geslacht van David, is uit de doden opgewekt volgens mijn evangelie”. Ten derde: de betekenis voor ons persoonlijk leven, zoals het woord “Gedenkt” ons oproept.

I. Laten wij dan eerst, geliefden, met Gods hulp, NADENKEN OVER DE BETEKENIS VAN HET FEIT DAT JEZUS UIT DE DODEN IS OPSTAAN.

Vanaf het begin is de opstanding van onze Heere het tastbare bewijs van een leven dat blijft bestaan na de dood. Hoe vaak horen wij niet dat de dood leidt naar “dat onbekende land waaruit geen reiziger terugkeert”? Maar dat is niet waar. Er ís een Reiziger geweest Die zei: “Ik ga heen om voor u een plaats te bereiden; en als Ik heengegaan ben, kom Ik terug en neem u tot Mij, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.” En Hij zei ook: „Nog een korte tijd, en u zult Mij zien; nog een korte tijd, en u zult Mij niet zien, want Ik ga tot de Vader.” Herinnert u zich Zijn woorden? Onze goddelijke Heiland ging werkelijk naar dat onbekende land — en Hij keerde terug.

Hij had beloofd dat Hij op de derde dag zou opstaan, en Hij hield woord. Daarom bestaat er geen twijfel dat er leven is na de dood: Jezus is er geweest, en Hij is eruit teruggekeerd. Wij twijfelen niet aan een toekomstig bestaan, want Jezus leefde voort na Zijn dood. Wij twijfelen niet aan een paradijs van eeuwige vreugde, want Jezus is erheen gegaan en weergekomen. En hoewel Hij opnieuw ten hemel is gevaren, gaf Zijn terugkeer — toen Hij veertig dagen bij Zijn discipelen verbleef — ons de zekere belofte dat Hij opnieuw zal komen, op Zijn tijd, om duizenden jaren te heersen in heerlijkheid te midden van Zijn heiligen. Zijn opstanding is voor ons het goddelijke bewijs van leven na de dood — en daarin vinden wij onze vreugde en zekerheid.

De opstanding van Jezus is ook een belofte dat ons lichaam ooit zal opstaan en leven in een verheerlijkte toestand. Want het lichaam van onze gezegende Meester was na de dood net zo reëel als ervoor. Hij zei: „Raak Mij aan en zie.” Wat een wonderbaarlijk bewijs! Daarna richtte Hij Zich tot Thomas: „Kom hier met uw vinger en bekijk Mijn handen, en kom hier met uw hand en steek die in Mijn zij.”” Wat kan hier nog twijfel zaaien? De opgestane Jezus was geen spooksel of louter geest. Hij zei immers: “Een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb.” En toen Hij vroeg: “Breng Mij iets te eten”, at Hij — hoewel Hij dat niet nodig had — om de werkelijkheid van Zijn lichamelijke opstanding te bewijzen.

Een stuk geroosterde vis en een honingraat waren tastbare bewijzen dat Jezus werkelijk in lichaam en leden voor hen stond. In Zijn opgestane toestand straalde Zijn lichaam nog niet de volle glorie van de verheerlijking uit — anders zou Johannes als dood aan Zijn voeten gevallen zijn, en zouden al Zijn discipelen overweldigd zijn door de schittering van dat visioen. Toch kunnen we die veertig dagen op aarde grotendeels zien als het leven van Jezus in Zijn glorie op aarde.

Hij werd niet langer door mensen veracht en verworpen; nu was Hij omgeven door heerlijkheid. Het opgestane lichaam kon in een ogenblik van plaats naar plaats gaan, naar eigen wil verschijnen en verdwijnen, en stond boven de gewone wetten van de materie. Tijdens het verblijf hier beneden was het opgestane lichaam niet meer vatbaar voor pijn, honger, dorst of vermoeidheid — een passende belichaming van de massa waarvan het de eersteling was. Ook over ons lichaam zal weldra worden gezegd: “Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.” Als wij aan de verrezen Christus denken, kunnen wij volkomen zeker zijn van het leven in het hiernamaals, en volkomen zeker dat ons lichaam in dat leven in een verheerlijkte toestand zal bestaan.

Ik weet niet of u wel eens wordt lastiggevallen door twijfel over de toekomende wereld, over de vraag of het werkelijk waar kan zijn dat wij eeuwig zullen leven. Juist daarom is de dood voor twijfelaars zo verschrikkelijk: zij kunnen zich het graf wel voorstellen, maar het leven daarachter niet. De beste hulp in deze twijfel is een stevige grip op het feit dat Jezus werkelijk is gestorven en daarna is opgestaan. Dit feit is beter bevestigd dan welke andere geschiedkundige gebeurtenis ook; het getuigenis ervan is sterker dan dat van bijna alles wat in wereldlijke of heilige geschriften wordt vermeld. Omdat de opstanding van onze Heere Jezus Christus zeker is, kunt u er ook zeker van zijn dat er een andere wereld bestaat. Dat is de eerste betekenis van deze grote waarheid.

Ten tweede was de opstanding van Christus uit de dood het zegel op al Zijn uitspraken. Het was dus waar dat Hij door God was gezonden, want God heeft Hem uit de dood opgewekt om Zijn zending te bevestigen. Hij had zelf gezegd: “Breek dit lichaam af, en in drie dagen zal Ik het weer oprichten.” Zie, daar is Hij — de tempel van Zijn lichaam is herrezen! Zelfs had Hij dit als een teken gegeven: zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de walvis was, zo zou de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn, en daarna wederom tot leven komen. Zie, Zijn eigen aangewezen teken is vervuld! Voor ogen der mensen is het zegel zichtbaar! Stel dat Hij nooit was opgestaan.

U en ik zouden misschien nog wel hebben geloofd in de waarheid van Zijn Goddelijke opdracht, maar we zouden nooit hebben kunnen geloven in de waarheid van een taak zoals Hij beweerde te hebben ontvangen: namelijk onze Verlosser te zijn van de dood en de hel. Hoe zou Hij – onze Verlosser uit het graf – onze Verlosser kunnen zijn als Hij Zelf onder de macht van de dood was gebleven?

Beste vrienden, de opstanding van Christus uit de dood bewees dat deze Mens onschuldig was aan elke zonde. De banden van de dood konden Hem niet vasthouden, want er was geen zonde die Hem aan die banden vast kon maken. Het verderf kon Zijn zuivere lichaam niet raken, omdat geen erfzonde de Heilige had bezoedeld. De dood kon Hem niet voortdurend gevangen houden, omdat Hij niet zelf onder de zonde was gekomen. Hoewel Hij onze zonden op Zich nam en ze door toerekening droeg, en daarom stierf, had Hij toch geen eigen schuld. Daarom moest Hij worden vrijgelaten, zodra de last die Hem was toegerekend, was weggenomen.

Bovendien bewees de opstanding van Christus uit de dood Zijn aanspraak op goddelijkheid. Op een andere plaats wordt ons gezegd dat Hij door Zijn opstanding uit de dood, met kracht, als de Zoon van God is aangewezen. Hij heeft Zichzelf door Zijn eigen macht opgewekt, en hoewel de Vader en de Heilige Geest met Hem samenwerkten, en Zijn opstanding daarom ook aan hen wordt toegeschreven, was het toch omdat de Vader Hem het leven in Zichzelf had gegeven, dat Hij daarom uit de dood kon herrijzen.

O, opgestane Verlosser, Uw opstanding is het zegel van Uw werk! Wij kunnen nu niet meer aan U twijfelen, nu U het graf hebt verlaten. Profeet van Nazareth, U bent inderdaad de Christus van God, want God heeft de banden van de dood voor U verbroken. Zoon van David, U bent inderdaad de Uitverkorene en de Kostbare, want U leeft in eeuwigheid. Uw opstandingsleven heeft het handteken van de hemel op alles geplaatst wat U hebt gezegd en gedaan, en daarom zegenen en verheerlijken wij Uw Naam.

Een derde aspect van Zijn opstanding is dit — en het is een zeer groot aspect: volgens de Schrift was de opstanding van onze Heere de aanvaarding van Zijn offer. Door de opstanding van de Heere Jezus Christus uit de dood werd bewezen dat Hij de straf die het gevolg is van de menselijke schuld volledig had ondergaan. “De ziel die zondigt, zal sterven” — dat is het besluit van de God des hemels. Jezus neemt de plaats van de zondaar in en sterft. Zodra Hij dat heeft gedaan, kan er niets meer van Hem worden geëist, want wie gestorven is, is vrij van de wet. Stel u een man voor die een misdrijf pleegt dat de doodstraf verdient. Hij wordt veroordeeld tot de strop en opgehangen tot hij dood is. Wat heeft de wet nog met hem te maken? Ze is klaar met hem, want haar vonnis is voltrokken. Zou hij dan op wonderbaarlijke wijze weer tot leven gewekt worden, dan is hij volledig vrij van de wet. Geen enkel bevelschrift kan hem nog raken — hij heeft de straf volledig ondergaan.

Toen onze Heere Jezus uit de dood opstond, had Hij de straf die de gerechtigheid eiste voor de zonden van Zijn volk volledig betaald. Zijn nieuwe leven was een leven vrij van straf, vrij van elke rechtsaansprakelijkheid. U en ik zijn eveneens vrij van de eis van de wet, omdat Jezus in onze plaats stond. God zal niet zowel van ons als van onze Plaatsvervanger betaling eisen — dat zou in strijd zijn met Zijn gerechtigheid om zowel de Borg als degenen voor wie Hij borg stond te straffen. Wat een onuitsprekelijke vreugde! De last van aansprakelijkheid die ooit op de Plaatsvervanger rustte, is ook van Hem weggenomen. Door Zijn dood aan het kruis heeft Hij genoegdoening gegeven aan de geschonden wet.

Nu zijn zowel de zondaar als de Borg vrij. Dit is een grote vreugde, een vreugde waarvoor de gouden harpen een verhevener soort muziek moeten laten klinken. Hij die onze schuld op Zich nam, heeft Zichzelf er nu van bevrijd door aan het kruis te sterven. Zijn nieuwe leven, nu Hij uit de dood is opgestaan, is een leven vrij van juridische aanspraken, en het is voor ons het teken dat wij, die Hij vertegenwoordigde, ook vrij zijn. Luister maar! “Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt. Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is, ja wat meer is, Die ook opgewekt is.”

Het is een verpletterende slag tegen de angst wanneer de apostel zegt dat wij niet veroordeeld kunnen worden omdat Christus in onze plaats gestorven is, maar hij geeft er dubbele kracht aan wanneer hij uitroept: “ja wat meer is, Die ook opgewekt is.” Als satan daarom naar een gelovige komt en zegt: “Hoe zit het met uw zonde?”, zeg hem dan dat Jezus ervoor gestorven is en dat uw zonde weggenomen is. Als hij een tweede keer komt en tegen u zegt: “Hoe zit het met uw zonde?”, antwoord hem dan: “Jezus leeft, en Zijn leven is de zekerheid van onze rechtvaardiging; want als onze Borg de schuld niet had betaald, zou Hij nog steeds onder de macht van de dood staan.” Aangezien Jezus al onze schulden heeft afgelost en geen cent verschuldigd heeft gelaten aan Gods gerechtigheid van ook maar één van zijn volk, leeft Hij en is Hij vrij, en wij leven in Hem en zijn ook vrij krachtens onze vereniging met Hem. Is dit geen heerlijke leer, deze leer van de opstanding, in haar betekenis voor de rechtvaardiging van de heiligen? De Heere Jezus heeft Zichzelf gegeven voor onze zonden, maar Hij is opgestaan voor onze rechtvaardiging.

Heb nog even geduld terwijl ik vervolgens een ander aspect van deze opstanding van Christus aanstip. Het was een garantie voor de opstanding van Zijn volk. Er is een grote waarheid die nooit mag worden vergeten, namelijk dat Christus en Zijn volk één zijn, net zoals Adam en al zijn nageslacht één zijn. Wat Adam deed, deed hij als hoofd voor een lichaam, en aangezien onze Heere Jezus en alle gelovigen één zijn, deed Jezus wat Hij deed als hoofd voor een lichaam. Wij zijn met Christus gekruisigd, wij zijn met Christus begraven en wij zijn met Hem opgewekt; ja, Hij heeft ons opgewekt om samen met Jezus Christus in de hemelse gewesten te zetelen. Hij zegt: “Omdat Ik leef, zult ook gij leven.”

Als Christus niet uit de dood is opgewekt, is uw geloof tevergeefs, en is onze prediking tevergeefs, en bent u nog steeds in uw zonden, en zijn zij die in Christus zijn ontslapen verloren, en zult ook u verloren gaan. Maar als Christus uit de dood is opgewekt, dan moet ook al Zijn volk worden opgewekt; dit is een evangelische noodzaak. Er is geen logica die overtuigender is dan het argument dat voortvloeit uit de vereniging met Christus. God heeft de heiligen één gemaakt met Christus, en als Christus is opgestaan, moeten ook alle heiligen opstaan. Mijn ziel begrijpt dit, en naarmate zij dit begrip sterker omarmt, verliest zij alle angst voor de dood. Nu dragen wij onze dierbaren naar de begraafplaats en laten wij hen achter in hun smalle graf, terwijl wij hen kalm vaarwel zeggen en zeggen:

Zo sliep Jezus: Gods stervende Zoon
Ging door het graf, en zegende het bed;
Rust hier, geliefde heilige, totdat vanaf Zijn troon
De ochtend aanbreekt en de schaduw doorbreekt.”

Het is niet alleen belangrijk dat wij weten dat onze broeders in de hemel leven, maar ook dat hun sterfelijke delen onder goddelijke zorg staan, veilig bewaard tot het vastgestelde uur waarop het lichaam weer tot leven zal worden gewekt en de volmaakte mens zal worden aangenomen als kind van God. Wij zijn er zeker van dat onze overledenen zullen leven; zij zullen samen met het dode lichaam van Christus opstaan. Geen enkele macht kan de verlosten van de Heere gevangen houden. “Laat mijn volk gaan” zal een bevel zijn waaraan de dood gehoor zal geven, net zoals dat ooit het geval was bij de vernederde farao, die geen enkele Israëliet in ketenen kon houden. De dag van de verlossing nadert met rasse schreden.

Nogmaals: de opstanding van onze Heere uit de dood is een treffend beeld van het nieuwe leven waarvan alle gelovigen nu reeds mogen genieten. Geliefden, hoewel dit lichaam nog steeds onderworpen is aan de slavernij van de zonde, zoals de rest van de zichtbare schepping, gelden ook voor ons de woorden van de Schrift: “Het lichaam is dood vanwege de zonde”, maar “de geest is leven vanwege de gerechtigheid”. De wedergeboorte die in hen die geloven heeft plaatsgevonden, heeft onze geest veranderd en hem eeuwig leven geschonken, doch het lichaam is niet verder veranderd dan dat het de tempel van de Heilige Geest is geworden.

Ons lichaam is daarentegen slechts in zoverre geraakt dat het tot een tempel van de Heilige Geest is gemaakt; daardoor is het een heilig iets geworden en kan het niet verwerpelijk zijn voor de Heere, noch weggenomen worden onder de onheilige dingen; toch blijft het lichaam onderworpen aan pijn en vermoeidheid en aan het uiteindelijke vonnis van de dood. Dat geldt niet voor de geest. In ons is al een deel van de opstanding vervuld, want er staat geschreven: “En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt.” U was eens als de goddelozen, onderworpen aan de wet van zonde en dood, maar u bent uit de slavernij van vergankelijkheid gebracht tot de vrijheid van leven en genade. De Heere heeft glorieus in uw gewerkt, “overeenkomstig de werking van de sterkte van Zijn macht, die Hij gewerkt heeft in Christus, toen Hij Hem uit de doden opwekte en aan Zijn rechterhand zette in de hemelse gewesten.”

Net zoals Jezus Christus na zijn opstanding een leven leidde dat heel anders was dan dat van vóór zijn dood, zo worden ook u en ik opgeroepen om een verheven en edel, geestelijk en hemels leven te leiden, aangezien wij uit de dood zijn opgewekt om niet meer te sterven. Laten wij ons hierover verheugen en ons hierover verblijden. Laten wij ons gedragen als mensen die uit de dood zijn opgestaan, als de gelukkige kinderen van de opstanding. Laten wij geen geldzuchtigen zijn, of jagers naar wereldse roem. Laten wij onze genegenheid niet richten op de vervuilde dingen van deze dode en vergane wereld, maar laat ons hart omhoog stijgen, als jonge vogels die uit hun schil zijn gebroken – omhoog naar onze Heere en de hemelse dingen waarop Hij wil dat wij onze gedachten richten. Levende waarheid, levend werk, levend geloof, dat zijn de dingen voor levende mensen: laten wij de grafklederen van onze vroegere begeerten afwerpen en de gewaden van licht en leven aantrekken. Moge de Geest van God ons helpen om thuis verder over deze dingen na te denken.

II. Laten wij nu, ten tweede, NAGAAN WELKE BETEKENIS DIT FEIT VAN DE OPSTANDING HEEFT VOOR HET EVANGELIE; want Paulus zegt: “Jezus Christus is uit de doden opgewekt overeenkomstig mijn Evangelie.” Ik vind het altijd van belang om na te gaan op welke wijze een uitspraak, van welke aard dan ook, verband houdt met het evangelie. Ik heb misschien niet meer veel gelegenheid om te prediken, en ik heb mij voorgenomen geen tijd te verspillen aan secundaire thema’s. Wanneer ik spreken zal, zal het het evangelie zijn, of iets dat daar zeer nauw mee samenhangt. Elke keer zal ik ernaar streven om “onder de vijfde rib te slaan” en nooit in de lucht te slaan. Zij die voorkeur hebben voor overbodigheden mogen zich daarin verzadigen; het is aan mij om vast te houden aan de grote, noodzakelijke waarheden waardoor de zielen van de mensen worden gered. Mijn taak is het prediken van de gekruisigde Christus en het evangelie, dat de mens redding schenkt door het geloof.

Zo nu en dan hoor ik over fascinerende preken over iets nieuws, iets briljants, maar uiteindelijk onbeduidends. Sommige predikanten doen me denken aan de keizer die het wonderbaarlijke vermogen bezat om menselijke hoofden uit kersenpitten te snijden. Hoeveel predikanten zijn er wel niet die prachtige toespraken kunnen samenstellen uit een vluchtige gedachte die voor niemand van belang is. Maar wij willen het evangelie. Wij leven en sterven, dus moeten wij het evangelie hebben. Sommigen van ons liggen misschien binnen enkele weken koud in hun graf, en wij kunnen het ons niet veroorloven om spelletjes te spelen en lichtzinnig te zijn: wij willen de invloed zien van alle leerstellingen op onze eeuwige bestemming, en op het evangelie dat licht werpt op onze toekomst.

De opstanding van Christus is van cruciaal belang, want zij leert ons allereerst dat het een evangelie is van een levende Verlosser. Wij hoeven geen arme boetelingen naar een kruisbeeld te sturen — naar het stille, doffe beeld van een dode man. Wij zeggen niet: “Dit zijn uw goden, o Israël!” Wij hoeven u niet te verwijzen naar een klein, kwetsbaar Christuskindje in de armen van een vrouw. Niets van dat alles! Aanschouw de Heere Die leeft en dood was, en Die voor eeuwig leeft, met de sleutels van de hel en de dood in Zijn hand! Zie in Hem een levende en toegankelijke Verlosser, Die vanuit Zijn heerlijkheid nog steeds met liefdevolle woorden roept: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” En nogmaals: “Hij is ook in staat om volkomen te redden wie door Hem tot God komen, aangezien Hij altijd leeft om voor hen te pleiten.” Ik zeg: wij hebben een levende Verlosser — en is dit niet een van de grootste en meest verheven kenmerken van het evangelie?

Let er vervolgens op dat het evangelie dat wij verkondigen ons wijst op een machtige Heiland. Hij die de kracht bezat Zichzelf uit de doden op te wekken, heeft nu, sinds Zijn opstanding, alle macht ontvangen. Degene die in de dood de dood overwon, zal des te meer in Zijn leven overwinnaar zijn. Hij die, hoewel Hij in het graf neerdaalde, toch al zijn banden verbrak, is zeer zeker bij machte om al de Zijnen te verlossen. Hij die onderworpen was aan de wet en haar toch volkomen vervulde, en zo Zijn volk van de slavernij vrijmaakte, moet waarlijk een machtige Zaligmaker zijn. De mens heeft een sterke en machtige Verlosser nodig, maar hij behoeft geen grotere dan Degene van wie geschreven staat dat Hij uit de doden is opgestaan. Wat een gezegend evangelie mogen wij prediken — het evangelie van een levende Christus, die uit het graf is opgestaan en de gevangenis van de dood heeft overwonnen, de gevangenschap gevankelijk meevoerend.

Let nu goed op: wij verkondigen het evangelie van de volledige rechtvaardiging. Wij komen niet met deze boodschap: “Broeders, Jezus Christus heeft door Zijn dood iets mogelijk gemaakt waardoor mensen gered kunnen worden — als zij dat maar willen en hun goede voornemens ijverig uitvoeren.” Nee, geenszins!

Wij verkondigen dat Jezus Christus de zonden van Zijn volk op Zich nam en de straf daarvan in Zijn eigen lichaam aan het kruis droeg, totdat Hij stierf. Nadat Hij gestorven was en zo de volle straf had voldaan, stond Hij op uit de dood. En nu zijn allen voor wie Hij stierf — heel Zijn volk wiens zonden Hij droeg — volkomen vrij van zondeschuld. Vraagt u: “Wie zijn dat?” Dan antwoord ik: allen die in Hem geloven. Wie in Jezus Christus gelooft, is even vrij van zondeschuld als Christus Zelf. Onze Heere Jezus nam de zonden van Zijn volk op Zich en stierf in de plaats van de zondaar. Nu Hij Zelf rechtvaardig is verklaard, is heel Zijn volk rechtvaardig in Hem, hun Vertegenwoordiger. Deze leer verdient het om gepredikt te worden!

Men kan gerust uit bed opstaan om te spreken over volmaakte rechtvaardiging door het geloof in Christus Jezus. Maar men kan net zo goed blijven slapen als men opstaat om te beweren dat Jezus door Zijn lijden en opstanding weinig of niets heeft bereikt. Sommigen dromen dat Jezus slechts een kleine opening heeft geschapen, waardoor wij — mits wij jarenlang ijverig zijn — een kleine kans hebben op vergeving en eeuwig leven. Dit is niet ons evangelie! Jezus heeft Zijn volk gered. Hij heeft het werk volbracht dat Hem was toevertrouwd. Hij heeft een einde gemaakt aan de overtreding, de zonde uitgewist en eeuwige gerechtigheid gebracht. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld — en zal dat ook nooit worden.

Nogmaals: het verband tussen de opstanding en het evangelie ligt hierin, dat het de zekerheid van de heiligen bewijst. Want toen Christus opstond, stond Zijn volk met Hem op — tot een leven zoals dat van hun Heer. Daarom kunnen zij nooit sterven. Er staat geschreven: “”Wij weten toch dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem” (Rom. 6:9). Zo is het ook met de gelovige: als u met Christus gestorven en met Christus opgewekt bent, heeft de dood geen macht meer over u. U zult nooit terugkeren tot de lage elementen van de zonde, nooit meer worden wat u was vóór uw wedergeboorte. U zult nooit verloren gaan, noch iemand u uit de hand van Jezus rukken.

Hij heeft in u een levend en onvergankelijk zaad gelegd, dat leeft en eeuwig blijft. Hij zegt Zelf: “Het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opwelt tot in het eeuwige leven.” (Joh. 4:14). Houdt daar aan vast, en laat de opstanding van uw Heere het onderpand zijn van uw eigen uiteindelijke volharding. Broeders, ik kan niet in detail uitleggen hoe deze opstanding het evangelie op elk punt raakt, maar Paulus is er altijd vol van. Meer dan dertig keer spreekt Paulus over de opstanding, en soms uitvoerig, waarbij hij hele hoofdstukken wijdt aan dit glorieuze thema. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik er vreugde in vind om over Jezus en de opstanding te prediken. Het blijde nieuws dat Christus is opgestaan, is evenzeer het evangelie als de leer dat Hij onder de mensen kwam en voor de mensen Zijn bloed als losprijs heeft gegeven. Als engelen God de hoogste eer zongen toen de Heere werd geboren, voel ik mij gedreven om dat nu te herhalen, nu Hij uit de dood is opgestaan.

III. En zo kom ik bij mijn laatste punt, en bij de praktische conclusie: DE BETEKENIS VAN DEZE OPSTANDING VOOR ONSZELF. Paulus maant ons uitdrukkelijk aan om het te gedenken. “Maar”, zegt iemand, “we vergeten het toch niet.” Weet u zeker dat u dat niet doet? Ik merk dat ik zelf veel te vergeetachtig ben als het om goddelijke waarheden gaat. Wij mogen het niet vergeten, want deze eerste dag van de week is gewijd aan sabbatdoeleinden om ons ertoe aan te zetten aan de opstanding te denken. Op de zevende dag vierden de mensen een voltooide schepping, op de eerste dag vieren wij een voltooide verlossing. Houdt het dan ook in gedachten. Welnu, als u zich herinnert dat Jezus Christus, uit het geslacht van David, uit de dood is opgestaan, wat volgt daar dan uit?

Ten eerste zult u merken dat de meeste van uw beproevingen zullen verdwijnen. Wordt u gekweld door uw zonde? Jezus Christus is uit de dood opgestaan voor uw rechtvaardiging. Beschuldigt satan u? Jezus is opgestaan om uw pleitbezorger en bemiddelaar te zijn. Belemmeren kwalen u? De levende Christus zal zich krachtig tonen ten behoeve van u. U hebt een levende Christus, en in Hem hebt u alles. Vreest u de dood? Jezus heeft, door op te staan, de laatste vijand overwonnen. Hij zal u tegemoetkomen wanneer het uw beurt is om de koude stroom over te steken, en u zult deze in aangenaam gezelschap doorwaden. Wat is uw probleem? Het maakt mij niet uit wat het is, want als u alleen maar aan Jezus denkt als iemand die leeft, vol kracht, vol liefde en vol medeleven, die al uw beproevingen heeft doorstaan, zelfs tot in de dood, zult u zo’n vertrouwen hebben in Zijn tedere zorg en in Zijn grenzeloze vermogen dat u zonder aarzeling in zijn voetsporen zult treden. Denk aan Jezus, en dat Hij weer is opgestaan uit de dood, en uw vertrouwen zal stijgen als op arendsvleugels.

Denk vervolgens aan Jezus om te zien hoe uw huidige lijden volstrekt niets is vergeleken met Zijn lijden. Dan zult u leren de overwinning over uw lijden te verwachten, evenals Hij die behaalde. Kijk naar het hoofdstuk, en zie de apostel in vers drie zeggen: “Lijd verdrukkingen als een goed soldaat van Jezus Christus”, en verderop in vers elf en twaalf: “Dit is een betrouwbaar woord. Want als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven. Als wij volharden, zullen wij ook met Hem regeren.

Wanneer u geroepen wordt om te lijden, denk dan: “Jezus heeft geleden, maar Jezus is opgestaan uit de dood! Hij kwam glorieuzer tevoorschijn uit Zijn doop van smarten — en zo zal het ook met mij gaan!” Ga daarom op bevel van de Heere de oven binnen, en vrees niet dat de geur van het vuur op u zal overgaan. Ga zelfs het graf binnen, en vrees niet dat de worm u zal verslinden, zoals hij Hem niet kon verslinden. Zie in de Verrezen Ene het volmaakte voorbeeld van wat u bent en zult worden! Vrees daarom niet, want Hij heeft de overwinning behaald! Sta niet bevend, maar marcheer moedig voort. Want Jezus Christus, uit het geslacht van David, is opgestaan uit de dood — en ú, uit het geslacht der belofte, zult opstaan uit al uw beproevingen en verdrukkingen, om een glorieus leven te leiden.

Hierin, geliefde broeders, zien wij in de oproep om Jezus te gedenken een hoopvolle boodschap, zelfs te midden van onze diepste hopeloosheid. Wanneer zijn de zaken het meest wanhopig voor een mens? Wanneer hij dood is. Kent u dat gevoel van innerlijke zwakheid? Ik ken het maar al te goed. Soms lijkt het alsof al mijn vreugde begraven ligt als een lijk, en al mijn huidige nut — en alle hoop op toekomstig nut — in een kist is gelegd en onder de aarde is neergelegd. In deze benauwdheid van geest en de verlatenheid van mijn hart zou ik liever sterven dan leven. U zegt: “Zo zou het niet moeten zijn.” Inderdaad, zo zou het niet moeten zijn. Maar zo is het wel. In de ziel van arme stervelingen gebeuren vele dingen die niet zouden mogen gebeuren. Met meer moed en meer geloof zouden zij niet plaatsvinden.

Maar juist als wij steeds dieper wegzinken, is het dan geen onuitsprekelijke zegen dat Jezus Christus, uit het geslacht van David, stierf en uit de dood is opgewekt? Zelfs als ik ten onder ga onder de doden, zal ik vasthouden aan deze gezegende hoop: zoals Jezus opstond uit de dood, zo zullen ook mijn vreugde, mijn nut, mijn hoop en mijn geest herleven.

Hierin, geliefde broeders, zien wij in de oproep om Jezus te gedenken een hoopvolle boodschap, zelfs te midden van onze diepste hopeloosheid. Wanneer zijn de zaken het meest wanhopig voor een mens? Wanneer hij dood is. Kent u dat gevoel van innerlijke zwakheid, dat u zo ver brengt? Ik ken het maar al te goed. Soms lijkt het alsof al mijn vreugde begraven ligt als een lijk, en al mijn huidige nut — en alle hoop op toekomstig nut — in een kist is gelegd en onder de aarde is neergelegd. In de angst van mijn geest en de verlatenheid van mijn hart zou ik liever sterven dan leven. U zegt: “Zo zou het niet moeten zijn.” Inderdaad, zo zou het niet moeten zijn. Maar zo is het wel. In de ziel van arme stervelingen gebeuren vele dingen die niet zouden mogen gebeuren. Met meer moed en meer geloof zouden zij niet plaatsvinden.

Juist als wij steeds dieper wegzinken, is het dan geen onuitsprekelijke zegen dat Jezus Christus, uit het geslacht van David, stierf en uit de dood is opgewekt? Zelfs als ik nederdaal onder de doden, zal ik vasthouden aan deze gezegende hoop: zoals Jezus opstond uit de dood, zo zullen ook mijn vreugde, mijn nut, mijn hoop en mijn geest herleven. “Gij, die ons grote en zware beproevingen hebt getoond, zult ons weer levend maken en ons uit de diepste diepten van de aarde oprichten” (Ps. 71:20). Deze neerslachtigheid en deze dood zijn goed voor ons. Wij ondergaan veel doodslag, en juist door gedood te worden leven wij. Menig mens zal nooit werkelijk leven voordat zijn trotse ‘eigen ik’ gedood is. O trotse farizeër, wilt u leven onder hen die God aanneemt, dan moet u naar het slachthuis — in stukken gesneden en gedood worden. “Dit is een vreselijk werk”, zegt iemand, “dit scheiden van merg en been, deze geestelijke verminking en vernietiging.” Ja, het is pijnlijk. Maar het zou een zwaar verlies zijn als het ons onthouden werd.

Helaas, hoeveel mensen zijn er die zo goed, zo voortreffelijk, zo sterk, zo wijs en zo intelligent zijn — al deze eigenschappen bezittend — maar toch de zaligheid door genade en geloof niet kunnen aannemen? Als zij tot minder dan niets gereduceerd konden worden, zou dat het beste zijn wat hen ooit overkwam. Bedenk wat Salomo zei over de dwaas: hij moest in een vijzel tussen het graan met een stamper vermalen worden — een harde behandeling! En toch zou zijn dwaasheid hem niet verlaten (vlg. Spr. 27:22).

Precies zo bevrijdt de Heilige Geest mensen van hun dwaasheid. Onder Zijn krachtige, vernietigende werk kan dit hun troost zijn: als Jezus Christus letterlijk uit de dood is opgestaan — niet uit ziekte, maar uit de dood zelf — en nu leeft, zo zal ook Zijn volk leven. Bent u ooit geweest waar Bunyan Christen afbeeldt, recht onder de voet van de oude draak? Die reus is enorm zwaar en perst de adem uit een mens als hij hem tot voetbank maakt. Arme Christen lag daar met de voet van de draak op zijn borst, maar hij kon net zijn hand uitstrekken en zijn zwaard grijpen — dat door een goede Voorzienigheid binnen bereik lag. Toen gaf hij Apollyon een dodelijke steek. De vijand spreidde zijn drakenvleugels en vluchtte weg. De arme, verpletterde en gebroken pelgrim riep, terwijl hij stak: “Verblijd u niet over mij, mijn vijandin: al ben ik gevallen, ik zal weder opstaan!”

Broeder, doe hetzelfde! Ú, die op het punt staat te wanhopen, laat dit de kracht zijn die uw arm versterkt en uw hart als staal maakt: “Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, uit het nageslacht van David, overeenkomstig mijn Evangelie.”

Ten slotte bewijst dit de zinloosheid van alle verzet tegen Christus. De geleerden verkondigen dat zij de christelijke godsdienst ten gronde zullen richten. Volgens hun eigen grootspraak is het einde nabij. De preekstoel zou machteloos zijn, niet langer in staat het publiek te boeien. Wij zouden opstaan om te prediken voor leeggebleven banken! Er resteert ons niets dan waardig te sterven, suggereren zij. En wat dan? Toen onze Heere dood was — toen dat koude, kleiachtige lijk daar lag, bewaakt door Romeinse soldaten, met een zegel op de grafsteen — was de zaak toen niet verloren? Toen al Zijn discipelen Hem verlieten en vluchtten, was het christendom toen niet vernietigd? Nee! Juist op die dag behaalde onze Heer een overwinning die de poorten der hel deed schudden en het ganse universum met ontzag vervulde. Vandaag staat het er niet slechter voor Hem voor! Zijn koninkrijk verkeert niet in een treuriger toestand dan toen. Nee, zie Hem heden en oordeel zelf: op Zijn hoofd zijn vele kronen, en aan Zijn voeten buigen de scharen van engelen!

Jezus is heden Meester over legioenen, terwijl de keizers zijn heengegaan! Hier is Zijn volk — behoeftig, onbekend en veracht, dat geef ik toe, maar toch talrijker dan toen men Hem in het graf legde. Zijn zaak zal niet verpletterd worden; zij is voor eeuwig in opkomst. Jaar na jaar, eeuw na eeuw, rukken groepen van oprechte en trouwe harten op om de citadel van satan te bestormen. De vorst dezer wereld heeft op aarde een bolwerk, en wij moeten het veroveren. Maar tot nu toe zien wij weinig vooruitgang: rang na rang zijn de strijders des Heeren naar de breuk gemarcheerd en verdwenen onder het verscheurde vuur des doods. Allen die ons voorgingen, lijken volkomen uitgeroeid en vernietigd. Toch houdt de vijand zijn wallen staande. Is er dan niets gedaan? Heeft de dood die martelaren, belijders, predikers en ijverige heiligen weggenomen, en is er niets bereikt?

Voorwaar, als Christus dood gebleven was, zou ik onze nederlaag moeten bekennen — want zij die in Hem ontslapen zijn, zouden verloren zijn. Maar nu Christus leeft, leeft de hele zaak! En zij die gevallen zijn, zijn niet dood: zij zijn slechts voor even uit ons gezicht verdwenen. Til het gordijn op, en u ziet hen ongeschonden, gekroond en zegevierend op hun plaats staan! “Deze, bekleed met witte gewaden, wie zijn zij en waar komen zij vandaan?” (Openb. 7:13).

Dit zijn zij die verslagen leken! Waar komen dan hun kronen vandaan? Dit zijn zij die onteerd werden! Waar komen dan hun schitterende witte klederen vandaan? Dit zijn zij die standhielden in een zaak die de wereld ter aarde wierp. Hoe komt het dan dat zij daar staan, in een lange rij van overwinnaars — zonder één verslagene onder hen? Laat de waarheid luid klinken: nederlaag past niet bij de zaak van Jezus, de Vorst uit het huis van David. Wij zijn altijd overwinnend geweest, broeders; ook nu zijn wij meer dan overwinnaars!

Volg uw Meester op het witte paard en vrees niet! Want zie, Hij rijdt voorop — Zijn gewaad doordrenkt met bloed, pas getreden in de wijnpers van Gods toorn, waar Hij Zijn vijanden verpletterde. U hoeft geen verzoenend bloed te storten, maar slechts te overwinnen door Hem na te volgen. Bekleed u met witte klederen en rijd Hem achterna op uw witte paarden, overwinnend en om te overwinnen. Hij is dichterbij dan wij denken; het einde van alle dingen kan komen nog vóór het volgende spottende woord de mond van de laatste scepticus verlaat. Vertrouw op de Opgestane en leef in de kracht van Zijn opstanding.

Amen.

Zoeken

AI analyzing your search query...

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Translate Website

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: info@charlesspurgeon.nl

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content

© Alle Rechten Voorbehouden
info@charlesspurgeon.nl