De schelle bazuin van de vermaning

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 21 juli 1867 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd. Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik hem vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn vaten ledigen, en hunlieder flessen in stukken slaan. Jeremia 48:11-12

Een geruime tijd was het land Moab gevrijwaard gebleven van de invallen van de oorlog en de verschrikkingen van de pest. Daardoor was het volk zo verwaand en zorgeloos geworden dat de Heere zei: “Wij hebben Moabs hovaardij gehoord (hij is zeer hovaardig), zijn trotsheid, en zijn hovaardij, en zijn hoogmoed, en zijns harten hoogmoed.” Het volk werd ijdel, heerszuchtig en opschepperig. Ze spotten met hun getroffen buren, de Israëlieten, en schepten onedel vermaak in hun leed. “Want is u niet Israël ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zo bewoogt, van den tijd af, dat uw woorden van hem waren?”

Uit deze trots kwamen weelde en al die andere zonden voort die zich gemakkelijk nestelen in de rust van ononderbroken voorspoed. De krijgslieden van Moab zeiden: “Wij zijn helden en dappere mannen ten strijde.” Als pochende zondaren tartten ze alle wet en macht. Ze vertrouwden op Kamos, verachtten Jehova en verhieven zich tegen de Heere. De profeet vergelijkt dat land met wijn die men ongeroerd en onbewogen heeft laten staan. Die ligt stil op zijn heffe, wordt sterk, behoudt zijn geur en wint dagelijks aan volheid en kracht. “Maar,” zegt hij, “de dag zal komen dat God deze onbewogen wijn zal schudden. Hij zal zwervende benden van de Chaldeeën zenden om het land te verwoesten, zodat de flessen in stukken geslagen en de vaten geledigd worden, en de trotse voorspoed van Moab in volslagen verwoesting eindigt.”

De ongewone rust van Moab had de afgunst van het volk Israël gewekt. Maar die afgunst zou wel verdwijnen zodra ze begrepen hoe plotseling een vuur zou uitgaan van Hesbon en een vlam van tussen Sihon, die de hoeken van Moab zou verteren. Hoe spoedig zou dan het gehuil gehoord worden: “Wee u, Moab! het volk van Kamos is verloren; want uw zonen zijn weggenomen in gevangenis; ook zijn uw dochters in gevangenis.” Dat aanhoudende voorspoed vleselijke gerustheid kweekt, wordt niet alleen bewezen door het voorbeeld van Moab, maar wordt helaas ook bevestigd in de geschiedenis van anderen. In de eerste plaats is dit het algemene kwaad van de goddelozen. In de tweede plaats is dit een veelvoorkomend gevaar voor de meest godvrezenden.

I. Ik zal me eerst richten tot DE ONBEKEERDEN, DE GODLOZEN, DE BIDDELOZEN, DE CHRISTUSLOZEN.

Velen van u, hoewel niet allen, worden zoals Moab. U bent van uw jeugd aan gerust geweest; u bent niet van vat in vat geledigd, maar hebt stil op uw heffe gelegen. Daardoor wordt u zorgeloos en onachtzaam. Dit kwaad komt onder de goddelozen zo algemeen voor dat de hele wereld zich vlak voor de grote zondvloed, die het oude geslacht verdelgde, in deze toestand bevond. We lezen: “Zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven.” Zij aten en dronken en waren dronken, tot de dag dat Noach in de ark ging en de waterstromen kwamen en hen allen wegvaagden. De prediker der gerechtigheid had hen honderdtwintig jaar gewaarschuwd dat hun zonden voor de hemel ondraaglijk waren geworden en dat er zeker wraak genomen zou worden over hun boze plannen. Maar zij lachten de profeet uit. Zij maakten “die oude dwaas”, zoals ze hem ongetwijfeld noemden, tot mikpunt van hun spot.

De spotters noemden hem de grootste dwaas, en de dronkaards hekelden hem in hun liedjes. De ongehoorzame wereldlingen van toen gingen hun gang alsof hun pret eeuwig zou duren en hun zonde onbestraft zou blijven. Hoe veranderde hun lied toen de regen meedogenloos en onophoudelijk neerkwam! Niet in druppels van genade die het dorstige land vruchtbaar maken, maar in watervallen van wraak die alle levende wezens wegvaagden. Hoe diep was hun wanhoop toen de Heere de sluizen van de grote “afgrond, die daaronder ligt” opende, en de lang opgesloten waterstromen beval uit hun holen op te springen en de aarde te verwoesten! Toen de verachters zagen dat alleen de ark van de profeet veilig was en alleen het gezin van de profeet gered werd, keken ze vol verbazing toe en kwamen om. Hun langdurige voorspoed en vleselijke gerustheid maakten plaats voor volslagen verwoesting.

Toch is de wereld van vandaag zo weinig veranderd dat de Heere Jezus Christus, als Hij nu zou komen (en Hij zal komen “in welke ure gij het niet meent”), het merendeel van de mensen nog in dezelfde toestand zou aantreffen. Zelfs vandaag wordt de vraag gesteld: “Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk.” Wanneer onze Heere ook komt, de mensen zullen niet voorbereid zijn op Zijn komst, want “gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen.” Ze zullen nog aan hun ijdelheden overgegeven zijn en zich in hun zonden uitleven, totdat Hij komt op de wolken des hemels om wraak te nemen op de menigte die God niet kent. Dit is de blijvende toestand van de wereld die in het boze ligt. Ze ligt stil op haar heffe en wordt niet van vat in vat geledigd, en daarom droomt ze zich in een vermetele vrede. Als pest of oorlog de volken niet wakker schudt, worden ze spoedig stoutmoedig in de zonde en verwekken ze de Heere tot ijver.

Maar, geliefde vrienden, het heeft meestal weinig zin om over de wereld in het algemeen te spreken. Algemeenheden maken weinig indruk op ons; we moeten het concreet maken. We zullen een of twee portretten schetsen waarin sommigen die hier vanmorgen aanwezig zijn, zich zullen herkennen. Misschien zijn er maar heel weinig van de eerste soort: de brutale overtreders die gerust in openlijke zonden leven. Ze zijn hun leven met ongerechtigheid begonnen en zijn daarin verschrikkelijk ver gevorderd. Ze hebben hun graad gehaald aan de hogeschool van Beëlzebub. Ze zijn meesters geworden in de kunst van de goddeloosheid, doctors in Belial, en kunnen ook anderen onderwijzen, bedorven als ze zijn en bedervend. Deze mensen worden in hun zonden niet verontrust.

Hun geweten is als met een brandijzer toegeschroeid. Waarvan anderen zouden huiveren, is voor hen een grap. Ze drijven de spot met de zonde. Ze spelen met de gloeiende kolen van de wellust, dragen vuur in hun boezem en beroemen zich erop dat ze niet verbranden. Zoals een gier van het ene kadaver naar het andere vliegt, zo gaan zij van de ene ongerechtigheid naar de andere. Ze zwoegen op de weg van het kwaad, zoals mensen graven naar een verborgen schat. Zij zeggen: “Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?” “En als Hij het weet,” zeggen ze, “wat kan het ons schelen? Wie is Jehova, dat wij Hem zouden gehoorzamen? Wie is de Almachtige, dat wij voor Zijn woord zouden beven?”

In heel deze goddeloze stad zijn er honderden en duizenden die tot nu toe ongestraft in hun zonden hebben geleefd en daarom menen dat God hun overtredingen even licht opvat als zij zelf. Over zulke mensen zei David: “Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd. Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad. Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven. (…) Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.” Toch, hoogmoedigen, let op! Want Farao, die al in vroeger dagen uw voorbeeld was, ondervond dat de weg van de hoogmoed aan het eind hard is. Die trotse vorst leek op een grote draak met een nek van ijzer, maar de Heere temde hem bij de Rode Zee. Toen de wielen van zijn wagens afgingen en ze zwaar voortgetrokken werden, terwijl de wateren gretig op hem afsprongen als op hun prooi, toen wist hij dat niemand zich tegen Jehova verheft en daarbij voorspoed heeft.

Want Hij verbrijzelt de machtigen in Zijn toorn en verdelgt hen in Zijn hete grimmigheid. Hoogmoedigen, denk aan koning Belsazar! Hij was ook een van uw stam. Denk eraan hoe hij groot werd door de buit van de volken. Denk aan die nacht van feestvieren, toen hij in zijn vermetele godslastering uit de vaten van God dronk en het heilige gerei van Jehova met zijn dronkenschap bezoedelde. Lees het schrift daar op de muur. Zelfs nu, verachter, kan ik het voor u lezen, al ziet u het zelf niet. Dit is de uitlegging: “Gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden. Uw vreugde zal u spoedig ontnomen worden, en uw leven ook. En wat zult u doen op de dag dat de Heere uw ziel van u eist?” Zijn er hier vanmorgen mensen die in de zonde hebben geleefd, losbandig zijn geworden en zich geheel aan het goddelijk gezag hebben onttrokken, omdat ze het bit dat andere mensen in toom houdt, uit hun mond hebben genomen? Laten zij dan vandaag beschaamd en verootmoedigd worden!

Want zo waarachtig als de HEERE, mijn God, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta: als zij nu niet beven, zullen zij voor eeuwig beven! Als de stem van Gods gezant u er niet toe brengt vrede en vergeving te zoeken, zal de Heere een andere heraut zenden, niet een heraut van vrede maar van oordeel. Die zal komen met een andere stem dan de mijne, een stem die u het koude zweet op het voorhoofd doet staan en uw pols zwak en traag doet worden. Dan klinkt de stille, zachte stem verschrikkelijk in uw oor: “In dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen.”

Een veel algemenere vorm van die zorgeloosheid die zo verderfelijk is, vinden we bij hen die zich volledig aan de zaken van de wereld overgeven. Zo iemand is bijvoorbeeld de man die Christus “dwaas” noemde. U kent de geschiedenis. Zijn land bracht overvloedig voort, want hij was een bekwaam landbouwer. Hij had de nieuwste werktuigen gekocht. Hij had zijn grond op de meest wetenschappelijke manier bewerkt. Hij had de oogst verdubbeld en zijn rijkdom vermeerderd. Dit was het enige waarvoor hij leefde. Hij was een verbouwer van graan en een oppotter van goud, en verder niets. Hij zei bij zichzelf dat hij een tempel voor zijn god moest bouwen. Zijn god was hijzelf, en zijn tempel was zijn schuur. “Ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen.”

Het geval van deze man komt zo vaak voor dat velen van u, als u zijn portret zouden kopen, zouden denken dat het uw eigen foto was. Want leeft u niet voor uzelf, zelfs u die in onze bedehuizen komt? Dit is het doel van de meeste mensen: “fatsoenlijk” leven, een “appeltje voor de dorst” verzamelen en, zoals ze zeggen, voor hun gezin zorgen. Dat is in feite de vrome farizeeërstaal voor zelfzucht. Aanbidt de massa van de mensen niet haar buik, en buigt zij zich niet voor geen ander altaar neer dan voor het eigen ik? Is het leven van miljoenen niet louter zuivere, doorzichtige zelfzucht? “Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?” Dat is het verheven onderwerp van menselijk onderzoek. De godsdienst van de menigte is: “Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen.”

Winst is het summum bonum van de wereld: het hoogste van al het aardse goed, de grote kans, het eerste doel, de graadmeter van succes in het leven, het enige nodige, de vreugde van het hart! En toch, wereldlingen, u die erin slaagt winst te maken en voor slim en verstandig doorgaat: Jezus Christus noemt u dwazen. En Hij strooit niet met harde woorden waar ze niet verdiend zijn. “Gij dwaas!” zei Hij. En waarom? Omdat de ziel van die man van hem geëist zou worden, en wiens zou dan zijn wat hij bijeengebracht had? Och, u die al uw dagen voorspoed hebt gekend, geld hebt verdiend, opgeklommen bent in de wereld, een appeltje voor de dorst hebt verzameld en geleefd hebt om rijkdom te vergaren: als dit het enige is waar u om geeft, beef dan en verwacht uw oordeel! Zorgelozen, denkt u werkelijk dat u gemaakt bent om voor uzelf te leven? Was dit de bedoeling van uw Schepper, dat u zou leven om goud te vergaren voor uzelf en uw kinderen? Heeft Hij u in deze wereld gezonden alleen om gele klei bij elkaar te schrapen? Heeft uw Schepper geen recht op u? De Heere, Die u in het leven houdt, heeft Hij geen aanspraken op u?

En als u Zijn rechten niet erkent, zal Hij er dan niet naar vragen op de dag dat Hij bezoeking doet? Ik wil de tekst nog eens voorlezen aan u allen, onbekeerde en welvarende mensen: “Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd. Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik hem vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn vaten ledigen, en hunlieder flessen in stukken slaan.” Hoor nog eens het Woord des Heeren door Zijn dienaar Jesaja: “Staat op, gij geruste vrouwen, hoort mijn stem; gij dochters, die zo zeker zijt, neemt mijn redenen ter ore. Vele dagen over het jaar zult gij beroerd zijn, gij dochters, die zo zeker zijt, want de wijnoogst zal uit zijn, er zal geen inzameling komen. Beeft, gij geruste vrouwen; weest beroerd, dochters, die zo zeker zijt.”

Een derde geval komt nog vaker voor: de mens die God vergeet en in luie gerustheid leeft. Er zijn velen op aarde die er niet in slagen geld te verdienen, en die dat in elk geval niet tot hun hoofddoel maken. Zij zijn tevreden met wat ze hebben en gaan zeer zelfvoldaan door de wereld. Ze staan bekend om hun gemakkelijke karakter en hun onschuldige aard, en daarom denken ze dat ze beter zijn dan anderen. Toch is mijn tekst, goed gelezen, een vreselijke waarschuwing voor hen! Hebt u nooit gelezen van de heer die zijn dienstknechten verschillende talenten toevertrouwde, aan de een vijf, aan een ander twee en aan weer een ander één? Welnu, de man met de vijf talenten en die met de twee gingen allebei de markt op en verdubbelden het geld van hun heer door het tegen rente uit te zetten.

En toen hun heer terugkwam, lieten ze hem hun winst zien. Maar de dienstknecht met het ene talent hield erg van zijn gemoedsrust en wilde zich niet druk maken met handel. Dus nam hij zijn schop. Hij had het talent genomen en in een schone doek gewikkeld (want hij wilde het met respect behandelen en het netjes verbergen), en hij legde de doek met het talent in de aarde. Toen hij het zo had toegedekt dat niemand sporen van het graven zou zien, ging hij weg en voelde zich volkomen op zijn gemak. Dat is werkelijk een treffend beeld van velen die God zouden moeten dienen, maar die denken dat ze weinig gaven hebben en daarom zelfs niet proberen te doen wat ze wél kunnen. Ze zijn niet openlijk zondig. Er valt op hun karakter of aard helemaal niets aan te merken.

Het zijn juist rustige, gemakkelijke, goedgehumeurde mensen. Maar het talent, waar is dat? Begraven! Helaas, het zal opstaan, en wanneer het tevoorschijn komt, helemaal verroest door die rottende doek, wat zal het dan getuigen! En hoe zal de Meester zeggen: “Gij boze en luie dienstknecht!” Sommigen van u denken niet genoeg na over dat woord. De Meester zei niet: “Boze verkwister!” of: “Gemene rover!”, maar: “Gij boze en luie dienstknecht!” Past die naam ook niet bij u? De beschuldiging van luiheid was ruim voldoende. Zijn oordeel was snel en vreselijk.

Het grote vonnis dat onze Heere ten slotte over de mensen zal uitspreken, is niet omdat zij kwaad deden, maar omdat zij het goede niet deden. “Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.” “Heere,” zouden ze gezegd kunnen hebben, “we zijn niet onzedelijk of oneerlijk geweest!” Daar gaat het niet om. U hebt uw Heere geen dienst bewezen. Het is niet genoeg om u van uiterlijke zonden te onthouden en zo op een negatieve manier fatsoenlijk te zijn. Als u geen vruchten van gerechtigheid voortbrengt, is het leven van God niet in u! Hoe gerust u zich ook voelt, u zult ruw uit uw sluimering gewekt worden. De schelle klank van de bazuin van de aartsengel zal voor u niets anders zijn dan de stoot op de bazuin van de veroordeling, omdat u het er gemakkelijk van nam toen u uw God had moeten dienen.

Er brandt een nog droeviger gedachte door mijn hoofd. Er zijn velen in de belijdende christelijke kerk die in dezelfde toestand verkeren als Moab. Ze zijn naar de ambtsdragers gegaan en hebben gevraagd of ze tot de gemeente toegelaten konden worden. Er werd geen bezwaar gemaakt. De predikant heeft met hen gesproken; ze spraken heel mooi en misleidden hem. Ze zijn gedoopt. Zo vaak als de avondmaalstafel wordt aangericht, zitten ze aan met Gods volk en nemen ze deel aan de tekenen van het gekruisigde lichaam van de Zaligmaker. Maar hoewel hun belijdenis zeer betamelijk is en hun uiterlijke gedrag bijzonder eerbaar, missen ze de innerlijke goddelijke genade. Ze hebben de lamp van de maagden, maar ze hebben geen olie in hun vaten met hun lampen. En toch voelen deze belijders zich zo op hun gemak dat ze sluimeren en slapen! Ik heb menige ware gelovige gekend die erg gekweld werd door de vrees dat hij een huichelaar zou zijn, terwijl menige huichelaar zich nooit iets heeft afgevraagd.

Duizenden die behouden de hemel zijn binnengegaan, zijn onderweg vaak blijven staan, hebben hun vingers tegen hun voorhoofd gelegd en gezegd: “Ben ik een ware gelovige? Wat komen er vreemde verwarringen op! Ben ik werkelijk uit de dood in het leven overgegaan, of is het inbeelding en een droom?” En toch zeg ik u dat de huichelaar zingend zijn weg is gegaan, er zeker van, zo dacht hij, dat hij door de paarlen poort zou binnengaan. Totdat hij ten slotte merkte dat hij werd teruggesleept naar het gat in de zijkant van de heuvel, de verborgen poort van de hel. Velen die er mooi uitzagen, waren in de kern verrot, zulke vruchten als de Koning niet aan Zijn tafel kon aannemen. O u die zich nooit afvraagt of u wel een christen bent, ga uzelf onderzoeken!

Beproef uzelf of u in het geloof bent! Laat de vermetelheid u niet in haar dodelijke greep houden. Bedenk dat u kunt denken dat u een gelovige bent, en ieder ander kan dat ook van u denken, terwijl u uw dwaling pas ontdekt als het te laat is om haar te herstellen. U kunt jarenlang volharden op “een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.” Belijders, wees toch niet zoals Moab, die op zijn heffe stil gelegen had!

Hetzelfde geldt voor de menigte fatsoenlijke mensen die het geloof in Jezus missen. Zij horen van de overtuigingen en benauwdheden van een ontwaakt geweten en spotten inwendig met zulk fanatisme. Ze roemen erin dat ze zich nooit tot zulke gevoelens hebben verlaagd. “Daar heb je iemand die zijn schuld zit uit te snotteren,” zoals zij het noemen. “Zo schuldig als hij ben ik nooit geweest,” roept de moralist. “Ik twijfel er niet aan dat het uiteindelijk met mij wel goed zal komen. Ik geef mijn naasten wat hun toekomt. Ik geef een gienje aan het ziekenhuis als ze me erom vragen. Ik ben een eersteklas zakenman. Natuurlijk heb ik mijn wilde haren gehad, en ik laat me nog weleens een beetje gaan, maar wie niet? Wie durft te ontkennen dat ik een goedhartige kerel ben?”

Het is duidelijk dat deze meneer nooit in geestelijke gevangenschap is geweest. Hij heeft de last van de zonde nooit gevoeld en nooit geweten wat het gewicht van de schuld is. Benijdt u hem? Dan kunt u net zo goed de doden in hun graf benijden omdat ze geen pijn lijden. Dan kunt u net zo goed de man benijden die gevoelloos is geworden, of de stakker wiens ledematen zijn afgestorven. Hoe kan hij nog iets voelen als de dood hem al voor zich heeft opgeëist? Die pijnen en weeën, dat bittere berouw en dat heen en weer geslingerd worden van een gewond geweten, zijn tekenen van de dageraad van geestelijk leven! Door zulke ervaringen worden we ertoe gebracht ons vertrouwen op Jezus te stellen. Wie ze nooit gevoeld heeft, mag wel voor de Heere klagen en bidden dat hij ze mag leren kennen. Dat hij grondig en veilig uit zijn eigengerechtigheid gehaald mag worden en ertoe gebracht mag worden te rusten op het volbrachte werk van de dierbare Verlosser!

Och, geliefde hoorder, als u vanmorgen in uw ziel verontrust bent, wees daar dan dankbaar voor! Als uw omstandigheden vol zorgen zijn en u nog niet met God verzoend bent, dan mag u dankbaar zijn voor de tegenspoed en vragen of die u tot Jezus mag drijven. Als de zonde u tegenstaat, als de genoegens die eens uw geest bevredigden nu hun smaak verloren hebben, als u zich niet meer zoals vroeger met de wereld kunt vermaken, dan ben ik daar blij om! God heeft u te lief om u hier uw nest te laten bouwen. Hij wil u met de roede uit uw zonden drijven als u zich niet door de zachtere koorden van Zijn liefde eruit wilt laten trekken. Hij legt doornen in het nest, opdat de vogel naar de hemel zal opvliegen! Vlucht tot uw hemelse Vader, zoals de verloren zoon van oudsher, toen hij zijn buik niet kon vullen met de draf die de zwijnen aten. Het is beter nu een onrust te lijden die op het leven uitloopt, dan een gerustheid te genieten die zelf een langgerekte dood is. God geve dat u behouden wordt door Jezus Christus!

II. We houden nu even stil en richten ons dan tot DE GELOVIGE.

Het is een van de meest voorkomende en gevaarlijkste kwalen die een christen kunnen overkomen: dat hij vervalt tot een staat van vleselijke gerustheid, waarin hij zelfverzekerd, ongevoelig, zorgeloos, werkeloos en werelds wordt. Geliefden in de Heere, medechristenen, ik spreek vanmorgen zeer ernstig tot u. Dat doe ik des te meer omdat ik de ziekte waarover ik tot u ga spreken, zelf heb ervaren, en ik vrees dat ik er op dit moment nog aan lijd. John Bunyan vertelt ons dat hij bij veel gelegenheden preekte als een geketende man tot geketende mensen. Dat wil zeggen: het kwaad waarvoor hij hen waarschuwde, voelde hij in zijn eigen ziel. Zo is het vanmorgen ook ongeveer met mij. Maar voordat ik in het onderwerp duik, wil ik eerst een waarschuwing laten horen. Deze lippen zullen nooit een woord zeggen tegen de volle verzekerdheid van het geloof en tegen het heilige vertrouwen dat de Heilige Geest aan het volk van God schenkt! U kunt niet te veel vertrouwen op God hebben. U kunt niet te zeker zijn van uw zaligheid, als u die zaligheid op het werk van Christus grondt. Daarom zal ik geen lettergreep zeggen tegen de heilige gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid, die de bijzondere voorrechten van de uitverkorenen zijn.

Het gevaar waarvoor ik u wil waarschuwen, zal ik nu proberen te beschrijven. Een christen merkt dat hij al lange tijd geen opvallende moeiten heeft gekend. Zijn kinderen worden hem gespaard, zijn gezin is gelukkig, zijn zaak loopt bijzonder voorspoedig. Hij heeft in feite alles wat zijn hart begeert. Als hij om zich heen kijkt, kan hij met David zeggen: “De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.” Het gevaar is nu dat hij deze bijkomstige zaken te hoog gaat aanslaan en bij zichzelf zegt: “Mijn berg staat vast; ik zal niet wankelen in eeuwigheid.” Sommige kinderen van God worden heen en weer geslingerd en zijn alle morgens bedroefd. Maar als dat bij ons niet zo is, fluistert het vlees: “Er moet in mij iets beters zijn dan in hen. Misschien worden zij gekastijd vanwege zonden waartoe ik niet vervallen ben. Ik ben een bijzondere gunsteling.” En dan bekruipt die man, hoewel hij het nooit onder woorden zou durven brengen, toch het vage gevoel dat hij niet zo waakzaam hoeft te zijn als andere mensen.

Hij zou zeker niet vallen als hij verzocht werd. Hij vraagt zich zelfs af hoe sommige van zijn broeders kunnen leven zoals ze leven; hij zou dat zeker niet kunnen. Hij voelt dat hij elke verzoeking aankan en als meer dan overwinnaar zou terugkeren. Hij is zo sterk geworden dat hij zich een Simson voelt! Hij weet nu veel meer dan vroeger en vindt zichzelf te oud om zich nog te laten beetnemen, zoals enkele jaren geleden misschien had kunnen gebeuren. “Ja,” denkt hij, “ik ben een modelchristen.” Zo zegt hij het niet, maar het zit wel in zijn hoofd. Zijn hart wordt zeer belemmerd door aardse zaken en zijn geest is zeer opgeblazen van eigenwaan. Hij is niet van vat in vat geledigd. Hij is niet zwaar beproefd door de Voorzienigheid of hevig verzocht door de duivel. Hij is er niet toe gebracht zijn eigen bekering in twijfel te trekken. Hij is in een diepe windstilte terechtgekomen, in een diepe, doodse vrede, een vreselijke lusteloosheid, en zijn binnenste heeft alle geestelijke kracht verloren.

De grote volksziekte van Engeland is tuberculose, maar ik veronderstel dat het moeilijk zou zijn om de oorzaken en het verloop van deze slopende ziekte te beschrijven. Dezelfde soort ziekte komt veel onder christenen voor. Het is niet zo dat veel christenen in uiterlijke zonden vallen en dergelijke, maar in onze gemeenten zijn er tientallen die aan geestelijke tuberculose lijden: al hun krachten zijn zwak en kwijnen weg. Ze hebben een ongewoon heldere blik (de gebreken van anderen zien ze bijzonder goed), en soms hebben ze een blos op hun wangen die veel lijkt op brandende ijver en een hoogstaand geestelijk leven. Maar die is slechts af en toe zichtbaar en oppervlakkig. Hun levenskracht staat op een laag pitje; zij werken niet voor God als echt gezonde arbeiders.

Ze lopen de weg van Zijn geboden niet als hardlopers in een wedloop, vastbesloten de prijs te behalen. Het hart klopt niet met een slag die de hele mens in beweging zet, zoals een enorme machine de stoten van haar kracht door het hele raderwerk stuurt. Ze gaan sluimerend verder, op de goede weg, dat is waar, maar al treuzelend. Ze dienen God wel, maar zoals we zeggen in dagloon en niet op stukloon. Ze spannen zich niet in om veel vrucht voort te brengen; ze zijn tevreden met hier en daar een klein, verschrompeld trosje aan de bovenste tak. Dat is de geestestoestand die ik wil beschrijven, en bij negenennegentig van de honderd gelovigen wordt die veroorzaakt door een lange periode van voorspoed en het ontbreken van geestelijke moeite.

De snelle gevolgen van deze tuberculose zijn de volgende. Iemand in zo’n toestand geeft al spoedig de gemeenschap met God op. Die is in het begin niet helemaal verdwenen, maar wel opgeschort. Zijn wandel met God wordt onderbroken en komt nog maar af en toe voor. Zijn gebeden lijden er al gauw onder. Zijn morgen- en avondgebed vergeet hij niet (als hij dat deed, zou zijn geweten misschien gaan knagen), maar hij houdt alleen de vorm vast. Hij is de ziel van het gebed kwijtgeraakt en houdt slechts de lege huls over. Er is nu geen worstelend gebed meer. Vroeger stond hij ’s nachts op om God te smeken, en hij worstelde tot de tranen stroomden, maar nu niet meer. Hij bidt wel, maar niet met die goddelijke kracht die Jakob aan de beek Jabbok tot overwinnaar maakte.

Geleidelijk worden zijn gesprekken anders dan vroeger. Eerst was hij zeer ijverig voor Christus en bracht hij in elk gezelschap geestelijke onderwerpen ter sprake. Nu is hij voorzichtig geworden en houdt hij zijn mond. Hij staat klaar om te praten over de tarweprijs, over hoe de markten ervoor staan, over de politiek en of u de sultan al bent gaan zien. Maar voor Jezus Christus, de Koning in Zijn schoonheid, heeft hij geen woorden. Geestelijke onderwerpen zijn uit zijn gewone gesprekken verdwenen. En nu, vreemd genoeg, “preekt de dominee niet meer zoals vroeger”; tenminste, dat zegt de afvallige. Ik denk dat hij zich vergist, en wel omdat het Woord van God zelf hem niet meer zo zoet is als vroeger.

En de Bijbel kan toch zeker niet veranderd zijn! Vroeger las hij erin en vond hij zijn vreugde in de beloften. Hij droeg altijd een zakuitgave van het Nieuwe Testament bij zich, waar hij ook heenging, en haalde die tevoorschijn om er onderweg een slokje uit te nemen. Maar waar is zijn Testament nu? Het gehoor van Gods Woord is voor hem nu een saaie bezigheid. Hij komt wel, want hij zou niet graag wegblijven; als Davids plaats leeg was, zou zijn geweten gaan knagen. Hij is er wel, maar hij is er tevergeefs. Het Woord heeft voor hem weinig smaak. Gezangen die hem vroeger door hun melodie verrukten, beginnen hem nu te vervelen, en hij let nu op de wijs, of op de vraag of een ander wel zuiver zingt. De gebeden waarmee hij altijd zo vurig meebad, vindt hij nu erg vlak. Zelfs in het huis van God zit hij over zijn kasboek te piekeren. Dit zijn de grijze haren die over een mens komen en die zich soms, door gebrek aan zelfonderzoek, snel vermenigvuldigen, terwijl hij het pas merkt als de geestelijke ouderdomszwakte hem heeft overvallen.

Na een tijd wordt de belijder een stuk minder vrijgevig. Hij vindt de zaak van God niet meer de kosten waard die hij er vroeger aan besteedde. En wat zijn eigen inspanningen om zielen te winnen betreft: zijn zondagsschoolklas, zijn straatprediking en het uitdelen van traktaten geeft hij misschien niet op, maar hij doet alles werktuiglijk. Het is louter sleur. Hij had net zo goed een robot kunnen zijn die men opwindt. Alleen is het probleem dat hij niet opgewonden is en zijn werk niet doet zoals het hoort. Of als hij het uiterlijk al doet, is er niets van het leven van God te vinden in wat hij doet.

Kent u zo iemand? Degene die tot u spreekt, kent hem en heeft over hem geweend. Die man is soms hijzelf geweest! Ik denk niet dat ik minder ernstig ben dan de meeste van mijn medechristenen, en ik zou het ook niet kunnen verdragen om te zijn zoals sommigen van hen. Toch ben ik verre van tevreden met mijzelf. Ik bid God dat ik nooit mag wegzakken in de oneervolle diepten van traagheid waarin sommige christenen leven. Eerder vergete mijn rechterhand haar kunst en spreke mijn tong het Woord van mijn Meester niet meer. Ik zou volkomen onwaardig zijn Zijn dienaar te zijn, als dat het geval was. Maar och, ik bid om met vuur gedoopt te worden, om daarin te leven als in mijn element en de onsterfelijke vlam van vurige liefde tot Jezus te ademen! Maar ik kan niet zoals ik zou willen. Dit zware hart, deze trage klei, laten me nog altijd moeizaam voortgaan, terwijl ik zo graag als een serafijn zou vliegen in de dienst van mijn Meester. Broeders, voelt u dat ook weleens? Ik weet dat sommigen van u het voelen, want ik zie er de sporen van. Heel veel van deze traagheid wordt veroorzaakt door een langdurige rust zonder moeiten.

“Meer dan de stormen die boven mij rollen,
vrees ik de verraderlijke stilte.”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Het zou beter zijn in voortdurende stormen te verkeren, door de wervelwind heen en weer gedreven te worden en ons aan God vast te klemmen, dan op zee te spartelen op de meest vredige en kalme dagen. Ik zou liever aan stukken geslagen worden in de strijd tegen de duivel en zijn bende, dan buiten dienst gesteld te worden en in roemloze rust te liggen wegrotten, plank na plank, balk na balk.

Geliefde vrienden, het grote verborgen gevaar dat uit dit alles voortkomt, is dat iemand die de staat van vleselijke gerustheid bereikt, tot elk kwaad in staat is! Wat een hartverscheurend nieuws bereikt ons, die over de christelijke gemeente gesteld zijn, soms! Die en die, die wij kenden als iemand met een hoge belijdenis, die met ons aan de tafel van de gemeenschap heeft gezeten en in geestelijke zaken ver gevorderd leek, is gevallen in een of andere zedeloosheid die ronduit walgelijk is, waarvan de ziel gruwt! En dat is nu juist de man met wie wij in zoetigheid raadpleegden en met wie wij samen opgingen naar het huis van God! Als men de geschiedenis van deze grote overtreders kon nagaan, zou die er ongeveer zo uitzien: ze zijn goed begonnen, maar ze zijn geleidelijk verslapt, totdat ze ten slotte rijp waren voor vuile zonden. We hebben gehoord van twee zwarte christenen die gewoon waren in het struikgewas te gaan bidden, en elk van hen had een paadje in het gras platgelopen. Na een tijd verkoelde een van hen, en al spoedig werd hij in openlijke zonde betrapt. Zijn broeder waarschuwde hem dat hij wist dat het daarop zou uitlopen, omdat er weer gras groeide op het pad dat naar zijn gebedsplaats leidde.

Och, we weten niet hoe diep we kunnen afdalen als we eenmaal bergafwaarts gaan! Omlaag, omlaag, omlaag, dat is gemakkelijk en aangenaam voor het vlees. Maar als we wisten waar het zou eindigen, zouden we God bidden liever te sterven dan te leven om ons in de verschrikkingen van die afdaling te storten! Wie zou denken dat David, de man naar Gods hart, de moordenaar van zijn vriend Uria zou worden om hem zijn vrouw te ontnemen? O David, bent u zo dicht bij de hemel en toch zo dicht bij de hel? Er zit een David in ieders hart, en als we van God beginnen af te wijken, weten we niet hoe ver we kunnen afglijden! Zoals sommige lichamen door hun slechte gezondheid vatbaar zijn voor cholera en andere besmettelijke ziekten, zo bestaat er ook een gemoedstoestand waarin een belijder het gemakkelijkst tot vuile zonden verleid kan worden. Als het zaad van de verleiding in de lucht zweeft, is de afvallige degene die het ontvangt en het in zijn ziel koestert, totdat het kwade vrucht voortbrengt. Moge God ons door Zijn Heilige Geest daarvoor bewaren!

Ik moet nu verdergaan en wijzen op Gods geneesmiddel tegen deze kwaal. Gewoonlijk doet Hij het door onze bezonken wijn van vat in vat over te gieten. Als we de voorspoed niet kunnen dragen, zal de Heere die niet laten voortduren. Wij kunnen onze kinderen verwennen en bederven, maar de hemelse Vader doet dat niet. Als we het zoete niet kunnen verdragen, zal Hij ons het bittere geven. Wanneer de Heere Zijn roede opneemt, is het Hem ernst; aardse ouders doen misschien maar alsof ze hun kinderen kastijden, maar God niet. En ik verzeker u: we voelen het als God de roede hanteert! Maar die roede maken we zelf. We dwingen onze Vader ons te slaan, omdat we zonder dat niet gehoorzaam en nederig kunnen zijn.

Toen we enige tijd in het dal van Aosta in Noord-Italië verbleven, vonden we de lucht er zwaar, benauwd en vochtig van ongezonde dampen. We waren neerslachtig en koortsig; het leven leek geen cent meer waard. We konden niet vrij ademhalen. Het leek wel of er honderd atmosferen op onze longen drukten. Toen, midden op de dag, kwam er een donderslag, met grote regendruppels en een stevige wind, die aanzwol tot een echte wervelstorm die de bomen neerhaalde. Daarna volgde wat de dichter “klaterende hagel” noemt, en toen weer bliksemflitsen en donder, slag op slag, die langs de Alpen weerkaatsten. Maar wat was het effect heerlijk! We gingen allemaal de veranda op om naar de bliksem te kijken en van de muziek van de donder te genieten! Wat was de lucht koel en verkwikkend!

Wat was het heerlijk om na de storm in de koele avond buiten te wandelen! Toen kon je ademhalen en vreugde in het leven voelen!

Heel vaak gaat het zo ook met de christen na beproeving. Hij is zorgeloos, lusteloos, koortsig en zwaar geworden en ligt als het ware op sterven. Juist dan wordt hij door beproeving overvallen. Dreigende donderslagen zijn uit Gods mond gerold, bliksemflitsen zijn uit de Voorzienigheid geschoten! Het bezit verdween, de vrouw stierf, de kinderen werden begraven, de ene beproeving volgde op de andere. En toen keerde die man zich tot God. Hoewel zijn gezicht nat was van tranen van berouw, voelde hij toch dat zijn geest wonderlijk hersteld was! Wanneer hij nu opgaat naar het huis van God, is het hem veel zoeter het Woord te horen dan vroeger.

Vroeger kon hij niet bidden, maar nu legt hij zijn hoofd aan Jezus’ borst en stort hij in de gemeenschap met Hem zijn hart uit! De eeuwigheid oefent nu haar hemelse aantrekkingskracht op hem uit, en de man is van zichzelf gered! Hebt u weleens gedroomd dat u probeerde te lopen en dat het niet lukte? U had het gevoel dat u geen voet kon verzetten, terwijl iemand die u ernstig kwaad wilde doen, u bijna inhaalde; u wilde zo graag wegrennen, maar kwam geen centimeter vooruit! Dat is de gemoedstoestand waarin we raken wanneer we wel willen maar niet kunnen bidden, wanneer we wel willen maar geen berouw kunnen hebben, wanneer we willen geloven en het niet kunnen. Wanneer we een wereld zouden geven voor één enkele traan en bijna onze ziel zouden verpanden om een trilling van geestelijk gevoel te krijgen, maar toch ongevoelig blijven:

“Voel ik iets, dan is het slechts de pijn
te merken: ik kan niet voelen.”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Zakt u weleens weg in zo’n versteende toestand? Het is vreselijk, werkelijk vreselijk, vreselijk! Als u er het slachtoffer van kunt zijn en toch gelukkig bent, dan beef ik voor u! Als u uw gevaar inziet en u tot vurig gebed wendt, zult u er als meer dan overwinnaar uitkomen. Maar daarvoor is meer nodig dan een mens; er is God in ons voor nodig om ons voor zo’n ontzaglijk gevaar te bewaren.

Wat moeten we doen als het ons voorspoedig gaat? We moeten bedenken dat voorkomen beter is dan genezen. Als God u voorspoed geeft, voorkomt u lusteloosheid door heel dankbaar te zijn voor de voorspoed die u geniet. Bid niet om moeite; die krijgt u snel genoeg, zonder dat u erom vraagt. Wees dankbaar voor uw voorspoed, maar gebruik haar ook. Doe alles wat u maar voor God kunt doen, zolang Hij u in uw zaak voorspoed geeft. Probeer heel dicht bij Hem te leven. Het zou voor ons niet zo moeilijk moeten zijn om ons dicht aan Jezus vast te klemmen wanneer de Voorzienigheid ons gunstig is. Sommige heiligen hebben jaar na jaar in rust geleefd en zijn er des te beter van geworden. Ze hebben weinig moeiten gekend en toch dicht bij God geleefd. Waarom u niet? Als u ervoor zorgt dat uw rijkdom voor God wordt besteed en uw voorspoed in Zijn dienst wordt gebruikt, kunt u een reeks stralende dagen beleven. Let op de allereerste tekenen van achteruitgang en vlucht tot Christus, de grote Heelmeester! Hij zal u de balsem van Gilead geven, die het onheil voorkomt, en u zult de hitte van de voorspoed even veilig kunnen verdragen als de koude windvlagen van de tegenspoed.

Maar als u al in zo’n toestand bent vervallen, zou ik u willen zeggen: omdat u geen voorbehoedmiddel meer kunt gebruiken, neem nu het geneesmiddel. En het enige geneesmiddel is de Heilige Geest. Christen, ga opnieuw naar het kruis van Christus als u van uw eerste staat bent afgevallen. Ga zoals u hoopt dat u de eerste keer ging. Ga met uw doodsheid, uw traagheid en uw lusteloosheid, stel uw vertrouwen op het kostbare bloed en vraag de Heere Jezus u opnieuw met de Geest te vervullen, opdat u vernieuwd mag worden. Probeer goed te beseffen hoeveel u aan Gods genade verschuldigd bent. Probeer het gevaar van uw lusteloosheid in te zien. Denk meer aan de eeuwigheid en minder aan de tijd. Maak u, als het enigszins kan, wat los van uw wereldse verplichtingen. Neem, als het kan, een dag om te vasten en te bidden, in elk geval om te bidden; maar het vasten zal u helpen om zowel uw lichaam als uw ziel te tuchtigen. Haal het trotse vlees op de een of andere manier omlaag; doe een uiterste poging! Het is beter dat u dit nu doet dan dat God het doet door scherpe beproeving. Verontrust uzelf, opdat Hij u niet verontrust. Verneder uzelf, opdat Hij u niet vernedert. Leg uw ingebeelde zekerheid af en keer met sterk geroep en tranen terug naar uw vroegere nabijheid bij de levende God. Moge de Heere u daarbij helpen, geliefde vrienden.

Ik heb gedacht dat onze tekst de toestand van ons land op dit moment beschrijft, want we raken in een ware roes van opwinding. Uitbundigheid en lichtzinnigheid leiden tot droeve zonde in hoge kringen, en dat is grotendeels aan onze voorspoed te wijten. Ik hoop dat God ons nooit oorlog of pest zal zenden, maar de godsdienst bloeit nooit sterker dan in benarde tijden. Er is nooit een tijd geweest waarin Engeland zo godsdienstig was als tijdens onze burgeroorlog. En misschien zijn er, zolang Londen bestaat, nooit meer mensen in de kerken van de City van Londen geweest dan tijdens de pest. Want toen stroomden ze allemaal toe om het evangelie te horen, en dat zouden ze weer doen als er opnieuw zoiets kwam. Als volk worden we rijk en genotzuchtig. Ik vrees dat er spoedig onheilsprofeten naar ons gezonden zullen worden om bittere dreigingen uit te spreken. Moge God ons genadig zijn en de verschrikkelijke misdaden vergeven die in naam van de vakbonden worden gepleegd. Moge Hij tegelijk onze vorsten leren in gerechtigheid te regeren en onze groten leren zich minder om ondeugd en ijdelheid te bekommeren en meer om de zaak van de armen!

Ik ben altijd bang dat dit ook de toestand van onze gemeente zal worden. We hebben dertien jaar zo’n voorspoed gekend dat we er allemaal verwonderd over zijn. En er is één opmerking van onze geliefde vriend Jonathan George, gemaakt toen dit gebouw werd opgetrokken, die ik nooit vergeten ben en die me vaak te binnen schiet. Hij herinnerde ons aan de tekst dat zij “zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede”, dat God hun doet. We hebben zoveel goeds ontvangen, zoveel bekeringen, zoveel broederliefde, zoveel ijver voor God, dat ik altijd bang ben dat we uit onze huidige gelukkige staat zullen vallen. De zekere weg daarheen is ophouden met arbeiden voor God, ophouden met ijver en vlijt. Overigens zijn er velen van u die niet naar het gebedsuur komen zoals het behoort. Sommigen van u worden erg laks in het bezoeken van de doordeweekse avonddiensten, en ik weet wat ervan komt als dat zo is. Als de doordeweekse diensten slecht bezocht worden, is het gedaan met het leven van de godzaligheid! Als u een goede reden hebt, hoef ik u daaraan niet te herinneren; die weet u zelf wel. Maar velen van u hebben geen geldige reden; u wordt koud en onverschillig. Als gemeente staan we er ongeveer zo voor als Esther tegenover de Joden. Als zij haar deel niet deed, zei Mordechai haar, zou God het door iemand anders doen en haar terzijde stellen. Zo is het ook met ons. Als we verslappen en treuzelen in het werk voor Christus, zal Hij ons als christelijke gemeente terzijde stellen, reken daar maar op! Niet uit Zijn eeuwige liefde, want dat zal Hij nooit doen, maar uit onze plaats van eer en nut.

Moge het Hem behagen mij, Zijn onwaardige dienstknecht, weg te nemen en mij rust te geven van mijn arbeid, voordat zo’n ramp ons overvalt.

Broeders en zusters, mogen we nooit stil op onze heffe liggen! Moge God ons altijd tot nieuwe arbeid roepen en met nieuwe ijver bezielen! Of, als Hij dat niet doet, moge Hij ons dan slag op slag van donderende beproeving zenden. Het is beter dat de gemeente haar leiders verliest dan haar leven! Beter dat de doodkist van de predikant hier voor u staat. Beter dat velen tot armoede vervallen dan dat deze gemeente gaat lijken op zoveel andere gemeenten: een slaapplaats voor wie troost zoekt en een plaats voor zondagsrust. Eeuwige God, U Die weet wat ons hart voelt, bewaar ons voor dit kwaad en laat ons als gemeente nooit worden zoals het lauwe Laodicea, dat U uit Uw mond hebt gespuwd! O Jezus, wij zijn U zoveel verschuldigd; mogen wij U daarom vurig liefhebben en getrouw bevonden worden wanneer U komt om Uw volk te belonen en om verheerlijkt te worden in Uw heiligen. God zegene ons, geliefde vrienden, naar dit ons verlangen, om Jezus’ wil.

Amen.

Preek nr. 761 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 21 juli 1867, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 13. Oorspronkelijke titel: “The Shrill Trumpet of Admonition”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content