Mark. 16:10 – Een huis van wenen en een boodschapster van blijde tijding
“Deze heengaande boodschapte het dengenen die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden.”
Markus 16:10
Inleiding
De evangelist Markus schrijft beeldend: hij schildert een binnenkamer zoals een Hollandse schilder dat doet. Wij zien hier een uitgelezen gezelschap: “dengenen die met Hem geweest waren” (Mark. 16:10). Velen van hen kennen wij, en het boeit ons te zien wat zij doen en hoe zij hun verlies dragen. Wij zien drie dingen.
I. Een treurende vergadering
“welke treurden en weenden” (Mark. 16:10). Welk een tafereel! Wij zien een gewone rouwplechtigheid, sterk uitgedrukt door tranen en weeklagen. Zij treurden:
- Omdat zij in Jezus geloofden en Hem liefhadden, en daarom diep bedroefd waren over alles wat er gebeurd was.
- Omdat zij voelden hoe groot hun verlies was nu zij Hem kwijt waren.
- Omdat zij Zijn lijden en sterven hadden gezien.
- Omdat zij zich herinnerden hoe slecht zij zich tegenover Hem hadden gedragen.
- Omdat zij in hun hoop op Hem waren teleurgesteld.
- Omdat zij ten einde raad waren over wat er nu moest gebeuren, nu hun Leider was heengegaan.
Wie nadenkt over Jezus’ dood, heeft gegronde reden tot droefheid. Laten wij met verstand om Hem treuren, want het zijn onze zonden die Zijn ellende en dood hebben veroorzaakt.
II. Een troostende boodschapster
Maria Magdalena kwam en vertelde hun dat Jezus was opgestaan en aan haar was verschenen: “verscheen Hij eerst aan Maria Magdaléna” (Mark. 16:9). Over deze dienst merken wij op:
- Zij was een van hen. De getuigen van de opstanding van onze Heere waren mensen die door Zijn discipelen, ja door heel de wereld, gerust vertrouwd konden worden. Het waren geen vreemden, maar mensen die goed bekend waren bij wie hen hoorden.
- Zij kwam met het beste nieuws. Zij verkondigde dat Jezus werkelijk was opgestaan. De opstanding van onze Heere:
- neemt de oorzaak van onze smart weg;
- verzekert ons van de hulp van een levende Verlosser: “want Ik leef en gij zult leven” (Joh. 14:19);
- geeft ons zekerheid van onze eigen opstanding: “de Eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst” (1 Kor. 15:23);
- brengt ons persoonlijke rechtvaardiging: Hij is “opgewekt om onze rechtvaardigmaking” (Rom. 4:25).
- Zij werd niet geloofd. “En als dezen hoorden dat Hij leefde en van haar gezien was, geloofden zij het niet” (Mark. 16:11).
- Ongeloof wordt maar al te snel chronisch. Zij hadden de Heere niet geloofd toen Hij hun Zijn opstanding voorzegde (vgl. Mark. 8:31), en zo geloofden zij nu ook de ooggetuige niet die het hun kwam vertellen.
- Ongeloof is wreed en onrechtvaardig. Zij maakten Maria Magdalena tot een leugenaarster, terwijl zij toch bij allen in achting stond.
III. Een geruststellende gedachte
Uit dit tafereel mogen wij troost putten voor onszelf.
- Wij zijn niet de enigen die om de afwezige Heere hebben getreurd.
- Wij zijn niet de enige boodschappers wier boodschap niet werd geloofd.
- Wij zijn boven alle twijfel zeker van de opstanding van Christus. Geen ander historisch feit wordt door zo’n overvloedig en onbetwistbaar getuigenis gestaafd. De apostelen geloofden er zo vast in dat zij er als getuigen voor stierven. Zij kwamen slechts heel langzaam tot die overtuiging; wat hen ten slotte tot geloof bracht, moet dus ook op de voorzichtigsten onder ons dezelfde uitwerking hebben.
- Wij hebben dus de grootste reden om ons in onze Heere te verblijden. Laten wij niet met al te grote droefheid aan het lijden van onze Heere denken. Laten wij over niets al te bedroefd zijn, want wij weten dat wij een levende Zaligmaker als onze Vriend hebben.
Illustraties en citaten
De engel met de doornenkroon. In de beroemde galerie te Bologna hangt een treffend schilderij van Domenichino. Het stelt een engel voor die naast het lege kruis staat, waarvan het lichaam van Christus zo-even is afgenomen. In zijn hand houdt hij de doornenkroon, die juist van het hoofd van de verheven Lijder is gevallen. De uitdrukking op zijn gezicht, terwijl hij met zijn vinger de scherpte van de doornen betast, is vol betekenis: het is een uitdrukking van verwondering en verbazing. Voor de reine, onbevlekte, onsterfelijke natuur van de engelen is al dat lijden een diep geheimenis. Zo was ook de dood van Christus een geheimenis voor Zijn discipelen. (Hugh Macmillan)
Onnodige smart. Een droefheid is niet minder groot omdat zij op een vergissing berust. Jakob treurde zeer bitter om Jozef: “voorzeker is Jozef verscheurd” (Gen. 37:33), terwijl zijn lieveling niet verscheurd was, maar op weg om heer te worden over heel Egypte. Toch is het jammer dat er, terwijl er in de wereld onvermijdelijk zoveel gegronde droefheid is, ook nog onnodige smart wordt geleden, en dan nog wel door hen die de meeste reden tot blijdschap hebben. Wat onze tekst vermeldt, is daarvan een typisch voorbeeld. Duizenden treuren en wenen vandaag, die zich behoorden te verblijden. O, er is zo ontzaglijk veel onnodige smart! Hierin werkt het ongeloof voor de vader van de leugen (vgl. Joh. 8:44), en uit leugen bewerkt het ellende onder hen die in waarheid geen kinderen van de smart zijn, maar erfgenamen van blijdschap en licht. Sta op, o geloof, en verdrijf deze duisternis met uw licht! En moet ook uw lamp door een nederige Maria worden aangestoken, versmaad dan haar vriendelijke hulp niet.
