Een preek uitgesproken op zondagmorgen 6 maart 1864 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht. Hooglied 1:13
Er zijn theologen die aan de inspiratie van Salomo’s Hooglied hebben getwijfeld. Anderen hebben gemeend dat het niets meer is dan een voorbeeld van oude liefdesliederen, en sommigen hebben er niet uit durven preken vanwege het zeer dichterlijke karakter. De ware reden dat men een van de meest hemelse gedeelten van Gods Woord zo uit de weg gaat, is dat de geest van dit lied niet gemakkelijk te bereiken is. Zijn muziek hoort bij het hogere geestelijke leven en heeft voor ongeestelijke oren geen enkele bekoring. Het Hooglied ligt op een geheiligd terrein, waar niemand onvoorbereid binnen mag gaan. “Trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land.” Zo klinkt de waarschuwende stem uit zijn verborgen tenten.
De historische boeken zou ik kunnen vergelijken met de voorhoven van de tempel; de Evangeliën, de Brieven en de Psalmen brengen ons in het heilige, de voorhof van de priesters; maar het Hooglied van Salomo is het heiligste: het heilige der heiligen, waarvoor voor menige onkundige gelovige het voorhangsel nog hangt. Niet alle heiligen kunnen hier binnengaan, want zij zijn nog niet gekomen tot het heilige vertrouwen van het geloof en tot die zeer grote vertrouwelijkheid van de liefde, waardoor zij in bruidsliefde gemeenschap mogen hebben met de grote Bruidegom. Men vertelt dat de Joden de jonge student niet toestonden het Hooglied te lezen; men vond dat er jaren van volle rijpheid nodig waren voordat iemand werkelijk voordeel kon trekken uit dit geheimzinnige lied van de liefde. Misschien was dat wijs; in elk geval wees dat verbod vooruit naar een grote waarheid. Het Hooglied is inderdaad een boek voor volwassen christenen. Kinderen in de genade kunnen er wel door in hun vleselijke en zinnelijke gevoelens tot Jezus worden opgewekt, Die zij eerder naar het vlees dan naar de Geest kennen. Maar er is iemand nodig die verder gegroeid is, die zijn hoofd aan de borst van zijn Meester heeft gelegd en met Zijn doop gedoopt is, om de hoge bergen van de liefde te beklimmen waarop de bruid met haar Liefste staat. Van het eerste tot het laatste vers zal het lied helder zijn voor hen die de zalving van de Heilige ontvangen hebben en alle dingen weten (1 Johannes 2:20).
U weet, beste vrienden, dat er maar heel weinig verklaringen op de brieven van Johannes bestaan. Waar we vijftig verklaringen op een boek van Paulus vinden, zult u er nauwelijks één op die van Johannes vinden. Hoe komt dat? Is het boek te moeilijk? De woorden zijn heel eenvoudig; er staat in de brieven van Johannes nauwelijks een woord van vier lettergrepen. Ach, maar ze zijn zo door en door doordrenkt van de geest van de liefde, die ook dit boek van Salomo doorgeurt, dat zij die niet in de school van de gemeenschap onderwezen zijn, uitroepen: “We kunnen het niet lezen, want het is verzegeld.”
Het Hooglied is een gouden kistje, waarvan liefde eerder de sleutel is dan geleerdheid. Wie de hoogten van de liefde niet bereikt heeft en niet door vertrouwelijke omgang met Jezus is gevormd, kan niet bij deze schatkamer komen, “want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.” Och, hadden we de hoog opstijgende adelaarsvleugels van Johannes en de ver ziende duivenogen van Salomo! Maar de meesten van ons zijn blind en zien niet van verre. Moge het God behagen ons te laten groeien in de genade en ons zoveel van de Heilige Geest te geven, dat we met voeten als die van de hinden op de hoogten van de Schrift mogen staan en vanmorgen een nabije en dierbare omgang met Christus Jezus mogen hebben.
Laten we heel eenvoudig over onze tekst spreken. We merken eerst op dat Christus de gelovigen zeer dierbaar is; ten tweede, dat daar goede redenen voor zijn; ten derde, dat met dit besef van Zijn dierbaarheid een blij bewustzijn verbonden is dat men Hem bezit; en dat er daarom, ten vierde, een vurig verlangen is naar blijvende gemeenschap met Hem. Als u de tekst nog eens bekijkt, zult u dit alles erin zien. In de eerste plaats dan: Christus Jezus is de gelovigen onuitsprekelijk dierbaar. De woorden houden dit duidelijk in: “Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre.” Zij noemt Hem haar Liefste en drukt daarmee haar liefde zeer nadrukkelijk uit; Hij is niet zomaar geliefd, Hij is haar Liefste. Dan kijkt zij om zich heen naar iets wat tegelijk kostbaar is op zichzelf en nuttig door zijn eigenschappen; haar oog valt op de mirre en ze zegt: “Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre.” Zonder nu op dit beeld in te gaan, houden we ons aan de uitspraak dat Christus de gelovige dierbaar is.
Merk eerst op dat niets de gelovige zoveel vreugde geeft als gemeenschap met Christus. Vraag uzelf af, u die aan Zijn tafel hebt gegeten en uit Zijn beker hebt mogen drinken: waar is zo’n zoetheid te vinden als u in de gemeenschap met Jezus hebt geproefd? De christen heeft net als andere mensen vreugde in de gewone zegeningen van het leven. Voor hem heeft de muziek haar bekoring, de schilderkunst haar voortreffelijkheid en de beeldhouwkunst haar schoonheid. Voor hem preken de heuvels over majesteit, zingen de rotsen hymnen van verhevenheid en geven de dalen lessen van liefde. Hij kan alles met een even helder en blij oog bekijken als ieder ander; hij kan zich verheugen in Gods gaven en in Gods werken.
Hij is niet ongevoelig voor het geluk van het gezin: rondom zijn haard vindt hij blijde banden, zonder welke het leven werkelijk somber zou zijn. Zijn kinderen vullen zijn huis met vrolijkheid, zijn vrouw is zijn troost en vreugde, zijn vrienden zijn zijn steun en verkwikking. Hij aanvaardt het goede dat ziel en lichaam hem kunnen geven, zoals God het wijs acht hem dat te schenken. Maar hij zal u zeggen dat hij in al die zegeningen afzonderlijk, ja, zelfs in alles bij elkaar, niet zo’n wezenlijke vreugde vindt als in de persoon van zijn Heere Jezus.
Broeders, er is een wijn die geen wijngaard op aarde ooit heeft voortgebracht; er is een brood dat zelfs de korenvelden van Egypte nooit konden opleveren. U en ik hebben, toen we anderen hun god zagen vinden in aardse genoegens, gezegd: “U mag roemen op goud, zilver en kleding, maar ik zal mij verheugen in den God mijns heils.” In onze ogen zijn de vreugden van de aarde nauwelijks beter dan varkensvoer, vergeleken met Jezus, het hemelse manna. Ik heb liever één mondvol van Christus’ liefde en één teug van Zijn gemeenschap dan een hele wereld vol vleselijke genoegens.
Wat is het kaf vergeleken met het koren? Wat is een fonkelende namaaksteen naast een echte diamant? Wat is een droom naast de heerlijke werkelijkheid? Wat is de vrolijkheid van deze tijd op haar mooist, vergeleken met onze Heere Jezus in Zijn meest verachte staat? Als u iets van het innerlijke leven kent, zult u allen erkennen dat onze hoogste, reinste en duurzaamste vreugde de vrucht moet zijn van de boom des levens, die in het midden van het paradijs van God staat. Geen bron geeft zulk zoet water als die bron van God die gegraven werd met de speer van de soldaat.
Het huis van de maaltijd, de vreugde van de oogst, de blijdschap van de bruiloft, het spel van de jeugd, de ontspanning van rijpere jaren: ze zijn allemaal als een stofje aan de weegschaal, vergeleken met de vreugde van Immanuël, onze Liefste. Zoals de Prediker zei, zo zeggen wij: “Tot het lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze?” “Ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.” Al het aardse geluk is uit de aarde aards, maar de vertroostingen van Christus’ tegenwoordigheid zijn hemels, zoals Hijzelf. We kunnen terugzien op onze omgang met Jezus zonder spijt dat hij leeg was; in deze wijn zit geen droesem, in deze zalf geen dode vlieg. De vreugde van de Heere is vast en blijvend. De ijdelheid heeft haar nooit gezien, maar verstand en wijsheid getuigen dat zij de toets van de jaren doorstaat en in tijd en eeuwigheid waard is “de enige ware vreugde” te heten.
Wat is de wereld met al haar rijkdom?
Niets dan bitterzoet;
als ik de roos probeer te plukken,
stuit ik op een stekende doorn.
Volmaakt geluk is hier nooit te vinden,
de honing is met gal vermengd;
te midden van wisselende tijden en stervende vrienden
wees U mijn Al in al.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
We kunnen duidelijk zien dat Christus de gelovige zeer dierbaar is, omdat er voor hem zonder Christus niets goeds is. Gelovige, hebt u niet midden in de overvloed een vreselijke, zware hongersnood gekend als uw Heere afwezig was? De zon scheen, maar Christus had Zich verborgen en de hele wereld was zwart voor u. Of het was een stormachtige nacht en er stonden veel sterren aan de hemel, maar omdat de blinkende Morgenster verdwenen was van die sombere zee, waarop u door twijfel en vrees heen en weer werd geslingerd, kon geen andere ster ook maar één lichtstraal geven. O, wat een huilende wildernis is deze wereld zonder mijn Heere! Als Hij eens toornig wordt en Zich, al is het maar voor een ogenblik, voor mij verbergt, dan zijn de bloemen in mijn tuin verwelkt en vergaan mijn liefelijke vruchten; dan staken de vogels hun gezang en hangt een zwarte nacht over al mijn verwachtingen. Niets kan het gezelschap van de Zaligmaker vergoeden: alle kaarsen op aarde kunnen samen geen daglicht maken als de Zon der gerechtigheid weg is.
Aan de andere kant: als alle aardse vertroostingen u ontvielen, hebt u dan niet ruimschoots genoeg gevonden in uw Heere? Zijn uw allerslechtste tijden niet uw beste tijden geweest? U zou bijna willen terugverlangen naar uw ziekbed, want Jezus maakte het tot een koninklijke troon, waarop u met Hem heerste. En die donkere nachten! Ach, ze waren niet donker; uw heldere dagen daarna zijn veel donkerder geweest.
Weet u nog dat u arm was? O, hoe dicht was Christus toen bij u, en hoe rijk maakte Hij u! U was veracht en verworpen door de mensen en niemand had een goed woord voor u. Ach, hoe zoet was toen Zijn gemeenschap, en hoe heerlijk was het Hem te horen zeggen: “Vrees niet, want Ik ben met u; zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God”! Zoals de verdrukkingen overvloedig worden, zo worden ook de vertroostingen overvloedig door Christus Jezus.
De duivel stookte, net als Nebukadnezar, de oven zevenmaal heter, maar wie zou willen dat hij minder fel brandde? Geen wijze gelovige. Want hoe vreselijker de hitte, des te groter de heerlijkheid dat wij over die gloeiende kolen mochten gaan zonder dat één haar van ons hoofd werd verschroeid of zelfs maar de reuk van het vuur aan ons kwam, omdat de Zoon van God met ons over die gloeiende kolen wandelde. Ja, we kunnen in overgave armoede, ziekte en zelfs de dood onder ogen zien; want al werd ons alle troost ontnomen, toch zouden we gezegend zijn, zolang we de tegenwoordigheid van de Heere, onze Zaligmaker, genieten. Ik doe de waarheid ook geen geweld aan als ik zeg dat de christen eerder alles zou opgeven dan zijn Meester te verlaten. Ik heb sommigen gekend die bang waren de tekst onder ogen te zien die zegt: “die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig”, of deze: “Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, (…) die kan Mijn discipel niet zijn” (haten wil hier zeggen: minder liefhebben). Toch heb ik gemerkt dat juist zij die het bangst waren dat Hij niet de beste plaats in hun hart had, vaak de oprechtste liefhebbers van Jezus bleken te zijn.
Misschien is het beter niet rustig te gaan zitten om onze liefde te wegen, want liefde laat zich niet met een koel verstand meten. Stel uw liefde liever op een praktische proef. Stel dat het zover kwam dat u Christus moest verloochenen of het dierbaarste moest opgeven dat u hebt: zou u dan nog aarzelen? De Heere weet dat ik zeg wat ik in mijn eigen ziel voel: als het daarop aankomt, zou ik geen seconde kunnen aarzelen. Als er een brandstapel met brandende takkenbossen stond, zou ik misschien terugdeinzen voor het vuur, maar de goddelijke liefde is zo machtig dat zij mij ongetwijfeld eerder de vlammen in zou drijven dan mij Jezus te laten verlaten.
Maar als het erop aankomt: “Wilt u uw ogen verliezen of Christus opgeven?” dan zou ik met blijdschap blind zijn. Of als er gevraagd werd: “Wilt u dat uw rechterarm verdort, of geeft u Christus op?” Welaan, laat dan beide armen gaan; laat ze allebei van de schouders vallen. Of als het zou zijn: “Wilt u vanaf vandaag stom zijn en nooit meer voor de menigte spreken?” O, liever stom dan Hem verliezen! Ja, wanneer ik hierover spreek, lijkt het mij een belediging van mijn Meester om handen, ogen en tong met Hem te vergelijken.
Het licht is mijn ogen niet zo dierbaar,
vriendschap is niet half zo zoet.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Als u het leven zelf met Jezus vergelijkt, valt het niet eens in één adem met Hem te noemen. Als er gevraagd werd: “Wilt u leven zonder Christus of sterven met Christus?” dan zou u niet kunnen aarzelen, want met Christus sterven is voor altijd met Christus leven; maar zonder Christus leven is de tweede dood sterven, de vreselijke dood van het eeuwige verderf van de ziel. Nee, daar is geen keus. Ik denk dat we nog verder kunnen gaan, beste vrienden, en zeggen dat we niet alleen alles zouden kunnen opgeven, maar dat we, als de liefde vurig is en het vlees in bedwang wordt gehouden, alles met Christus zouden kunnen lijden. In een van de brieven van Samuel Rutherford kwam ik een buitengewone uitdrukking tegen. Hij spreekt daar over de kolen van de goddelijke toorn, die allemaal op het hoofd van Christus vielen, zodat er niet één op Zijn volk zou vallen. “En toch,” zegt hij, “als een van die kolen van Zijn hoofd op het mijne viel en mij volkomen verteerde, en ik wist dat het een deel was van de kolen die op Hem vielen, en dat ik het om Zijnentwil en in gemeenschap met Hem droeg, dan zou ik dat als mijn hemel kiezen.”
Dat is een sterke uitspraak: dat lijden met Christus zijn hemel zou zijn, als hij maar zeker wist dat hij voor en met Christus leed. O, er is werkelijk iets hemels in het lijden voor Jezus. Zijn kruis heeft zo’n majesteit en zo’n geheimenis van vreugde in zich, dat het des te lichter op de schouders van de gelovige rust naarmate het zwaarder wordt. Eén ding bewijst, geliefden, dat u Christus zeer dierbaar acht: dat u wilt dat ook anderen Hem leren kennen. Voelt u in uw ziel geen smachtend verlangen, totdat de harten van anderen vervuld zijn met de liefde van Christus?
Mijn ogen zouden zich uit hun kassen kunnen huilen om sommigen van u, die de liefde van mijn Meester niet kennen. Arme zielen! U zit buiten de maaltijd, terwijl de deur wijd openstaat en de Koning Zelf binnen is. U blijft liever op de wegen en onder de heggen dan dat u naar deze bruiloft komt, waar de ossen en het mestvee geslacht zijn en alles gereed is. O, als u Hem kende, als u Hem kende, dan zou u nooit zonder Hem kunnen leven! Als uw ogen Hem ooit één keer hadden gezien, als uw hart ooit de bekoring van Zijn tegenwoordigheid had gekend, dan zou het voor u een hel zijn om ook maar een ogenblik zonder Christus te zijn.
Arme blinde ogen, die Hem niet kunnen zien; dove oren, die Hem niet kunnen horen; harde, stenen harten, die niet voor Hem kunnen smelten; zielen die door de hel zo verblind zijn dat ze de majesteit van Zijn liefde niet kunnen waarderen: God helpe u! God helpe u, en brenge u er nog toe Hem te kennen en u in Hem te verheugen! Hoe meer uw liefde groeit, geliefden, des te onverzadigbaarder wordt uw verlangen dat anderen Hem liefhebben. Ten slotte komt het er dan toe dat u als Paulus “in arbeid overvloediger” bent, en ten koste legt en ten koste gelegd wordt om de rest van het uitverkoren lichaam van Christus tot eenheid te brengen met hun heerlijk Hoofd. In de tweede plaats hangt de ziel Christus aan, en zij heeft daar goede reden voor, want haar eigen woorden zijn: “Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre.” We nemen eerst de mirre en letten daarna op het bundeltje.
Jezus Christus is als mirre. Mirre kan heel goed een beeld van Christus zijn vanwege haar kostbaarheid. Het was een buitengewoon duur kruid. We weten dat Jakob er iets van naar Egypte stuurde als een van de uitgelezen voortbrengselen van het land. In de Schrift wordt er steeds over gesproken als iets rijks, zeldzaams en kostbaars. Maar geen mirre kon ooit met Hem worden vergeleken, want Jezus Christus is zo kostbaar dat hemel en aarde samen geen tweede Zaligmaker zouden kunnen kopen. Toen God Zijn Zoon aan de wereld gaf, gaf Hij het beste wat de hemel had. Neem Christus uit de hemel weg, en God heeft niets meer te geven. Christus was Gods alles, want staat er niet geschreven: “Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk”? O kostbare gave: de hele Godheid in de persoon van Christus! Hoe onschatbaar kostbaar is het lichaam dat Hij aannam uit de maagd! Terecht kondigden engelen de komst van deze onbevlekte Zaligmaker aan en waakten ze over Zijn heilig leven, want Hij is kostbaar in Zijn geboorte en kostbaar in al Zijn daden. Hoe kostbaar is Hij, beste vrienden, als mirre in het brengen van Zijn grote verzoeningsoffer! Wat een kostbaar offer was dat! Tegen wat een prijs bent u verlost! “Niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, (…) maar door het dierbaar bloed van Christus.”
Hoe kostbaar is Hij ook in Zijn opstanding! Met één slag rechtvaardigt Hij al Zijn volk, doordat Hij opstaat uit de doden: met één opgang verdrijft die heerlijke zon alle nachten van al Zijn volk.
Hoe kostbaar is Hij in Zijn hemelvaart, wanneer Hij de gevangenis gevankelijk voert en gaven uitdeelt onder de mensen! En hoe kostbaar is Hij vandaag in Zijn onophoudelijke voorbede, waardoor de goedertierenheden van God als de engelen op Jakobs ladder neerdalen naar onze behoeftige zielen! Ja, voor de gelovige is Hij in elk opzicht als mirre, zo zeldzaam en voortreffelijk is Hij.
Mirre was ook aangenaam. Het was heerlijk in een kamer te zijn die naar mirre geurde. Via de reuk brengt mirre genot aan de menselijke geest; maar Christus geeft Zijn volk vreugde, niet langs één kanaal, maar langs elke weg. Het is waar dat al Zijn klederen mirre, aloë en kassie zijn, maar Hij streelt niet alleen de geestelijke reuk; ook de smaak wordt bevredigd, want we eten Zijn vlees en drinken Zijn bloed. Ja, ons gevoel wordt verrukt als Zijn linkerhand onder ons is en Zijn rechterhand ons omhelst. En Zijn stem is allerzoetst; het oor van onze ziel wordt door de melodie ervan bekoord.
Laat God Hem aan ons oog tonen, en wat kunnen onze ogen dan nog meer wensen? Ja, “al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Zo drijft elke poort van de ziel handel met Christus Jezus in de rijkste en zeldzaamste waren. Er is geen weg waarlangs een menselijke geest gemeenschap met Jezus kan hebben, die die geest niet telkens nieuwe en veelsoortige vreugde geeft. O geliefden, we kunnen Hem niet alleen met mirre vergelijken. Hij is alles wat goed is om te zien, te proeven, te betasten of te ruiken, alles samengebracht in één: het wezen van alle vreugde. Zoals alle rivieren naar de zee lopen, zo komen alle genietingen samen in Christus. De zee wordt niet vol, maar Jezus is vol tot aan de rand.
Verder geeft mirre geur. Ze wordt gebruikt om andere dingen een aangename geur te geven. Ze werd met het offer vermengd, zodat niet alleen de rook opsteeg van het vet van de nieren der rammen en van het vlees van vette beesten, maar ook een liefelijke geur van mirre, die met het offer naar de hemel opsteeg. En zeker, geliefden, Jezus Christus geeft Zijn volk een heerlijke geur. Doorgeurt Hij hun gebeden niet, zodat de Heere een liefelijke reuk ruikt? Doorgeurt Hij hun liederen niet, zodat ze worden als fiolen vol reukwerk?
Doorgeurt Hij onze bediening niet? Staat er niet geschreven: “Die ons allen tijd doet triomferen in Christus, en den reuk Zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan”? Ook onze persoon is met Christus doorgeurd. Waar halen we onze nardus vandaan, dan bij Hem? Waar zullen we heen gaan om de cyperbloemen te plukken die onze persoon en onze aanwezigheid aangenaam maken voor God, dan naar Hem? Want Hij heeft ons “begenadigd (…) in den Geliefde.” “En gij zijt in Hem volmaakt”, “volmaakt in Christus Jezus”, want Hij heeft “ons gemaakt tot koningen en priesters Gode”, en wij zullen heersen tot in alle eeuwigheid.
Mirre heeft ook bewarende eigenschappen. De Egyptenaren gebruikten haar bij het balsemen van de doden, en we lezen dat Nicodemus en de heilige vrouwen mirre en aloë brachten om het dode lichaam van de Zaligmaker daarin te wikkelen. Ze werd gebruikt om bederf te voorkomen.
Wat kan de ziel bewaren dan Christus Jezus? Wat is de mirre die onze werken, die op zichzelf dood, verdorven en vergaan zijn, ervoor bewaart een walgelijke stank voor God te worden, anders dan dat Christus erin is? Wat we uit liefde tot Christus hebben gedaan, wat we door Zijn middelaarschap hebben geofferd, wat door het geloof in Zijn persoon is doorgeurd, wordt aangenaam. God bekijkt alles wat we zeggen en alles wat we doen, en als Hij er Christus in ziet, neemt Hij het aan; maar is Christus er niet in, dan schuift Hij het als iets onreins weg.
Zorg er dan voor, geliefden, dat u nooit een gebed bidt dat niet met Christus is doorgeurd. Ik zou nooit een preek willen houden (de Heere vergeve het mij als ik het doe) die niet tot overlopens toe vol is van mijn Meester. Ik ken iemand die zei dat ik altijd op dezelfde oude snaar speelde en dat hij mij niet meer zou komen horen; maar als ik eens een preek zonder Christus hield, dan zou hij komen. Ach, hij zal nooit komen zolang deze tong zich beweegt, want een preek zonder Christus, een Christusloze preek, is een beek zonder water, een wolk zonder regen, een put die de reiziger bespot, een boom die tweemaal gestorven en ontworteld is, een hemel zonder zon, een nacht zonder ster! Het zou een rijk van de dood zijn, een plaats van rouw voor de engelen en van gelach voor de duivelen.
O christen, we moeten Christus hebben! Zorg er toch voor dat u elke dag bij het ontwaken een frisse geur van Christus op u legt door Zijn persoon te overdenken. Leef de hele dag zo, dat u zoveel als in u is uw hart met Hem doortrekt; en ga dan ’s nachts slapen met Hem op uw tong. Van Samuel Rutherford wordt verteld dat hij vaak in slaap viel terwijl hij over Christus sprak, en dat men hem dikwijls in zijn dromen liefelijke woorden over zijn Zaligmaker hoorde spreken. Niets kan ons zo bewaren en van de zonde afhouden, en onze werken zo heilig en rein maken, als dit “bundeltje mirre”.
Verder werd mirre gebruikt als ontsmettingsmiddel. Als er koorts heerst, kennen we mensen die zakjes kamfer om hun hals dragen. Misschien helpt dat heel goed; ik weet het niet. Maar de oosterlingen geloofden dat in tijden van pest en epidemie een zakje mirre, tussen de borsten gedragen, de drager wezenlijk van dienst zou zijn. En ongetwijfeld zit er in mirre enige kracht die tegen besmettelijke ziekten beschermt.
Nu, broeders, ik weet zeker dat het zo is met Christus. U moet de wereld in, die als een groot lazarushuis is; maar als u Christus met u meedraagt, zult u nooit de ziekte van de wereld oplopen. Iemand kan nog zoveel geld bezitten, hij zal nooit wereldsgezind worden als hij Christus op zijn hart draagt. Iemand kan moeten zwoegen en ploeteren voor zijn levensonderhoud en heel arm zijn, maar hij zal nooit ontevreden zijn en morren als hij dicht bij Christus leeft. O u die met de wereld moet omgaan, zorg ervoor dat u meer met de Meester omgaat dan met de wereld. Sommigen van u moeten werken tussen dronkaards en vloekers; anderen zijn midden in lichtzinnigheden geworpen. O, neem mijn Meester met u mee! Dan kunnen de plagen van de zonde geen vat hebben op uw zedelijke natuur.
Maar volgens de artsen uit de oudheid deed mirre nog meer: ze was een geneesmiddel; ze voorkwam niet alleen ziekte, maar genas ook. Ik weet niet van hoeveel ziekten gezegd wordt dat mirre ze geneest, en ik denk ook niet dat die oosterse artsen helemaal op grond van feiten spraken, want zij schreven kruiden maar al te graag eigenschappen toe die ze niet hadden. Toch geloven ook moderne artsen dat mirre veel waardevolle geneeskrachtige eigenschappen heeft. Zeker is dat uw Christus het beste medicijn voor de ziel is. Zijn Naam is Jehova Rofi: “Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.” Als we zien dat Lukas “de geliefde geneesheer” wordt genoemd, gunnen we hem die naam bijna niet. Ik neem hem van hem af en geef hem aan mijn Meester, want Hij verdient hem veel meer dan Lukas.
De geliefde Geneesheer! Hij raakte de melaatse aan, en die werd gezond. Hij keek alleen maar naar de kreupelen, en zij sprongen als een hert. Zijn stem verbrak de stilte van het dodenrijk en bracht de ziel terug in het lichaam. Wat kan Christus niet? Hij kan alles genezen. U die vanmorgen ziek bent, ziek van twijfel en vrees; u die ziek bent van verzoeking; u die worstelt met een driftig humeur of met de doodse slaap van de traagheid: verkrijg Christus, en u bent genezen. Hier komt alles samen, en in al deze opzichten mogen we zeggen: “Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre.”
Ik ben nog niet klaar, want in het Oosten werd mirre ook gebruikt als schoonheidsmiddel. We lezen van Esther dat zij en de maagden zich moesten voorbereiden voordat zij bij Ahasveros werden gebracht, en dat ze daarbij onder meer mirre gebruikten. De oosterse vrouwen geloofden dat mirre rimpels en vlekken uit het gezicht wegnam, en ze gebruikten haar voortdurend om hun schoonheid te vervolmaken. Ik weet niet hoe dat zit, maar ik weet wel dat niets de gelovige zo mooi maakt als bij Christus te zijn. Dan is hij mooi in de ogen van God, van de heilige engelen en van zijn medemensen. Ik ken christenen met wie het een grote zegen is om te spreken; als ze bij u thuis komen, laten ze in de uitgelezen woorden die ze spreken iets achter om aan terug te denken. Hen in de gemeente te hebben is een duizendvoudige zegen, en als ze zich bij de zondagsschool aansluiten, hoe waardevol zijn ze dan! Laat ik u zeggen dat de bruikbaarheid van een christen het best wordt gemeten aan de mate waarin hij met Jezus is geweest en van Hem heeft geleerd. Zeg mij niet dat het de geleerde is, zeg mij niet dat het de welsprekende is, zeg niet dat het de rijke is (wel, we zouden willen dat zij allen wat ze hebben aan Christus wijden); nee, de man Gods is de sterke man. Wie met Jezus is geweest, is de pilaar van de kerk en een licht voor de wereld. O broeders, moge de liefelijkheid van de Heere op ons zijn doordat we veel bij Christus zijn.
En ik mag dit punt niet afsluiten zonder te zeggen dat mirre ook heel goed als zinnebeeld van onze Heere kan dienen vanwege haar verband met het offer. Ze was een van de kostbare specerijen voor de heilige olie, waarmee de priesters werden gezalfd, en voor het reukwerk dat voortdurend voor God brandde. Juist dit, het offerkarakter van Christus, ligt ten diepste aan de wortel van alles wat Christus Zijn volk zo dierbaar maakt. O Lam van God, ons Offer, wij moeten U gedenken. Nu is er toch wel genoeg over de mirre gezegd. Heb geduld terwijl we nog even opmerken dat Hij een bundeltje mirre wordt genoemd, of, zoals sommigen vertalen, een zakje of een doosje mirre.
Er waren drie soorten mirre: mirre in takjes, die bij verbranding een liefelijke geur gaf; mirre als gedroogde specerij; en ten derde mirre als vloeiende olie. We weten niet welke hier bedoeld is. Maar waarom staat er “een bundeltje mirre”? In de eerste plaats vanwege de overvloed. Hij is niet één druppel ervan, Hij is een vol kistje. Hij is niet één takje of bloem ervan, maar een heel bundeltje. In Christus is genoeg voor al mijn noden. Er is meer in Christus dan ik ooit zal weten, misschien zelfs meer dan ik in de hemel zal begrijpen.
Een bundeltje ook vanwege de verscheidenheid; want in Christus is niet alleen het enige nodige, maar “gij zijt in Hem volmaakt”: alles wat nodig is, is er. Bekijk Christus in Zijn verschillende hoedanigheden en u zult een wonderlijke verscheidenheid zien: profeet, priester, koning, bruidegom, vriend, herder. Bekijk Hem in Zijn leven, sterven, opstanding, hemelvaart en wederkomst; bekijk Hem in Zijn deugd, zachtmoedigheid, moed, zelfverloochening, liefde, trouw, waarheid en gerechtigheid: overal is het een bundel. Sommige oordelen van God zijn veelvoudig, maar al Gods goedertierenheden zijn veelvoudig, en Christus, de som van Gods goedertierenheden, bevat goedheid in laag op laag. Hij is “een bundeltje mirre” vanwege de verscheidenheid.
Hij is ook een bundeltje mirre om het te bewaren: geen losse mirre die op de vloer valt of vertrapt wordt, maar samengebonden mirre, alsof God alle deugden en voortreffelijkheden in Zijn Zoon heeft samengebonden; geen mirre die op de grond gemorst is, maar mirre in een doosje, mirre bewaard in een kistje. Zo is Christus. De kracht en voortreffelijkheid die van Christus uitgaat, is vandaag nog even sterk als op de dag dat de vrouw de zoom van Zijn kleed aanraakte en genas. Tot op dit uur kan Hij “volkomenlijk zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan.” Verder een bundeltje mirre om te laten zien hoe zorgvuldig we het moeten bewaren. We moeten Hem samenbinden; we moeten onze gedachten over Hem en onze kennis van Hem als achter slot en grendel bewaren, opdat de duivel ons niets ontsteelt.
We moeten Zijn woorden als een schat wegleggen, Zijn inzettingen hoogachten en Zijn geboden gehoorzamen; we moeten Hem samenbinden en altijd bij ons houden als een kostbaar bundeltje mirre.
En nog eens: een bundeltje mirre om het bijzondere ervan aan te geven, alsof Hij geen gewone mirre voor iedereen was. Nee, nee, nee; er is een onderscheidende, uitverkiezende genade: een bundeltje dat samengebonden is voor Zijn volk en al vóór de grondlegging van de wereld van hun namen is voorzien. Ongetwijfeld wordt hier gezinspeeld op het reukflesje dat in elk land wordt gebruikt. Jezus Christus is een flesje mirre, en Hij geeft Zijn geur niet aan iedereen, maar aan hen die weten hoe ze de stop eruit moeten halen, die begrijpen hoe ze in gemeenschap met Hem kunnen komen en een innige omgang met Hem kunnen hebben. Hij is geen mirre voor allen die in het huis zijn, maar voor hen die weten hoe ze het flesje aan hun neus moeten houden om de liefelijke geur te ontvangen. O, gezegend volk, dat de Heere in Zijn geheimen heeft ingewijd! O, uitgelezen en gelukkig volk, dat zo mag zeggen: “Mijn Liefste is mij een flesje mirre”!
Maar ik ben bang dat ik u vermoei, vooral hen onder u die niets weten van mijn onderwerp. Er zijn hier sommigen die er niet meer van weten waarover ik spreek dan wanneer ze moslims waren. Ze horen nu een nieuw soort godsdienst. De godsdienst van Christus gaat even hoog boven hen uit als de weg van de arend boven die van de vis, en is even verborgen voor hen als de weg van een slang op een rotssteen voor het oog van de mens. Dit is een pad dat het oog van de arend niet gezien heeft en dat de jonge leeuw niet betreden heeft; maar ik vertrouw dat er hier sommigen zijn die het kennen.
Onze derde opmerking zou zijn dat met het besef van Christus’ dierbaarheid het bewustzijn verbonden is dat men Hem bezit. Er staat: “mijn Liefste”. Beste hoorder, is Christus uw Liefste? Een Zaligmaker, dat is goed; maar mijn Zaligmaker, dat is het beste van het beste. Wat heb ik aan brood als het niet van mij is? Dan kan ik nog van honger sterven.
Wat is goud waard als het niet van mij is? Dan kan ik nog in een armenhuis sterven. Ik wil dat deze kostbaarheid de mijne is. “Mijn Liefste.”
Hebt u Christus ooit met de hand van het geloof aangegrepen? Wilt u Hem vanmorgen opnieuw aannemen, broeders in Jezus? Ik weet dat u dat wilt. Och, dat zij die Hem nooit hebben aangenomen, Hem nu aannamen en zeiden: “Mijn Zaligmaker!” Daar staat Zijn verzoening, u vrij aangeboden. Moge u de genade ontvangen haar aan te nemen en vanmorgen te zeggen: “Mijn Zaligmaker, mijn Zaligmaker!”
Heeft uw hart Hem aangenomen? Het is goed voor ons beide handen te gebruiken, niet alleen de hand van het geloof, maar ook de hand van de liefde, want dat is de ware omhelzing, wanneer beide armen elkaar om onze Liefste heen ontmoeten.
Hebt u Hem lief? O zielen, hebt u Christus LIEF, met de nadruk op dat woord? Spreek mij niet van een godsdienst die in het hoofd woont en nooit in het hart komt. Doe die zo snel mogelijk weg; die zal u nooit in de hemel brengen. Het is niet alleen: “Ik geloof dit en dat”, maar: “Ik heb lief.” Ach, sommigen die grote dwazen waren in de leer, zijn zeer wijs geweest in de liefde. We zeggen tegen onze kinderen dat ze iets uit het hoofd moeten leren, maar dit moet u met het hart kennen. Ik denk dat u dat kunt: u hebt Jezus lief. En kunt u het niet, dan moet u met mij belijden:
Een ellendig mens zou ik zijn, Heere,
als ik U niet liefhad;
liever dan mijn Zaligmaker niet lief te hebben,
wil ik ophouden te bestaan.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Maar dat is niet het enige woord. “Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre.” Dat “mij” is geen overbodige uitdrukking, want voor velen is Hij dat niet. Ach, voor menigten is mijn Heere als een wortel uit een dorre aarde. Een roman in drie delen past hun beter dan Zijn Boek. Ze gaan liever naar de schouwburg of naar een dansfeest dan dat ze enige gemeenschap met Hem hebben. Ze kunnen de schoonheid zien op de wangen van deze Izebel, de wereld, maar de volmaaktheden van mijn Heere en Meester zien ze niet. Nu ja, nu ja! Laat hen zeggen wat ze willen en denken wat ze willen; ieder schepsel heeft zijn eigen vreugde, maar “mijn Liefste is mij een bundeltje mirre”. Mij, mij! En al is er niemand anders die Hem zo vindt, toch is mijn Liefste mij een bundeltje mirre. Ik wilde dat het met anderen niet zo was als het is; ik wilde dat anderen ook zo over Hem dachten. Maar laat hen zeggen wat ze willen, ze zullen mij niet afbrengen van wat ik hiervan weet: “Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre.” De ongelovige zegt: “Er is geen God.” De atheïst zou mij volkomen uitlachen. Laat hen zeggen wat ze willen, maar “mijn Liefste is mij een bundeltje mirre”.
Er zijn zelfs bisschoppen die een deel van Zijn Boek willen wegnemen en zo Zijn klederen scheuren en Hem beroven. Er zijn er ook die zeggen dat Zijn godsdienst verouderd is en dat de genade haar kracht heeft verloren; ze lopen achter de filosofie, ijdele verbeeldingen en wat al niet aan, maar “mijn Liefste is mij een bundeltje mirre”. Ze hebben misschien geen reukzin voor Hem en geen verlangen naar Hem; het zij zo, maar “mijn Liefste is mij een bundeltje mirre”. Ik weet dat sommigen zeggen dat ze Hem geprobeerd hebben en Hem niet zoet vonden. Ze hebben zich van Hem afgekeerd en zijn teruggegaan tot de arme beginselen van de wereld, omdat ze in Christus niets zien waarom ze Hem zouden begeren; maar “mijn Liefste is mij een bundeltje mirre.”
Ach christen, dit hebt u nodig: een persoonlijke ervaring, een stellige ervaring. U moet het voor uzelf weten. Want een godsdienst die niet door persoonlijke ervaring in u is ingebrand, is geen knoop waard; en een godsdienst die niet uit uw ziel opkomt en het binnenste van uw geest niet aangrijpt, is geen strohalm waard. Ja, u moet zeggen (ik hoop dat u het kunt zeggen als u straks die trappen afgaat en morgen weer die drukke, duizelingwekkende wereld ingaat), u moet zeggen: “Laat de hele wereld afdwalen, mijn Liefste is mij een bundeltje mirre.” Nu sluit het vierde, praktische punt het geheel af. Het besef dat hij Christus bezit en het besef dat hij Hem geniet, zullen de christen altijd doen verlangen naar voortdurende gemeenschap met Hem. “(…) dat tussen mijn borsten vernacht.”
De bruid zegt niet: “Ik zal dit bundeltje mirre op mijn schouders leggen”: Christus is geen last voor een christen. Ze zegt niet: “Ik zal dit bundeltje mirre op mijn rug leggen”: de gemeente wil niet dat Christus aan haar oog wordt onttrokken. Ze wil Hem daar hebben waar ze Hem kan zien, en dicht bij haar hart. Het bundeltje mirre zal de hele nacht op mijn hart liggen. De woorden “de hele nacht” staan niet in de grondtekst; ik weet niet hoe ze in de vertaling terechtgekomen zijn. Hij moet er altijd zijn, niet alleen de hele nacht, maar ook de hele dag. Het zou altijd nacht zijn als Hij er niet was, en het kan geen nacht zijn als Hij er wel is, want:
verschijnt Hij in de donkerste schaduw,
dan is mijn dageraad begonnen.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Hij zal altijd op ons hart liggen. Ik denk dat die uitdrukking deze drie zaken betekent. Het is een uitdrukking van verlangen: haar verlangen om zich voortdurend bewust te zijn van Christus’ liefde. Voelt u niet hetzelfde verlangen? O christen, als uw ziel u ooit “op de wagens van mijn vrijwillig volk” heeft gezet, dan zal het slecht met u gaan als u tevreden kunt zijn met iets anders. Als u Christus maar eenmaal geproefd hebt, dan zult u ernaar uitzien de hele dag en de hele nacht van Hem te eten, zolang u leeft.
Mijn verlangen is dat Jezus bij mij blijft van de morgen tot de avond, in de wereld en in de kerk, als ik wakker word en als ik slaap, als ik uitga en als ik thuiskom in de schoot van mijn gezin. Is dat ook niet uw verlangen, dat Hij altijd bij u is? Maar het is niet alleen haar verlangen; het is ook haar vertrouwen. Ze lijkt te zeggen: “Zo zal Hij bij mij zijn.” De merkbare gemeenschap met Christus kan voor u een tijd onderbroken worden, maar in werkelijkheid gaat Christus nooit van Zijn volk weg. Hij zal de hele nacht tussen uw borsten vernachten; Hij zal u te allen tijde trouw blijven. Hij kan Zijn ogen sluiten en Zijn aangezicht voor u verbergen, maar Zijn hart kan nooit van u wijken. Hij heeft u als een zegel op Zijn hart gezet en zal u daar steeds meer van bewust maken.
Bedenk dat de vereniging van Christus met Zijn volk nooit onderbroken wordt, en evenmin de reddende invloeden waardoor Zijn volk altijd volmaakt in Hem staat. Ten slotte is dit ook een besluit. Ze verlangt het, ze gelooft het en ze besluit het: Heere, U zult bij mij zijn, U zult altijd bij mij zijn.
Ik doe een beroep op u, broeders: wilt u vanmorgen niet in Gods kracht het besluit nemen dicht bij Christus te blijven? Praat op weg naar huis niet over allerlei onzin; breng deze middag niet door in gemeenschap met dwaasheid en ijdelheid, maar laat uw ziel deze hele dag bij Christus blijven, bij niets dan Christus. Vanavond komen we aan Zijn tafel om brood te eten en wijn te drinken tot Zijn gedachtenis; laten we proberen, als het kan, dat niets ons deze hele dag Christus doet loslaten. Hebt u Hem, houd Hem dan vast en laat Hem niet gaan, totdat u Hem in uw moeders huis gebracht hebt, in de binnenste kamer van haar die u gebaard heeft. Dan is er ’s avonds het huisgebed. O, probeer Hem vast te houden tot u uw hoofd op het kussen legt. En dan maandagmorgen: sommigen van u moeten aan het werk, en zodra u in de werkplaats of de fabriek komt, zegt u: “Nu moet ik mijn Meester kwijtraken.” Nee, raak Hem niet kwijt. Houd Hem vast als uw hand de hamer hanteert, en klem u nog steeds aan Hem vast als uw vingers de naald vasthouden. Op de markt of op de beurs, aan boord van een schip of op het veld: laat Hem niet gaan. U kunt Hem de hele dag bij u hebben.
De moslim draagt meestal een stukje van de Koran om zijn hals, en iemand die tot het christendom bekeerd was, deed zijn Nieuwe Testament in een zijden zakje en droeg het altijd daar. Zulke uiterlijke tekenen hebben wij niet nodig, maar laten we de Zaligmaker altijd daar hebben; laten we Hem om onze hals hangen als bescherming tegen alle kwaad. Zoek Zijn gezegend gezelschap; zet Hem als een ster op uw borst, tot uw eer en vreugde.
Nu ben ik klaar, maar ik moet nog een woord richten tot de onbekeerden. Sommigen kunnen zeggen: “Ik zal Christus altijd op mijn tong hebben.” Weg met een godsdienst van de tong! U moet Hem in uw hart hebben.
Ach, sommigen zeggen: “Ik hoop dat ik Christus in heel de eeuwigheid in mijn hart zal hebben.” U kunt Christus in de eeuwigheid niet hebben als u Hem in de tijd niet hebt. Als u Hem vandaag, in dit leven, veracht, zal Hij u morgen, in de toekomende wereld, verwerpen; en als Hij roept en u weigert, zult u op een dag roepen en zal Hij weigeren. Neem geen genoegen met alleen maar verlangens, beste vrienden; sommigen van u hebben verlangens en niets meer. Verlang niet alleen naar Christus, maar verkrijg Hem. Blijf niet staan bij de woorden: “Ik zou Hem graag in mijn hart hebben”; geef uw ogen geen slaap en uw oogleden geen sluimering, totdat u door een nederig geloof Christus hebt aangenomen als uw Al in al. Moge de Heere deze arme woorden zegenen, om Jezus’ wil.
Amen.
Preek nr. 558 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 6 maart 1864, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 10. Oorspronkelijke titel: “A Bundle of Myrrh”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.


