24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

De verdorde hand

De verdorde hand

“En ziet, er was een mens, die een dorre hand had…. Toen zeide Hij tot die mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.” Mattheus 12:10,13

Let wel op die uitdrukking. Jezus “kwam in hun synagoge. En ziet, er was een mens, die een dorre hand had.” Er wordt als het ware aan de kant een merk gezet om aan te wijzen dat wij met een merkwaardig feit te doen hebben. Dat woord ziet is een soort van uitroep om de aandacht te trekken. “En ziet, er was een mens, die een dorre hand had.” Als er in menige vergadering één van de groten en machtigen uit het land binnentrad, zouden de mensen zeggen: “Ziet, daar is een hertog, of een graaf of een baron.” Maar ofschoon er van tijd tot tijd ook wel enige groten waren in het gezelschap van onze Zaligmaker, vind ik geen uitroepen van verwondering over hun tegenwoordigheid, geen “ziet” door de evangelisten in de tekst ingelast, als om de aandacht op hun verschijning te vestigen. Als er in een samenkomst der gemeente iemand kwam, die bekend was om zijn grote geleerdheid en buitengewone schranderheid, iemand, die zich een grote naam had verworven, er is geen twijfel aan of er zouden lieden zijn, die zeiden: “Weet gij wel, dat professor Wetenschap of Doctor Klassiek ook onder de dienst tegenwoordig was?” Velen zouden daar ook een “ziet” bij plaatsen en dat lang in hun geheugen bewaren. Er kwamen ook wel geleerde personen, geleerd dan naar de maatstaf van die tijd, naar Christus luisteren, maar er wordt geen “ziet” geplaatst om de aandacht er op te vestigen, dat zij tegenwoordig waren. In de synagoge evenwel was een arme man, wiens hand verdord was. En nu worden wij opgeroepen om aan dat feit onze aandacht te schenken.

Het was zijn rechterhand die verdord was; voor hem nog wel het ergste, want nu kon hij moeilijk zijn handwerk uitoefenen of zijn brood verdienen. Zijn beste hand was niet te gebruiken, zijn broodwinnen machteloos. Ik twijfel er niet aan of hij was een zeer gering, onbeduidend persoon, iemand van lage staat, waarschijnlijk er zeer slecht aan toe en in grote armoede, omdat hij niet werken kon, zoals de andere lieden, die van zijn handwerk waren; hij zal ten minste wel geen man van aanzien, van geleerdheid of bijzondere scherpzinnigheid geweest zijn. Dat hij zich in de menigte bevond, was op zich zelf niets bijzonder merkwaardigs. Ik veronderstel, dat het zijn gewoonte was om naar de synagoge te gaan, evenals de andere lieden van zijn woonplaats. De Heilige Geest zorgt er evenwel voor op te merken, dat hij tegenwoordig was, en het woord “ziet” te laten plaatsen als een teken, als een uithangbord, ter aanwijzing, dat men er wel zijn bijzondere opmerkzaamheid aan mag wijden, dat die gebrekkige man daar was.

En hedenavond, waarde vrienden, doet het er zeer weinig toe voor de prediker of voor de vergadering, dat gij hier zijt, als gij een persoon zijt van aanzien of van een hoge rang; want wij maken hier geen ophef van grootwaardigheidsbekleders en hechten geen bijzonder gewicht aan iemand, wie hij ook zij, in deze plaats, waar rijken en armen samenkomen. Maar als gij hier zijt als een hongerende en dorstende ziel, die behoefte heeft aan een Zaligmaker; indien gij hier zijt met een geestelijk dorre hand, zodat gij niet kunt doen de dingen, die gij zou willen doen; en als het u dan daarbij er om te doen is, dat die hand gezond wordt, dan zal hierbij ook een “ziet” worden geplaatst. En voornamelijk zal daarop in dubbele mate de nadruk worden gevestigd, indien hedenavond de Meester tot u zegt: “Strek uw verdorde hand uit,” en de goddelijke macht aan die hand herstel zal schenken en er alzo een daad van genade zal zijn volbracht. Wat onze Heere juist op die Sabbatmorgen verlangde, was iemand, aan wie Hij Zijn werk kon verrichten, iemand, die Hij zou kunnen genezen, om aldus in tegenspraak te komen met de overgeleverde opvatting van de Farizeën, die zeiden dat het verkeerd was op de Sabbat te genezen. Christus had die morgen geen behoefte aan hun gezondheid. Hij zag uit naar krankheid om alzo Zijn macht ter genezing te kunnen openbaren. Hij had geen behoefte aan grootheid in enig mens, wie het ook mocht zijn; maar wel had Hij behoefte aan een arme hulpbehoevende, in wie Hij Zijn macht tot redding en behoudenis zou kunnen tentoonspreiden. En dat is ook hedenavond het geval. Indien gij rijk en verrijkt zijt, en aan geen ding gebrek hebt, heeft mijn Meester u niet nodig. Hij is een Geneesmeester. En zij, die de geneeskunde beoefenen, zien uit naar ziekte als het terrein van hun werkzaamheid. Indien wij aan een verstandige geneesheer een stad gingen noemen, waar niemand ziek was, maar iedereen een volmaakte gezondheid genoot zou hij zich daar niet gaan vestigen, tenzij hij zich uit zijn praktijk wenste terug te trekken. Mijn Meester komt niet in vergaderingen, waar allen zich volkomen over zich zelf voldaan gevoelen, waar geen blinde ogen, geen dove oren, geen gebroken harten, geen dorre handen zijn; want wat hebben zodanige lieden voor behoefte aan een Zaligmaker? Hij blikt rond en vestigt Zijn oog op moeite, op gebrek, op onbekwaamheid, op een zondige aard, op alles waarbij Hij ons ten goede kan werkzaam zijn; want wat Hij in ons stervelingen verlangt, is de gelegenheid om ons goed te doen. En niet een waan van onze zijde, dat wij Hem goed kunnen doen.

Ik begin hiermee, omdat mijn toespraak hedenavond zeer eenvoudig zal zijn en deze alleen diegenen onder u op het oog heeft, die behoefte hebben aan mijn Heere en Meester. Degenen onder u, die Hem niet van node hebben, kunnen gaan; maar wat u aangaat, die behoefte aan Hem hebt, het kan zijn, dat gij Hem hedenavond vindt; en in de hemel zullen worden opgetekend, niet degenen, alhier tegenwoordig, die zeiden: “Wij zien,” ook niet degenen, die zeiden: “Onze hand is sterk en geschikt voor de arbeid,” maar er zal een register zijn van blinden, die zeggen: “Gij, Zone Davids, open onze ogen,” en van verdorden, die deze avond hun dorre handen zullen uitstrekken in gehoorzaamheid aan Zijn goddelijk bevel. Het is mij niet bekend, dat onze gebrekkige vriend, toen hij die morgen naar de synagoge ging, verwachtte, dat zijn dorre hand genezen zou worden. Daar hij wellicht een vroom man was, ging hij derwaarts om te aanbidden, maar hij verkreeg meer dan hetgeen waarom hij daarheen ging. En het kan wel gebeuren, dat sommigen van u, die God deze avond wil zegenen, niet weten waarom gij hier gekomen zijt. Gij zijt gekomen, omdat gij om de een of andere reden de ordinantiën van Gods huis lief hebt en gij gevoelt u gelukkig, dat gij het evangelie hoort prediken. Gij hebt nog nimmer voor u zelf beslag gelegd op het evangelie, nog nooit zijn voorrechten en zegeningen als uw persoonlijk eigendom genoten, maar toch hunkert gij naar het beste wat er bestaat. Hedenavond echter mocht het uur eens aangebroken zijn; het uur, hetwelk de soevereine genade met een rode letter op de kalender der liefde heeft aangemerkt; het uur, in hetwelk uw dorre hand met kracht zal worden versterkt en uw zonden u zullen worden vergeven! Welk een zegen, indien gij van hier zult gaan om God te verheerlijken, omdat er een merkwaardig wonder der genade in u gewrocht is! God geve, dat het alzo moge geschieden door de kracht van de Heilige Geest! Ik smeek degenen onder u, die de Meester liefhebben, Hem te bidden, dat Hij thans bij velen wonderen mocht verrichten, en Hem zal zijn de eer en de lof.

I.

In de eerste plaats zullen wij het een en ander zeggen omtrent DE PERSOON, TOT WIE HET BEVEL IN ONZE TEKST GERICHT IS.

“Toen zei Jezus tot die mens: “Strek uw hand uit.”

Dit bevel werd gericht tot een mens, die ten enenmale onbekwaam was om te gehoorzamen. “Strek uw hand uit.” Ik weet niet of zijn arm verlamd was of alleen zijn hand. Wanneer er een volkomen verlamming, geen gedeeltelijke, in de hand heeft plaats gegrepen, tast deze, als een algemene regel, het gehele lid aan. En dan zijn beide de hand en de arm verlamd. Wij spreken gewoonlijk van deze man alsof het gehele lid verdord was. En toch zie ik noch bij Mattheüs, noch bij Markus of Lukas, een duidelijke uitspraak waaruit blijkt dat de gehele arm verdord was. Het schijnt mij eerder toe een geval te zijn geweest, waarbij de hand alleen was aangedaan. Niet ver van hier, velen zullen het wel weten, hadden wij vroeger een knaap, die dikwijls op de trede van de omnibus ging staan en zijn handen liet zien, die bij de armen neerhingen even alsof zij bij de pols gebroken waren, daarbij roepende: “Een arme jongen! Een arme jongen!” Om ons medelijden op te wekken. Ik stel mij voor, dat het geval, hetwelk ons bezig houdt, zo ongeveer aan het zijne gelijk geweest is. En dat alzo waarschijnlijk niet de arm, maar alleen de hand verdord was. Met beslistheid kunnen wij niet zeggen, dat er nog geen verdorring van de arm had plaats gehad, maar er valt toch wel op te merken, dat onze Heere niet zei: “Strek uw arm,” maar wel: “Strek uw hand uit,” zodat Hij wijst naar de hand als de plaats, waar de verlamming aanwezig was. Indien Hij gezegd had: “Strek uw arm uit,” zou het ons voorkomen, aangezien de tekst ons niet verklaart dat de arm verdord was, dat Christus hem beval te doen wat hij zeer wel doen kon. En dat er alzo in het geheel geen wonder plaats had. Maar andermaal Hij zegt: “Strek uw hand uit” is het duidelijk, dat het kwaad in de hand, zo niet in de arm was; hem werd alzo gelast te doen, wat hij met geen mogelijkheid doen kon, want de hand van de man was beslist dor. Het was geen voorgewende kwaal. Hij hield zich maar niet zo alsof hij lam was, maar hij was werkelijk onbekwaam. De hand had haar levenskracht verloren. De vochten, welke haar kracht verleenden, waren opgedroogd. En nu was zij niets meer dan een dor, droog, ongevoelig voorwerp, waarmee hij niets kon uitvoeren. En tot zulk een man sprak nu de Heere Jezus: “Strek uw hand uit.”

Het is voor ons van groot belang dit op te merken, omdat sommigen van u, onder een last van zonde gebukt gaande, menen, dat Christus geen werkelijke zondaren zalig maakt. Dat die mensen, welke Hij wel zalig maakt, in sommige opzichten niet zo geheel en al slecht zijn als gij; dat er niet zulk een alles doordringende kracht der zonde bij hen is als bij u, of zo die alles doordringende kracht er wel is, niet zulk een volslagen hopeloosheid en hulpeloosheid is als in uw geval. Gij gevoelt u geheel en al opgedroogd, en ten enenmale zonder kracht. Waarde hoorder, het is juist tot de zodanigen als gij zijt, dat de Heere Jezus Christus de bevelen van het evangelie richt. Ons wordt bevolen tot u te prediken, zeggende: “Gelooft”, of op andere tijden: “Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt,” of wel: “Gelooft in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden” – geboden, niet gericht, zoals sommigen zeggen, tot gevoelige zondaars, maar tot ongevoelige zondaars, tot onmachtige zondaars, tot zondaars, die, voor zover als de zedelijke bekwaamheid daarbij betrokken is, het gebod in het geheel niet kunnen gehoorzamen. De zodanigen wordt bevolen alzo te doen door Hem, Die in dit geval de man beval te doen wat hij van nature, uit en van zich zelf, met geen mogelijkheid doen kon. Want dit begrijpt gij wel, als hij zelf zijn hand kon uitstrekken, dan was er geen wonder nodig. En dan zou de hand van de man ook in het geheel niet dor zijn geweest. Maar het is duidelijk, dat hij zijn hand niet bewegen kon. En toch sprak de Zaligmaker hem toe alsof hij het wel kon doen; waarin ik een zinnebeeld zie van de wijze van spreken van het evangelie tot de zondaar; want het evangelie roept hem in al zijn ellende en onbekwaamheid toe: “Tot u, ja tot u, is het woord van deze zaligheid gezonden.” Deze onbekwaamheid en deze onmacht is echter niets anders dan het terrein, waarop de goddelijke macht kan werken. En omdat gij zo onbekwaam zijt, omdat gij ook zo onmachtig zijt, daarom komt het evangelie tot u, opdat de uitnemendheid der kracht mocht gezien worden als te wonen in het evangelie en in de Zaligmaker zelf en volstrekt niet in de persoon die zalig gemaakt wordt.

Het bevel alzo, hetwelk de genezing met zich bracht, werd gericht tot iemand, die ten enenmale onbekwaam was.

Maar, merkt hier wel op, het kwam tot iemand, die volkomen gewillig was, want deze man was volkomen bereid om te doen wat Jezus hem gebood. Indien gij hem er naar gevraagd had, zou gij geen blijken gevonden hebben van een begeerte om die verdorde hand terug te houden, van een wens dat zijn vingers levenloos en machteloos bleven. Als gij tot hem gezegd had: “Arme man, zou gij wel graag willen, dat uw hand weer genezen werd?” zouden de tranen hem in de ogen gesprongen zijn en hij zou geantwoord hebben: “Nu, of ik dat ook graag zou willen; dan kon ik ook zelf voor mijn lieve kinderen het brood verdienen, dan behoefde ik niet bedelende rond te lopen en altijd afhankelijk te zijn van de hulp van anderen, of alleen een hard stukje brood verdienen met deze mijn linkerhand. Meer dan enig ding zou ik wensen, dat mijn hand genezen werd.” Maar het ergste van vele onbekeerde mensen is, dat zij geen begeerte hebben om genezen te worden, dat zij geen behoefte aan herstel gevoelen. Zodra een mens waarlijk naar de zaligheid verlangt, is de zaligheid reeds tot hem gekomen. Maar de meesten van u koesteren niet de wens, gered en behouden te worden. “Wel zeker,” zegt gij, “zeker zouden wij gaarne zalig willen worden.” Ik geloof het toch niet; want wat bedoelt gij met dat zalig worden? Bedoelt gij er dit mee, dat gij bevrijd wordt van het gaan naar de hel? Dat wenst natuurlijk iedereen. Hebt gij wel ooit een dief ontmoet, die niet graag zou willen, dat hij vrijkwam uit de gevangenis of van opgepakt te worden door een politieagent? Maar wanneer wij spreken van de zaligheid, dan bedoelen wij daarmee, dat gij verlost wordt van de gewoonte om het verkeerde te doen, dat gij bevrijd wordt van de macht van het kwade, van de liefde tot de zonde, van de beoefening der dwaasheid. Van de macht, waardoor gij behagen vindt in de overtreding. Wenst gij verlost te worden van zonden, waaraan genietingen en winst verbonden zijn? Zoekt mij de dronkaard op, die in oprechtheid bidt om van de dronkenschap verlost te worden. Brengt mij een onkuise, die er hartelijk naar verlangt om tot de reinen te behoren. Spoort mij iemand op die de gewoonte heeft om te liegen en er toch naar verlangt om de waarheid te spreken. Voert tot mij een zelfzuchtige, die in oprechtheid van het hart zich zelf om zijn zelfzucht verfoeit en verlangt vol te zijn van liefde en aan Christus gelijk te worden gemaakt. Wel, zoals ik hier het geval stel, is de strijd al half gewonnen. De eerste stap is reeds gedaan. In de geestelijke wereld gaat de vergelijking door. Wat mij voor de geest staat is het geval van een ziel die begeert te zijn wat zij niet kan zijn. En te doen, wat zij niet kan doen, hoezeer zij het ook begeert. Ik bedoel de mens, die in de angst van zijn ziel uitroept: “Het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.” “Ik zou mij zo gaarne tot God willen bekeren, maar ik kan het niet. Mijn hart is aan een steen gelijk. Ik zou mijn liefde wel aan Christus willen schenken, maar helaas, ik gevoel, dat ik aan de wereld gekluisterd ben. Ik zou zo gaarne heilig willen leven, maar helaas, de zonde komt met geweld op mij aanstormen en voert mij weg.” Tot zulke mensen is het, dat het evangelie van Jezus Christus komt met de kracht van een bevel. Wilt gij gezond worden, mijn vriend? Dan kan het geschieden. Begeert gij verlost te worden van de zonde? Het kan gebeuren. Wenst gij vrijgemaakt te worden van de dienstbaarheid der verderfenis? Dat kan. En dit is de weg, langs welke gij verlost kunt worden: “Gelooft in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.” Zijn naam is Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. Hij is gekomen met het doel om dit te doen ten opzichte van werkelijke zondaars. Niet van hen die zich als zodanig uitgeven, want het is duidelijk, dat Hij geen mensen kan zalig maken van hun zonden, als zij ze niet hebben. Hij kan geen dorre handen genezen, als er geen dorre handen zijn, die genezen moeten worden. Hij komt tot u, die behoefte aan Hem hebt. Tot u, die schuldig zijt; tot u, wier handen verdord zijn. Juist tot u wordt dit heerlijke woord, deze blijde tijding uitgeroepen. God schenke u genade om er gelovig gehoor aan te verlenen en de kracht daarvan te gevoelen!

II.

In de tweede plaats wens ik te spreken over DE PERSOON, DIE HET BEVEL GAF. Het was Jezus, van Wie dit bevel kwam. Hij zei: “Strek uw hand uit.”

Sprak onze Heere alzo in onwetendheid, veronderstellende dat de man dit wel doen kon? In het geheel niet, want bij hem is een volheid van kennis. Hij had pas gelezen in het hart van de Farizeën. En gij kunt er u van verzekerd houden, dat Hij, Die in staat was om die spitsvondige geesten te doorzien, gewis de uitwendige toestand van deze kranke man in het oog kon vatten. Hij wist, dat de hand van de man verdord was. En toch zei hij: “Strek uw hand uit.” Wanneer ik in de Schrift het bevel lees: “Gelooft in de Heere Jezus Christus,” ben ik er zeker van, dat Jezus Christus weet wat Hij zegt. “Gaat heen” zegt Hij, in de gehele wereld, en predikt het evangelie aan alle creaturen.” Ja, aan alle creaturen. Sommigen van Zijn discipelen konden ook wel zo verbazend wijs geweest zijn, dat zij teruggekomen waren, en gezegd hadden: “Heere, was dat geen vergissing omtrent de personen? Waarom moeten wij toch tot alle creaturen prediken? Zijn niet sommigen van hen dood in de zonde? Wij zouden liever willen prediken tot hen, die geschikt zijn? Ik heb sommigen van Christus’ dienaren, althans naar hun belijdenis, horen zeggen, dat het gebod tot dode zondaars, dat zij moeten leven, van niet meer kracht en betekenis is dan dat men een zakdoek uitslaat boven de graven, waarin de doden begraven zijn. En dan heb ik hun daarop dit geantwoord: “Gij hebt volkomen gelijk. Doet het niet, want het is duidelijk, dat gij er niet toe geroepen zijt. Gaat maar naar huis en gaat maar naar bed. De Heere heeft u niet gezonden om iets van die aard te doen, want gij erkent, dat gij er geen waarde aan hecht.” Maar als mijn meester mij zond als de heraut der opstanding, en mij gelastte, een doek uit te slaan boven de graven der doden, ik zou het doen. En ik zou verwachten, dat die armzalige doek, waar Hij bevolen had, dat ik hem zou uitslaan, de doden zou opwekken; want Jezus Christus weet wat Hij doet, wanneer Hij Zijn dienaren zendt. Als Hij het niet is, Die ons zendt, dan is het inderdaad dwazenwerk, heen te gaan en te zeggen: “Gij doden, leeft!” Maar dat Hij het ons opdraagt, dat maakt al het verschil. Wij hebben tot de doden te zeggen: “Ontwaakt, en Christus zal over u lichten.” Hoe, eerst ontwaken, en daarna licht en leven ontvangen? Ik zal niet trachten zulks te verklaren, maar dat is de volgorde van de Schrift: “Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden, en Christus zal over u lichten.” Als mijn Meester het zo stelt, neem ik er volkomen genoegen mee om Zijn woorden zo aan te halen. Ik kan het niet verklaren, maar ik schep er behagen in met Hem te gaan op Zijn eigen weg, blindelings van stap tot stap Hem te volgen, en ieder woord van hem te geloven. Als Hij mij gebiedt om te zeggen: “Staat op uit de doden,” dan wil ik het nu gaarne doen. In de naam van Jezus, gij doden, leeft. Breekt, gij harde harten. Wordt week, gij harten van staal. Gelooft, gij ongelovigen. Grijpt Jezus aan, gij goddelozen. Als Hij door Zijn dienaren spreekt, zal dat woord van kracht zijn. Indien Hij niet door ons spreekt, dan doet het er weinig toe hoe wij spreken. Wel mocht de veroordelende broeder zeggen, dat er geen kracht of betekenis ligt in zijn bevel tot de doden, dat zij moeten opstaan, want Hij bekent daarmede, dat zijn Meester niet met Hem is. Laat hem daarom naar huis gaan, en wachten tot zijn Meester wel met hem is. Als zijn Meester met hem was, zou hij het woord van zijn Meester spreken, en dan zou hij er geen vrees voor hebben, dat men hem dwaas zou noemen. Het is de Heere Jezus Christus, die tot deze man met de dorre hand zegt: “Strek uw hand uit.”

Voor mij is het een lieflijke gedachte, dat Hij macht kan geven tot het doen van datgene, waartoe Hij het bevel geeft. Waarde ziel wanneer tot u het bevel komt om te geloven, en gij staat daar met tranen in de ogen en zegt: “Ach, ik kan het niet verstaan, en ik kan niet geloven.” Weet gij dan niet, dat Hij, Die u beveelt om te geloven, u ook macht zal geven om te geloven. Wanneer Hij door Zijn dienaren, of door Zijn Woord, of rechtstreeks door Zijn Geest tot uw consciëntie spreekt, is Hij, Die u beveelt dit te doen, geen bloot mens, maar de Zoon van God. En gij moet tot Hem zeggen: “Goede Heere, ik smeek u, geef mij nu het geloof, hetwelk gij van mij vraagt. Geef mij de boetvaardigheid, die Gij verlangt.” En Hij zal uw gebed verhoren en het geloof zal in u ontspringen.

Hebt gij nooit opgemerkt, waarde vrienden, op welke wijze Christus Zijn werk doet? Zijn wijze van doen is doorgaans deze: in de eerste plaats, het gebod te geven; daarna, het hart te bewerken om het gebod in een gebed te veranderen. En vervolgens, dat gebed met een belofte te beantwoorden. Neemt deze voorbeelden. De Heere zegt: “Maakt u een nieuw hart.” Dat is duidelijk een gebod. Straks blijkt u, dat de psalmist David in de een en vijftigste psalm zegt: “Schep in mij een rein hart, o God!” En wanneer gij u daarna naar Ezechiël wendt, hebt gij de belofte: “En Ik zal u een nieuw hart geven.” Eerst geeft Hij u een gebod, vervolgens zet Hij u aan om te bidden om de zegen, en daarna geeft Hij u die.

Neemt een ander voorbeeld. Het gebod is: “Wend u naar Mij toe, o huis Israëls, want waarom zou gij sterven?” Dan komt het gebed: “Heere, bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn;” en dan volgt de gezegende bekering, waarvan de apostel Paulus spreekt, wanneer hij zegt, dat God Zijn Zoon heeft gezonden om ons te zegenen, daarmee, dat Hij een iegelijk van ons afkeert van zijn boosheden.

Neemt nog een ander geval, dat betrekking heeft op de reiniging. De Heere komt tot ons met het gebod: “Zuivert uit de oude zuurdesem;” en aan de andere zijde lezen wij de bede: Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn;” waarbij weer de belofte kan worden gevoegd: “Van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.” Of neemt een ander voorschrift, van een andere meer liefelijke aard, betrekking hebbende op de christen. Voortdurend vindt gij het gebod om te zingen: “Lofzingt de Heere, lofzingt Zijn naam, zingt lof onze God, looft Hem.” Op een andere plaats treffen wij het gebed aan: “Open Gij mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.” En op een derde Schriftuurplaats hebben wij de goddelijke belofte: “Dit volk heb Ik Mij geformeerd: zij zullen Mijn lof vertellen.” Gij ziet alzo de wijze, waarop de Meester te werk gaat: Hij gebiedt u te geloven of u te bekeren; daarna drijft Hij u aan tot het gebed, dat gij in staat mocht worden gesteld zulks te doen. En vervolgens geeft Hij u de genade om dit te volbrengen, zodat de zegen werkelijk tot uw ziel komt. Want overal worden de bevelen van het evangelie door Christus zelf tot de harten van de mensen gericht. En deze, die ontvangende, bevinden, dat de bekwaamheid komt met het gebod.

“Maar Hij is niet hier,” zegt er een, “Hij is niet hier.” Voorwaar zeg ik u in Zijn naam, Hij is hier. Zijn woord is: “En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.” Totdat deze bedeling een einde zal hebben genomen, zal Christus zijn waar het evangelie gepredikt wordt. Waar de blijde boodschap van het heil eerlijk en naar waarheid met de Geest van God wordt overgebracht, daar is Jezus Christus zelf krachtdadig tegenwoordig, sprekende door de lippen van Zijn dienaren. Daarom, waarde ziel met de dorre hand, hedenavond zegt Jezus zelf tot u: “Strek uw hand uit.” Hij is tegenwoordig om te genezen. En Zijn methode is het om te bevelen. Hij geeft nu het bevel. O Geest der genade, vertegenwoordig U, opdat er mensen mogen gehoorzamen!

III.

Het wordt tijd om het een en ander te zeggen omtrent een ander punt. En wel omtrent HET GEBOD ZELF. Het gebod zelf was: “Strek uw hand uit.” Ik merk op aangaande dit gebod, dat het gaat tot de grond en het wezen van de zaak. Het is niet: “Wrijf uw rechterhand met uw linker; het is niet: “Vertoon uw hand aan de priester en laat hem er een ceremonie op verrichten;” het is niet: “Was uw hand;” maar het is: “Strek ze uit.” Dat was juist datgene wat hij niet doen kon. En alzo ging het gebod tot de wortel van het kwaad. Zodra de hand was uitgestrekt, was ze genezen. En het gebod ging rechtstreeks tot het beoogde doel.

Nu zegt mijn Heere en Meester hedenavond niet tot ulieden, die zondaars zijt: “Gaat naar huis en bidt.” Ik hoop, dat gij zult bidden, maar dat is niet het grote gebod van het evangelie. Het evangelie is : “Gelooft in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.” Toen Paulus daar stond in het holle van de nacht met de bevende stokbewaarder die nauwelijks zijn eigen vraag verstond, waar hij uitriep: “Lieve heren! Wat moet ik doen opdat ik zalig worde?” Toen moest Paulus ook, als hij de praktijk van sommigen had willen volgen, gezegd hebben: “Wij zullen maar eens bidden,” of: “Gij moet maar in huis gaan en in de Bijbel lezen. En dan zal ik u wel verder onderrichten, totdat gij in een betere toestand zijt.” Hij deed niets van die aard, maar op staande voet en zonder omwegen antwoordde Paulus: “Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.” Er wordt geen evangelie verkondigd als gij hier niet toe komt; want de zaligheid komt door het geloof en door niets minder dan het geloof. Dat is juist het moeilijke punt, zegt gij. Ja, en dit moeilijke punt wordt door het gebod geraakt, waar gezegd wordt: “Strek uw hand uit,” of in het geval van de zondaar: “Geloof in de Heere Jezus Christus.” Want bedenkt het wel, alles wat iemand van u ooit doet in de zaak van het eeuwige leven, hetwelk niet het geloof ten grondslag heeft, kan tenslotte niets anders zijn dan de poging van uw vleselijke natuur, en dat is de dood. Wat kan er uit de bewegingen van de dood anders voortkomen dan een nog diepere dood? De dood kan nooit het leven voortbrengen. Een gebed zonder geloof! Wat voor een gebed is dat? Het is het gebed van een mens die God niet gelooft. Kan een mens verwachten iets van de Heere te ontvangen, zo hij niet gelooft, dat God is, en dat Hij een beloner is dergenen die Hem naarstig zoeken? “Maar ik moet toch berouw hebben voordat ik geloof” zegt er een. Wat voor een berouw is dat, hetwelk God niet vertrouwt en niet in God gelooft? Een ongelovig berouw – is het niet een zelfzuchtige uitdrukking van spijt vanwege de straf, die men zich op de hals heeft gehaald? Het geloof moet gepaard gaan met ieder gebed en iedere daad van berouw, of zij kunnen Gode niet welgevallig zijn. En daarom moeten wij rechtstreeks op dit punt afgaan en geloof eisen, zeggende: “Gelooft en leeft;” “strek uw hand uit.”

Dat uitstrekken van de hand was geheel en al een daad van het geloof. Het was geen daad van het gevoel of van het verstand. Van nature toch was de man daartoe geheel en al niet in staat. Hij deed het alleen, doordien zijn geloof de bekwaamheid, het in staat zijn, aanbracht. Ik zeg dat het zuiver een daad van het geloof was, dat uitstrekken van de hand. “Dat versta ik toch niet,” zegt er iemand, “hoe een mens kan doen wat hij niet doen kan.” Gij zult echter nog wel een groot aantal andere wondervolle dingen leren verstaan, wanneer de Heere u onderricht; want het leven van de Christus is een reeks van paradoxen of schijnbare tegenstrijdigheden. En wat mij aangaat, ik twijfel aan een bevinding, als er niet iets paradoxaals in is. In ieder geval, ik ben er zeker van, dat het zo is – dat ik, die van mij zelf niets kan doen, alles kan doen door Christus, Die mij kracht geeft. De mens die Christus zoekt kan niets doen. En toch, als hij in Christus gelooft, kan hij alles doen, en zijn verdorde hand wordt uitgestrekt.

En niet alleen was het een daad van het geloof, maar, naar het mij toeschijnt, ook een daad van beslistheid. Daar zitten de hovaardige, de laatdunkende Farizeën. Uw verbeelding kan zich gemakkelijk die streng uitziende mannen voorstellen, met zomen aan hun klederen en gedenkcedels over hun voorhoofd. Daar ziet gij ook de Schriftgeleerden, allen uitgedost in hun indrukwekkend ambtsgewaad – zeer deftige en zeer kundige mannen. De lieden waren bijna bevreesd hen aan te zien, zo heilig waren zij, zo minachtend op anderen neerziende. Ziet, daar zitten zij, als rechters op de rechterstoel, om de Zaligmaker te beproeven. Nu kiest Christus als het ware deze arme man met zijn dorre hand uit om Zijn getuige te zijn. En door Zijn bevel komt Hij praktisch tot hem met de vraag wat hij wil doen – of hij de Farizeën of Jezus wil gehoorzamen. Het is verkeerd om op de Sabbatdag te genezen, zeggen de Farizeën. Wat zegt gij, gij daar met die dorre hand? Als gij het met de Farizeën eens zijt; natuurlijk, dan weigert gij om op de Sabbatdag genezen te worden. En dan strekt gij uw hand niet uit. Maar als gij met Jezus instemt, zult gij blij zijn genezen te worden, Sabbat of geen Sabbat. Ha! Ik zie het al, gij steekt uw hand uit en maakt u los van de tirannen, die uw hand dor zouden willen houden. De man stemde dus voor Christus, toen hij zijn hand uitstrekte. Menige ziel heeft vrede gevonden door ten laatste de hand uit te steken en te zeggen: “Zinken of zwemmen, verloren of behouden, ik houd mij aan Christus! Moet ik omkomen, ik klem mij aan de voet van Zijn kruis en tot Hem alleen wil ik opzien; want ik sta aan Zijn zijde of Hij Zich over mij erbarmen wil of niet.” Wanneer die daad van beslistheid volbracht is dan komt de genezing. Als gij uw hand voor Christus uitsteekt, zal Hij er een goede hand van maken, al is zij nu dan ook geheel verlamd en slap neerhangende, als iets waar alle leven uit is. Onwaardig als gij zijt. Hij heeft de macht, als gij uw hand voor Hem uitsteekt, er leven in te storten en u de zegen te schenken, die uw hart begeert.

Mij dunkt, ik hoor iemand zeggen: “Gij, prediker, zou mij niet te veel lof geven, indien gij zei dat het mijn wens is om gezaligd te worden. En wel gezaligd op Christus’ eigen manier; ik zou mijn ogen er wel voor willen geven om Hem lief te hebben.” Och, gij behoeft uw ogen niet te verliezen; geef Hem uw vertrouwen; geef Hem de ogen van uw ziel. Zie naar Hem en leef. “Och, dat ik toch kon worden gered,” zegt er een, “wat verlang ik er naar! Moge de Heilige Geest er u toe leiden om bij u zelf te besluiten, dat gij door niemand anders dan door Christus gered wilt worden. Dat gij mocht komen tot dit besluit:

Die in mijn plaats geleden heeft,

Die zal mijn Redder zijn,

Hij is het, die het leven geeft,

En andere hulp is schijn.

Als het die weg opgaat, dan twijfel ik er niet aan of gij zult, door het geloof in die Redder en Heelmeester, door de goddelijke almacht worden levend gemaakt en terstond genezing vinden.

IV.

Nu zal ik dan in de vierde plaats met u DE GEHOORZAAMHEID VAN DEZE MAN overwegen. Er wordt ons gezegd, dat hij zijn hand uitstrekte. Christus zei: “Strek uw hand uit.” Markus zegt: “En hij strekte ze uit.” Merkt nu op> dat deze man niet iets anders deed, iets waaraan hij de voorkeur gaf boven hetgeen Jezus beval. Vele ontwaakte zondaars zijn evenwel dwaas genoeg om buiten het aangewezen middel allerlei andere middelen te beproeven. Christus zei: “Strek uw hand uit,” en hij deed alzo. Indien de man, in plaats van dat te doen, door de synagoge gestapt was en zich vóór Christus had geplaatst, zou de Meester gezegd hebben: “Dat heb Ik u niet gezegd, dat gij zo iets doen zou. Ik heb u gezegd dat gij uw hand zou uitstrekken.” Verondersteld, dat hij dan begonnen was met zijn linkerhand de rol van de wet te grijpen, die daar in de synagoge stond en dat hij ze uit eerbied gekust had. Zou dat gebaat hebben? De Meester zou nogmaals gezegd hebben: “Ik heb u gezegd, dat gij uw hand zou uitstrekken.” Helaas! Er zijn vele, vele zielen die zeggen: “Er wordt ons gezegd, dat wij ons vertrouwen op Jezus moeten stellen; maar in plaats daarvan zullen wij geregeld van de middelen der genade gebruik maken.” Wel zeker, doet dat; maar niet om zulks in de plaats te stellen van het geloof anders wordt het een ijdel vertrouwen. Het gebod is: “Gelooft en gij zult leven;” houdt u daaraan, wat gij dan ook anders doet. Een ander zegt: “Ik zal goede boeken gaan lezen, misschien zal het op die manier met mij terechtkomen.” Wel zeker, lees de goede boeken maar, maar dat is het evangelie niet; het evangelie is: “Gelooft in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.” Veronderstelt, dat een geneesheer een patiënt onder zijn hoede heeft, tot wie hij zegt: “Gij moet ‘s morgens een bad nemen; dat zal u van zeer grote dienst zijn en zeer heilzaam werken met het oog op uw kwaal.” Maar de man neemt ‘s morgens een kop thee in plaats van het bad en zegt: “Ik twijfel er niet aan of dat is even goed.” Nu komt de dokter weer, en hij vraagt: “Hebt gij mijn voorschrift opgevolgd?” “Neen.” “Dan verwacht gij natuurlijk niet, dat wat ik u gezegd heb goede gevolgen zal hebben, anders zou gij mijn raad niet in de wind geslagen hebben.” In de praktijk zeggen evenzo degenen, die om de zaligheid van hun ziel bekommerd zijn, tot Jezus Christus: “Heere, Gij hebt mij geboden, dat ik op U zou vertrouwen; maar ik zou liever wat anders willen doen. Heere, ik heb liever verschrikkelijke overtuigingen; ik wil liever voor de mond der hel geworpen worden; ik word liever verontrust, benauwd en beangst.” Ja, zo is het, gij wilt alles behalve wat Christus u heeft voorgeschreven, namelijk, dat gij Hem eenvoudig uw vertrouwen moet schenken. Hetzij gij een zeker gevoel hebt, al of niet, gij moet komen en u gans en al op Hem verlaten, opdat Hij u zalig make en Hij alleen. “Maar gij verklaart u toch niet tegen het bidden, tegen het lezen van goede boeken en dergelijke dingen meer?” Met geen enkel woord verklaar ik mij tegen één van die dingen, evenmin als ik er mij tegen verklaren zou, zo ik de geneesheer was, van wie ik zo even sprak, dat mijn patiënt een kop thee ging drinken. Laat hem maar thee drinken; maar laat hem geen thee drinken in plaats van het bad te nemen, dat ik hem heb voorgeschreven. Laat de man dus maar bidden, hoe meer hoe beter. Laat de man de Schriften onderzoeken; maar bedenkt het wel, zo deze dingen in de plaats gesteld worden van het eenvoudige geloof in Christus, zal de ziel in het verderf storten. Laat mij u een paar teksten voorhouden: “Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben,” en: “gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven zou hebben.” Namelijk, waar het leven is – in Christus; niet in het onderzoeken van de Schriften, hoe goed het onderzoek der Schriften ook is. Al stellen wij ook gouden afgoden in de plaats van Christus, zulke afgoden moeten even goed verbroken worden, als waren zij afgoden van slijk- of drekgoden. Het doet er niet toe hoe goed een handeling is. Als het niet is wat Christus u beveelt, zult gij er niet door gered worden. “Strek uw hand uit,” zegt Hij; dat was de weg, langs welke de genezing komen moest; de man deed niets anders; en hij ontving het genadeloon.

Merkt op, dat hij geen vragen of bedenkingen opwierp. De man had anders aanleiding en gelegenheid genoeg om zulks te doen. Mij dunkt, er was wel enige grond te vinden, waarom hij had kunnen opstaan om te zeggen: “Maar goede Meester, dat is toch ongerijmd. Gij zegt daar tot mij: “Strek uw hand uit.” Nu weet Gij toch wel, dat als ik mijn hand kan uitstrekken, mij niets deert, en derhalve is er geen ruimte voor Uw wonder. En als ik mijn hand niet kan uitstrekken, hoe kunt Gij dan tot mij zeggen dat ik het doen moet?” Hebt gij nooit sommigen van onze vrienden, die er behagen in scheppen om een spel te maken van heilige dingen en de spot te drijven met onze leerstukken der genade, horen verklaren, dat wij leren: “Gij kunt, en gij kunt niet; gij zult en gij zult niet?” Hun beschrijving is zuiver genoeg, ofschoon de bedoeling is om ons in een bespottelijk daglicht te stellen. Wij verzetten er ons niet tegen dat zij zulk een voorstelling van de zaken geven, als hun dat belieft. Wij leren paradoxen en tegenstrijdigheden voor het oog, als gij alleen op de letter acht geeft. Maar als gij in de geest doordringt, dan wordt, binnen deze tegenstrijdigheden besloten, de eeuwige waarheid gevonden. Wij weten, dat de mens dood is in de zonden en misdaden; geestelijk en zedelijk in een toestand van verstijving, uit welke hij zich zelf niet kan opheffen. En toch zeggen wij, op bevel van onze Meester: “Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten.” Of, met andere woorden, wij zeggen tot de verdorde hand: “Strek u uit,” en het geschiedt. De gezegende uitwerking rechtvaardigt die leer, welke in zich zelf zoveel aanleiding schijnt te geven tot stekelige opmerkingen.

Merkt verder op, dat wat de man deed was, dat hij, nadat het bevel daartoe aan hem gegeven was, zijn hand uitstrekte. Als gij hem gevraagd had: “Hebt gij uw hand uitgestrekt?” zou hij misschien gezegd hebben: “Natuurlijk. Geen mens anders.” “Maar wacht eens even, mijn goede vriend. Hebt gij uit u zelf uw hand uitgestrekt?” “O neen,” zou hij zeggen, “te voren heb ik dat menigmaal beproefd en toen kon ik het niet, maar deze keer deed ik het.” “Maar hoe kwam dat dan, dat gij nu in staat waart het te doen?” “Jezus zei tot mij, dat ik het doen zou. En ik was gewillig en het gebeurde.” Ik verwacht niet, dat hij de reden of de oorzaak daarvan kon verklaren en misschien kunnen wij dat ook niet. Het moet inderdaad een zeer schoon gezicht zijn geweest, die arme, dorre, verschrompelde, machteloze hand eerst neerhangende en dan uitgestrekt te zien, en dat voor het oog van al het volk midden in de synagoge. Ziet gij niet, dat het bloed begint te vloeien, dat de zenuwen weer kracht krijgen en dat de hand als een ontluikende bloem opengaat? O, wat zal er een vreugde geblonken hebben in zijn schitterende ogen, toen hij deze voor het eerst op zijn vingers kon richten om te zien of ze wel werkelijk alle weer levend waren! Daarna zal hij zich wel hebben omgekeerd, hebben opgezien naar die Gezegende, Die hem genezen had en zich begerig hebben getoond om aan Zijn voeten neer te vallen en Hem al de lof te geven. Evenzo kunnen wij de bekering, en de wederbaring, en de nieuwe geboorte niet verklaren; maar dit weten wij, dat Jezus Christus zegt: “Gelooft” en wij geloven. Door onze eigen kracht? Neen. Maar daar bij ons de wil is om te geloven (en Hij geeft ons die wil), komt er ook een macht tot het doen naar Zijn welbehagen.

Ik zie om mij heen, benieuwd waar hedenavond de man met de dorre hand of de vrouw met de dorre hand is. Tot dezulken zou ik wel in de naam van mijn Meester willen zeggen: “Strekt uw hand uit.” Het is een gunstig ogenblik. U zal iets groots geschieden. Gelooft dan nu. Te voren hebt gij wel gezegd: “Ik kan nooit geloven.” Stelt nochtans nu uw vertrouwen op Jezus. Zinken of zwemmen, vertrouwt u aan Hem toe.

Waagt het op Hem, waagt het geheel,

Geen ander steunsel zij uw deel,

Want Jezus slechts, schept gij dus moed,

Doet hulpeloze zondaars goed.

Onze Heere Jezus verwerpt nooit een zondaar die op Hem vertrouwt. O, ik zou het wel zo willen stellen: als gij niet gevoelt dat gij tot Christus kunt komen of behoort te komen, naardien gij zo onwaardig zijt, sluip dan naar binnen; sluip dan in Zijn huis der genade juist zoals gij wel eens ziet van een hongerige hond, die binnensluipt waar iets valt te eten. De slager zal hem dan licht een schop willen geven als hij ziet, dat het dier een been te pakken heeft; maar de hond maakt dat hij er mee weg komt en hij geeft het niet weer af. Deze heerlijke zaak kan ik van mijn Meester zeggen: Als gij maar één kruimeltje van onder Zijn tafel vandaan kunt krijgen dan neemt Hij u dat niet weer af, want die tot Hem komen werpt Hij geenszins uit. Hoe zij dan ook komen, Hij zendt ze niet weer weg en neemt de zegen ook niet weer terug. Nooit zal Hij zeggen: “Gij moet hier niet wezen, want gij hebt geen recht om op Mijn genade te hopen.” Denk aan de vrouw in het gedrang die niet tot Christus durfde komen, zó dat Zijn gezicht op haar gericht was, maar van achteren tot Hem kwam en de zoom van zijn kleed aanraakte. Zij ontstal Hem als het ware de genezing, of het met of tegen Zijn wil was. En wat zei Hij toen: “Kom hier vrouw, kom eens hier, wat hebt gij uitgevoerd? Wat recht had gij om mijn kleed aan te raken en Mij zo een genezing te ontstelen? Er zal een vloek over u komen.” Heeft Hij alzo in verontwaardiging gesproken? Geenszins; in genen dele. Hij liet haar tot Zich komen. En zij zei Hem al de waarheid, waarop Hij haar deze woorden liet horen: “Dochter! Wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden.” Naar Hem heen, gij ziel! Van achteren of van voren, zie, dat gij een aanraking van Hem machtig wordt! Dring en werk u naar Hem toe. Als er een heirleger van duivelen is tussen u en Christus, baan u vastberaden door het geloof een weg door hen heen. Al zijt gij ook de onwaardigste ellendeling. die ooit zijn vertrouwen op Hem gesteld heeft, vertrouw u aan Hem toe, opdat het in de hemel mocht worden gezegd, dat er heden een snoder zondaar is gered dan ooit te voren het geval geweest is. Zulk een redding zal Christus heerlijker maken dan Hij ooit was. En als het geval met u erger is dan Hij tot op dezen dag ooit met zijn genezende hand heeft aangeraakt, welnu, dan zal er, wanneer Hij u heeft aangeraakt en genezen, zoals Hij zeker doen zal, meer lof voor Hem in de hemel zijn dan Hij ooit te voren ontving. O ziel! Hoezeer wenste ik bij machte te zijn u te overreden om u tot Hem te wenden. Mijn Meester evenwel kan zulks doen. Moge Hij u door Zijn grote genade tot Zich trekken!

V.

De laatste zaak, welke wij hebben te overwegen, is DE UITKOMST VAN DIT UITSTREKKEN VAN ‘S MANS HAND IN GEHOORZAAMHEID AAN HET BEVEL. Hij werd genezen.

Ik heb reeds getracht u het feit voor ogen te stellen dat de genezing voor iedereen openbaar was; zij was ook een onmiddellijke. De man moest daar niet een geruime tijd staan, maar zijn hand werd terstond genezen. En toch was de genezing volkomen, want zijn hand was gezond, even gezond als de andere, even goed tot zijn wil als de linkerhand altijd geweest was. En dan nog daarbij die meerdere geoefendheid bezittende, welke van nature het deel van de rechterhand is. Zij was volmaakt genezen, ofschoon zij genezen was in een ogenblik. Gij kunt er ook gerust op rekenen dat zij ook voor goed genezen was. Want, ofschoon ik heb horen zeggen, dat geredde zielen wel eens van de genade vervallen en omkomen, heb ik er nooit geloof aan gehecht, want ik heb nooit gelezen van één van de gevallen, waarin onze Heere genezing aanbracht, dat er weer een terugkeer tot de vroegere toestand plaats had. Ik heb nog nooit gehoord van een verdorde hand, die genezen en naderhand voor de tweede maal weer verlamd werd. En dat zal ook nooit geschieden. De genezingen van mijn Meester duren tot in eeuwigheid. Het zijn geen genezingen voor een ogenblik, maar wel ogenblikkelijke genezingen. Ik ben bevreesd, dat de zaligheid van sommige mensen of wat zij dan hun zaligheid noemen, een zaligheid is voor een ogenblik. Zij krijgen een soort van genade en verliezen deze ook weer. Zij krijgen vrede, die over een tijd ook weer weg is. Datgene, waaraan behoefte bestaat, is duurzaamheid. En er is altijd duurzaamheid in het werk van Christus. De genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk en Zijn genezing wordt nooit weer ongedaan gemaakt. O ziel! Ziet gij dan nu, wat op dit ogenblik bij Jezus te verkrijgen is? Levenslange genezing; bevrijding van de verdorrende macht der zonde, het leven en de eeuwigheid door. Dit is te verkrijgen door een blijmoedige gehoorzaamheid aan het weergaloze gebod: “Strek uw hand uit,” of, met andere woorden: “Vertrouw u aan Hem toe.” Pas enige dagen geleden sprak ik met iemand, die zei, dat Hij aan Christus zijn vertrouwen niet kon schenken, waarop ik antwoordde: “Maar waarde vriend, kunt gij mij dan wel vertrouwen?” Ja, mij kon hij zijn vertrouwen wel schenken. “Waarom kunt gij mij wel vertrouwen, en de Heere Jezus niet? Ik zal het anders stellen. Als gij tot mij zei, dat gij mij niet vertrouwen kunt, wat zou dat in hebben?” “Wel,” zei hij, “daar zou ik natuurlijk zoveel mee te kennen geven als dat ik u voor een slechte man houd als ik dat zei, dat ik u niet vertrouw.” “Welnu,” zei ik, “dat is het juist wat gij te kennen geeft, wanneer gij zegt, dat gij Jezus niet kunt vertrouwen. Want die niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt. Wilt gij dan zeggen, dat God een leugenaar is?” De persoon, tot wie ik sprak, deinsde voor die gevolgtrekking verschrikt terug en zei: “Neen, ik ben er zeker van, dat God waarachtig is.” Welnu dan, gij kunt iemand, die waarachtig is, toch zeker wel vertrouwen? Daar kan toch geen moeilijkheid in gelegen zijn; iemand vertrouwen en zich geheel op iemand verlaten, aan wiens waarachtigheid gij niet kunt twijfelen moet volgen als een zaak, die van zelf spreekt, uit de goede gedachte, die gij over hem hebt. Uw gedachte, dat hij waarachtig is, is een soort van geloof. Vertrouwt u dan geheel aan God in Christus toe. Zoals ik met het ganse gewicht van mijn lichaam op deze balustrade leun, leunt gij alzo op de genade van God in Christus Jezus. Dat is geloof. Als Gods genade in Christus u niet kan behouden, dan zijt gij verloren. Maakt ze tot uw enige hoop en vertrouwen. Gelijk een mens zich met zijn ganse gewicht op zijn bed werpt, werpt gij u alzo zonder enig voorbehoud op de goddelijke liefde, welke in Jezus gezien werd en nog in Hem gezien wordt. Als gij dit doet, zult gij gered en behouden worden. En dan bedoel ik hiermee niet alleen, dat gij van de hel gered zult worden; want de macht van het geloof, in u werkende door God de Heilige Geest, zal u ook redden van de liefde tot de zonde. Zo gij de schuldvergeving hebt ontvangen, zult gij van nu aan ook Hem liefhebben, Die u de schuld vergeven heeft en gij zult een nieuw levensbeginsel ontvangen, dat sterk genoeg zal zijn om de banden van uw oude gewoonten te verbreken, zodat gij zult opstaan in een rein en heilig leven. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn. En vrij zult gij terstond zijn, zo gij Hem uw vertrouwen schenkt. De Heere schenke Zijn zegen, om Christus’ wil. AMEN.

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend