De twee talenten

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 31 januari 1858 door C. H. Spurgeon in de Music Hall, Royal Surrey Gardens te Londen.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen. Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren Mattheüs 25:22-23.

Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende.” Alles wat mensen hebben, moeten zij herleiden tot de grote Fontein, de Gever van alle goed. Hebt u talenten? Ze zijn u geschonken door de God van de talenten. Hebt u tijd? Hebt u rijkdom, invloed, macht? Hebt u de gave van het woord? Hebt u de gave van het denken? Bent u dichter, staatsman of geleerde? Welke positie u ook bekleedt en welke gaven u ook hebt, bedenk dat ze niet van u zijn, maar dat ze u van boven in bruikleen zijn gegeven. Niemand bezit iets wat hij zijn eigen kan noemen, behalve zijn zonden. Wij zijn slechts pachters die de Eigenaar elk ogenblik kan wegzenden. God heeft ons op Zijn landgoederen gezet en tot ons gezegd: “Doet handeling, totdat ik kome.”

Al draagt onze wijngaard nog zoveel vruchten, de wijngaard behoort toch aan de Koning; en al mogen wij de honderd als ons loon nemen, koning Salomo moet zijn duizend hebben. Alle eer van onze bekwaamheid en van het gebruik ervan komt God toe, want Hij is de Gever. De gelijkenis zegt ons dit met grote nadruk, want zij laat ieder erkennen dat zijn talenten van de Heere komen. Zelfs de man die in de aarde groef en het geld van zijn heer verborg, ontkende niet dat zijn talent aan zijn meester toebehoorde. Want hoewel zijn antwoord “zie, gij hebt het uwe” uiterst onbeschaamd was, ontkende hij dit feit niet. Zo was zelfs deze man verder dan zij die hun verplichtingen tegenover God ontkennen. Zij schudden hooghartig het hoofd zodra er maar over gehoorzaamheid aan hun Schepper gesproken wordt, en besteden hun tijd en hun krachten liever aan opstand tegen Hem dan aan de dienst van Hem. Och, waren wij allen maar zo wijs dat wij deze meest voor de hand liggende van alle waarheden geloofden en ernaar handelden: dat wij alles wat wij hebben, van de Allerhoogste hebben ontvangen.

Nu zijn er mensen in de wereld die maar weinig talenten hebben. Onze gelijkenis zegt: “En den ene gaf hij vijf talenten, en den anderen twee.” Tot hen wil ik mij vanmorgen richten, en ik bid dat de enkele scherpe opmerkingen die ik zal maken, door God gezegend mogen worden tot hun stichting of hun bestraffing. In de eerste plaats wijs ik op het feit dat er veel mensen zijn die maar weinig talenten hebben, en ik zal proberen te verklaren waarom God hun er maar weinig heeft toebedeeld. In de tweede plaats herinner ik hen eraan dat zij ook van die weinige talenten rekenschap zullen moeten afleggen. En ten slotte besluit ik met de troostrijke opmerking dat, als onze weinige talenten op de juiste manier worden gebruikt, noch ons eigen geweten noch het oordeel van onze Meester ons zal veroordelen omdat wij er niet meer hadden.

1. GOD HEEFT SOMMIGE MENSEN SLECHTS MET WEINIGE TALENTEN BEGIFTIGD. U hoort mensen heel vaak over elkaar spreken alsof God helemaal geen verschil in verstandelijke vermogens heeft gemaakt. Iemand heeft veel succes. En hij denkt dat iedereen die net zo vlijtig en volhardend was geweest als hij, ook even succesvol zou zijn geworden. U zult vaak kritiek horen op predikanten die godvrezende en ernstige mannen zijn, maar toevallig niet veel aantrekkingskracht hebben. Men noemt hen dan klaplopers en luiaards, omdat zij in de wereld niet veel opschudding kunnen veroorzaken. Terwijl de oorzaak kan zijn dat zij maar weinig talent hebben, maar van dat weinige het best mogelijke gebruik maken. Daarom zouden zij niet berispt moeten worden om het geringe dat zij tot stand kunnen brengen. Het is een feit dat iedereen kan zien: al bij onze geboorte is er verschil.

Niet alle kinderen zijn even vroeg wijs. En zeker niet alle mensen zijn even bekwaam om te leren of te onderwijzen. God heeft opvallende en wonderlijke verschillen gemaakt. Wij moeten niet denken dat al het verschil tussen een Milton en een man die leeft en sterft zonder te kunnen lezen, alleen door opvoeding is ontstaan. Er was ongetwijfeld van oorsprong al een verschil. En hoewel opvoeding veel vermag, kan zij niet alles. Vruchtbare grond die goed bewerkt wordt, zal noodzakelijk meer opbrengen dan het best bewerkte land waarvan de bodem hard en onvruchtbaar is. God heeft grote en duidelijke verschillen gemaakt. In de omgang met onze medemensen moeten wij hieraan denken, opdat wij geen harde woorden spreken over juist die mensen tot wie God later zal zeggen: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht.”

Maar waarom heeft God niet aan alle mensen gelijke talenten gegeven? Mijn eerste antwoord is: omdat God vrijmachtig is en Hij, van al Zijn eigenschappen, na Zijn liefde het liefst Zijn vrijmacht toont. De Heere God wil dat de mensen weten dat Hij het recht heeft te doen met het Zijne wat Hij wil. Daarom schenkt Hij de zaligheid aan sommigen en niet aan anderen. En Zijn enige antwoord op een beschuldiging van onrechtvaardigheid is: “Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?” De worm moet niet morren omdat God hem geen engel heeft gemaakt. En de vis die in de zee zwemt, moet niet klagen dat hij geen vleugels heeft om tot in de hoogste hemel te vliegen. God had het recht Zijn schepselen precies zo te maken als het Hem behaagde. En al betwisten de mensen Hem dat recht, Hij zal het ongeschonden handhaven tegenover ieder die het aanvecht.

Om dit recht te beschermen en de ijdele mens het te laten erkennen, herinnert Hij ons in al Zijn gaven voortdurend aan Zijn vrijmacht. “Aan deze mens,” zegt Hij, “zal Ik zo’n scherp verstand geven dat hij alle geheimen zal doorgronden. Een ander zal Ik zo traag van begrip maken dat hij nooit verder komt dan de eenvoudigste beginselen van kennis. De ene mens zal Ik zo’n rijke verbeeldingskracht geven dat hij bergen van beeldspraak op elkaar stapelt, totdat zijn taal tot de hemelse majesteit lijkt te reiken. En aan een ander zal Ik zo’n nuchtere geest geven dat er nooit een dichterlijke gedachte in hem zal opkomen.” Waarom dit, o God? Het antwoord luidt: “Is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil?” “Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, … zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen.” Zo staat er ook over de mensen geschreven dat de een groter zal zijn dan de ander. De een zal zijn nek buigen. En de ander zal er zijn voet op zetten. Want de Heere heeft het recht te beschikken over plaatsen en gaven, over talenten en rijkdom, zoals het goed is in Zijn ogen.

De meeste mensen nemen hier geen genoegen mee. Maar let op: wat u in God afkeurt, is juist wat u in uzelf liefhebt. Iedereen voelt graag dat hij het recht heeft met het zijne te doen wat hij wil. Wij zijn allemaal graag kleine vorsten. U geeft uw geld gewillig en royaal aan de armen. Maar als iemand zo onbeschaamd was te beweren dat hij recht had op uw liefdadigheid, zou u het hem dan geven? Zeker niet! En wie zal daarom de grootheid van uw vrijgevigheid in twijfel trekken? Het is net als in de gelijkenis in een van de Evangeliën: nadat de arbeiders hadden gewerkt, sommigen twaalf uur, anderen zes en weer anderen maar één uur, gaf de heer ieder een penning. O, ik zou nederig mijn hoofd willen buigen en zeggen: “Heere, hebt U mij één talent gegeven? Dan loof ik U ervoor, en ik bid U: schenk mij de genade om het goed te gebruiken. Hebt U mijn broeder tien talenten gegeven? Ik dank U voor de grootheid van Uw goedheid jegens hem. Maar ik benijd hem niet en ik beklaag mij niet over U.” O, mochten wij een geest hebben die altijd buigt voor de vrijmacht van God!

Verder: God geeft de een vijf en de ander twee talenten, omdat de Schepper van verscheidenheid houdt. Men heeft gezegd dat orde de eerste wet van de hemel is; dan is verscheidenheid zeker de tweede, want in al Gods werken heerst de mooiste afwisseling. Kijk ‘s nachts omhoog naar de hemel: niet alle sterren schitteren even helder. En ze staan ook niet in rechte rijen, zoals de lantaarns in onze straten. Kijk dan naar beneden. Zie hoeveel verschil er is in de plantenwereld, van de ceder op de Libanon tot de hysop aan de muur, of het nog kleinere mos. Zie, van de reusachtige mammoetboom, onder wiens takken een heel leger schaduw zou kunnen vinden, tot het nietige korstmos. God heeft alles wonderschoon gemaakt, maar alles is vol verscheidenheid. Neem welke boom u maar wilt: geen twee bladeren zijn precies gelijk.

Zie hoe zelfs de kleine knopjes die op dit moment openbarsten bij de geur van de naderende lente, van elkaar verschillen; er zijn er geen twee gelijk. Kijk dan naar de dierenwereld. God heeft niet alle dieren gelijk geschapen. Hoe groot is het verschil tussen de kolossale olifant en het konijn dat zich in de rots ingraaft, tussen de walvis die met de slagen van zijn staart de diepte doet schuimen en het stekelbaarsje dat door de beek schiet! God heeft alle schepselen verschillend gemaakt, en overal zien wij verscheidenheid. Ik twijfel er niet aan dat het zelfs in de hemel zo is, want daar zijn tronen, heerschappijen, overheden en machten: verschillende rangen engelen, misschien rij boven rij. “De ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.” En waarom zou dezelfde regel niet ook voor de mensen gelden? Giet God ons allemaal in dezelfde vorm? Het lijkt van niet. Want Hij heeft onze gezichten niet gelijk gemaakt.

Er zijn geen twee gezichten die precies hetzelfde zijn; is er al enige gelijkenis, er is toch duidelijk verschil. Zouden dan de geesten van mensen gelijk zijn? Zouden alle zielen naar hetzelfde model gemaakt zijn? Zou Gods schepping verschrompelen tot een grote fabriek, waarin alles in hetzelfde vuur gesmolten en in dezelfde vorm gegoten wordt? Nee, omwille van de verscheidenheid wil Hij dat de ene mens een beroemde David is. En een ander Davids onbekende wapendrager. Hij wil dat de een een Jeremia is, die profeteert. En een ander een Baruch, die de profetie alleen voorleest. De een zal rijk zijn zoals de rijke man, een ander arm zoals Lazarus. De een zal spreken met een stem als de donder. Een ander zal stom zijn. De een zal machtig zijn in woord en leer. Een ander zal zwak zijn in het spreken en traag in het vinden van woorden. God wil verscheidenheid. En de dag zal komen dat wij, neerziend op de wereld, zullen zien dat de schoonheid van haar geschiedenis voor een groot deel te danken is aan de verscheidenheid van de karakters die erin een rol speelden.

Maar laten wij een stap verder gaan. God heeft hiervoor een diepere reden. God geeft sommige mensen maar weinig talenten, omdat Hij veel kleine werkkringen heeft die Hij vervuld wil zien. Daar is de grote oceaan; die heeft bewoners nodig. O Heere, U hebt de Leviathan gemaakt om daarin te zwemmen. Ver weg in de diepte van de zee is een verborgen grot, een verscholen spelonk. De ingang ervan is maar klein. Als er niets anders was dan de Leviathan, zou zij voor altijd onbewoond blijven. Maar er is een klein visje geschapen. En voor dat visje wordt die kleine plaats een oceaan. Er zijn duizenden takjes en twijgjes aan de bomen in het woud. Als alle vogels adelaars waren, hoe zou het woud dan vrolijk worden van gezang? En hoe zou elk twijgje zijn zanger kunnen dragen? Maar omdat God wilde dat elk twijgje zijn eigen muziek had, heeft Hij de kleine zanger gemaakt om erop te zitten. Elke werkkring moet bewoond worden door een schepsel dat bij de grootte ervan past. God handelt altijd spaarzaam.

Heeft Hij een man bestemd om herder en leraar te zijn van een kleine gemeente van misschien vier- of vijfhonderd zielen? Wat heeft het dan voor zin hem de gaven van een apostel te geven? Heeft Hij een vrouw bestemd om de nederige onderwijzeres van haar eigen kinderen thuis te zijn, de stille opvoedster van haar eigen gezin? Zou het haar dan niet zelfs verontrusten en schaden als God haar een dichteres had gemaakt, met gaven die een heel volk in vuur en vlam konden zetten? Juist haar geringe talenten maken haar tot op zekere hoogte geschikt voor haar kleine werkkring. Daar is een jongeman die heel goed kan helpen op een armenschool. Had hij een hoger genie, dan zou hij dat werk misschien beneden zich achten. En dan zou de armenschool haar uitstekende onderwijzer missen. Er zijn kleine werkkringen. En God wil kleine mensen hebben om ze te vervullen. Er zijn ook posten met een gewichtige verantwoordelijkheid. En er zullen mannen gevonden worden met de moed en de kracht die voor die arbeid nodig zijn. Hij heeft een beeld gemaakt voor elke nis en een schilderij voor elk deel van de galerij. Geen plaats zal leeg blijven. Maar omdat sommige nissen klein zijn, zijn ook de beeldjes die erin staan klein. Aan sommigen geeft Hij twee talenten, omdat twee genoeg zijn en vijf te veel zouden zijn.

Nog eens: God geeft mensen twee talenten, omdat Hij juist in hen vaak de grootheid van Zijn genade toont in het behouden van zielen. U hebt een predikant gehoord die diep in de heilige wetenschap was doorgedrongen. Zijn wijsheid was diep en zijn spreken bevallig. Onder zijn prediking werden velen bekeerd. Maar hebt u nooit horen beweren, niet met zoveel woorden maar wel bedekt, dat zijn succes grotendeels te danken was aan zijn geleerdheid en zijn welsprekendheid? Aan de andere kant bent u een man tegengekomen die ruw in zijn taal en onbehouwen in zijn manieren was. En die duidelijk geen grote letterkundige ontwikkeling had. Toch heeft God die man het ene talent van een ernstig hart gegeven. Hij spreekt als een zoon des donders. In ruwe, strenge taal veroordeelt hij de zonde en verkondigt hij het Evangelie. En onder zijn prediking worden honderden bekeerd. De wereld spot met hem. “Ik zie hier geen enkele reden voor,” zegt de geleerde, “het is allemaal onzin en vrome praat; de man weet niets.”

De criticus neemt zijn pen, snijdt haar opnieuw aan en doopt haar in de bitterste inkt die hij kan vinden. En dan schrijft hij een allerprachtigste geschiedenis van de man, waarin hij niet zo ver gaat te zeggen dat hij hoorns op zijn hoofd ziet. Maar wel bijna zover. Hij is alles wat slecht is en niets wat goed is. Hij wordt volkomen veroordeeld. Hij is dwaas, hij is ijdel. Hij is laag, hij is trots. Hij is ongeletterd, hij is ordinair. Er is in de hele taal geen woord dat slecht genoeg voor hem is. En daarom moet er een nieuw woord voor bedacht worden. En wat zegt de gemeente nu? Wat zegt de man zelf? “Ja, Heere, nu komt U de eer toe tot in eeuwigheid, omdat U het onedele der wereld en het verachte hebt uitverkoren. En hetgeen niets is. Opdat U hetgeen iets is, te niet zou maken.” Zo lijkt het dat God soms meer eer behaalt uit het kleine dan uit het grote. En ik twijfel er niet aan dat Hij sommigen van u heeft gemaakt met weinig vermogen om goed te doen, met weinig invloed en met een kleine werkkring. Opdat Hij op de laatste grote dag aan de engelen kan tonen hoeveel Hij in een kleine ruimte kan doen.

U weet, beste vrienden, dat er twee dingen zijn die altijd onze aandacht trekken. Het ene is kunstvaardigheid in een reusachtig groot werk. Wij zien het grote schip, de Leviathan. En wij staan versteld dat een mens het heeft kunnen bouwen. Een andere keer zien wij een sierlijk kunstwerkje dat op minder dan een vierkante duim kan staan. En wij zeggen: “Ik kan begrijpen dat mensen een groot schip kunnen bouwen. Maar ik begrijp niet hoe een kunstenaar het geduld en de vaardigheid kan hebben om zoiets kleins te maken.” Ach, mijn vrienden, het komt mij voor dat God in onze ogen niet groter is wanneer wij de grenzeloze velden van het luchtruim zien en de ontelbare hemellichamen die daarin zweven, dan wanneer wij een eenvoudige vrouw in een hutje zien. En wanneer wij aanschouwen hoe Gods volmaakte werk in haar ziel wordt volbracht. En hoe uit haar kleine talent Gods hoogste eer wordt bewerkt. Zeker, als de mens zich in het kleine evengoed kan eren als in het grote, dan kan de Oneindige en Eeuwige Zich het meest verheerlijken wanneer Hij Zich neerbuigt tot de geringheid van de mens.

2. Onze tweede stelling was DAT ZELFS VAN WEINIGE TALENTEN REKENSCHAP GEGEVEN MOET WORDEN. Wanneer wij aan de dag des oordeels denken, zijn wij erg geneigd ons voor te stellen dat sommigen een zwaardere beproeving zullen ondergaan dan anderen. Ik weet dat ik bij het lezen van de geschiedenis van Napoleon vaak onwillekeurig heb gezegd: “Hier is een man van ongekende bekwaamheid, de meester van de wereld. Er zouden misschien twaalf eeuwen nodig zijn om weer zo’n man voort te brengen. Maar hier is ook een man die al zijn bekwaamheid verkwanselt aan zijn eerzucht, die zijn legers als een verwoestende vloed over elk land voert en vrouwen tot weduwen en kinderen tot wezen maakt. Niet bij honderden, maar bij duizenden. Zo niet bij miljoenen. Welk een ernstige rekenschap zal hij moeten afleggen als hij voor de troon van God staat! Zullen de getuigen niet opstaan uit de velden van Spanje, Rusland, Italië, Egypte. En Palestina, om de man aan te klagen die hen, om zijn eigen vermetele eerzucht te bevredigen, de dood in heeft gejaagd?” Maar wilt u wel bedenken dat, hoewel Napoleon als beschuldigde voor de rechtbank zal moeten staan, ieder van ons daar ook zal moeten staan?

En hoewel onze positie niet zo hoog is en wij niet op de top van de roem hebben gestaan, hebben wij toch hoog genoeg gestaan om onder het oog van de Allerhoogste te komen. En wij hebben juist genoeg bekwaamheid en macht gehad om kwaad te doen in de wereld. En om daarvoor verantwoordelijk te zijn. “O,” zegt iemand, “ik dacht dat Hij mij op de dag des oordeels zeker wel voorbij zou gaan. Ik ben geen Tom Paine (een bekend ongelovig schrijver) geweest. Ik ben geen leider geweest onder platvloerse ongelovigen. Ik ben geen moordenaar geweest. Ik ben geen vorst onder de zondaars geweest. Ik heb de openbare vrede niet verstoord. De enkele zonden die ik heb gedaan, zijn in alle stilte gebeurd. Niemand heeft ervan gehoord. En ik denk niet dat mijn slechte voorbeeld ver is doorgewerkt. Mijn kinderen zijn misschien niet erg gezegend door mijn gedrag, maar toch heb ik maar heel weinig kwaad gedaan. Te weinig om iemand anders dan mijzelf te vergiftigen. Ik heb over het geheel zo’n redelijk fatsoenlijk leven geleid. En hoewel ik niet kan zeggen dat ik God heb gediend, zijn mijn tekortkomingen in mijn plicht werkelijk gering geweest!” Ach, vrienden, u mag uzelf zo klein maken als u wilt.

Maar al maakt u zich nog zo onbeduidend, dat zal u niet verontschuldigen. Er is u maar weinig toevertrouwd? Dan kostte het u ook des te minder moeite om uw talenten goed te gebruiken. Wie veel talenten heeft, moet hard werken om ze allemaal goed te besteden. Hij zou kunnen aanvoeren dat vijf talenten te veel waren om ze tegelijk op de markt te brengen. U hebt er maar één. Iedereen kan zijn ene talent op rente zetten; dat kost u maar weinig moeite. En als u leeft en sterft zonder met dat ene talent te hebben gewoekerd, wordt uw schuld des te zwaarder, juist doordat uw talent zo klein was. En het u dus ook maar weinig moeite zou hebben gekost het te gebruiken. Als u maar weinig had, vroeg God ook maar weinig van u. Waarom hebt u dat weinige dan niet gegeven? Als iemand een huis huurt voor een pond per jaar, hoe klein het huis voor dat geld ook is, en hij brengt zijn huur niet, dan heeft hij nog niet de helft van de verontschuldiging die hij zou hebben als zijn huur honderd pond was geweest. En hij die niet had kunnen betalen. Juist omdat er zo weinig van u gevraagd werd, bent u des te minder te verontschuldigen. Laat mij u er dan aan herinneren dat u rekenschap zult moeten afleggen.

Bedenk, mijn hoorder, dat u op de dag des oordeels persoonlijk rekenschap zult moeten afleggen. God zal u niet vragen wat uw kerk gedaan heeft. Hij zal u vragen wat u zelf gedaan hebt. Neem nu de zondagsschool. Als God alle leden van de gemeente samen als één lichaam zou ondervragen, zou ieder van hen zeggen: “Heere, als lichaam hadden wij een uitstekende zondagsschool met veel onderwijzers.” En zo zouden zij zich verontschuldigen. Maar nee, één voor één moeten alle belijders voor Hem verschijnen. “Wat hebt u voor de zondagsschool gedaan? Ik heb u de gave gegeven om kinderen te onderwijzen; wat hebt u gedaan?” “Heere, er was een zondagsschool.” Dat doet hier niet ter zake. Wat hebt u gedaan? U hoeft nu geen rekenschap te geven van het gezelschap waarmee u verbonden was, maar van uzelf als persoon. “O,” zegt iemand, “er waren zoveel arme predikanten. Ik was in de Surrey Hall, en er werd zoveel voor hen gedaan.” Ja, maar wat hebt u gedaan?

U bent persoonlijk verantwoordelijk voor uw eigen bezit en voor uw eigen bekwaamheid. “Het doet mij genoegen,” zegt iemand, “dat er tegenwoordig veel meer gepreekt wordt dan vroeger. De kerken lijken wakker geschud.” Ja, meneer, en u lijkt een deel van de eer daarvan voor uzelf op te eisen. Preekt u meer dan vroeger? U bent predikant; doet u meer moeite dan voorheen? Bedenk dat u voor de rechterstoel van God niet ter verantwoording wordt geroepen voor wat uw broeders doen, maar voor wat u doet. En aan ieder van u zal de vraag worden gesteld: “Wat hebt u met uw talent gedaan?” Al uw banden met kerken zullen u niets baten. Uw persoonlijke daden, uw persoonlijke dienst aan God worden van u gevraagd als bewijs van zaligmakende genade. En als anderen traag zijn, als anderen God niet geven wat Hem toekomt, dan is dat juist een reden te meer waarom u zelf des te ijveriger had moeten zijn.

Bedenk verder dat uw rekenschap tot in bijzonderheden zal gaan. God zal alle posten ervan nagaan. Op de dag des oordeels kunt u niet haastig een globale afrekening opmaken, maar elke post zal worden voorgelezen. Kunt u dat bewijzen? Ja: “Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.” Juist in de afzonderlijke posten gaan mensen in de fout. “Als ik mijn leven in zijn geheel bekijk,” zegt iemand, “dan schaam ik mij niet zo erg. Maar het zijn die posten, die kleine posten: dat is het lastige deel van de rekening, waar je liever niet aankomt.” Weet u dat de dag van gisteren helemaal uit kleinigheden bestond? Wat u vandaag doet, is allemaal klein. En wat u morgen doet, zullen ook allemaal kleine dingen zijn.

Zoals de kleine schelpjes samen de krijtheuvels vormen en de krijtheuvels samen de bergketen, zo vormen de kleine, nietige daden samen de hele rekening. En elk daarvan moet afzonderlijk worden nagegaan. U had laatst een uur over; wat hebt u ermee gedaan? U had een stem; hoe hebt u die gebruikt? U had een pen; die kon u gebruiken. Hoe hebt u die besteed? Elke zaak zal afzonderlijk aan de orde komen en voor elke zaak zal rekenschap worden gevraagd. O, was u maar wijs, zodat u niet luchtig over deze zaak heen liep, maar op elke toon in de muziek van uw levenswandel lette. En elke toon met de andere in harmonie probeerde te brengen, opdat de psalm van uw leven ten slotte geen afschuwelijke wanklank blijkt te zijn. O, mocht u die nog zonder God bent, toch bedenken dat uw leven zeker zo is dat het gericht van de laatste grote dag op uw veroordeling moet uitlopen.

Verder: die rekenschap zal zeer nauwkeurig zijn. En u komt niet weg zonder die kleine dingen. “O, dat waren maar een paar kleine misstapjes, heel onbeduidende zaken. Ik heb ze nooit opgeteld.” Maar op die dag worden ze allemaal opgeteld. Wanneer God ten slotte in ons hart komt kijken, zal Hij niet alleen op het grote letten, maar ook op het kleine. Alles zal onderzocht worden, de zonden van centen evengoed als de ongerechtigheden van ponden. Alles zal tegen ons worden ingebracht en er zal nauwkeurig rekenschap gegeven moeten worden.

Bedenk ten slotte op dit punt nog dat de rekenschap op de dag des oordeels volkomen onpartijdig zal zijn, wanneer allen berecht worden zonder enig aanzien van hun rang of stand. De vorst zal worden opgeroepen om rekenschap te geven van zijn talenten. En naast hem moeten zijn hoveling en zijn slaaf staan. De machtigste keizer moet evengoed voor Gods rechterstoel staan als de geringste bewoner van een hut. Allen moeten verschijnen en geoordeeld worden naar de daden die zij in het lichaam gedaan hebben. Onze belijdenis zal ons niets baten. Wij kunnen de hoogmoedigste huichelaars zijn geweest die de wereld ooit met hun trots misselijk hebben gemaakt. Maar wij moeten even grondig doorzocht en onderzocht worden als wanneer wij de snoodste zondaars waren geweest.

Wij moeten zelf terechtstaan voor Gods eeuwige rechterstoel, en niets kan onze Rechter beïnvloeden of Hem, los van de bewijzen, gunstig of ongunstig voor ons stemmen. O, hoe ernstig maakt dit het gericht, vooral als wij geen bloed van Christus hebben om op te pleiten! De grote Voorspraak zal door Zijn toegerekende verdiensten vrijspraak voor Zijn volk verkrijgen, al zouden hun zonden op zichzelf hen veroordelen. Maar bedenk dat wij zonder Hem nooit de vuurproef van die laatste, vreselijke rechtszitting zullen kunnen doorstaan. “Toen de wet gegeven werd,” zei een oude prediker, “rookte de Sinaï en smolt als was. Maar wanneer de straf van de wet wordt voltrokken, zal de hele aarde beven en sidderen. Want wie zal de dag des Heeren kunnen verdragen, de dag van Gods brandende toorn?”

3. Ons laatste punt is: INDIEN DOOR GODS GENADE (en het is alleen door Gods genade dat dit ooit geschieden kan) ONZE TWEE TALENTEN OP DE RECHTE WIJZE GEBRUIKT WORDEN, DAN ZAL HET FEIT DAT WIJ ER GEEN VIJF HADDEN, ONS VOLSTREKT NIET SCHADEN OF BENADELEN.

U zegt: wanneer zo’n man sterft, die midden in de gemeente stond als een zegevierend strijder voor de waarheid, dan zullen de engelen zich bij de poort van de hemel verdringen om hem te zien, want hij is een machtig held geweest. En hij heeft veel voor zijn Meester gedaan. Met welk gejuich zullen een Calvijn en een Luther ontvangen worden: mannen met talenten, die trouw zijn geweest aan wat hun was toevertrouwd! Ja, maar weet u niet dat er menige eenvoudige dorpspredikant is wiens kudde nauwelijks vijftig zielen telt, die voor hen zwoegt alsof zijn leven ervan afhangt, die uren in gebed doorbrengt voor hun welzijn en die al zijn kleine bekwaamheid gebruikt in zijn streven om hen voor Christus te winnen? Denkt u dat zijn intocht in de hemel minder triomfantelijk zal zijn dan die van een man als Luther? Zo ja, dan weet u niet hoe God met Zijn volk handelt. Hij beloont hen niet naar de grootte van de goederen die hun waren toevertrouwd, maar naar hun trouw daarin.

En wie in het minste getrouw is geweest, zal even rijk beloond worden als wie in veel getrouw is geweest. Sla het hoofdstuk nog eens op om dit te zien. U ziet allereerst dat de man met twee talenten met evenveel vertrouwen tot zijn heer kwam als de man die er vijf had. “En zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.” Ik durf te zeggen dat die arme man, terwijl hij met zijn twee talenten handel dreef, vaak naar zijn buurman met de vijf talenten heeft gekeken en heeft gezegd: “Och, kon ik maar evenveel doen als hij! Kijk, hij heeft vijf talenten uit te zetten; hoeveel rente krijgt hij niet elk jaar binnen! Och, kon ik maar evenveel doen!” En onderweg heeft hij vaak gebeden: “O Heere, geef mij meer bekwaamheid en meer genade om U te dienen, want ik verlang ernaar meer te doen.” En toen hij ging zitten om zijn dagboek te lezen, dacht hij: “Ach, dit dagboek vertelt niet veel.

Er staat niets in over een reis door vijftig graafschappen. Ik kan niet vertellen dat ik zoals Paulus van land tot land ben getrokken om de waarheid te prediken. Nee, ik moest gewoon in deze gemeente blijven, waar ik bijna van honger omkwam terwijl ik voor deze mensen zwoegde. En als ik tien of twaalf mensen aan de gemeente heb mogen toevoegen, was dat voor mij al heel veel. Ik hoor dat dominee Die-en-die het voorrecht had er twee- of driehonderd in één jaar toe te voegen. O, kon ik dat ook maar! Als ik naar de hemel ga, zal ik zeker op de een of andere manier door de deur naar binnen moeten sluipen, terwijl hij door genade vrijmoedig zal kunnen binnengaan, met zijn schoven.” Stop, arme kleingelovige, stop! Uw Meester zal zo niet met u handelen. Wanneer u gaat sterven, zult u door Zijn genade met uw twee goed bestede talenten even vol vertrouwen sterven als uw broeder met zijn tien. Want wanneer u daar komt, zult u de lieflijke tegenwoordigheid van uw Heere genieten. En u zult zeggen: “In Christus ben ik volmaakt. De gerechtigheid van Christus bedekt mij van hoofd tot voeten.

En nu ik terugzie op mijn leven, kan ik zeggen: geloofd zij Zijn heilige Naam. Het is weinig wat ik heb kunnen doen, maar ik heb voor Hem zoveel gedaan als ik kon. Ik weet dat Hij mijn gebreken zal vergeven en mijn misstappen zal kwijtschelden. En ik zal nooit zonder grote vreugde terugzien op mijn nederige dorpsgemeente, omdat de Heere mij toestond daar te arbeiden.” O, het komt mij voor dat die man in zijn eigen geweten een nog rijkere goedkeuring zal vinden dan de man die in het openbaar werd toegejuicht. Want nadat hij al zijn vertrouwen op Christus heeft gesteld, kan hij tegen zichzelf zeggen: “Ik weet zeker dat ik dit alles niet voor de roem heb gedaan, want ik bloeide ongezien; mijn geur is verwaaid in de woestijnlucht. Niemand heeft ooit van mijn daden gelezen. Wat ik deed, bleef tussen mij en mijn God. En ik kan Hem er rekenschap van geven en zeggen: Heere, ik deed het voor U en niet om mijzelf te eren.” Ja, vrienden, ik zou u nu kunnen vertellen van vele tientallen ijverige evangelisten in ons land die harder werken dan ieder van ons en toch veel minder eer ontvangen. Ja, en ik zou u vele tientallen stadszendelingen kunnen noemen wier arbeid voor Christus boven alle lof verheven is, maar die hier nooit veel loon kregen en eerder geringschatting en minachting ontmoeten. U ziet die arme man vandaag op weg gaan zodra hij uit het kerkgebouw komt.

Hij moet vanmiddag drie uur bij de zieken doorbrengen. En maandagmorgen ziet u hem weer op pad. Hij moet van huis tot huis gaan, waarbij de deur vaak voor zijn neus wordt dichtgeslagen. Vaak staat hij bloot aan het gepeupel en aan dronken mannen, en soms wordt hij uitgelachen en bespot. Hij ontmoet mensen van allerlei godsdienstige richting. En ook mensen zonder enige godsdienst. Hij zwoegt voort. En hij heeft zijn kleine avondbijeenkomst. Daar brengt hij een klein kuddetje bijeen en probeert met hen te bidden. Nu en dan ziet hij een man of een vrouw tot bekering komen, maar eer krijgt hij niet. Hij neemt zo iemand mee naar de predikant en zegt: “Dominee, hier is een goede man; ik denk dat hij werkelijk getroffen is. Wilt u hem dopen en in uw gemeente opnemen?” De predikant krijgt daar alle eer van.

Maar over de arme stadszendeling wordt weinig of niets gezegd. Misschien wordt in het jaarverslag soms even zijn naam genoemd, meneer Brown of meneer Smith. Maar de mensen denken niet veel aan hem, behalve misschien als iemand aan wie zij liefdadigheid moeten bewijzen. Terwijl hij juist degene is die hun liefdadigheid bewijst. Hij geeft al het merg en bloed van zijn leven voor een armzalige zestig pond per jaar, nauwelijks genoeg om zijn gezin voor gebrek te bewaren. Maar wanneer hij sterft, mijn vriend, zal hij niet minder de goedkeuring van zijn geweten hebben dan de man die voor grote menigten mocht staan. En die een heel volk in beweging bracht vanwege de godsdienst. Hij zal voor de Meester verschijnen, bekleed met de gerechtigheid van Christus. En zonder te blozen zal hij zeggen: “Twee talenten heb ik ontvangen; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.”

En nu, tot besluit: u ziet dat er geen verschil was in de lof van zijn Meester. Evenmin in de beloning. In beide gevallen was het: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.” Hier komt Whitefield, de man die voor twintigduizend mensen tegelijk het Evangelie preekte. Die in Engeland, Schotland, Ierland en Amerika de waarheid van God heeft betuigd. En die zijn bekeerlingen bij duizenden kon tellen, zelfs onder één preek! Hier komt hij, de man die vervolging en smaad heeft verdragen. En toch niet wankelde. De man die de wereld niet waardig was. Die leefde voor zijn medemensen.

En die ten slotte voor hun zaak is gestorven. Sta erbij, o engelen. En bewonder hoe de Meester hem bij de hand neemt en zegt: “Wel gedaan, wel gedaan, gij goede en getrouwe dienstknecht; ga in, in de vreugde uws heeren!” Zie hoe de vrije genade de man eert die zij in staat stelde dapper te arbeiden. Hoor! Wie komt daar? Een arm, mager schepsel, dat op aarde aan de tering leed. Nu en dan had zij een koortsige blos op haar wangen. En drie lange jaren lag zij op haar ziekbed. Was zij een prinsendochter? Want de hemel lijkt veel ophef over haar te maken. Nee, zij was een arm meisje dat met haar naald haar brood verdiende en zich doodgewerkt heeft. Steek na steek, steek na steek, van de morgen tot de avond! En hier komt zij nu. Zij is vóór haar tijd in het graf gedaald, maar zij komt de hemel binnen als een korenschoof die volledig rijp is. En haar Meester zegt: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.”

Zij neemt haar plaats in naast Whitefield. Vraag wat zij ooit gedaan heeft. En u ontdekt dat zij op een zolderkamertje achterin woonde, in een donker steegje in Londen. En dat er een ander arm meisje bij haar kwam werken. En dat dit meisje, toen zij voor het eerst bij haar kwam, een vrolijk en lichtzinnig schepsel was. En dat dit teringlijdende kind haar over Christus vertelde. En dat zij, als zij zich goed genoeg voelde, ‘s avonds samen naar buiten slopen om naar een kapel of kerk te gaan. In het begin was het moeilijk de ander mee te krijgen, maar zij drong er liefdevol bij haar op aan. En als het meisje wat losbandig werd, gaf zij haar nooit op. “O Johanna,” zei zij dan, “ik wou zo graag dat je de Zaligmaker liefhad.” En als Johanna er niet was, bad zij voor haar. En als zij er wel was, bad zij met haar. En nu en dan, terwijl zij zat te naaien, las zij haar een bladzijde uit de Bijbel voor, want de arme Johanna kon niet lezen. En met vele tranen probeerde zij haar te vertellen over de Zaligmaker, Die haar liefhad en Zichzelf voor haar had overgegeven. Eindelijk, na vele dagen van moeizaam overreden, na vele uren van droevige teleurstelling en na vele slapeloze nachten van gebed en tranen, mocht zij het ten slotte beleven.

Het meisje beleed haar liefde voor Christus. Toen verliet zij haar en werd ziek. Daar lag zij, totdat zij naar het ziekenhuis werd gebracht, waar zij stierf. In het ziekenhuis had zij een paar traktaatjes, die zij gaf aan wie haar kwamen bezoeken. Zo mogelijk probeerde zij de vrouwen om zich heen te verzamelen om hun een traktaatje te geven. In het begin van haar verblijf daar kroop zij, als het lukte, uit bed om naast een stervende te gaan zitten. En de verpleegster liet haar dat toe, totdat zij ten slotte zelf te ziek werd. Toen vroeg zij een arme vrouw aan de andere kant van de zaal, die herstellende was en weg zou gaan, of zij bij haar wilde komen om haar een hoofdstuk voor te lezen. Niet dat zij het voor zichzelf nodig had, maar om die vrouw zelf. Want zij dacht dat het haar hart misschien zou treffen terwijl zij het las. Eindelijk stierf dit arme meisje en ontsliep in Jezus. En tot de arme teringlijdende naaister was gezegd: “Wel gedaan.” Wat had een aartsengel meer tot haar kunnen zeggen? “Zij heeft gedaan, hetgeen zij kon.”

U ziet dus dat de lof van de Meester en de uiteindelijke beloning gelijk zullen zijn voor allen die hun talenten goed gebruikt hebben. Ach, als er trappen in de heerlijkheid zijn, dan worden die niet verdeeld naar onze talenten, maar naar onze trouw in het gebruik ervan. Of er zulke trappen zijn of niet, weet ik niet. Maar dit weet ik: tot wie de wil van zijn Heere doet, zal gezegd worden: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht.”

En nu, vrienden, nog maar één woord. Ik heb u verteld dat er in ons kerkverband velen zijn die voortdurend het Evangelie prediken. Ik zou enkele brieven moeten meebrengen die arme predikanten ons schrijven, om ze voor te lezen. Maar soms vind ik dat een schending van de kiesheid, en dat doe ik niet graag. Toch was de collecte, toen ik het één jaar wel deed, bijna twee keer zo hoog. Daarom denk ik dat ik bijna wel tegen de goede vormen mag zondigen om hen te helpen. Hoe dan ook, ik kan u plechtig verzekeren dat als er ergens armoede is, die te vinden is onder de predikanten in de baptistengemeenten. En helaas moet ik zeggen dat de mensen daar zelf voor een deel schuld aan hebben: zij zijn zo weinig gewend te geven dat hun predikanten honger lijden. Als Christus hierna tot menige nederige prediker zal zeggen: “Wel gedaan”, denkt u dan dat het Zijn bedoeling is dat de gemeente hen hier laat verhongeren op dertig of veertig pond per jaar? Broeders, als Christus ten slotte “Wel gedaan” zal zeggen, dan mogen wij op Zijn oordeel vooruitlopen en vandaag al “Wel gedaan” zeggen. En hoe kunnen wij dat beter zeggen dan door de dorsende os niet te muilbanden en deze arme predikanten, zoals God ons helpt, iets van ons eigen bezit te geven, opdat in hun noden wordt voorzien? Er zullen volgend jaar zo’n twintig mensen afhankelijk zijn van wat u dit jaar geeft; denk daar misschien aan en help hen. Een vriendelijke heer die hier gewoonlijk komt, schrijft: “Ik kon vandaag niet komen, daarom stuur ik mijn pond, om door de predikant in de collectebus gedaan te worden.” En ik hoop dat wie vandaag niet hier is maar volgende zondag wel komt, deze collecte niet zal vergeten. Zij ligt mijn gemeente altijd zeer na aan het hart.

Preek nr. 175 · Gehouden in de Music Hall, Royal Surrey Gardens te Londen, zondagmorgen 31 januari 1858, New Park Street Pulpit deel 4. Oorspronkelijke titel: “The Two Talents”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content